HOOFDSTUK IX

In welken toestand Diego zijne familie vond en na welke genietingen

Gil Blas en hij scheidden.

Dien dag gingen wij slapen tusschen Moyados en Valpuesta in een klein

dorpje, waar ik den naam van vergeten ben, en den volgenden morgen

kwamen wij tegen elf uur in de vlakte van Almedo aan. "Waarde heer Gil

Blas," zeide mijn metgezel, "dit is nu mijn geboorteplaats; ik kan het

niet aanschouwen zonder in vervoering te geraken, zoo natuurlijk is

het van zijn vaderland te houden." Toen wij wat dichter bij kwamen,

was er genoeg om ons mee bezig te houden.

Op eenigen afstand van elkander waren drie groote vlaggen opgehangen

en dicht daarbij waren een aantal koks bezig een feest aan te

richten. Eenigen dekten lange tafels, opgericht onder tenten;

anderen vulden de kruiken. Er stonden braadpannen op het vuur

en elders draaide men braadspitten, waaraan alle soorten vleesch

hingen. Maar nog meer aandacht had ik voor een groot tooneel, dat

men had opgeslagen. Het was bekroond door een decoratie van carton,

beschilderd in verschillende kleuren en overdekt met latijnsche

en grieksche spreuken. Zoodra zag de barbier die opschriften niet

of hij zeide mij, dat al die grieksche woorden erg naar zijn oom

Thomas roken. "Ik wed dat hij er de hand in heeft," zeide hij,

"want onder ons gezegd is het een bekwaam man. Hij kent een aantal

leerboeken uit zijn hoofd. Het is om je geduld te verliezen, zooals

hij onophoudelijk heele bladzijden in het gesprek werpt. Bovendien

is hij een geleerd oudheidkenner. Zonder hem zouden wij niet weten

dat in Athene de kinderen huilden als men ze met de zweep sloeg;

wij danken deze ontdekking aan zijn diepgaande geleerdheid."

De lust kwam bij ons op te weten waarvoor al die toebereidselen

werden gemaakt. Wij gingen informeeren, toen Diego in een sinjeur,

die de leiding van het feest scheen te hebben, zijn oom Thomas de

la Fuente herkende. De schoolmeester herkende den jongen barbier

eerst niet, zoo was hij in tien jaren veranderd. Daar hij dit toch

niet kon zeggen, omhelsde hij hem hartelijk en zei: "Wel Diego,

mijn waarde neef, ben je dus terug in de stad die je heeft zien

geboren worden? Je komt je huisgoden dus weer opzoeken en de hemel

heeft je veilig en wel naar je familie geleid. O, drie en vier

maal gelukkige! Er is veel nieuws, mijn vriend," vervolgde hij,

"uw oom Pedro, de litterator, is het slachtoffer van Pluto geworden,

drie weken geleden is hij gestorven; die gierigaard vreesde dat hem in

zijn leven het noodigste zou ontbreken, hij was zoo dol op het geld en

de liefde, dat hij er heelemaal van uitgedroogd is. Behalve de groote

jaargelden, die eenige grooten hem hadden vermaakt, gaf hij per jaar

geen tien pistolen uit; hij had zelfs een lakei, die niet in den kost

was, die dwaas stapelde al het goud en geld op, dat hij maar bijeen

kon rapen. En voor wie? Voor erfgenamen die hij niet zien wilde. Hij

was dertigduizend dukaten rijk, die je vader, je oom Bertrand en ik

hebben gedeeld. Mijn broer Nicolaas heeft al over uw zuster Theresa

beschikt; hij heeft haar uitgehuwelijkt aan den zoon van een van onze

alcades. En die bruiloft vieren wij al twee dagen lang. Wij hebben in

de vlakte die tenten opgericht en daar vervullen de drie erfgenamen

van Pedro elk op hun beurt een dag de rol van gastheer. Was je maar

eerder gekomen, dan zou je eens wat gezien hebben.

Eergisteren, op den trouwdag, droeg je vader de kosten. Gisteren je

oom de kruidenier en vandaag is alles voor mijn rekening en ik zal

den burgers van Almedo een schouwspel van mijn vinding geven. Het

einde zal het werk bekronen. Ik heb een tooneel doen opslaan, waar

ik met Gods hulp door mijn leerlingen een door mij geschreven stuk

zal doen opvoeren, getiteld: "De geneugten van Mulay Bugentuf, koning

van Marocco". Het zal prachtig gespeeld worden. Het zijn kinderen uit

Penafiel en Segovia, die bij mij inwonen. Uitstekende acteurs! Over

het stuk wil ik niet spreken, dat moet een verrassing blijven."

Toen hij deze woorden gesproken had, zagen wij uit het dorp een

grooten troep menschen komen. Het waren de jonggehuwden, vergezeld

van hunne bloedverwanten en vrienden en voorafgegaan door een

twaalftal muzikanten. Wij gingen hen tegemoet en Diego maakte zich

bekend. Vreugdekreten stegen uit hun gezelschap op en iedereen haastte

zich hem te begroeten. Zijn geheele familie en iedereen die aanwezig

was, overlaadde hem met omhelzingen, waarna zijn vader hem zeide:

"Wees welkom, Diego! Gij vindt uwe ouders wat dikker terug, mijn

jongen; meer zeg ik nu nog niet; onderdehand zal ik je alles wel

uitleggen." Ondertusschen begaf iedereen zich onder de tenten en nam

plaats om de gedekte tafels. Ik verliet mijn metgezel niet en wij

aten beiden aan tafel met de jonggehuwden.

Na het feest toonden de gasten groot ongeduld om het stuk van den heer

Thomas te zien, daar zij er niet aan twijfelden of het product van

zulk een schoon genie verdiende te worden aangehoord. Wij gingen naar

het tooneel, waar men in groote stilte het begin afwachtte. De acteurs

verschenen en met het stuk in de hand zette de auteur zich tusschen

de coulissen om te souffleeren. Hij had ons terecht reeds gezegd, dat

het tragisch was, want in de eerste acte doodde de koning van Marokko,

bij wijze van tijdverdrijf, honderd moorsche slaven met pijlschoten;

in de tweede acte sloeg hij dertig portugeesche officieren, die een

van zijne kapiteins krijgsgevangen had gemaakt, het hoofd af en in

de derde eindelijk stak deze monarch, zat van zijn vrouwen, zelf

een afgelegen paleis in brand, waar deze waren opgesloten en deed

dit met haar in vlammen opgaan. De moorsche slaven en de portugeesche

officieren waren zeer kunstig van riet gemaakt en het paleis, in elkaar

gezet van carton, scheen omringd door een vuurwerk. Dit, begeleid

door duizend klaagkreten, die uit de vlammen schenen op te stijgen,

ontknoopte het stuk op een zeer vermakelijke manier. De geheele vlakte

weerklonk van de toejuichingen, welke die schoone tragedie ontving.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 1 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 36 / 67 题