Afloop van het avontuur van den teruggevonden ring. Gil Blas laat de
geneeskunde varen en gaat uit Valladolid.
Na op deze wijze het plan van Fabricius ten uitvoer te hebben gebracht,
verlieten wij Camilla en waren zeer tevreden over den goeden afloop
van de onderneming, daar wij slechts gehoopt hadden op den ring. Wij
namen zonder veel omslag de rest mede, zonder ons er om te bekommeren
een paar lichtekooien bestolen te hebben, maar nog bovendien in de
meening een verdienstelijk werk te hebben verricht. "Mijne heeren"
sprak Fabricius toen wij buiten op straat stonden, "na zulk een
welgeslaagde onderneming moesten wij eerst een glas gaan drinken voor
wij van elkaar scheiden."
Dit was ook mijn gevoelen en ik gaf den raad naar onze herberg
terug te keeren, waar wij den nacht dan verder vroolijk zouden
doorbrengen. "Morgen zullen wij den kandelaar en het halssnoer
verkoopen en het geld broederlijk samen deelen, daarna gaan wij ieder
naar huis en trachten wij ons zoo goed mogelijk te verontschuldigen
bij onze meesters." De gedachte van den alguazil leek ons zeer
rechtskundig. Wij gingen dan ook naar onze herberg. Sommigen meenden
dat zij wel een of andere reden zouden vinden waarom zij buitenshuis
geslapen hadden, anderen bekommerden er zich weinig om als zij den
anderen dag zouden worden weggestuurd.
Wij lieten ons een uitstekend souper klaarmaken en gingen met flinken
eetlust en in de vroolijkste stemming aan tafel. Het maal werd gekruid
door allerlei gezellig gepraat. Fabricius vooral wist den vroolijken
geest erin te houden en vermaakte het gezelschap ten zeerste, daar
hij onuitputtelijk was in anecdoten. Maar terwijl onze vroolijkheid
ten top steeg en wij ons kostelijk amuseerden, werd onze vreugde
plotseling door een zeer onaangename gebeurtenis verstoord. Een
tamelijk goed gekleed man, gevolgd door twee ongunstig uitziende
lieden, trad het vertrek binnen, waar wij soupeerden. Achter hen
kwamen nog drie mannen en zoo telden wij er in 't geheel twaalf, die
drie aan drie binnenkwamen. Zij waren allen gewapend met karabijnen,
degens en bajonetten. Wij zagen terstond, dat het lieden van de wacht
waren en wij konden hun bedoeling gemakkelijk raden. Eerst waren wij
van plan weerstand te bieden, maar zij omsingelden ons in een ommezien
en wij moesten wel zwichten voor hun aantal en hun vuurwapenen.
"Mijne heeren," zei de commandant op schertsenden toon," ik weet
op welk een spitsvondige wijze gij een ring aan een avonturierster
ontstolen hebt. Dat kunststukje is prachtig door u uitgevoerd en
verdient openlijk beloond te worden, wat ook zal gebeuren. Het
gerecht, dat u een verblijf in zijn paleis heeft toegedacht, zal
niet in gebreke blijven u voor zulk een geniaal kunststukje goed te
bedenken." Wij waren door deze woorden allen zeer verbaasd, de rollen
waren omgekeerd en wij verkeerden nu in denzelfden angst als waarin
wij kort tevoren Camilla hadden gebracht. Fabricius echter, hoewel
bleek en ontdaan, trachtte ons te rechtvaardigen. "Mijnheer," zei hij,
"wij hadden geen kwade bedoelingen er mede en daarom moet u ons dit
kleine guitenstukje maar vergeven."--"Wel alle duivels," antwoordde de
commandant woedend, "dat belieft ge een guitenstreek te noemen? Weet
ge wel, dat er de strop op staat? Behalve dat ge jezelf geen recht
moogt verschaffen, hebt ge bovendien nog een kandelaar, een halssnoer
en oorbellen medegenomen en wat zeker een groot misdrijf is waar de
galg op staat, is, dat ge jezelf verkleed hebt als soldaten om dezen
diefstal te plegen. Ge zijt ellendelingen, die zich als brave menschen
verkleeden om kwaad te doen. Ik geloof dat jelui blij moogt zijn als
je er met de galeien af komt." Toen hij ons duidelijk te verstaan had
gegeven, dat de zaak nog veel ernstiger was dan wij eerst geloofden,
wierpen wij ons allen voor zijne voeten en smeekten hem medelijden
te hebben met onze jeugd, maar onze smeekbeden hielpen niets. Ja,
wat nog meer zegt en wat waarlijk buitengewoon mag genoemd worden,
hij verwierp ons aanbod om hem het halssnoer, de oorbellen en de
kandelaar af te geven. Hij weigerde zelfs mijn ring aan te nemen,
misschien omdat hij zich voor het gezelschap schaamde. Kort en goed,
hij was niet te vermurwen. Hij gebood mijn makkers de wapenen af te
geven en liet ons allen naar de stadsgevangenis brengen. Terwijl
wij er heen gevoerd werden, vertelde een van de krijgslieden mij,
dat de oude vrouw, die met Camilla samenwoonde, achterdocht tegen
ons had gekregen. Dat zij ons toen gevolgd was naar de herberg en
dat zij toen, zeker van haar vermoeden, de politie had gewaarschuwd
om zich zoodoende op ons te wreken.
Allereerst werden wij gefouilleerd. Men nam ons den halssnoer, de
oorbellen en de kandelaar af en men ontnam mij zelfs mijn ring met de
Philippijnsche robijnen, dien ik toevallig in mijn zak had. Men liet
mij zelfs mijn honorarium voor mijn doktersvisites niet behouden. Dit
deed mij duidelijk zien dat de justitie te Valladolid hare taak
al even goed kende als die te Astorga en dat die heertjes er allen
dezelfde manieren op na hielden. Terwijl zij mij van mijn kleinoodiën
en geld beroofden, vertelde de officier van de patrouille, die erbij
tegenwoordig was, ons avontuur aan de heeren rechters. Het feit leek
hun zóó ernstig, dat de meeste onder hen ons waardig achtten voor de
doodstraf. De anderen, die niet zoo streng waren, zeiden dat wij er
af konden komen met ieder tweehonderd zweepslagen en eenige jaren
galeidienst. In afwachting van de beslissing die de corrigedor zou
nemen, sloot men ons op in een hok, waar wij ons ter ruste legden op
stroo, dat in zoo groote hoeveelheid den bodem bedekte, alsof het
een paardenstal was. Wij hadden er nog heel lang in kunnen zitten,
als mijnheer Manuel Ordonnez den volgenden morgen niet besloten had
Fabricius uit de gevangenis te halen, wat hij niet kon doen zonder
ook ons mee te nemen. Deze Ordonnez was een zeer geacht persoon in
de stad. Hij bepleitte onze zaak met alle kracht en overreding en
door zijn invloed en die van zijne vrienden werden wij na drie dagen
vrijgelaten. Maar wij gingen niet heen zooals wij gekomen waren,
want wij moesten den kandelaar, het collier, de oorbellen, mijn ring
en den robijn achterlaten.
Zoodra wij op vrije voeten waren, gingen wij op weg naar onze meesters
terug. Dokter Sangrado ontving mij zeer hartelijk. "Mijn arme Gil
Blas," zeide hij, "ik heb van morgen eerst van uw ongeluk gehoord. Ik
vatte terstond het plan op uit alle macht te uwen gunste te spreken,
maar nu gij weer vrij zijt, moet ge maar niet langer aan het geval
denken en je met dubbelen ijver op de geneeskunde toeleggen." Ik
antwoordde hem, dat ik dat ook van plan was en wijdde mij dan
ook geheel aan de wetenschap. Het ontbrak mij inderdaad niet aan
werk, want er waren zeer vele zieken, zooals mijn meester mij had
voorspeld. Mazelen en hardnekkige koortsen begonnen te heerschen in
de geheele stad en in de voorsteden. Alle doktoren van Valladolid
hadden de handen vol en wij niet minder. Er ging geen dag voorbij,
dat we niet acht of tien patiënten bezochten. Stel je dus voor hoeveel
warm water er gedronken en hoeveel bloed er vergoten werd. Hoe het
kwam weet ik niet, maar onze patiënten stierven allen, òf omdat we ze
verkeerd behandelden, òf omdat hunne ziekten ongeneeslijk waren. Het
gebeurde zelden, dat wij de zieken drie maal bezochten, want bij de
tweede visite waren ze of al dood of we vonden ze stervende. Daar ik
nog pas kort in het vak was en nog niet gewend aan zoo'n moordpartij,
was ik erg bedroefd over den ongunstigen afloop, dien men mij kon
verwijten. "Mijnheer," zei ik op een avond tegen dokter Sangrado,
"ik roep den hemel tot getuige, dat ik stipt uwe methode toepas, maar
toch vertrekken al mijn patiënten naar betere gewesten. Men zou haast
zeggen dat zij er pleizier in hebben onze geneeskunde in miscrediet te
brengen. Vandaag nog werden er twee begraven." "Mijn kind," antwoordde
hij, "ik moet je bijna hetzelfde zeggen, want ook ik heb niet vaak
de voldoening een zieke te genezen. Zij sterven mij onder de handen
en ware ik niet zoo vast overtuigd van mijn principes, dan zou ik
bijna gaan gelooven dat onze geneeswijze juist nadeelig is voor de
zieken die wij behandelen."--"Geloof mij, mijnheer," zei ik, "wij
moesten eens van taktiek veranderen. Laten we eens voor de aardigheid
scheikundige preparaten aan onze zieken geven, bv. roode poeders. Als
het ergste gebeurt, hebben zij hetzelfde effect als ons warm water en
onze aderlatingen."--"Ik zou die proef gaarne nemen," antwoordde hij,
"als dit geen gevolgen had, maar ik heb een boek uitgegeven, waarin ik
de herhaalde aderlating en het drinken van water zeer aanbeveel. Nu
kan ik toch moeilijk mijn werk gaan herroepen." "Zeer zeker moogt ge
dat niet doen," antwoordde ik, "die overwinning moogt ge uw vijanden
niet gunnen, zij zouden zeggen dat ge u voor alles liet gebruiken en
dat zou uw goeden naam zeer schaden. Mogen dan liever alle menschen
het hoekje omgaan. Wij moeten dus onze gewone behandeling voortzetten
en dat is ook niet erg, want onze collega's doen ondanks hun afkeer
van aderlaten geen grooter wonderen dan wij en ik geloof zelfs dat
hun medicijnen niet veel meer waard zijn dan onze natuurgeneeswijze."
Wij begonnen dus met nieuwen moed onze praktijk en wij deden dit
zoo handig, dat wij binnen zes weken evenveel vrouwen tot weduwen
maakten als het beleg van Troje. Het leek wel of de pest te Valladolid
heerschte, zooveel begravenissen zag men. Iederen dag kwam er een
vader ons rekenschap vragen van zijn zoon, dien wij hem ontnomen
hadden, of een oom kwam ons den dood van zijn neef verwijten. Wat
betreft de zoons en de neven zelven van deze vaders en ooms, deze
kwamen niet bij ons. De mannen waren zeer bescheiden; zij verweten
ons het verlies van hunne vrouwen niet. De menschen echter, wier
verwijten wij moesten aanhooren, werden soms zeer brutaal. Zij
gooiden ons allerllei beleedigingen naar het hoofd en scholden ons
uit voor domooren en moordenaars. Ik was zeer bedroefd en beleedigd
door hun scheldwoorden, maar mijn meester was er tegen gehard. Ik zou
misschien gewend zijn geraakt aan hun beleedigingen, doch de hemel had
ten gunste van de zieken in Valladolid besloten, hen te bevrijden van
hun plagen en boezemde mij een afkeer in van de geneeskunde, die ik
met zoo gering succes beoefende. Ik zal hiervan een getrouw verslag
doen, op gevaar af, dat de lezer zich te mijnen koste vroolijk maakt.
Er was in onze buurt een kaatsbaan, waar de leegloopers van de stad
eiken dag bijeenkwamen. Men zag er onder anderen een beroepsspeler, die
meester in de kaatskunst was en die alle geschillen in de kaatsbaan
beslechtte. Hij kwam van Biscaye en noemde zich don Rodriguez de
Mondargon. Het was een man van gewone gestalte, uitgedroogd en
gespierd en ongeveer dertig jaar oud. Behalve een paar kleine
glinsteroogjes, die in zijn hoofd rolden en die allen dreigend
aankeken, had hij een platten neus boven een rossigen knevel,
welke laatste in twee punten tot aan zijn slapen reikte. Hij was
zoo ruw en bruusk in zijn spreken, dat hij slechts den mond te
openen had om iemand verschrikt te maken. Deze raketbreker was
de tyran geworden van de kaatsbaan. Hij beslechtte onverbiddelijk
alle mogelijke geschillen, die er tusschen de spelers rezen en men
behoefde niet in hooger beroep te gaan zonder de kans te loopen den
volgenden dag een uitdaging van hem te ontvangen. Zooals ik u don
Rodriguez heb voorgesteld, die niettegenstaande zijn titel "don"
toch slechts een gewoon burgerman was--had hij de eigenaresse van
de kaatsbaan verteederd. Deze was een vrouw van zoowat veertig jaar,
rijk, met een aardig uiterlijk en sedert vijftien maanden weduwe. Ik
begrijp niet hoe zij hem aardig kon vinden, maar zeker was het niet
om zijn schoonheid, doch ongetwijfeld om iets wat ik niet zou kunnen
uitdrukken. Hoe het ook zij, hij beviel haar en zij vormde het plan
met hem te trouwen. Juist echter terwijl zij haar plan toewerkte,
werd zij ziek en ongelukkig voor haar werd ik haar dokter. Al was
hare ziekte geen kwaadaardige koorts, mijne geneesmiddelen maakten
de ziekte toch gevaarlijk. Na vier dagen was de kaatsbaan dan ook in
rouw gedompeld. De eigenaresse van de kaatsbaan ging waar ik al mijn
patiënten heenzond en haar bloedverwanten maakten zich meester van
hare bezittingen. Don Rodriguez, wanhopig zijn maitresse verloren
te hebben, of beter gezegd de hoop op zulk een voordeelig huwelijk,
was niet tevreden vuur en vlammen tegen mij uit te braken; hij zwoer
dat hij mij aan zijn degen zou rijgen en dat hij mij het levenslicht
zou uitblazen zoo gauw hij mij ontmoette. Een buurman, die medelijden
met mij had, kwam mij dit vertellen en voor zoover ik Mondragon kende,
achtte ik het raadzaam om de gegeven waarschuwing niet in den wind te
slaan. Ik was zeer bevreesd en durfde mijn woning niet uit, zoo bang
was ik, dien duivel te zullen ontmoeten en ik stelde mij steeds voor,
dat ik hem hoorde binnen komen. Deze vreeselijke angst gunde mij geen
oogenblik rust, en die was oorzaak dat ik de geneeskunde er aan gaf
en slechts bedacht was uit mijn hevige onrust te komen. Ik trok mijn
geborduurd kleed weer aan en na mijn meester, die niet vermocht mij
te weerhouden, vaarwel gezegd te hebben, vertrok ik in den vroegen
morgen uit de stad, niet weinig bevreesd don Rodriguez op mijn weg
te zullen ontmoeten.