Gil Blas gaat voort de geneeskunde uit te oefenen met evenveel succes
als geschiktheid. De teruggevonden ring.
Nauwelijks was ik op mijn kamer, of dokter Sangrado kwam binnen. Ik
begon met hem te spreken over de zieken die ik gezien had en
overhandigde hem acht realen van de twaalf, die ik verdiend had met
recepten schrijven. "Slechts acht realen," zei hij na ze geteld te
hebben, "dat is niet veel voor twee visites, maar enfin, men moet
alles aannemen." Vervolgens nam hij zelf het leeuwendeel, namelijk
zes realen en gaf er mij twee, zeggende: "Hier Gil Blas, nu kunt ge
vast beginnen een spaarcentje te overleggen. Bovendien kom ik dit
met je overeen, dat ge het vierde deel krijgt van alles wat ge mij
aanbrengt. Gij zult zoodoende in minder dan geen tijd rijk wezen,
want als het Gode behaagt zullen er dit jaar veel zieken zijn."
Ik kon tevreden zijn met mijn deel, daar ik het plan had altijd vooraf
het vierde gedeelte van mijn ontvangsten achter te houden en daarna nog
het vierde deel van de rest kreeg, zoodat wiskundig berekend bijna de
helft van de geheele ontvangst voor mij was. Dit maakte mij vol ijver
voor de geneeskunde. Den volgenden dag zoodra ik gegeten had, trok ik
mijn kleeren van plaatsvervangend geneesheer aan en ging op weg. Ik
bezocht verschillende zieken, wier namen ik opgeschreven had, en ik
behandelde ze allen volgens dezelfde wijze, hoewel zij verschillende
ziekten hadden. Tot nog toe was alles goed gegaan en dank zij den
hemel had niemand zich nog verzet tegen mijn voorschriften; maar hoe
ervaren een geneesheer ook moge wezen, er zullen altijd lieden zijn,
die hem benijden en zijn behandeling becritiseeren. Ik trad binnen
bij een kruidenier, die een waterzuchtig zoon had. Ik trof hem in
gezelschap van een kleinen, donkeren dokter, een zekeren Cuchillo,
dien een bloedverwant had meegebracht om den zieke eens te zien. Ik
groette iedereen zeer hoffelijk en in het bijzonder den man, dien
men, naar ik oordeelde, had medegebracht om zijn raad te hooren. Hij
groette zeer deftig en na mij eenige oogenblikken nauwkeurig te hebben
gadegeslagen, zei hij zeer beleefd: "Mijn waarde collega, ik verzoek u
mijne nieuwsgierigheid te verontschuldigen. Ik dacht alle geneesheeren
van Valladolid te kennen, die natuurlijk mijn collega's zijn, maar ik
moet bekennen, dat uw gelaatstrekken mij onbekend zijn. Gij hebt u dus
zeker pas sedert zeer korten tijd hier gevestigd." Ik antwoordde dat
ik nog maar pas in de praktijk was en dat ik nog slechts werkte onder
toezicht van dokter Sangrado. "Ik mag u dan voorzeker gelukwenschen,
dat gij de methode van zulk een groot man tot de uwe gemaakt hebt. Ik
twijfel dan ook niet, of gij zult wel zeer ervaren zijn al schijnt
gij nog zeer jong." Hij zei dat op zoo'n natuurlijken toon, dat ik
niet wist of hij het in ernst had gezegd of dat hij mij bespotte. Ik
dacht er nog over na, wat ik hierop zou antwoorden, toen de kruidenier,
gebruik makende van dezen tusschentijd, het woord nam: "Mijne heeren,
ik ben overtuigd dat gij beiden de geneeskunde op uw duimpje kent;
onderzoekt dus beiden mijn zoon en brengt uw oordeel uit wat wij
moeten doen om hem te genezen."
Hierop begon de kleine dokter den zieke nauwkeurig te onderzoeken en
na mij alle symptonen van de ziekte gewezen en uitgelegd te hebben,
vroeg hij mij hoe ik dacht dat de zieke behandeld moest worden. "Ik ben
van oordeel," antwoordde ik, "dat men hem elken dag een aderlating moet
laten ondergaan en dat hij overvloedig warm water moet drinken." Bij
deze woorden zei de kleine dokter glimlachend op een boosaardigen toon:
"En zijt gij van meening dat deze middelen den zieke het leven zullen
redden?" "Twijfel er niet aan," zei ik op beslisten toon, "gij zult den
zieke zienderoogen zien genezen; die aderlatingen zullen dat effect
teweeg brengen, omdat zij juist geschikt zijn voor al dergelijke
ziekten. Vraag het maar eens aan dokter Sangrado!" "In dit opzicht,"
hernam hij, "heeft Celcius groot ongelijk door te verzekeren, dat om
waterzucht te genezen het zeer dienstig is den patiënt honger en dorst
te doen lijden." "O!" antwoordde ik, "Celcius is geenszins een orakel
voor mij; hij heeft zich evenzeer vergist als anderen en soms kan ik
mijzelven prijzen tegen zijne voorschriften te hebben gehandeld." "Ik
zie aan uw gesprek duidelijk," antwoordde Cuchillo, "hoe dokter
Sangrado zijn methode bij de jonge medici in zwang brengt. Aderlaten
en drinken vormen zijne geheele geneesmethode en ik ben er niet
verwonderd over, dat zoovele zieken onder zijne handen bezwijken."
"Geen beleedigingen als het u blieft," antwoordde ik hem kortaf;
"iemand van uw beroep toont al heel weinig opvoeding door zulke
verwijten te doen! Kom, kom, dokter, zonder aderlaten en drinkkuren
van warm water worden er ook nog heel wat zieken naar de andere wereld
gezonden. Gij zelf hebt er misschien meer naar den hemel gestuurd dan
anderen. Als ge iets hebt tegen Sangrado, schrijf hem dan; hij zal niet
op zijn antwoord laten wachten en wij zullen zien wie de lachers aan
zijn zijde zal hebben." "Wel voor den duivel!" antwoordde hij in woede,
"kent gij dokter Cuchillo dan niet? Weet dan, dat ik niet met mij
laat spotten, en dat ik in 't minst niet bang ben voor Sangrado, die,
niettegenstaande zijn ijdelheid en zijne verwaandheid, toch slechts
een zonderling is." Het gelaat van den kleinen dokter teekende een
en al woede. Ik antwoordde hem op scherpen toon, hij niet minder en
weldra gingen wij tot handtastelijkheden over. Wij gaven elkaar een
paar vuistslagen en trokken elkaar de haren uit, doch spoedig kwamen
de kruidenier en zijn zoon om ons te scheiden. Toen wij zoover waren,
betaalden zij mij mijne visite en lieten mijn tegenstander, dien zij
waarschijnlijk voor knapper hielden, bij zich blijven.
Na dit avontuur beleefde ik bijna een tweede. Ik ging een grooten
zanger bezoeken, die de koorts had. Zoodra ik hem van warm water
sprak, toonde hij zoo 'n afkeer van dit middel, dat hij begon te
vloeken, mij duizend beleedigingen naar het hoofd slingerde en zelfs
dreigde mij het venster te zullen uitwerpen als ik niet drommels gauw
wegging. Dit liet ik mij geen tweemaal zeggen, trok mij snel terug
en daar ik geen lust had dien dag nog meer zieken te gaan bezoeken,
ging ik naar de herberg, waar ik met Fabricius had afgesproken te
komen. Deze laatste wachtte mij al. Daar wij in een stemming waren
om te drinken, dronken wij een stevig glaasje en keerden later in
een vroolijke stemming halfdronken naar onze meesters terug. Sangrado
bemerkte mijn dronken toestand niet eens, daar ik hem met zooveel vuur
de worsteling met den kleinen dokter vertelde, dat hij mijn levendige
gebaren aanzag voor nawerkingen van mijn heftigen gemoedstoestand bij
het gevecht. Bovendien interesseerde mijn verslag hem zeer, daar het
hem persoonlijk gold en verontwaardigd tegen Cuchillo riep hij uit:
"Gij hebt zeer goed gedaan, Gil Blas, door onze geneesmiddelen te
verdedigen tegen dat dwergachtig gedrochtje van de geneeskundige
faculteit. Dat wil tegen mij volhouden dat men waterzuchtigen geen
water te drinken mag geven? Zoo'n waanwijze gek! En ik houd vol dat
men hun het gebruik van water wel mag toestaan. Het water alleen kan
allerlei gevallen van waterzucht genezen, evenals het alleen goed
is voor rheumatiek en bloedarmoede. Het is ook bijzonder genezend in
gevallen van koorts, die iemand het eene oogenbiik verbrandt en hem het
volgende oogenblik doet rillen van kou en 't heeft een wonderdadige
kracht bij katarrhale aandoeningen. Deze meening lijkt jonge dokters
zooals Cuchillo vreemd, maar zij is zeer goed te verdedigen en als
die lieden logisch konden redeneeren, inplaats van mij uit te jouwen,
zooals zij doen, zouden zij mijne methode bewonderen en mijn ijverigste
collega's worden."
Hij zag dus in het geheel niet, dat ik gedronken had, zoozeer was
hij in woede ontstoken, want om hem nog meer te verbitteren tegen den
kleinen dokter, had ik in mijn rapport eenige gebeurtenissen vermeld,
die ik maar op eigen houtje er bij verzon. Hij geloofde dan ook, dat ik
smaak begon te krijgen in die water drankjes en zei: "Tot mijn genoegen
zie ik, Gil Blas, dat je al niet zoo'n afkeer meer van water hebt,
en dat ge het al drinkt als wijn. Dit verwondert mij echter niet in
't minst, mijn waarde vriend, want ik wist van tevoren, dat je je
wel aan dezen drank zoudt gewennen." "Alles op zijn tijd, mijnheer,"
antwoordde ik hem, "op 't oogenblik bijvoorbeeld zou ik een vat wijn
geven voor een glas water!" Dit antwoord beviel den dokter zeer, die
dan ook deze gelegenheid niet liet voorbijgaan om alle voortreffelijke
eigenschappen van het water nog eens op te sommen. Met ware geestdrift
verkondigde hij den lof van het water. "Duizendmaal te verkiezen
boven onze tegenwoordige kroegen waren de drinkhuizen der oudheid,
waar men zijne gezondheid en zijn geld niet ging verkwisten door wijn
te drinken, maar waar men gezellig bijeenkwam om zich te amuseeren met
een glas warm water. Men kan niet voldoende de wijze voorzienigheid
van die oude meesters van het publieke leven bewonderen, die overal
publieke gelegenheden hadden laten oprichten, waar men aan allen warm
water schonk en die den wijn lieten opbergen in de winkels van de
apothekers om het gebruik ervan slechts toe te staan op voorschrift
van een geneesheer. Welk een verheven wijsheid! Het is misschien nog
een gevolg van die oude soberheid, de gouden eeuw waardig, dat er nog
heden ten dage enkele lieden zijn, zooals gij en ik, die slechts water
drinken en die gelooven zich te harden tegen alle kwalen en die te
genezen, door slechts warm water te drinken, dat men gekookt heeft;
want ik heb opgemerkt, dat gekookt water zwaarder op de maag ligt en
moeilijker wordt verdragen."
Terwijl hij zijne welsprekende redevoering hield, moest ik mij
goedhouden om niet telkens in lachen uit te barsten. Ik wist mij
echter te bedwingen en deelde natuurlijk ten volle het gevoel van den
dokter. Ik keurde het gebruik van wijn ten zeerste af en beklaagde de
menschen, die van zulk een noodlottigen drank hielden. Daarna nam ik,
daar ik nog vreeselijken dorst had, een groot glas water en dronk
het met groote teugen uit. "Kom mijnheer," sprak ik, "laten wij
beiden ons laven aan dezen heilzamen drank! Laten wij in uw huis
weer zoo'n drinkgelegenheid van warm water herstellen, zooals de
ouden die hadden." Hij juichte deze woorden luid toe en vermaande
mij wel meer dan een uur om toch nooit iets anders te drinken dan
water. Ik beloofde hem, dat ik, om mij er aan te gewennen, elken
avond een groote hoeveelheid water zou drinken en om mij beter mijn
belofte te doen houden, beloofde ik mijzelf, dat ik voortaan elken
avond naar het wijnhuis zou gaan.
Het onaangename voorval, dat ik gehad had bij den kruidenier,
verhinderde mij niet mijn beroep verder uit te oefenen en van 's
morgens vroeg tot 's avonds laat aderlatingen en warm water voor te
schrijven. Toen ik op een keer uit het huis kwam van een dichter,
die aan waanzin leed, ontmoette ik een oude vrouw, die mij staande
hield en mij vroeg of ik een dokter was. Ik antwoordde haar ja. "O,"
zei zij toen, "als dat zoo is, smeek ik u om met mij naar huis te
komen, mijn nichtje ligt sinds gisteren ziek en ik weet niet wat haar
scheelt." Ik volgde de oude vrouw naar haar huis en trad een tamelijk
zindelijke kamer binnen, waar ik iemand te bed zag liggen, Ik kwam
dichter bij om te zien en terstond troffen mij haar gelaatstrekken
en na haar eenige oogenblikken te hebben gadegeslagen, herkende ik
in haar de avonturierster, die zoo goed de rol van Camilla gespeeld
had. Zij herkende mij blijkbaar niet, misschien omdat zij te veel pijn
leed, of omdat mijn dokterskleeding mij onkenbaar maakte. Ik nam haar
arm om haar de pols te voelen en bemerkte toen mijn ring aan haren
vinger. Ik was ten prooi aan een heftige gemoedsbeweging op het zien
van dat voorwerp, waarop ik eigendomsrecht had, en ik had grooten lust
een poging te doen om mij er meester van te maken. Ik hield mij echter
in, bedenkende, dat onze vrouwen zeker zouden beginnen te schreeuwen
en dat misschien don Raphaël of een ander verdediger van het schoone
geslacht op dit geschreeuw zouden toeschieten. Ik bedacht dus bijtijds,
dat het maar beter was te huichelen en er eens met Fabricius over te
beraadslagen. Ondertusschen drong de oude vrouw mij haar te zeggen,
waaraan hare nicht lijdende was. Ik was natuurlijk niet zoo dom
te bekennen dat ik er niets van wist, maar speelde den geleerde in
navolging van mijn meester, zei ik dat de ziekte daardoor ontstond,
dat de zieke niet transpireerde; dat het daarom noodzakelijk was zoo
spoedig mogelijk een aderlating te doen, omdat een aderlating een
vervanging was van het natuurlijk transpireeren. Bovendien beval ik
het drinken van warm water om geheel in de gewoonte te blijven.
Ik bekortte mijn bezoek zooveel als ik maar kon en ging naar den zoon
van Nunez, dien ik ontmoette juist toen hij een boodschap voor zijn
meester ging doen. Ik vertelde hem mijn nieuw avontuur en vroeg hem
of hij het in dit geval gewenscht achtte Camilla door de politie te
doen arresteeren. "Niet doen," riep hij uit, "want dat zou al heel
dom zijn, daar je dan je ring zeker niet terug zoudt krijgen. Die
luidjes houden er niet van iets terug te geven. Denk maar eens aan de
gevangenis te Astorga; hebt ge hun niet alles moeten laten, je paard,
je geld, ja zelfs je kleeren? Neen, we moeten hier veel slimmer te
werk gaan en ik zal wel een list vinden. Ik zal er eens over denken
terwijl ik naar het hospitaal ga, waar ik voor mijn meester een paar
woordjes te zeggen heb aan den provisiemeester. Ga jij intusschen
naar onze kroeg en wacht mij daar. Zoo spoedig mogelijk kom ik bij je."
Er verliepen echter meer dan drie volle uren voor hij kwam. Op het
eerste gezicht herkende ik hem niet zoo gauw. Behalve, dat hij een
ander pak aangetrokken en zijne haren gevlochten had, bedekte een
kunstmatige knevel de helft van zijn gezicht. Hij droeg een grooten
degen en werd gevolgd door vijf mannen, die er even barsch uitzagen
met hun zware snorren en die elk een lang rapier op zij droegen. "Uw
dienaren, Mijnheer Gil Blas, ziehier een nieuwbakken ridder met zijn
dappere knechten, die van hetzelfde slag zijn. Wilt u ons bij de
vrouw brengen, die uwen diamanten ring heeft gestolen en wij zullen
zorgen dat u hem terug krijgt." Toen Fabricius uitgesproken had,
vloog ik hem om den hals, waarna hij mij zijn geheele krijgsplan
uitlegde en ik verzekerde hem dat ik dit prachtig vond. Ik groette
daarna de nagemaakte krijgsknechten. Het waren drie lakeien en twee
kappersbedienden, die hij kende en die hij gevraagd had ervoor te
willen spelen. Ik liet wijn brengen om de bende te tracteeren en wij
begaven ons daarna bij het vallen van den avond naar Camilla. Wij
klopten op de gesloten deur en de oude vrouw kwam opendoen. Zij
verschrikte hevig toen zij de mannen zag die zij voor politiebeambten
hield, welke niet met lieflijke bedoelingen bij haar huiszoeking kwamen
doen. "Stel je gerust oudje," zei Fabricius, "wij hebben hier slechts
even wat te doen en dat zal gauw genoeg afgeloopen zijn want wij zijn
altijd zeer gehaast". Dit zeggende ging hij ons voor naar binnen,
en wij kwamen in de ziekenkamer waarheen de oude vrouw ons den weg
wees en ons voorlichtte met een kaars in een zilveren kandelaar. Ik
nam de kaars en begaf mij naar het ledikant en toonde mijn gezicht aan
Camilla: "Trouwelooze," zei ik, "herken je den al te lichtgeloovigen
Gil Blas niet, dien ge bedrogen hebt! Zoo, canaille, ontmoet ik je dan
eindelijk na je lang tevergeefs gezocht te hebben. De rechter heeft
mijn beschuldiging aangenomen en zendt deze gerechtsdienaren om je
te arresteeren. Welnu mijnheer de officier," zei ik tot Fabricius,
"doe wat u gelast is." "Het is niet noodig mij aan te sporen mijn
plicht te doen," antwoordde deze met vervaarlijke stem. "Ik herken
die jonge dame daar, sedert tien jaar staat zij bij mij in het roode
boekje. Sta op, schoone dame, en kleed je maar gauw aan. Ik zal je
tot schildknaap dienen en je naar de stadsgevangenis brengen, als je
er niets op tegen hebt."
Ziende dat twee van de krijgsknechten zich gereed maakten haar beet te
grijpen en uit het bed te trekken, ging Camilla uit zichzelf rechtop
zitten, vouwde de handen en in smeekende houding mij aankijkende bad
zij mij: "Mijnheer Gil Blas, heb medelijden met mij; ik bezweer u bij
een reine moeder aan wie gij het leven dankt, dat ik eer ongelukkig
dan schuldig ben. Gij zult ervan overtuigd worden als gij slechts naar
mijne geschiedenis wil luisteren--"Neen jonge dame," schreeuwde ik,
"ik wil je volstrekt niet aanhooren. Ik weet maar al te goed dat
ge prachtige romannetjes kunt maken."--"Welnu dan, daar ge mij niet
toestaat mijzelf te rechtvaardigen, zal ik u uwen ring teruggeven,
maar maak mij niet ongelukkig." Dit zeggende trok zij mijn ring van
den vinger en gaf hem mij terug. Ik antwoordde echter, dat ik niet
met den ring alleen tevreden was, maar dat ik ook de duizend dukaten
terug moest hebben, die mij in het gemeentehuis waren ontstolen. "O
mijnheer," riep zij uit, "wat uwe dukaten aangaat, vraag die niet
aan mij. De schurk van een Raphaël heeft ze meegenomen en ik heb
hem na dien tijd niet meer gezien."--"Wel mijn lieve jonge dame,"
zei toen Fabricius, "zou je nu ook maar niet ineens erbij liegen, dat
je er in het geheel niets van hebt gekregen? Zoo goedkoop kom je er
echter bij ons niet van af. Alleen het feit, dat ge een medeplichtige
van Don Raphaël zijt, is voldoende om u rekenschap te vragen van uw
geheele vroegere leven. Je zult wel heel wat op je geweten hebben
en in de gevangenis kun je dan op je gemak een volledige bekentenis
afleggen. Ik zal ook dit oudje medenemen; ik geloof dat zij wel
heel wat geschiedenisjes zal kunnen vertellen, die den rechter niet
onverschillig zullen zijn."
Op het hooren van deze woorden stelden de beide vrouwen alles in het
werk om ons te verteederen en begonnen luidkeels te jammeren en te
klagen. Terwijl de oude vrouw op haar knieën liggende nu eens het
medelijden inriep van den alguazil, dan weer van de krijgsknechten,
smeekte Camilla mij op hartroerende wijze haar uit de handen van de
justitie te redden. Het was als het ware een tooneelspel. Ik deed
alsof ik mij liet verteederen. "Mijnheer de officier," zei ik tot den
zoon van Nunez, "daar ik ten minste mijn ring terug heb, zal ik mij
over het overige maar troosten. Ik verlang niet, dat men deze vrouw
straffen zal, want ik wil den dood van den armen zondaar niet!"
"Wat nu?" antwoordde hij, "gij hebt nog medelijden, je zoudt zeker
niet deugen voor rechter. Ik zal dan ook kalm mijn opdracht verder
vervullen. De rechter heeft mij uitdrukkelijk gelast deze twee
jonge dames in hechtenis te nemen daar hij een voorbeeld met hen
wil stellen."
"Komaan," antwoordde ik, "geef nu een weinig gehoor aan mijn bede
en neem uw plicht nu eens niet zoo nauwgezet op met het oog op de
belooning die deze dames u zullen geven."
--O! in dat geval verandert de zaak een beetje. Zoo iets helpt altijd
beter dan de grootste welsprekendheid. Komaan, wat willen de dames
mij zooal aanbieden?"
"Ik heb een parelsnoer en oorbellen van groote waarde," zei Camilla.
"Ja, maar," viel hij plotseling in de rede, "als die van de
Philippijnen komen wil ik ze volstrekt niet hebben."
"Gij kunt ze gerust aannemen," hernam zij, "ik sta u ervoor in, dat
ze prachtig zijn." Zij liet daarop de oude vrouw een kistje brengen
waaruit zij het collier en de oorbellen haalde en gaf ze over aan
den alguazil. Hoewel hij net zooveel verstand had van edelgesteenten
als ik, twijfelde hij geen oogenblik aan de echtheid van de diamanten
oorbellen en de parelen. "Die kleinoodiën schijnen heel mooi te zijn,"
zei hij na ze nauwkeurig te hebben bekeken, "en als men er dan nog
den zilveren kandelaar bijtelt, dien Gil Blas vasthoudt, dan geloof
ik dat men mijn getrouwheid wel aan het wankelen zou kunnen brengen."
"Ik geloof niet," zei ik tot Camilla, "dat ge om zoo 'n kleinigheid
zulk een voordeelig accoordje zoudt willen misloopen," en dit zeggende
nam ik de kaars uit den kandelaar en gaf de eerste aan de oude vrouw
en den laatste aan Fabricius. Hij liet het hierbij, misschien ook
omdat hij niets meer in de kamer zag wat hem geschikt leek mede te
nemen en zich tot de twee vrouwen wendende, zei hij: "Vaarwel dames,
weest gerust, ik zal met den corregidor spreken en u onschuldig als
lammetjes pleiten. Wij kunnen hem de zaken altijd zoo voorpraten,
als wij dat zelf willen en wij geven hem alleen dan een getrouw
verslag wanneer wij geen belang erbij hebben hem een valsch te geven."