Geschiedenis van den barbiersjongen.
Ferdinand Perès de la Fuente, mijn grootvader (gij ziet dat ik
ver genoeg begin), stierf na vijftig jaar de barbier van Almédo te
zijn geweest en liet vier zonen na. De oudste, Nicolaas, maakte zich
meester van den winkel en volgde hem op; Bertrand, de tweede, had den
handel in het hoofd en werd marskramer, en Thomas, die de derde was,
werd schoolmeester. Wat Pédro, de vierde, betreft, deze voelde zich
aangetrokken tot de schoone letteren; hij verkocht het stukje land,
dat hij als erfdeel had ontvangen, en ging in Madrid wonen, waar hij
zich eens hoopte te onderscheiden door zijn geest. De drie andere
broers gingen niet van elkander, zij vestigden zich allen in Almédo,
en trouwden met dochters van landbouwers, die weinig goed aanbrachten,
maar ter vergoeding een groote vruchtbaarheid. Zij wedijverden in het
kinderen maken. Mijn moeder, de vrouw van den barbier, bracht voor
haar aandeel in de vijf eerste jaren van haar huwelijk zes stuks ter
wereld. Daaronder was ik. Mijn vader leerde mij al heel vroeg scheren
en toen ik vijftien jaar was, belastte hij mijn schouders met dezen
zak, gordde mij een langen degen aan en zeide: "Ziezoo, je bent nu in
staat je brood te verdienen, ga het land nu maar afloopen. Gij moet
reizen om je in de kunst te volmaken, ga heen en kom niet eerder in
Almédo terug, dan nadat je Spanje bent rond geweest; laat ik voor
dien tijd niets van je hooren!" Bij deze woorden omhelsde hij mij
vriendschappelijk en zette mij buitenshuis.
Zoo was het afscheid met mijn vader. Mijn moeder, die minder ruw
van aard was, scheen zich meer aan te trekken van mijn vertrek. Zij
liet haar tranen den vrijen loop en stopte mij zelfs tersluiks een
dukaat in de hand. Zoo ging ik dus uit Almédo en sloeg den weg naar
Segovia in. Ik had geen twee honderd pas gedaan, of ik stond stil om
te zien wat er in den zak was. Ik vond er twee scheermessen in, die
al tien generaties schenen dienst te hebben gedaan, zoo versleten
waren ze, met een aanzetriem en een stuk zeep. Verder was er een
splinternieuw hemd in, een paar oude schoenen van mijn vader en wat
mij meer verheugde dan de heele rest, twintig realen, ingepakt in
een stukje linnen. Dat waren mijn bezittingen. Gij ziet hoe meester
Nicolaas, de barbier, rekende op mijn gewikstheid, daar hij mij met
zoo weinig liet vertrekken. Nochtans liet het bezit van een dukaat
en twintig realen niet na een jongmensch, dat nooit geld had gehad,
te verblinden. Ik meende dat mijn finantiën onuitputtelijk waren en
vol vreugd vervolgde ik mijn weg, af en toe de greep van mijn rapier
beschouwend, waarvan het lemmet mij bij elken pas tegen de kuit sloeg
of tusschen mijn beenen verward raakte.
Ik kwam dien avond erg hongerig aan in Adaguines. Ik ging logeeren in
de herberg en alsof ik groote verteringen kon maken, vroeg ik op hoogen
toon een souper. De waard keek mij eens aan en ziende met wien hij te
maken had, zeide op zoeten toon: "Edele heer, gij zult voldaan zijn,
men zal u als een prins behandelen." Zoo pratende bracht hij mij in een
kleine kamer, waar hij mij een kwartier later een hazepastei van een
kat bracht. Om als een prins te worden behandeld, moest ik vervolgens
gaan slapen in een bed, dat allen slaap ontnam inplaats van die te
bevorderen. Stel u voor een armzalig nauw ledikant, zoo kort dat ik
mijn beenen niet kon uitstrekken, hoe klein ik ook was. Verder was er
bij wijze van matras en veeren bed niet anders in dan een stroozak,
bedekt met een dubbel gevouwen laken, dat sedert de laatste maal
zeker wel honderd reizigers gediend had.
Toen ik den volgenden dag goed ontbeten had en goed betaald had voor de
goede ontvangst, ging ik in éen door naar Segovia. Zoodra ik er was,
had ik het geluk een winkel te vinden waar men mij aannam voor kost
en inwoning; maar daar bleef ik maar zes maanden; een barbiersjongen
met wien ik kennis had gemaakt en die naar Madrid wilde, haalde mij
over met hem mee te gaan. Zonder moeite kreeg ik daar een plaats
op dezelfde voorwaarde als in Segovia. Ik kwam in een van de meest
beklante zaken. Ik maakte daar kennis met menschen van allerlei stand;
maar onder anderen ook met komediespelers en schrijvers. Eens waren
twee van die laatste soort samen in den winkel. Zij begonnen over de
dichters van dien tijd te spreken; dat trok mijn aandacht. "Don Juan
de Lavaleta," zeide er een, "is een schrijver waarop het publiek niet
mag rekenen. Dat is een koude natuur, een man zonder verbeelding;
zijn laatste stuk is schrikkelijk uitgefloten." "En Louis Velez
de Guevarra," zeide de ander, "heeft die niet pas een mooi stuk
gegeven?"--"Heeft men ooit iets ellendigers gezien?" Zij noemden nog
meer poëten, wier namen ik vergeten ben, ik weet alleen dat zij er
veel kwaads van vertelden. Voor mijn oom waren zij beter gestemd,
zij waren het beide eens dat hij verdienste had. "Ja," zei de een,
"don Pedro de la Fuente is een uitstekend schrijver; het verwondert
mij niet dat het hof en de stad hem eeren en dat tal van aanzienlijken
hem een rente uitkeeren." "Al jaren lang heeft hij een goed inkomen,"
zei de ander. "Hij woont en eet bij den hertog van Medina Celi;
hij geeft niets uit; hij moet er dus goed inzitten."
Ik verloor geen woord van alles wat de dichters van mijn oom
zeiden. Wij hadden thuis gehoord, dat hij door zijn werken in Madrid
opgang maakte, maar daar hij ons niets van zich liet hooren en hij
weinig aan ons gehecht scheen, waren wij zeer onverschillig voor
hem. "Het bloed kruipt altijd waar het niet gaan kan": zoodra ik
had gehoord dat hij in goeden doen was en ik wist waar hij woonde,
had ik lust hem op te zoeken. Eén ding bracht mij in de war: de
auteurs hadden hem don Pédro genoemd. Dat "don" gaf mij moeite en ik
was bang dat het een andere dichter was dan mijn oom. Dat hield mij
echter niet terug; ik meende dat hij even goed een edelman als man
van geest kon zijn geworden en besloot hem te bezoeken. Tot dat doel
kleedde ik mij op een morgen met toestemming van mijn meester zoo
goed mogelijk en verliet den winkel, niet weinig trotsch de neef te
zijn van zulk een genie. Ik begon al een grooten dunk van mijzelven
te hebben en met een verwaand air liet ik mij het huis van den hertog
van Medina Celi wijzen. Toen ik den portier vroeg den heer Pédro de
la Fuente te spreken, wees hij mij met den vinger aan het einde van
een gang een kleine trap en zeide: "Ga die op en klop dan aan de
eerste deur rechts." Ik deed alzoo. Een jonge man deed open en ik
vroeg hem of don Pédro de la Fuente daar woonde. "Ja," hernam hij,
"maar gij kunt hem nu niet spreken." "Ik zou hem graag zien," zeide ik,
"ik breng hem tijding van zijn familie. "Al hadt gij tijding van den
paus voor hem, dan nog zou ik u nu niet binnenlaten; hij is bezig
te dichten en als hij werkt, wacht ik mij wel hem te storen. Hij is
eerst tegen den middag te spreken, loop wat om en kom dan terug."
Ik ging heen en wandelde den heelen middag door de stad, steeds
denkend aan de ontvangst die mijn oom mij wel zou bereiden. Ik
beoordeelde zijn gevoelens naar de mijne en ik bereidde mij voor
op een zeer treffende erkentelijkheid. Precies op tijd keerde ik
bij hem terug. "Gij komt juist op tijd," zeide zijn lakei, "mijn
meester zal spoedig uitgaan. Wacht hier een oogenblik, dan zal ik u
aanmelden." Daarop liet hij mij in de voorkamer. Een oogenblik later
kwam hij terug en bracht mij bij zijn meester, op wiens gelaat mij
direct de familiegelijkenis trof. Ik groette hem eerbiedig en zeide
hem dat ik de zoon was van meester Nicolaas de la Fuente, barbier in
Olmédo; ik zeide hem ook dat ik sinds drie weken het beroep van mijn
vader in Madrid beoefende in de kwaliteit van barbiersjongen en dat
ik van plan was een reis door Spanje te maken om mij te volmaken in
mijn kunst. Terwijl ik sprak merkte ik, dat mijn oom nadacht. Hij
twijfelde zeker of hij mij als zijn neef zou miskennen ofwel zich
behendig van mij ontslaan; hij koos het laatste. Lachend zeide hij:
"Wel mijn vriend, hoe maken uw vader en uw ooms het? hoe gaat het met
hun zaken?" Ik begon hem te vertellen van de overvloedige voortteling
onzer familie en noemde alle mannelijke en vrouwelijke kinderen op
en zelfs hun peten en meten. Hij scheen zich daar niet erg voor te
interesseeren en zeide: "Diego, ik vind het uitstekend dat je het land
doorgaat om je in je kunst te volleeren, en ik raad je aan niet te lang
in Madrid te blijven, dat is een gevaarlijke verblijfplaats voor de
jeugd, mijn kind. Gij zult beter doen andere steden op te zoeken, daar
zijn de zeden niet zoo verdorven. Ga nu heen," vervolgde hij, "en als
gij klaar bent te vertrekken, kom mij dan nog eens bezoeken; ik zal je
dan een pistool geven om je te helpen je reis te volbrengen." Daarbij
zette hij mij zachtjes buiten de deur.
Ik snapte niet, dat hij mij van zich trachtte te ontdoen. Ik ging naar
onzen winkel terug en deed mijn meester verslag van mijn bezoek. Ook
tot hem drong de bedoeling van don Pédro niet door en hij zeide
dat hij niet van dezelfde meening was als mijn oom. "Inplaats van
je aan te moedigen het land af te gaan, lijkt het mij, dat hij je
eerder moest aanmoedigen hier te blijven. Hij ziet zooveel menschen
van aanzien, dat hij je gemakkelijk een plaats in een groot huis kan
bezorgen en je in staat kan stellen langzaam aan een groot vermogen
te verzamelen." Getroffen door dit gesprek, dat mij vleiende beelden
voorspiegelde, ging ik twee dagen later naar mijn oom en stelde ik
hem voor mij een betrekking te bezorgen bij een of ander heer van het
hof. Maar het voorstel viel niet in zijn smaak. Een ijdel mensch is
niet op zijn gemak als hij aan de tafel zit met de meesters en zijn
neef onder de lakeien ziet: de kleine Diego zou don Pédro hebben
doen blozen.
Hij liet dus niet na mij van dit plan af te brengen en deed dit
zelfs zeer grof. "Wat, kleine losbol, je wilt je beroep vaarwel
zeggen!" zeide hij woedend. "Ga heen, ik laat je over aan de lieden,
die je zulk een verderfelijken raad geven. Pak je weg uit mijn kamer,
en zet er nooit meer een voet in, anders zal ik je laten wegjagen
zooals je verdient." Ik was tamelijk verbluft door deze woorden en
nog meer over den toon waarop mijn oom mij bejegende. Ik ging heen
met de tranen in de oogen en zeer geraakt over zijn ruwheid. Daar ik
echter zeer levendig en trotsch van aard ben, veegde ik spoedig mijn
tranen weg. Mijn droefheid veranderde zelfs in verontwaardiging en
ik besloot dien slechten bloedverwant, zonder wien ik er tot heden
ook wel gekomen was, aan zijn lot over te laten.
Ik dacht aan niets anders meer dan aan de ontwikkeling van mijn
talent en legde mij ijverig op het werk toe. Ik schoor den heelen
dag en om mijn geest afleiding te geven, speelde ik 's avonds op
den guitaar. Mijn meester op dit instrument was een oude senor
escudero, dien ik schoor. Hij heette Marcos de Obregon en had
vroeger in een kerk gezongen. Het was een wijs man, die evenveel
geest als ondervinding had, en die van mij hield als van een eigen
zoon. Hij was stalmeester bij de vrouw van een dokter, die dertig
pas van ons huis woonde. 's Avonds bezocht ik hem zoodra het werk was
afgeloopen en op den drempel van de deur maakten wij samen een klein
concert. In het bijzonder vermaakten wij dona Mergelina, de vrouw van
den dokter; zij kwam ons hooren en liet ons wel eens het een of ander
herhalen. Haar echtgenoot zag daar geen kwaad in; hij was een man,
die hoewel Spanjaard en reeds oud, toch geenszins jaloersch was. Er
was ook geen enkele reden tot vrees, daar Mergelina een jonge vrouw
was, maar van een zoo scheeve deugdzaamheid, dat zij zelfs de blikken
der mannen niet kon uitstaan. Hij liet dit tijdverdrijf, dat volkomen
onschuldig leek, toe en liet ons zingen en spelen zooveel wij wilden.
Toen ik eens op een avond bij de deur van den dokter kwam, vond ik daar
den stalmeester op mij wachten; hij nam mij bij de hand en zeide mij,
dat hij eerst wat wilde omloopen alvorens ons concert te beginnen. Toen
wij alleen waren, zeide hij treurig: Diégo, mijn zoon, ik moet je wat
bijzonders vertellen. Het spijt mij, dat wij tot die concerten zijn
overgegaan, als ik geweten had welk ongeluk ons bedreigt, dan zou ik
een andere plaats voor mijn lessen hebben gekozen. Ik zal je alles
vertellen noodig om je te doen begrijpen in welk gevaar wij verkeeren.
Toen ik in dienst van den dokter trad, ongeveer een jaar geleden,
zeide hij mij eens 's morgens na mij bij zijn vrouw te hebben gebracht:
"Marcos, dit is je meesteres; deze dame moet je overal vergezellen." Ik
bewonderde dona Mergelina; ik vond haar wondermooi, als om te
schilderen en ik werd bijzonder bekoord door hare houding. "Mijnheer,"
antwoordde ik den dokter, "ik ben al te gelukkig zulk een bekoorlijke
dame te dienen." Mijn antwoord mishaagde aan Mergelina, die op bruusken
toon zeide: "Kijk me eens aan, die emancipeert zich ook al! Ik houd
er niet van, dat men mij liefheidjes zegt". Deze woorden verrasten
mij zeer uit zulk een schoonen mond; ik kon zulk een grove manier
van spreken niet overeen brengen met de bekoring, die over de geheele
persoon mijner meesteres lag. Haar echtgenoot was daaraan gewend en
daar hij zich gevleid voelde een echtgenoote te hebben met zulk een
zeldzaam karakter, zeide hij mij: "Marcos mijn vrouw is een wonder
van deugd." Toen hij zag dat zij haar mantel omdeed om de mis te gaan
hooren, zeide hij mij haar naar de kerk te vergezellen. Nauwelijks
waren wij op straat, of wij ontmoetten menschen, die, getroffen
door haar schoon voorkomen, haar in het voorbijgaan vleiende woorden
zeiden. Zij beantwoordde hen; maar ge kunt u niet voorstellen hoe dwaas
en belachelijk haar antwoorden waren. Zij waren er verwonderd over en
konden niet begrijpen dat er ter wereld een vrouw was, die het kwalijk
nam als men haar prees. "Mevrouw," zei ik eerst, "let niet op wat
men u zegt; het is beter te zwijgen dan zoo scherp te zijn." "Neen,"
hernam zij, "ik zal de onbeschaamden wel leeren dat ik een vrouw ben,
die men niet oneerbiedig heeft te behandelen." Ten slotte ontsnapten
haar zooveel onbeschoftheden, dat ik niet nalaten kon te zeggen hoe
ik daarover dacht, op gevaar af haar te mishagen. Ik zeide haar zoo
omzichtig mogelijk dat zij onrecht deed aan haar natuur en duizend
goede eigenschappen bedierf door haar prikkelbaar humeur; dat een
zachte en beleefde vrouw zonder schoonheid bemind wordt, terwijl
een schoone vrouw, zonder zachtheid en beleefdheid, een voorwerp
van verachting werd. Hierbij voegde ik nog tal van opmerkingen, die
ten doel hadden haar gewoonten te verbeteren. Na zoo gemoraliseerd
te hebben, was ik bang, dat mijn vrijmoedigheid den toorn van mijn
meesteres zou hebben opgewekt; zij stelde zich echter tevreden met
mijne raadgevingen nutteloos te maken, evenals al wat mij inviel
haar volgende dagen te zeggen. Ik werd er moede van haar vergeefs
tegen hare gebreken te waarschuwen en liet haar over aan haar barschen
aard. Zoudt ge echter gelooven dat die opvliegende geest, die trotsche
vrouw sinds twee maanden geheel veranderd is; zij is tegen iedereen
beleefd en heeft zeer aangename manieren aangenomen. Het is niet meer
dezelfde Mergelina, die slechts dwaasheden zei tegen de mannen, die
haar verliefd aanspraken; zij is gevoelig geworden voor den lof dien
men haar geeft; zij heeft graag dat men zegt hoe mooi zij is, dat geen
man haar ongestraft kan zien; de vleierijen doen haar genoegen, zij is
thans gelijk andere vrouwen. Die verandering is nauwelijks te bemerken
en wat u nog meer verwonderen zal, is, dat gij de verwekker van dat
groote wonder zijt. Ja, mijn waarde Diego," vervolgde de stalmeester,
"jij hebt dona Mergelina zoo gemetamorfoseerd; jij hebt een schaap
van die tijgerin gemaakt en in één woord: jij hebt hare aandacht
getrokken. Meer dan eens heb ik dat opgemerkt en ik moet de vrouwen
al zeer slecht kennen als zij niet een zeer hevige liefde voor je
heeft opgevat. Dit, mijn zoon, is de treurige tijding die ik je had
aan te kondigen en de lastige positie waarin we ons bevinden."
"Ik zie niet in, dat we ons daar zoo over hebben te bedroeven,"
zeide ik tot den grijsaard, "noch dat het voor mij een ongeluk zou
zijn door een lieve dame te worden bemind."--"Ach, Diego," hernam
hij, "je spreekt als een jongeling; gij ziet slechts het aas, ge
let niet op den angel; gij hebt slechts oog voor het genot en ik
zie de onaangenaamheden, die het volgen. Alles barst ten laatste;
als gij voortgaat aan onze deur te komen zingen, dan zult gij den
hartstocht van Mergelina irriteeren, die misschien, alle terughouding
verliezende, haar zwakheid aan dokter Oloroso zal bekennen, en deze
echtgenoot, die altijd zoo welwillend is omdat hij meent geen reden
tot jaloerschheid te hebben, zal woedend worden, zich op haar wreken
en u en mij een kwaden poets bakken."--"Welnu, heer Marcos," hernam ik,
"ik verlaat mij op uw raad. Zeg mij welke gedragslijn ik moet volgen om
elk onheil te voorkomen."--"Wij behoeven slechts geen concerten meer
te houden," antwoordde hij. "Verschijn niet meer voor mijn meesteres,
als zij u niet meer ziet, zal haar rust terug komen. Blijf bij uw
meester, ik zal u komen opzoeken en wij kunnen dan zonder gevaar
guitaar spelen." Ik stemde toe en nam mij voor mij niet meer buiten
den winkel te laten zien, omdat ik zulk een gevaarlijk mensch was.
De goede Marcos merkte echter een paar dagen later, dat met al zijn
voorzichtigheid, zijn middel inplaats van dona Mergelina's vuur uit
te dooven, een geheel tegenovergestelde uitwerking had. Toen zij mij
niet meer hoorde zingen, vroeg zij al den tweeden avond waarom wij onze
concerten niet vervolgden en waarom ik niet meer kwam. Hij antwoordde,
dat ik het zoo druk had dat ik geen oogenblik vrijen tijd had. Na drie
dagen verloor zij echter haar geduld en zeide tot den stalmeester:
"Je bedriegt mij, Marcos; Diego heeft niet zonder reden opgehouden
hier te komen. Daar schuilt iets achter, dat ik weten wil. Spreek,
ik beveel het u; verberg mij niets."--"Mevrouw," antwoordde hij,
"het is hem dikwijls gebeurd, dat hij na onze concerten de tafel
bij hem leeg vond; hij wil er zich niet meer aan blootstellen zonder
avondeten naar bed te moeten gaan,"--"Hoe, zonder avondmaal!" riep
zij verdrietig uit; "waarom hebt ge me dat niet eerder gezegd? Zonder
eten naar bed, och, arm kind! Ga direct naar hem toe en zeg hem van
hedenavond af terug te komen; hij zal niet meer zonder eten weggaan;
er zal altijd wat voor hem zijn,"
"Wat hoor ik?" zeide de stalmeester, veinzende verbaasd te zijn over
haar order, "hemel, welk een verandering! Zijt gij het wel, mevrouw,
die zulk een taal spreekt? Sedert wanneer zijt gij zoo barmhartig
en gevoelig?" "Sedert gij hier in huis woont," hernam zij bruusk,
"of liever sedert gij mijn minachtende manieren veroordeelt en
gij getracht hebt mijn wijze van doen te verzachten. Maar helaas,"
voegde zij er bewogen aan toe, "ik ben van het eene uiterste in het
andere vervallen; van hard en ongevoelig ben ik al te zachtzinnig
en teeder geworden. Ik houd van uw jongen vriend Diego zonder dat
ik mij er tegen verzetten kan en zijn afwezigheid, verre van mijne
liefde te verzachten, schijnt ze feller te doen branden." "Moet ik
begrijpen," hernam de grijsaard, "dat die jongeling, die noch schoon,
noch welgemaakt is, het voorwerp van zoo 'n sterken hartstocht is? Ik
zou uwe gevoelens verontschuldigen, als zij u waren ingeboezemd door
een ridder van schitterende verdienste...." "Ach, Marcos, ik gelijk
dus niet op de andere leden van mijn sexe; of wel, ge kent ze weinig
ondanks uw lange ondervinding, als gij gelooft dat de verdienste een
keuze bepaalt. Naar mij zelf te oordeelen, geeft men zich zonder
overweging over. De liefde is eene afwijking van het verstand,
die ons naar een voorwerp toetrekt en tegen onzen wil ons daaraan
vastbindt; het is een ziekte die ons overvalt als de hondsdolheid,
houd mij dus niet langer voor, dat Diego mijn teederheid niet waard is;
het is voldoende, dat ik hem liefheb om duizend schoone eigenschappen
in hem te vinden, die gij niet opmerkt en die hij misschien ook niet
bezit. Hij lijkt mij om te stelen, en is schooner dan de dag."--"Maar
mevrouw," hernam Marcos, "denkt gij er wel aan wat Diego is? Zijn
geringe afkomst...."--"Ik ben niet veel meer dan hij," zeide zij nog,
"en zelfs als ik een voorname vrouw was, zou ik daar niet op letten."
Toen de stalmeester oordeelde, dat hij niets kon winnen door op haar
verstand te werken, gaf hij het op er zich tegen in te zetten en zocht
mij op, nam mij terzijde en na mij alles verteld te hebben wat er was
voorgevallen, zeide hij: "Gij ziet, Diego, dat wij onze concerten
bij de deur van Mergelina niet meer kunnen nalaten. Die dame moet
u noodzakelijk weerzien, mijn vriend, anders zou zij een dwaasheid
begaan, die meer dan iets anders haar goeden naam zou schaden." Ik
wilde niet wreed zijn en zeide Marcos dat ik tegen het einde van den
dag met mijn guitaar zou komen; hij kon dan dit aangename nieuws
zijn meesteres overbrengen. Dit liet hij niet na en het was voor
deze hartstochtelijke minnares een groote bekoring te vernemen,
dat zij dien avond het genot zou hebben mij te zien en te hooren.
Weinig scheelde het echter, of een onaangenaam voorval had deze hoop
vernietigd. Ik kon eerst laat heengaan en tot mijn straf was de avond
erg donker. Toen ik halverwege der straat was, ledigde men boven
mijn hoofd een wierookvat, dat geenszins de zinnen streelde. Ik kan
zeggen dat ik er niets bij verloor, zoo goed was ik gekleed. In dien
toestand wist ik niet wat te doen: terugkeeren was mij blootstellen
aan de spotternij van mijn makkers en in dien staat naar Mergelina te
gaan, leek mij ook niet bijster. Ik besloot toch maar naar het huis
van den dokter te gaan. Aan de deur vond ik den ouden stalmeester. Ik
zeide hem dat ik eerst mijn kleeren moest schoonmaken en vertelde hem
wat mij overkomen was, waarop hij mij in een kamer liet, waar zijn
meesteres was. Toen deze mijn avontuur vernomen had en mij zag zooals
ik was, beklaagde zij mij alsof de grootste ongelukken mij overkomen
waren; vervolgens bedacht zij den man, die mij dat bezorgd had, en
overlaadde hem met duizend verwenschingen. "Mevrouw," zeide Marcos,
"matig uwe vervoering; bedenk dat het zuiver toeval is."--"Waarom
riep zij uit, "wilt gij niet dat ik hevig de beleediging voel, die
men dat arme lam, die duif zonder wrok, heeft aangedaan, die zich
niet eens beklaagt? Ach, was ik maar een man om hem te kunnen wreken!"
Zij zei nog tal van andere dingen, die duidelijk haar overdreven liefde
deden uitkomen, want terwijl Marcos bezig was mij met een zakdoek af te
vegen, haalde zij een doos met allerlei parfums. Zij parfumeerde mijn
kleeren en toen dit afgeloopen was, ging deze lieftallige vrouw zelf
uit de keuken brood, wijn en vleesch halen, dat zij voor mij terzijde
had gelegd. Zij noodzaakte mij te eten en toen ik gesoupeerd had,
begonnen wij een concert, dat Mergelina zeer bekoorde. Het is waar dat
wij steeds trachtten liederen te zingen, die haar liefde vleiden en
onder het zingen keek ik haar telkens tersluiks aan, om het vuur aan
te wakkeren, want ik begon pleizier te krijgen in het spel. Hoewel
het concert reeds lang duurde, liet zij ons telkens herhalen en zij
zou ons graag den geheelen nacht hebben aangehoord als de stalmeester
haar niet tien malen gezegd had, dat het al laat was. Als wijs en
verstandig man, ziende hoe hevig haar dwaze hartstocht was, vreesde
hij, dat er wat gebeuren zou. Zijn vrees werd spoedig bewaarheid;
hetzij dat de dokter eene geheime intrige vermoedde, hetzij, dat de
demon der jalouzie hem begon te kwellen, hij maakte aanmerking op
onze concerten; hij deed meer: hij verbood ze als heer en meester en
zonder redenen op te geven, zeide hij, niet meer te dulden, dat men
vreemden in zijn huis ontving. Hoewel dit besluit mij erg hinderde,
daar het al de kasteelen, die ik mij al gebouwd had, wegvaagde, nam ik
het toch geduldig op. Niet alzoo Mergelina, hare gevoelens werden er
nog heviger door. "Waarde Marcos," zeide zij, "alleen van u verwacht
ik hulp. Ik bid je, zorg, dat ik Diego in het geheim kan zien."--"Wat
vraagt gij mij?" antwoordde de grijsaard vertoornd. "Ik ben reeds al
te inschikkelijk voor u geweest. Ik ben niet van plan om mijn meester
te helpen onteeren door te voldoen aan uw onverstandige neigingen,
noch om u te helpen uw goeden naam te verliezen, noch mijzelven met
schande te beladen, ik ben altijd een dienaar geweest, wien niets te
verwijten viel. Liever ga ik heen dan hier op zulk een schandelijke
manier te dienen."--"Ach Marcus," viel zij hem verschrikt in de rede,
"gij doorboort mijn hart als gij spreekt van heengaan. Wreedaard,
gij denkt er aan mij te verlaten, na mij te hebben gebracht in den
toestand van thans? Geef mij dan eerst mijn hoogmoed terug en dien
trotschen aard, dien ge mij ontnomen hebt. Waarom heb ik die gelukkige
gebreken niet meer! dan zou ik nu kalm zijn, inplaats daarvan hebben
uwe indiscrete verwijten mij mijn rust ontnomen. Gij hebt mijn zonden
verergerd door ze te willen verbeteren. Maar, ongelukkige die ik ben,
wat zeg ik? Neen, mijn ouden vriend, gij zijt niet de oorzaak van mijn
ongeluk, het is mijn slecht gesternte! Helaas, de hartstocht benevelt
mijn geest en als mijn leven u lief is, weiger mij dan uw hulp niet."
Zij bracht haar zakdoek voor het gelaat en liet zich op een stoel
vallen als iemand die bezwijkt van droefenis. Aan zulk een treffend
schouwspel kon de goede Marcos geen weerstand bieden, hij mengde
zelfs zijn tranen met die van zijn meesteres en zeide verteederd:
"Ach mevrouw, wat zijt gij verleidelijk! Uwe droefheid kan ik geen
weerstand bieden, zij heeft mijn deugd overwonnen. Ik beloof u te
helpen." Ondanks zijn voorbeeldig gedrag wijdde de stalmeester zich
dus toch zeer vlijtig aan den hartstocht van Mergelina. Hij deed
al mijn hoop herleven en had reeds een geheim onderhoud bedacht,
toen twee uur later een van onze klanten, een apothekersleerling,
binnen kwam om zich te laten scheren. Terwijl ik mij daarvoor gereed
maakte, zeide hij: "Diego, hoe staat het met uw vriend, den ouden
Marcos de Obregon? Weet gij dat hij bij dokter Olonoso vandaan
gaat?" Ik antwoordde van neen, "Het is een feit," hernam hij,
"hij krijgt vandaag zijn congé. Zijn meester en de mijne hebben
er zooeven over gesproken. "Mijnheer Apuntador," zeide de dokter,
"ik heb u iets te verzoeken; ik ben niet erg tevreden over mijn ouden
stalmeester en ik zou mijn vrouw wel onder de leiding willen stellen
van een trouwen, strengen en waakzamen dienaar."--"Ik begrijp u,"
zei mijn meester, "Gij hebt juffrouw Melancia noodig, die gouvernante
bij mijn vrouw is geweest en die de zes weken dat ik weduwnaar ben,
nog bij mij woont. Hoewel ze mij van veel nut is voor het huishouden,
sta ik u haar af, omdat ik bijzonder belang stel in uw eer. Gij kunt
gerust zijn: zij is de paarl der duenna's, een ware dragonder om de
kuischheid harer sexe te bewaken. Gedurende de twaalf jaren dat zij
bij mijn vrouw is geweest die, zooals gij weet, jong en mooi was, heb
ik zelfs niet de schaduw van een minnaar in mijn huis gezien. Goddank,
er was met haar niet te spelen. Laat ik u zeggen, dat mijn vrouw in
den beginne erg veel lust in coquetteeren had; maar juffrouw Melancia
heeft dat er spoedig uitgekregen en haar zoo deugdzaam gemaakt als
iets. Het is in één woord een schat van een gouvernante." Toen zijn
mijnheer Apuntador en de dokter overeengekomen, dat de duenna van
vandaag af de plaats van den ouden stalmeester zou innemen."
Deze tijding bedierf de genoeglijke gedachten, die weder bij mij
waren opgekomen en Marcos kwam na den eten het bericht van den
apothekersjongen bevestigen.
"Mijn waarde Diégo," zeide de goede man, "ik ben blij, dat dokter
Oloroso mij weggejaagd heeft; hij bespaar mij veel moeite. Wat een
last zou het gegeven hebben u in het geheim met Mergelina te doen
samenkomen; den hemel zij dank ben ik daarvan nu ontslagen en van de
gevaren, die daaraan verbonden waren. En jij moet je ook maar troosten,
mijn jongen, over het verlies van enkele zoete oogenblikken, die door
duizenderlei verdriet konden worden gevolgd." Ik moet bekennen, dat
ik niet behoor tot die vasthoudende minnaars, die zich tegen alles
verzetten en het karakter van de duenna scheen wel in staat alle
galanten te doen wanhopen. Twee of drie dagen later echter bleek
mij, dat de vrouw van den dokter, die Argos in slaap had gewiegd
of haar getrouwheid had omgekocht. Toen ik een van onze buren ging
scheren, hield een oude vrouw mij op straat staande en vroeg of
ik Diégo de la Fuente heette. Ik antwoordde "ja". Kom dan vannacht
aan de deur van dona Mergelina en als gij tot teeken gemiauwd hebt,
zal men u binnenlaten. Uw dienaar, mijnheer Diégo, dat de hemel u
behoede! Wat zijt gij bekoorlijk! Heilige Agnes, ik wou dat ik nog
vijftien jaar was, dan zou ik u niet opzoeken voor anderen!" Bij die
woorden verwijderde de oude zich.
Gij kunt u verbeelden hoe deze boodschap mij opwond. Weg was alle
moraal van Marcos. Met ongeduld wachtte ik den nacht af en toen
ik oordeelde dat dokter Oloroso sliep, ging ik naar haar deur. Daar
begon ik zoo hard te miauwen, dat men mij al van verre kon hooren. Een
oogenblik later deed Mergelina zelf zachtjes de deur open en sloot
hem dadelijk achter mij. Wij traden binnen en gingen naast elkander
zitten. Beiden waren wij zeer bewogen; met dit verschil dat hare
ontroering veroorzaakt werd door genot alleen, en dat er bij mij
wel wat angst bijkwam. Mijne dame verzekerde mij, dat wij niets
van haar man te vreezen hadden; ik voelde een rilling mijn vreugd
verstoren. "Mevrouw", vroeg ik, "hoe hebt ge de waakzaamheid van
uwe gouvernante kunnen verschalken? Dona Mergelina glimlachte en
antwoordde: "Als ik u alles verteld heb, wat er tusschen mij en haar
is voorgevallen, zal u dit geheim onderhoud niet meer verbazen. Toen
zij hier in huis kwam, gaf mijn man haar duizend vleierijen en zeide
mij: "Mergelina, ik laat u over aan de zorg van deze dame, die een
parel van alle deugden is; zij is een spiegel, dien gij onophoudelijk
voor u hebt om verstandig te worden. Deze bewonderenswaardige vrouw
is twaalf jaar lang de gouvernante geweest bij de vrouw van een van
mijn vrienden en zij heeft van haar een soort heilige gemaakt."
Deze lof, welke het strenge gelaat van juffrouw Melancia niet
logenstrafte, kostte mij veel tranen en maakte mij wanhopig. Ik
stelde mij voor al de lessen die ik van den morgen tot den avond
zou moeten aanhooren en ik verwachtte dat ik de ongelukkigste vrouw
van de wereld zou worden. Niets ontziende in de verwachting van
mijn ongeluk, zeide ik woedend tegen de duenna, zoodra ik met haar
alleen was: "gij wilt mij zeker doen lijden, maar ik waarschuw u
dat ik niet veel geduld heb. Van mijn kant zal ik u alle mogelijke
vernederingen bezorgen. In mijn hart leeft een hartstocht, dien al
uwe vermaningen niet zullen kunnen uitroeien, gij kunt daarnaar uwe
maatregelen nemen. Al verdubbelt gij ook uwe waakzaamheid, dan zal
ik die toch weten te bedriegen." Bij deze woorden (ik verwachtte,
dat zij mij dadelijk als proef den mantel duchtig zou gaan uitgeven)
vertoonde de duenna een heel ander gelaat en zeide lachend: "U hebt een
goed humeur en uwe openhartigheid lokt de mijne uit. Ik zie dat wij
voor elkander gemaakt zijn; schoone Mergelina, gij kent mij slecht,
als gij mij beoordeelt naar het goeds, dat de dokter van mij gezegd
heeft! Ik ben niets minder dan een vijand van het genot en ik dien
slechts de jaloezie van de echtgenooten om hunne lieftallige vrouwen
te helpen. Reeds lang bezit ik de kunst mij anders voor te doen dan ik
ben en ik kan zeggen, dat ik dubbel gelukkig ben omdat ik het genoegen
der ondeugd verblind aan den goeden naam, dien de deugd geeft. Onder
ons gezegd, is de heele wereld deugdzaam op die manier. Het kost veel
te veel om tot in den grond de deugd te beoefenen, men stelt zich
dus tevreden met den schijn ervan. Laat mij maar voor u zorgen, wij
zullen dien ouden dokter wel tevreden stellen. Op mijn woord, hij zal
hetzelfde lot hebben als mijnheer Apuntador. Arme Apuntador! wat een
streken hebben we hem geleverd, zijn vrouw en ik! Dat arme levendige
schepseltje, de hemel geve haar vrede! Ik beloof u, dat ze haar jeugd
goed doorgebracht heeft. Ik weet niet hoeveel minnaars zij wel heeft
gehad, die ik haar alle geleverd heb, zonder dat haar man er ooit
iets van heeft gemerkt. Beschouw me dus wat gunstiger, mevrouw, en
wees overtuigd, dat welk talent de oude stalmeester ook had, u toch
niets bij den ruil zult verliezen. Ik zal u misschien nog meer van
dienst zijn dan hij."
"Ge kunt denken, Diego," vervolgde Mergelina, "hoe dankbaar ik de
duenna was, dat zij zich zoo openhartig deed leeren kennen. Ik dacht,
dat zij de gepersonifieerde deugd was. Hoe slecht beoordeelt men soms
de vrouwen! Ik omhelsde haar hartelijk en bekende haar toen geheel
mijne gevoelens en verzocht haar mij zoo spoedig mogelijk een onderhoud
met je te verschaffen. Maar wat nog leuker is," voegde zij er lachend
bij, "is dat Melancia, toen ik haar zeide, dat mijn echtgenoot gewoon
was den geheelen nacht zeer rustig te slapen, bij hem in bed is gaan
liggen en nu mijn plaats inneemt. "Des te erger, mevrouw," zeide ik
toen tot Mergelina, "uw man kan best wakker worden en de verwisseling
bemerken." "Dat zal hij niet," viel zij mij gehaast in de rede, "wees
daarover gerust en laat geen enkele ongegronde vrees u het genoegen
vergallen alleen te zijn met een jonge vrouw die u goed gezind is."
Toen de vrouw van den dokter zag, dat ik toch nog niet op mijn gemak
was, liet zij niet na wat naar zij meende mij gerust kon stellen en
zij deed dit op zooveel manieren dat zij ook daar in slaagde. Ik
dacht er slechts aan van de gelegenheid gebruik te maken, maar in
den tijd die Cupido, God van lach en spel, ons geluk wilde laten,
hoorden wij ruw op de straatdeur kloppen. Dadelijk vlogen de Liefde
en haar gevolg weg. Mergelina verborg mij onder een tafel, blies
de lamp uit en begaf zich naar de deur van de kamer van haar man,
gelijk zij met hare gouvernante overeengekomen was als er iets zou
gebeuren. Ondertusschen duurde het geklop voort en weerklonk door het
geheele huis. De dokter werd wakker en wekte Melancia. De duenna sprong
uit bed, hoewel de dokter die haar voor zijn vrouw hield, haar zeide
niet op te staan; zij voegde zich bij haar meesteres, die toen ook
Melancia riep te gaan zien wie aan de deur klopte. "Mevrouw," hernam
de gouvernante, "hier ben ik al, ga als het u belieft weer naar bed,
ik zal zien wat dat is. "Mergalina ging toen bij den dokter in bed,
die niet in het minst vermoedde dat men hem bedroog. Het is waar dat
deze scène in het donker werd afgespeeld door twee actrices, waarvan
de eene volleerd was en de andere veel neiging had het te worden. De
duenna kwam spoedig terug en zeide: "Mijnheer de dokter, wees zoo goed
op te staan. Onze buurman, de boekhandelaar Fernandez, heeft een toeval
gekregen, men roept u voor hem." De dokter kleedde zich zoo spoedig
mogelijk aan en ging heen. Zijn vrouw, gekleed in een kamerjapon, en
de duenna kwamen toen in de kamer waar ik was. Meer dood dan levend
haalden zij mij onder de tafel vandaan. "Gij hebt niets te vreezen,
Diego," zeide Mergelina, "wees kalm!" In enkele woorden vertelde ze
wat er gebeurd was en wilde toen ons afgebroken gesprek hervatten;
maar de gouvernante verzette zich daartegen. "Mevrouw", zeide zij
"uw echtgenoot vindt den boekhandelaar misschien al dood en zal direct
terugkomen. Bovendien," voegde zij er bij mij ziende beven van vrees,
"wat wilt gij met dien armen jongen doen? hij is tot niets in staat,
het is beter tot morgen te wachten." Dona Mergelina stemde er slechts
noode in toe, zoo beminde zij het heden, en ik geloof dat het haar
tamelijk speet haar dokter niet den nieuwen hoorn te hebben kunnen
opzetten, dien zij voor hem bestemd had.
Minder bedroefd de kostbare gunsten der liefde te hebben gemist, dan
wel in mijn nopjes buiten gevaar te zijn, keerde ik naar mijn meester
terug, waar ik de rest van den nacht doorbracht met mijn avontuur te
overdenken. Ik was eenigen tijd in tweestrijd, of ik er den volgenden
dag heen zou gaan, maar het scheen me erg dwaas toe te blijven
steken, nu ik eenmaal zoo goed op weg was. Ik stelde mij Mergelina
voor met nieuwe bekoorlijkheden in het toppunt van genot dat mij
wachtte. Ik besloot door te zetten en mij voornemend fermer te zijn,
ging ik er den volgenden avond weer heen. De lucht was erg donker,
geen ster was te zien. Ik miauwde twee of driemaal om te waarschuwen,
dat ik in de straat was en toen niemand kwam opendoen, ging ik alle
verschillende kattenmiauwsels nadoen, die een herder uit Almédo mij
geleerd had; en zoo goed deed ik dit, dat een buurman die thuiskwam,
in de waan, dat ik een der dieren was, wier gemiauw ik nabootste,
een steen opraapte en die met alle kracht naar mij wierp. Ik kreeg
den steen op mijn hoofd en was er een oogenblik zoo verdoofd van, dat
ik meende neer te vallen. Ik voelde dat ik gewond was. Meer was er
niet noodig om mij den lust in galante avonturen te doen verliezen;
en met mijn bloed mijn liefde verliezende, snelde ik naar huis, waar
ik alles op stelten zette. Mijn meester verbond den wond, en vond
haar nog al gevaarlijk. Hij had nochtans geen slechte gevolgen en
na drie weken was er niets meer van te zien. Al dien tijd hoorde ik
niet over Mergelina praten. Ik geloof dat juffrouw Melancia om haar
van mij afkeerig te maken, haar een goeden kennis bezorgd had. Maar
daar bekommerde ik mij nauwelijks om, daar ik uit Madrid vertrok om
mijn reis door Spanje te vervolgen, nog voor ik geheel genezen was.