HOOFDSTUK IV

Gil Blas gaat voort de geneeskunde uit te oefenen met evenveel succes

als geschiktheid. De teruggevonden ring.

Nauwelijks was ik op mijn kamer, of dokter Sangrado kwam binnen. Ik

begon met hem te spreken over de zieken die ik gezien had en

overhandigde hem acht realen van de twaalf, die ik verdiend had met

recepten schrijven. "Slechts acht realen," zei hij na ze geteld te

hebben, "dat is niet veel voor twee visites, maar enfin, men moet

alles aannemen." Vervolgens nam hij zelf het leeuwendeel, namelijk

zes realen en gaf er mij twee, zeggende: "Hier Gil Blas, nu kunt ge

vast beginnen een spaarcentje te overleggen. Bovendien kom ik dit

met je overeen, dat ge het vierde deel krijgt van alles wat ge mij

aanbrengt. Gij zult zoodoende in minder dan geen tijd rijk wezen,

want als het Gode behaagt zullen er dit jaar veel zieken zijn."

Ik kon tevreden zijn met mijn deel, daar ik het plan had altijd vooraf

het vierde gedeelte van mijn ontvangsten achter te houden en daarna nog

het vierde deel van de rest kreeg, zoodat wiskundig berekend bijna de

helft van de geheele ontvangst voor mij was. Dit maakte mij vol ijver

voor de geneeskunde. Den volgenden dag zoodra ik gegeten had, trok ik

mijn kleeren van plaatsvervangend geneesheer aan en ging op weg. Ik

bezocht verschillende zieken, wier namen ik opgeschreven had, en ik

behandelde ze allen volgens dezelfde wijze, hoewel zij verschillende

ziekten hadden. Tot nog toe was alles goed gegaan en dank zij den

hemel had niemand zich nog verzet tegen mijn voorschriften; maar hoe

ervaren een geneesheer ook moge wezen, er zullen altijd lieden zijn,

die hem benijden en zijn behandeling becritiseeren. Ik trad binnen

bij een kruidenier, die een waterzuchtig zoon had. Ik trof hem in

gezelschap van een kleinen, donkeren dokter, een zekeren Cuchillo,

dien een bloedverwant had meegebracht om den zieke eens te zien. Ik

groette iedereen zeer hoffelijk en in het bijzonder den man, dien

men, naar ik oordeelde, had medegebracht om zijn raad te hooren. Hij

groette zeer deftig en na mij eenige oogenblikken nauwkeurig te hebben

gadegeslagen, zei hij zeer beleefd: "Mijn waarde collega, ik verzoek u

mijne nieuwsgierigheid te verontschuldigen. Ik dacht alle geneesheeren

van Valladolid te kennen, die natuurlijk mijn collega's zijn, maar ik

moet bekennen, dat uw gelaatstrekken mij onbekend zijn. Gij hebt u dus

zeker pas sedert zeer korten tijd hier gevestigd." Ik antwoordde dat

ik nog maar pas in de praktijk was en dat ik nog slechts werkte onder

toezicht van dokter Sangrado. "Ik mag u dan voorzeker gelukwenschen,

dat gij de methode van zulk een groot man tot de uwe gemaakt hebt. Ik

twijfel dan ook niet, of gij zult wel zeer ervaren zijn al schijnt

gij nog zeer jong." Hij zei dat op zoo'n natuurlijken toon, dat ik

niet wist of hij het in ernst had gezegd of dat hij mij bespotte. Ik

dacht er nog over na, wat ik hierop zou antwoorden, toen de kruidenier,

gebruik makende van dezen tusschentijd, het woord nam: "Mijne heeren,

ik ben overtuigd dat gij beiden de geneeskunde op uw duimpje kent;

onderzoekt dus beiden mijn zoon en brengt uw oordeel uit wat wij

moeten doen om hem te genezen."

Hierop begon de kleine dokter den zieke nauwkeurig te onderzoeken en

na mij alle symptonen van de ziekte gewezen en uitgelegd te hebben,

vroeg hij mij hoe ik dacht dat de zieke behandeld moest worden. "Ik ben

van oordeel," antwoordde ik, "dat men hem elken dag een aderlating moet

laten ondergaan en dat hij overvloedig warm water moet drinken." Bij

deze woorden zei de kleine dokter glimlachend op een boosaardigen toon:

"En zijt gij van meening dat deze middelen den zieke het leven zullen

redden?" "Twijfel er niet aan," zei ik op beslisten toon, "gij zult den

zieke zienderoogen zien genezen; die aderlatingen zullen dat effect

teweeg brengen, omdat zij juist geschikt zijn voor al dergelijke

ziekten. Vraag het maar eens aan dokter Sangrado!" "In dit opzicht,"

hernam hij, "heeft Celcius groot ongelijk door te verzekeren, dat om

waterzucht te genezen het zeer dienstig is den patiënt honger en dorst

te doen lijden." "O!" antwoordde ik, "Celcius is geenszins een orakel

voor mij; hij heeft zich evenzeer vergist als anderen en soms kan ik

mijzelven prijzen tegen zijne voorschriften te hebben gehandeld." "Ik

zie aan uw gesprek duidelijk," antwoordde Cuchillo, "hoe dokter

Sangrado zijn methode bij de jonge medici in zwang brengt. Aderlaten

en drinken vormen zijne geheele geneesmethode en ik ben er niet

verwonderd over, dat zoovele zieken onder zijne handen bezwijken."

"Geen beleedigingen als het u blieft," antwoordde ik hem kortaf;

"iemand van uw beroep toont al heel weinig opvoeding door zulke

verwijten te doen! Kom, kom, dokter, zonder aderlaten en drinkkuren

van warm water worden er ook nog heel wat zieken naar de andere wereld

gezonden. Gij zelf hebt er misschien meer naar den hemel gestuurd dan

anderen. Als ge iets hebt tegen Sangrado, schrijf hem dan; hij zal niet

op zijn antwoord laten wachten en wij zullen zien wie de lachers aan

zijn zijde zal hebben." "Wel voor den duivel!" antwoordde hij in woede,

"kent gij dokter Cuchillo dan niet? Weet dan, dat ik niet met mij

laat spotten, en dat ik in 't minst niet bang ben voor Sangrado, die,

niettegenstaande zijn ijdelheid en zijne verwaandheid, toch slechts

een zonderling is." Het gelaat van den kleinen dokter teekende een

en al woede. Ik antwoordde hem op scherpen toon, hij niet minder en

weldra gingen wij tot handtastelijkheden over. Wij gaven elkaar een

paar vuistslagen en trokken elkaar de haren uit, doch spoedig kwamen

de kruidenier en zijn zoon om ons te scheiden. Toen wij zoover waren,

betaalden zij mij mijne visite en lieten mijn tegenstander, dien zij

waarschijnlijk voor knapper hielden, bij zich blijven.

Na dit avontuur beleefde ik bijna een tweede. Ik ging een grooten

zanger bezoeken, die de koorts had. Zoodra ik hem van warm water

sprak, toonde hij zoo 'n afkeer van dit middel, dat hij begon te

vloeken, mij duizend beleedigingen naar het hoofd slingerde en zelfs

dreigde mij het venster te zullen uitwerpen als ik niet drommels gauw

wegging. Dit liet ik mij geen tweemaal zeggen, trok mij snel terug

en daar ik geen lust had dien dag nog meer zieken te gaan bezoeken,

ging ik naar de herberg, waar ik met Fabricius had afgesproken te

komen. Deze laatste wachtte mij al. Daar wij in een stemming waren

om te drinken, dronken wij een stevig glaasje en keerden later in

een vroolijke stemming halfdronken naar onze meesters terug. Sangrado

bemerkte mijn dronken toestand niet eens, daar ik hem met zooveel vuur

de worsteling met den kleinen dokter vertelde, dat hij mijn levendige

gebaren aanzag voor nawerkingen van mijn heftigen gemoedstoestand bij

het gevecht. Bovendien interesseerde mijn verslag hem zeer, daar het

hem persoonlijk gold en verontwaardigd tegen Cuchillo riep hij uit:

"Gij hebt zeer goed gedaan, Gil Blas, door onze geneesmiddelen te

verdedigen tegen dat dwergachtig gedrochtje van de geneeskundige

faculteit. Dat wil tegen mij volhouden dat men waterzuchtigen geen

water te drinken mag geven? Zoo'n waanwijze gek! En ik houd vol dat

men hun het gebruik van water wel mag toestaan. Het water alleen kan

allerlei gevallen van waterzucht genezen, evenals het alleen goed

is voor rheumatiek en bloedarmoede. Het is ook bijzonder genezend in

gevallen van koorts, die iemand het eene oogenbiik verbrandt en hem het

volgende oogenblik doet rillen van kou en 't heeft een wonderdadige

kracht bij katarrhale aandoeningen. Deze meening lijkt jonge dokters

zooals Cuchillo vreemd, maar zij is zeer goed te verdedigen en als

die lieden logisch konden redeneeren, inplaats van mij uit te jouwen,

zooals zij doen, zouden zij mijne methode bewonderen en mijn ijverigste

collega's worden."

Hij zag dus in het geheel niet, dat ik gedronken had, zoozeer was

hij in woede ontstoken, want om hem nog meer te verbitteren tegen den

kleinen dokter, had ik in mijn rapport eenige gebeurtenissen vermeld,

die ik maar op eigen houtje er bij verzon. Hij geloofde dan ook, dat ik

smaak begon te krijgen in die water drankjes en zei: "Tot mijn genoegen

zie ik, Gil Blas, dat je al niet zoo'n afkeer meer van water hebt,

en dat ge het al drinkt als wijn. Dit verwondert mij echter niet in

't minst, mijn waarde vriend, want ik wist van tevoren, dat je je

wel aan dezen drank zoudt gewennen." "Alles op zijn tijd, mijnheer,"

antwoordde ik hem, "op 't oogenblik bijvoorbeeld zou ik een vat wijn

geven voor een glas water!" Dit antwoord beviel den dokter zeer, die

dan ook deze gelegenheid niet liet voorbijgaan om alle voortreffelijke

eigenschappen van het water nog eens op te sommen. Met ware geestdrift

verkondigde hij den lof van het water. "Duizendmaal te verkiezen

boven onze tegenwoordige kroegen waren de drinkhuizen der oudheid,

waar men zijne gezondheid en zijn geld niet ging verkwisten door wijn

te drinken, maar waar men gezellig bijeenkwam om zich te amuseeren met

een glas warm water. Men kan niet voldoende de wijze voorzienigheid

van die oude meesters van het publieke leven bewonderen, die overal

publieke gelegenheden hadden laten oprichten, waar men aan allen warm

water schonk en die den wijn lieten opbergen in de winkels van de

apothekers om het gebruik ervan slechts toe te staan op voorschrift

van een geneesheer. Welk een verheven wijsheid! Het is misschien nog

een gevolg van die oude soberheid, de gouden eeuw waardig, dat er nog

heden ten dage enkele lieden zijn, zooals gij en ik, die slechts water

drinken en die gelooven zich te harden tegen alle kwalen en die te

genezen, door slechts warm water te drinken, dat men gekookt heeft;

want ik heb opgemerkt, dat gekookt water zwaarder op de maag ligt en

moeilijker wordt verdragen."

Terwijl hij zijne welsprekende redevoering hield, moest ik mij

goedhouden om niet telkens in lachen uit te barsten. Ik wist mij

echter te bedwingen en deelde natuurlijk ten volle het gevoel van den

dokter. Ik keurde het gebruik van wijn ten zeerste af en beklaagde de

menschen, die van zulk een noodlottigen drank hielden. Daarna nam ik,

daar ik nog vreeselijken dorst had, een groot glas water en dronk

het met groote teugen uit. "Kom mijnheer," sprak ik, "laten wij

beiden ons laven aan dezen heilzamen drank! Laten wij in uw huis

weer zoo'n drinkgelegenheid van warm water herstellen, zooals de

ouden die hadden." Hij juichte deze woorden luid toe en vermaande

mij wel meer dan een uur om toch nooit iets anders te drinken dan

water. Ik beloofde hem, dat ik, om mij er aan te gewennen, elken

avond een groote hoeveelheid water zou drinken en om mij beter mijn

belofte te doen houden, beloofde ik mijzelf, dat ik voortaan elken

avond naar het wijnhuis zou gaan.

Het onaangename voorval, dat ik gehad had bij den kruidenier,

verhinderde mij niet mijn beroep verder uit te oefenen en van 's

morgens vroeg tot 's avonds laat aderlatingen en warm water voor te

schrijven. Toen ik op een keer uit het huis kwam van een dichter,

die aan waanzin leed, ontmoette ik een oude vrouw, die mij staande

hield en mij vroeg of ik een dokter was. Ik antwoordde haar ja. "O,"

zei zij toen, "als dat zoo is, smeek ik u om met mij naar huis te

komen, mijn nichtje ligt sinds gisteren ziek en ik weet niet wat haar

scheelt." Ik volgde de oude vrouw naar haar huis en trad een tamelijk

zindelijke kamer binnen, waar ik iemand te bed zag liggen, Ik kwam

dichter bij om te zien en terstond troffen mij haar gelaatstrekken

en na haar eenige oogenblikken te hebben gadegeslagen, herkende ik

in haar de avonturierster, die zoo goed de rol van Camilla gespeeld

had. Zij herkende mij blijkbaar niet, misschien omdat zij te veel pijn

leed, of omdat mijn dokterskleeding mij onkenbaar maakte. Ik nam haar

arm om haar de pols te voelen en bemerkte toen mijn ring aan haren

vinger. Ik was ten prooi aan een heftige gemoedsbeweging op het zien

van dat voorwerp, waarop ik eigendomsrecht had, en ik had grooten lust

een poging te doen om mij er meester van te maken. Ik hield mij echter

in, bedenkende, dat onze vrouwen zeker zouden beginnen te schreeuwen

en dat misschien don Raphaël of een ander verdediger van het schoone

geslacht op dit geschreeuw zouden toeschieten. Ik bedacht dus bijtijds,

dat het maar beter was te huichelen en er eens met Fabricius over te

beraadslagen. Ondertusschen drong de oude vrouw mij haar te zeggen,

waaraan hare nicht lijdende was. Ik was natuurlijk niet zoo dom

te bekennen dat ik er niets van wist, maar speelde den geleerde in

navolging van mijn meester, zei ik dat de ziekte daardoor ontstond,

dat de zieke niet transpireerde; dat het daarom noodzakelijk was zoo

spoedig mogelijk een aderlating te doen, omdat een aderlating een

vervanging was van het natuurlijk transpireeren. Bovendien beval ik

het drinken van warm water om geheel in de gewoonte te blijven.

Ik bekortte mijn bezoek zooveel als ik maar kon en ging naar den zoon

van Nunez, dien ik ontmoette juist toen hij een boodschap voor zijn

meester ging doen. Ik vertelde hem mijn nieuw avontuur en vroeg hem

of hij het in dit geval gewenscht achtte Camilla door de politie te

doen arresteeren. "Niet doen," riep hij uit, "want dat zou al heel

dom zijn, daar je dan je ring zeker niet terug zoudt krijgen. Die

luidjes houden er niet van iets terug te geven. Denk maar eens aan de

gevangenis te Astorga; hebt ge hun niet alles moeten laten, je paard,

je geld, ja zelfs je kleeren? Neen, we moeten hier veel slimmer te

werk gaan en ik zal wel een list vinden. Ik zal er eens over denken

terwijl ik naar het hospitaal ga, waar ik voor mijn meester een paar

woordjes te zeggen heb aan den provisiemeester. Ga jij intusschen

naar onze kroeg en wacht mij daar. Zoo spoedig mogelijk kom ik bij je."

Er verliepen echter meer dan drie volle uren voor hij kwam. Op het

eerste gezicht herkende ik hem niet zoo gauw. Behalve, dat hij een

ander pak aangetrokken en zijne haren gevlochten had, bedekte een

kunstmatige knevel de helft van zijn gezicht. Hij droeg een grooten

degen en werd gevolgd door vijf mannen, die er even barsch uitzagen

met hun zware snorren en die elk een lang rapier op zij droegen. "Uw

dienaren, Mijnheer Gil Blas, ziehier een nieuwbakken ridder met zijn

dappere knechten, die van hetzelfde slag zijn. Wilt u ons bij de

vrouw brengen, die uwen diamanten ring heeft gestolen en wij zullen

zorgen dat u hem terug krijgt." Toen Fabricius uitgesproken had,

vloog ik hem om den hals, waarna hij mij zijn geheele krijgsplan

uitlegde en ik verzekerde hem dat ik dit prachtig vond. Ik groette

daarna de nagemaakte krijgsknechten. Het waren drie lakeien en twee

kappersbedienden, die hij kende en die hij gevraagd had ervoor te

willen spelen. Ik liet wijn brengen om de bende te tracteeren en wij

begaven ons daarna bij het vallen van den avond naar Camilla. Wij

klopten op de gesloten deur en de oude vrouw kwam opendoen. Zij

verschrikte hevig toen zij de mannen zag die zij voor politiebeambten

hield, welke niet met lieflijke bedoelingen bij haar huiszoeking kwamen

doen. "Stel je gerust oudje," zei Fabricius, "wij hebben hier slechts

even wat te doen en dat zal gauw genoeg afgeloopen zijn want wij zijn

altijd zeer gehaast". Dit zeggende ging hij ons voor naar binnen,

en wij kwamen in de ziekenkamer waarheen de oude vrouw ons den weg

wees en ons voorlichtte met een kaars in een zilveren kandelaar. Ik

nam de kaars en begaf mij naar het ledikant en toonde mijn gezicht aan

Camilla: "Trouwelooze," zei ik, "herken je den al te lichtgeloovigen

Gil Blas niet, dien ge bedrogen hebt! Zoo, canaille, ontmoet ik je dan

eindelijk na je lang tevergeefs gezocht te hebben. De rechter heeft

mijn beschuldiging aangenomen en zendt deze gerechtsdienaren om je

te arresteeren. Welnu mijnheer de officier," zei ik tot Fabricius,

"doe wat u gelast is." "Het is niet noodig mij aan te sporen mijn

plicht te doen," antwoordde deze met vervaarlijke stem. "Ik herken

die jonge dame daar, sedert tien jaar staat zij bij mij in het roode

boekje. Sta op, schoone dame, en kleed je maar gauw aan. Ik zal je

tot schildknaap dienen en je naar de stadsgevangenis brengen, als je

er niets op tegen hebt."

Ziende dat twee van de krijgsknechten zich gereed maakten haar beet te

grijpen en uit het bed te trekken, ging Camilla uit zichzelf rechtop

zitten, vouwde de handen en in smeekende houding mij aankijkende bad

zij mij: "Mijnheer Gil Blas, heb medelijden met mij; ik bezweer u bij

een reine moeder aan wie gij het leven dankt, dat ik eer ongelukkig

dan schuldig ben. Gij zult ervan overtuigd worden als gij slechts naar

mijne geschiedenis wil luisteren--"Neen jonge dame," schreeuwde ik,

"ik wil je volstrekt niet aanhooren. Ik weet maar al te goed dat

ge prachtige romannetjes kunt maken."--"Welnu dan, daar ge mij niet

toestaat mijzelf te rechtvaardigen, zal ik u uwen ring teruggeven,

maar maak mij niet ongelukkig." Dit zeggende trok zij mijn ring van

den vinger en gaf hem mij terug. Ik antwoordde echter, dat ik niet

met den ring alleen tevreden was, maar dat ik ook de duizend dukaten

terug moest hebben, die mij in het gemeentehuis waren ontstolen. "O

mijnheer," riep zij uit, "wat uwe dukaten aangaat, vraag die niet

aan mij. De schurk van een Raphaël heeft ze meegenomen en ik heb

hem na dien tijd niet meer gezien."--"Wel mijn lieve jonge dame,"

zei toen Fabricius, "zou je nu ook maar niet ineens erbij liegen, dat

je er in het geheel niets van hebt gekregen? Zoo goedkoop kom je er

echter bij ons niet van af. Alleen het feit, dat ge een medeplichtige

van Don Raphaël zijt, is voldoende om u rekenschap te vragen van uw

geheele vroegere leven. Je zult wel heel wat op je geweten hebben

en in de gevangenis kun je dan op je gemak een volledige bekentenis

afleggen. Ik zal ook dit oudje medenemen; ik geloof dat zij wel

heel wat geschiedenisjes zal kunnen vertellen, die den rechter niet

onverschillig zullen zijn."

Op het hooren van deze woorden stelden de beide vrouwen alles in het

werk om ons te verteederen en begonnen luidkeels te jammeren en te

klagen. Terwijl de oude vrouw op haar knieën liggende nu eens het

medelijden inriep van den alguazil, dan weer van de krijgsknechten,

smeekte Camilla mij op hartroerende wijze haar uit de handen van de

justitie te redden. Het was als het ware een tooneelspel. Ik deed

alsof ik mij liet verteederen. "Mijnheer de officier," zei ik tot den

zoon van Nunez, "daar ik ten minste mijn ring terug heb, zal ik mij

over het overige maar troosten. Ik verlang niet, dat men deze vrouw

straffen zal, want ik wil den dood van den armen zondaar niet!"

"Wat nu?" antwoordde hij, "gij hebt nog medelijden, je zoudt zeker

niet deugen voor rechter. Ik zal dan ook kalm mijn opdracht verder

vervullen. De rechter heeft mij uitdrukkelijk gelast deze twee

jonge dames in hechtenis te nemen daar hij een voorbeeld met hen

wil stellen."

"Komaan," antwoordde ik, "geef nu een weinig gehoor aan mijn bede

en neem uw plicht nu eens niet zoo nauwgezet op met het oog op de

belooning die deze dames u zullen geven."

--O! in dat geval verandert de zaak een beetje. Zoo iets helpt altijd

beter dan de grootste welsprekendheid. Komaan, wat willen de dames

mij zooal aanbieden?"

"Ik heb een parelsnoer en oorbellen van groote waarde," zei Camilla.

"Ja, maar," viel hij plotseling in de rede, "als die van de

Philippijnen komen wil ik ze volstrekt niet hebben."

"Gij kunt ze gerust aannemen," hernam zij, "ik sta u ervoor in, dat

ze prachtig zijn." Zij liet daarop de oude vrouw een kistje brengen

waaruit zij het collier en de oorbellen haalde en gaf ze over aan

den alguazil. Hoewel hij net zooveel verstand had van edelgesteenten

als ik, twijfelde hij geen oogenblik aan de echtheid van de diamanten

oorbellen en de parelen. "Die kleinoodiën schijnen heel mooi te zijn,"

zei hij na ze nauwkeurig te hebben bekeken, "en als men er dan nog

den zilveren kandelaar bijtelt, dien Gil Blas vasthoudt, dan geloof

ik dat men mijn getrouwheid wel aan het wankelen zou kunnen brengen."

"Ik geloof niet," zei ik tot Camilla, "dat ge om zoo 'n kleinigheid

zulk een voordeelig accoordje zoudt willen misloopen," en dit zeggende

nam ik de kaars uit den kandelaar en gaf de eerste aan de oude vrouw

en den laatste aan Fabricius. Hij liet het hierbij, misschien ook

omdat hij niets meer in de kamer zag wat hem geschikt leek mede te

nemen en zich tot de twee vrouwen wendende, zei hij: "Vaarwel dames,

weest gerust, ik zal met den corregidor spreken en u onschuldig als

lammetjes pleiten. Wij kunnen hem de zaken altijd zoo voorpraten,

als wij dat zelf willen en wij geven hem alleen dan een getrouw

verslag wanneer wij geen belang erbij hebben hem een valsch te geven."

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 1 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 31 / 67 题