HOOFDSTUK V

Afloop van het avontuur van den teruggevonden ring. Gil Blas laat de

geneeskunde varen en gaat uit Valladolid.

Na op deze wijze het plan van Fabricius ten uitvoer te hebben gebracht,

verlieten wij Camilla en waren zeer tevreden over den goeden afloop

van de onderneming, daar wij slechts gehoopt hadden op den ring. Wij

namen zonder veel omslag de rest mede, zonder ons er om te bekommeren

een paar lichtekooien bestolen te hebben, maar nog bovendien in de

meening een verdienstelijk werk te hebben verricht. "Mijne heeren"

sprak Fabricius toen wij buiten op straat stonden, "na zulk een

welgeslaagde onderneming moesten wij eerst een glas gaan drinken voor

wij van elkaar scheiden."

Dit was ook mijn gevoelen en ik gaf den raad naar onze herberg

terug te keeren, waar wij den nacht dan verder vroolijk zouden

doorbrengen. "Morgen zullen wij den kandelaar en het halssnoer

verkoopen en het geld broederlijk samen deelen, daarna gaan wij ieder

naar huis en trachten wij ons zoo goed mogelijk te verontschuldigen

bij onze meesters." De gedachte van den alguazil leek ons zeer

rechtskundig. Wij gingen dan ook naar onze herberg. Sommigen meenden

dat zij wel een of andere reden zouden vinden waarom zij buitenshuis

geslapen hadden, anderen bekommerden er zich weinig om als zij den

anderen dag zouden worden weggestuurd.

Wij lieten ons een uitstekend souper klaarmaken en gingen met flinken

eetlust en in de vroolijkste stemming aan tafel. Het maal werd gekruid

door allerlei gezellig gepraat. Fabricius vooral wist den vroolijken

geest erin te houden en vermaakte het gezelschap ten zeerste, daar

hij onuitputtelijk was in anecdoten. Maar terwijl onze vroolijkheid

ten top steeg en wij ons kostelijk amuseerden, werd onze vreugde

plotseling door een zeer onaangename gebeurtenis verstoord. Een

tamelijk goed gekleed man, gevolgd door twee ongunstig uitziende

lieden, trad het vertrek binnen, waar wij soupeerden. Achter hen

kwamen nog drie mannen en zoo telden wij er in 't geheel twaalf, die

drie aan drie binnenkwamen. Zij waren allen gewapend met karabijnen,

degens en bajonetten. Wij zagen terstond, dat het lieden van de wacht

waren en wij konden hun bedoeling gemakkelijk raden. Eerst waren wij

van plan weerstand te bieden, maar zij omsingelden ons in een ommezien

en wij moesten wel zwichten voor hun aantal en hun vuurwapenen.

"Mijne heeren," zei de commandant op schertsenden toon," ik weet

op welk een spitsvondige wijze gij een ring aan een avonturierster

ontstolen hebt. Dat kunststukje is prachtig door u uitgevoerd en

verdient openlijk beloond te worden, wat ook zal gebeuren. Het

gerecht, dat u een verblijf in zijn paleis heeft toegedacht, zal

niet in gebreke blijven u voor zulk een geniaal kunststukje goed te

bedenken." Wij waren door deze woorden allen zeer verbaasd, de rollen

waren omgekeerd en wij verkeerden nu in denzelfden angst als waarin

wij kort tevoren Camilla hadden gebracht. Fabricius echter, hoewel

bleek en ontdaan, trachtte ons te rechtvaardigen. "Mijnheer," zei hij,

"wij hadden geen kwade bedoelingen er mede en daarom moet u ons dit

kleine guitenstukje maar vergeven."--"Wel alle duivels," antwoordde de

commandant woedend, "dat belieft ge een guitenstreek te noemen? Weet

ge wel, dat er de strop op staat? Behalve dat ge jezelf geen recht

moogt verschaffen, hebt ge bovendien nog een kandelaar, een halssnoer

en oorbellen medegenomen en wat zeker een groot misdrijf is waar de

galg op staat, is, dat ge jezelf verkleed hebt als soldaten om dezen

diefstal te plegen. Ge zijt ellendelingen, die zich als brave menschen

verkleeden om kwaad te doen. Ik geloof dat jelui blij moogt zijn als

je er met de galeien af komt." Toen hij ons duidelijk te verstaan had

gegeven, dat de zaak nog veel ernstiger was dan wij eerst geloofden,

wierpen wij ons allen voor zijne voeten en smeekten hem medelijden

te hebben met onze jeugd, maar onze smeekbeden hielpen niets. Ja,

wat nog meer zegt en wat waarlijk buitengewoon mag genoemd worden,

hij verwierp ons aanbod om hem het halssnoer, de oorbellen en de

kandelaar af te geven. Hij weigerde zelfs mijn ring aan te nemen,

misschien omdat hij zich voor het gezelschap schaamde. Kort en goed,

hij was niet te vermurwen. Hij gebood mijn makkers de wapenen af te

geven en liet ons allen naar de stadsgevangenis brengen. Terwijl

wij er heen gevoerd werden, vertelde een van de krijgslieden mij,

dat de oude vrouw, die met Camilla samenwoonde, achterdocht tegen

ons had gekregen. Dat zij ons toen gevolgd was naar de herberg en

dat zij toen, zeker van haar vermoeden, de politie had gewaarschuwd

om zich zoodoende op ons te wreken.

Allereerst werden wij gefouilleerd. Men nam ons den halssnoer, de

oorbellen en de kandelaar af en men ontnam mij zelfs mijn ring met de

Philippijnsche robijnen, dien ik toevallig in mijn zak had. Men liet

mij zelfs mijn honorarium voor mijn doktersvisites niet behouden. Dit

deed mij duidelijk zien dat de justitie te Valladolid hare taak

al even goed kende als die te Astorga en dat die heertjes er allen

dezelfde manieren op na hielden. Terwijl zij mij van mijn kleinoodiën

en geld beroofden, vertelde de officier van de patrouille, die erbij

tegenwoordig was, ons avontuur aan de heeren rechters. Het feit leek

hun zóó ernstig, dat de meeste onder hen ons waardig achtten voor de

doodstraf. De anderen, die niet zoo streng waren, zeiden dat wij er

af konden komen met ieder tweehonderd zweepslagen en eenige jaren

galeidienst. In afwachting van de beslissing die de corrigedor zou

nemen, sloot men ons op in een hok, waar wij ons ter ruste legden op

stroo, dat in zoo groote hoeveelheid den bodem bedekte, alsof het

een paardenstal was. Wij hadden er nog heel lang in kunnen zitten,

als mijnheer Manuel Ordonnez den volgenden morgen niet besloten had

Fabricius uit de gevangenis te halen, wat hij niet kon doen zonder

ook ons mee te nemen. Deze Ordonnez was een zeer geacht persoon in

de stad. Hij bepleitte onze zaak met alle kracht en overreding en

door zijn invloed en die van zijne vrienden werden wij na drie dagen

vrijgelaten. Maar wij gingen niet heen zooals wij gekomen waren,

want wij moesten den kandelaar, het collier, de oorbellen, mijn ring

en den robijn achterlaten.

Zoodra wij op vrije voeten waren, gingen wij op weg naar onze meesters

terug. Dokter Sangrado ontving mij zeer hartelijk. "Mijn arme Gil

Blas," zeide hij, "ik heb van morgen eerst van uw ongeluk gehoord. Ik

vatte terstond het plan op uit alle macht te uwen gunste te spreken,

maar nu gij weer vrij zijt, moet ge maar niet langer aan het geval

denken en je met dubbelen ijver op de geneeskunde toeleggen." Ik

antwoordde hem, dat ik dat ook van plan was en wijdde mij dan

ook geheel aan de wetenschap. Het ontbrak mij inderdaad niet aan

werk, want er waren zeer vele zieken, zooals mijn meester mij had

voorspeld. Mazelen en hardnekkige koortsen begonnen te heerschen in

de geheele stad en in de voorsteden. Alle doktoren van Valladolid

hadden de handen vol en wij niet minder. Er ging geen dag voorbij,

dat we niet acht of tien patiënten bezochten. Stel je dus voor hoeveel

warm water er gedronken en hoeveel bloed er vergoten werd. Hoe het

kwam weet ik niet, maar onze patiënten stierven allen, òf omdat we ze

verkeerd behandelden, òf omdat hunne ziekten ongeneeslijk waren. Het

gebeurde zelden, dat wij de zieken drie maal bezochten, want bij de

tweede visite waren ze of al dood of we vonden ze stervende. Daar ik

nog pas kort in het vak was en nog niet gewend aan zoo'n moordpartij,

was ik erg bedroefd over den ongunstigen afloop, dien men mij kon

verwijten. "Mijnheer," zei ik op een avond tegen dokter Sangrado,

"ik roep den hemel tot getuige, dat ik stipt uwe methode toepas, maar

toch vertrekken al mijn patiënten naar betere gewesten. Men zou haast

zeggen dat zij er pleizier in hebben onze geneeskunde in miscrediet te

brengen. Vandaag nog werden er twee begraven." "Mijn kind," antwoordde

hij, "ik moet je bijna hetzelfde zeggen, want ook ik heb niet vaak

de voldoening een zieke te genezen. Zij sterven mij onder de handen

en ware ik niet zoo vast overtuigd van mijn principes, dan zou ik

bijna gaan gelooven dat onze geneeswijze juist nadeelig is voor de

zieken die wij behandelen."--"Geloof mij, mijnheer," zei ik, "wij

moesten eens van taktiek veranderen. Laten we eens voor de aardigheid

scheikundige preparaten aan onze zieken geven, bv. roode poeders. Als

het ergste gebeurt, hebben zij hetzelfde effect als ons warm water en

onze aderlatingen."--"Ik zou die proef gaarne nemen," antwoordde hij,

"als dit geen gevolgen had, maar ik heb een boek uitgegeven, waarin ik

de herhaalde aderlating en het drinken van water zeer aanbeveel. Nu

kan ik toch moeilijk mijn werk gaan herroepen." "Zeer zeker moogt ge

dat niet doen," antwoordde ik, "die overwinning moogt ge uw vijanden

niet gunnen, zij zouden zeggen dat ge u voor alles liet gebruiken en

dat zou uw goeden naam zeer schaden. Mogen dan liever alle menschen

het hoekje omgaan. Wij moeten dus onze gewone behandeling voortzetten

en dat is ook niet erg, want onze collega's doen ondanks hun afkeer

van aderlaten geen grooter wonderen dan wij en ik geloof zelfs dat

hun medicijnen niet veel meer waard zijn dan onze natuurgeneeswijze."

Wij begonnen dus met nieuwen moed onze praktijk en wij deden dit

zoo handig, dat wij binnen zes weken evenveel vrouwen tot weduwen

maakten als het beleg van Troje. Het leek wel of de pest te Valladolid

heerschte, zooveel begravenissen zag men. Iederen dag kwam er een

vader ons rekenschap vragen van zijn zoon, dien wij hem ontnomen

hadden, of een oom kwam ons den dood van zijn neef verwijten. Wat

betreft de zoons en de neven zelven van deze vaders en ooms, deze

kwamen niet bij ons. De mannen waren zeer bescheiden; zij verweten

ons het verlies van hunne vrouwen niet. De menschen echter, wier

verwijten wij moesten aanhooren, werden soms zeer brutaal. Zij

gooiden ons allerllei beleedigingen naar het hoofd en scholden ons

uit voor domooren en moordenaars. Ik was zeer bedroefd en beleedigd

door hun scheldwoorden, maar mijn meester was er tegen gehard. Ik zou

misschien gewend zijn geraakt aan hun beleedigingen, doch de hemel had

ten gunste van de zieken in Valladolid besloten, hen te bevrijden van

hun plagen en boezemde mij een afkeer in van de geneeskunde, die ik

met zoo gering succes beoefende. Ik zal hiervan een getrouw verslag

doen, op gevaar af, dat de lezer zich te mijnen koste vroolijk maakt.

Er was in onze buurt een kaatsbaan, waar de leegloopers van de stad

eiken dag bijeenkwamen. Men zag er onder anderen een beroepsspeler, die

meester in de kaatskunst was en die alle geschillen in de kaatsbaan

beslechtte. Hij kwam van Biscaye en noemde zich don Rodriguez de

Mondargon. Het was een man van gewone gestalte, uitgedroogd en

gespierd en ongeveer dertig jaar oud. Behalve een paar kleine

glinsteroogjes, die in zijn hoofd rolden en die allen dreigend

aankeken, had hij een platten neus boven een rossigen knevel,

welke laatste in twee punten tot aan zijn slapen reikte. Hij was

zoo ruw en bruusk in zijn spreken, dat hij slechts den mond te

openen had om iemand verschrikt te maken. Deze raketbreker was

de tyran geworden van de kaatsbaan. Hij beslechtte onverbiddelijk

alle mogelijke geschillen, die er tusschen de spelers rezen en men

behoefde niet in hooger beroep te gaan zonder de kans te loopen den

volgenden dag een uitdaging van hem te ontvangen. Zooals ik u don

Rodriguez heb voorgesteld, die niettegenstaande zijn titel "don"

toch slechts een gewoon burgerman was--had hij de eigenaresse van

de kaatsbaan verteederd. Deze was een vrouw van zoowat veertig jaar,

rijk, met een aardig uiterlijk en sedert vijftien maanden weduwe. Ik

begrijp niet hoe zij hem aardig kon vinden, maar zeker was het niet

om zijn schoonheid, doch ongetwijfeld om iets wat ik niet zou kunnen

uitdrukken. Hoe het ook zij, hij beviel haar en zij vormde het plan

met hem te trouwen. Juist echter terwijl zij haar plan toewerkte,

werd zij ziek en ongelukkig voor haar werd ik haar dokter. Al was

hare ziekte geen kwaadaardige koorts, mijne geneesmiddelen maakten

de ziekte toch gevaarlijk. Na vier dagen was de kaatsbaan dan ook in

rouw gedompeld. De eigenaresse van de kaatsbaan ging waar ik al mijn

patiënten heenzond en haar bloedverwanten maakten zich meester van

hare bezittingen. Don Rodriguez, wanhopig zijn maitresse verloren

te hebben, of beter gezegd de hoop op zulk een voordeelig huwelijk,

was niet tevreden vuur en vlammen tegen mij uit te braken; hij zwoer

dat hij mij aan zijn degen zou rijgen en dat hij mij het levenslicht

zou uitblazen zoo gauw hij mij ontmoette. Een buurman, die medelijden

met mij had, kwam mij dit vertellen en voor zoover ik Mondragon kende,

achtte ik het raadzaam om de gegeven waarschuwing niet in den wind te

slaan. Ik was zeer bevreesd en durfde mijn woning niet uit, zoo bang

was ik, dien duivel te zullen ontmoeten en ik stelde mij steeds voor,

dat ik hem hoorde binnen komen. Deze vreeselijke angst gunde mij geen

oogenblik rust, en die was oorzaak dat ik de geneeskunde er aan gaf

en slechts bedacht was uit mijn hevige onrust te komen. Ik trok mijn

geborduurd kleed weer aan en na mijn meester, die niet vermocht mij

te weerhouden, vaarwel gezegd te hebben, vertrok ik in den vroegen

morgen uit de stad, niet weinig bevreesd don Rodriguez op mijn weg

te zullen ontmoeten.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 1 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 32 / 67 题