Welken weg Gil Blas van Valladolid insloeg en wat hij zooal onderweg
ontmoette.
Ik liep zeer snel en keek zoo af en toe eens achter mij om te zien,
of die gevreesde Biscayer mij niet op de hielen volgde. Ik was
zoo bevreesd voor dien man, dat ik alle boomen en struiken voor hem
aanzag en telkens mijn hart van angst voelde kloppen. Na ruim een mijl
geloopen te hebben, werd ik echter wat geruster en ik vervolgde kalm
mijn weg naar Madrid, waarheen ik van plan was te gaan. Ik verliet
zonder smart Valladolid, alleen bedroefd dat ik Fabricius, mijn
trouwen makker, verlaten had zonder hem te kunnen vaarwel zeggen. Ik
betreurde het volstrekt niet de geneeskunde eraan gegeven te hebben,
integendeel vroeg ik God vergiffenis ze uitgeoefend te hebben. Ik
telde met genoegen het geld na, dat ik in mijn zakken had, al was
het ook het geld verdiend met moorden. Ik leek op de vrouwen die hun
losbandig leven verbeteren, maar die altijd het geld behouden dat zij
daarmee hebben verdiend. Ik had ongeveer een som van vijf dukaten als
mijn geheele bezit. Ik was van plan hiermede naar Madrid te gaan, waar
ik niet twijfelde een goede betrekking te zullen vinden. Bovendien
was ik zeer verlangend die schoone stad te zien, die ik altijd had
hooren roemen als het inbegrip van alle wonderen der wereld.
Terwijl ik mij alles in het geheugen terug riep wat ik ervan had hooren
vertellen en zoodoende al bij voorbaat genoot van de genoegens die men
er kan smaken, hoorde ik achter mij een jongen, die uit volle borst
zong. Hij had een leeren zak op zijn rug, een guitaar om zijn hals
en een degen aan zijn zijde. Hij stapte zoo flink aan, dat hij mij
spoedig had ingehaald. Het was een van de barbiersjongens, met wien ik
in de gevangenis gezeten had voor die geschiedenis met den ring. Wij
herkenden elkaar terstond, hoewel wij andere kleeren aan hadden en
wij waren ten zeerste verbaasd elkaar zoo onverwachts te ontmoeten. Ik
zei hem, dat ik zeer in mijn schik was hem tot reismakker te hebben,
en hij van zijn kant was verheugd mij weer te zien. Ik vertelde hem
waarom ik Valladolid verlaten had en hij deelde mij mede, dat hij door
oneenigheid met zijn patroon dezen voor altijd vaarwel had gezegd. "Als
ik langer in Valladolid had willen blijven," zei hij, "zou ik tien
zaken voor een gevonden hebben; want zonder trotsch te zijn kan ik
gerust zeggen, dat er in geheel Spanje geen barbier te vinden is die
beter scheert, zoowel op als af, dan ik, en dat er geen een mooier
punten aan de snorren kan draaien. Maar ik kon niet langer weerstand
bieden aan mijn vurig verlangen naar mijn vaderland terug te keeren,
waaruit ik reeds tien volle jaren weg ben. Ik wil weer eens de lucht
van mijn vaderland inademen en weten hoe mijn ouders het maken. Morgen
zal ik bij hen zijn; zij wonen in Olmédo, een groot dorp bij Segovia."
Ik besloot den barbier tot aan zijn huis te vergezellen en in
Segovia een gelegenheid te zoeken om Madrid te bereiken. Na een uur
met elkander te hebben gesproken, vroeg het jongemensch mij, of ik
trek had. Ik zeide hem, dat hij dat bij de eerste herberg de beste
wel zou zien. "Intusschen kunnen wij wel vast wat eten," zeide hij;
"ik heb genoeg in mijn zak. Als ik op reis ben, zorg ik altijd het
noodige bij me te hebben. Ik neem nooit linnengoed of zoo mee, alleen
maar mondvoorraad, met mijn scheermessen en een zeepkwast, anders heb
ik niet noodig." Ik prees zijn verstand en wachtte verlangend, wat er
te voorschijn zou komen. Wij gingen een weinig op zij van den weg en
zetten ons op het gras. Daar stalde de barbiersjongen zijn voorraad
uit, die uit vijf of zes uien bestond met een paar stukken brood en
een homp kaas, maar wat hij als het beste stuk uit den zak prees,
was een klein fleschje, dat volgens hem met een vurigen wijn gevuld
was. Hoewel de spijzen niet erg smakelijk waren, deed de honger ons
beiden ze toch niet kwaad vinden en wij ledigden de flesch, waarin
ongeveer twee pinten wijn waren, die hij wel had kunnen laten mij
aan te prijzen. Vervolgens zetten wij vroolijk onzen tocht voort. De
barbier, wien Fabricius gezegd had dat mij zeer zonderlinge avonturen
waren overkomen, verzocht mij ze hem zelf te vertellen. Ik meende dit
niet te mogen weigeren aan iemand die mij zoo schitterend onthaald
had. Daarna zeide ik hem, dat hij mijn welwillendheid niet beter kon
erkennen, dan door mij ook zijn levensgeschiedenis te vertellen. "Die
is nauwelijks de moeite waard te worden aangehoord," zeide hij,
"zij is doodeenvoudig. Daar wij nochtans niets beters te doen hebben,
zal ik ze u vertellen zooals ze is."