HOOFDSTUK III

Gil Blas komt in betrekking bij dokter Sangrado en wordt een beroemd

geneesheer.

Ik besloot een man te gaan opzoeken, tot wien zich het meerendeel

der lakeien wendden, die op straat staan en dan uit zijn register een

nieuwe betrekking te zoeken, maar toen ik juist de doodloopende straat

waarin hij woonde, wilde binnen gaan, ontmoette ik dokter Sangrado, die

ik niet meer gezien had sinds den dag van het sterven mijns meesters

en ik nam de vrijheid hem te groeten. Hij herkende me oogenblikkelijk,

hoewel ik van kleeding verwisseld had en terwijl hij eenige blijdschap

toonde mij te zien, zei hij: "Zoo, mijn jongen, zijt gij daar, ik dacht

straks juist aan je. Ik heb een goeden jongen noodig om me te dienen,

en ik dacht dat gij wel de aangewezen persoon voor mij zoudt zijn, als

gij zou kunnen lezen en schrijven,"--"Mijnheer, wat dat aangaat ben ik

wat u verlangt, want ik kan het een zoowel als het ander," antwoordde

ik. "Als dat zoo is, zijt gij de man, dien ik noodig heb," hernam

hij. "Kom bij mij, gij zult er slechts aangenaam bezig zijn en ik zal

u met voorkomendheid behandelen. Ik zal u geen loon geven; maar het

zal u aan niets ontbreken. Ik zal zorg dragen je goed te onderhouden

en ik zal je de groote kunst leeren alle ziekten te genezen. In één

woord, ge zult meer mijn leerling dan mijn bediende zijn."

Ik nam het voorstel van den dokter aan in de hoop, dat ik onder

een zoo bekwaam meester, mij in de geneeskunde beroemd zou kunnen

maken. Hij nam me dadelijk met zich mee om me in de betrekking,

waarvoor hij mij bestemde, te installeeren; en die betrekking bestond

in het opschrijven van den naam en de woonplaats van al de zieken,

die hem lieten halen, terwijl hij de stad in was. Tot dat doel was

er een register in huis, waarin een oude meid, die hij als eenige

dienstbode hield, de adressen opteekende; maar behalve, dat zij

de kunst der spelling niet verstond, schreef ze zoo slecht, dat

men meestentijds haar schrift niet ontcijferen kon. Hij belastte

mij met de zorg dat boek bij te houden, dat men zeer juist een

sterfteboek zou kunnen noemen, daar de lieden, wier namen ik opnam,

bijna allen stierven. Ik schreef er om zoo te zeggen alle menschen in

op, die naar de andere wereld wilden vertrekken, zooals een kommies

op een bureau van openbare vervoermiddelen de namen opschrijft van

hen, die plaatsen reserveeren. Ik had dikwijls de pen in de hand,

daar er in dien tijd geen een dokter in Valladolid was, die zoo goed

stond aangeschreven als dokter Sangrado. Hij was in de gunst van het

publiek gekomen door een schoonschijnende woordenkeus, vergezeld van

een indrukwekkend voorkomen en ook door eenige gelukkige behandelingen,

die hem meer hadden aangebracht dan zij verdienden.

Het ontbrak hem niet aan praktijk, dus ook niet aan welvaart. Toch nam

hij het er daarom niet beter van; men leefde bij hem zeer sober. Wij

aten gewoonlijk niets anders dan erwten, boonen, gebraden appelen

en kaas. Hij zei dat die spijzen het beste voor de maag waren,

als zijnde de meest geschikte voor de opname, dat wil zeggen om

gemakkelijker verteerd te worden. Niettegenstaande hij ze gemakkelijk

te verteren vond, wilde hij niet, dat we er ons genoegen aan aten,

waarin hij zich zeker heel redelijk betoonde. Maar indien hij aan de

dienstbode en mij verbood veel te eten, stond hij ons als belooning

toe zooveel water te drinken als wij maar wilden. Verre van ons

daarin te beperken, zei hij ons dikwijls: Drink maar, kinderen; de

gezondheid bestaat in het soepele en de vochtigheid der organen. Drink

ruimschoots water; dat is een algemeen oplossingsmiddel, het water

doet alle zouten smelten. Gaat de stroom van het bloed langzamer,

dan wordt hij daardoor sneller; is hij te snel, dan vertraagt het

die onstuimigheid." Onze dokter geloofde zoo vast aan dit alles,

dat hij zelf, hoewel van gevorderden leeftijd, nooit iets anders dan

water dronk. Hij betitelde den ouderdom als een natuurlijke tering,

die ons uitdroogt en verteert en bij die definitie beklaagde hij de

onwetendheid van hen, die de wijn de melk der grijsaards noemen. Hij

hield vol dat de wijn het gestel verslijt en ondermijnt en zei zeer

welsprekend, dat die doodelijke vloeistof voor hen, evenals voor allen,

een verraderlijke vriend en een bedriegelijk genoegen is.

Niettegenstaande die geleerde theorieën kreeg ik na acht dagen in

dat huis te zijn geweest een hevigen buikloop en ik begon heftige

maagpijnen te gevoelen, die ik de brutaliteit had aan het algemeene

oplossingsmiddel toe te schrijven en aan het slechte voedsel,

dat ik daar gebruikte. Ik beklaagde er mij bij mijn meester over,

in de hoop dat hij een beetje van zijn regime zou afwijken en mij

wat wijn bij mijn maaltijden zou geven, maar hij was een te groot

vijand van deze vloeistof om me dat toe te staan, en zei: "Indien

ge eenmaal de gewoonte van het waterdrinken hebt, zult ge er de

uitnemende werking van op prijs stellen; trouwens als ge eenigszins

een afkeer van zuiver water hebt, zijn er onschuldige hulpmiddelen om

de maag tegen het flauwe van dien waterdrank bestand te doen zijn. De

salie, bijvoorbeeld, en de prij geven het een verrukkelijken smaak

en indien ge ze nog heerlijker wilt imaken, behoeft ge er slechts

anjelierbloesems-, rozemarijn- of klaprozen-aftreksel door te doen."

Al prees hij water ook nog zoo en al wilde hij mij in de geheimen

inwijden er heerlijke brouwsels mee samen te stellen, ik dronk

voortaan zoo matig, dat hij op een goeden dag dit bemerkende, zeide:

"O, waarlijk, Gil Blas, ik verwonder er me niet over, dat gij geen

volmaakte gezondheid bezit; ge drinkt niet genoeg, beste vrind. Wanneer

het water in kleine hoeveelheden genomen wordt, dient het slechts om

de galdeelen te ontwikkelen en hun werkzaamheid te verhoogen, inplaats

dat ze verdronken worden in een overvloedige verdunning. Denk niet,

beste jongen, dat deze overvloed van het water verzwakt of je maag

zal verkoelen; laat verre van u dien panischen schrik, dien het vele

drinken u misschien inboezemt. Ik sta je daarvoor borg, en indien ge

mij niet goed genoeg acht om daarvoor in te staan, zal zelfs Celcius

het doen. Dat latijnsche orakel heeft een bewonderenswaardigen lof

van het water verkondigd; daarbij zegt hij in duidelijke bewoordingen,

dat zij, die om wijn te drinken zich verontschuldigen met zwakte van

hun maag, een blijkbare onrechtvaardigheid tegen dat lichaamsdeel

verkondigen en slechts zoeken hun zinnelijkheid te verbergen."

Daar het mij niet zou gepast hebben mij stijfhoofdig te toonen bij

het betreden der medische loopbaan, deed ik maar of ik ervan overtuigd

was, dat hij gelijk had; ik zal zelfs bekennen, dat ik hem werkelijk

geloofde. Ik ging dus voort met water drinken, op verantwoordelijkheid

van Celsius, of liever ik begon mijn gal te verdrinken door zooveel

mogelijk van dien drank naar binnen te werken en hoewel ik mij van dag

tot dag benauwder gevoelde, behaalde het vooroordeel de overwinning

over de ondervinding.

Men ziet dus wel dat ik een gelukkigen aanleg had om dokter te

worden. Toch kon ik niet altijd aan de hevigheid mijner pijnen

weerstand bieden, die zoo verergerden, dat ik eindelijk het besluit

opvatte bij dokter Sangrado weg te gaan. Doch hij belastte mij met

een nieuwen werkkring, die me van gevoelens deed veranderen. Op

zekeren dag zei hij tot mij: "Luister, ik ben geenszins een van

die harde ondankbare meesters, die hun dienaren oud laten worden in

dienstbaarheid zonder hen te beloonen. Ik ben tevreden over je en

houd van je; en zonder te wachten tot ge me langeren tijd gediend

hebt, heb ik het besluit genomen van heden af je fortuin te maken;

ik wil je aanstonds het fijne ontdekken van de gezondheidsleer, die ik

reeds gedurende zooveel jaren uitoefen. Andere dokters laten de kennis

baseeren op duizende lastige wetenschappen en ik stel me voor je dien

langen weg te bekorten en je de moeite te besparen van het bestudeeren

der natuur-, pharmacie- kruid- en ontleedkunde. Weet dan, mijn jongen,

dat het eenige is: aderlaten en warm water laten drinken; dat is het

geheim tot de genezing van alle ziekten ter wereld. Ja, dat eenvoudige

geheim dat ik je ontdek, en dat de natuur, ondoordringbaar voor mijn

collega's niet aan mijn opmerkingsgave heeft kunnen onttrekken, is

besloten in deze twee punten: aderlating en veelvuldig drinken. Ik

heb je nu niets meer te leeren, je kent de geneeskunde nu grondig,

en als je profiteert van de vrucht mijner vele ondervindingen, dan

ben je eensklaps even geleerd als ik. Gij kunt me nu terzijde staan;

's morgens zult ge ons register bijhouden en 's middags een gedeelte

van mijn patiënten bezoeken. Terwijl ik de zorgen op mij neem voor de

voornamen en de geestelijken, zult gij voor mij de huizen bezoeken van

den derden stand; en wanneer ge eenigen tijd voor mij zult gewerkt

hebben, zal ik u bij mij als geneeskundige aannemen. Gil Blas,

gij zijt geleerd voor ge dokter zijt, in tegenstelling met anderen

die reeds lang geneesheer zijn, zelfs velen hun leven lang, voor ze

geleerden zijn."

Ik bedankte den dokter er voor, dat hij me zoo vlug geschikt

had gemaakt hem tot plaatsvervanger te kunnen dienen; en om mijn

dankbaarheid voor zijn goedheden te betoonen, verzekerde ik hem, dat

ik mijn geheele leven zijn ideeën zou deelen, zelfs als ze geheel

het tegengestelde waren van die van Hippocrates; die verzekering

was echter niet geheel oprecht. Ik kon niet instemmen met zijn

gevoelens over het water en ik nam me voor elken dag wijn te drinken

als ik mijn zieken ging bezoeken. Ik hing voor den tweeden keer mijn

geborduurden rok aan den kapstok om er een van mijn meester te dragen,

die me het voorkomen van een dokter gaf. Daarna hield ik mij gereed

dokter te gaan spelen ten koste van wien er het slachtoffer van

werd. Ik begon met een gerechtsdienaar, die pleuris had; ik beval

dat men hem zonder genade moest aderlaten en dat men hem het water

niet spaarde. Daarna trad ik bij een koekbakker binnen, die van de

podraga luide gillen slaakte. Hem, zoo min als de gerechtsdienaar,

spaarde ik het bloed aftappen en beval, dat men hem van tijd tot tijd

moest laten drinken. Ik ontving twaalf realen voor mijn voorschriften,

wat me zooveel schik in mijn ambt deed krijgen, dat ik niets liever

wenschte dan wonden en bulten. Toen ik het huis van den koekbakker

verliet, ontmoette ik Fabricius, dien ik sedert den dood van Sédillo

niet meer gezien had. Hij bekeek me geruimen tijd met verbazing en

begon toen uit alle macht te schateren, met zijn handen zijn buik

vasthoudende. Nu, er was wel reden voor, want ik had een mantel, die

over den grond sleepte, en een wambuis en broek, die vier keer grooter

waren dan ze moesten zijn. Ik kon best voor een zonderling, belachelijk

type doorgaan. Ik liet hem maar schudden van het lachen, niet zonder

in verzoeking te komen zijn voorbeeld te volgen; maar ik hield me in

om het decorum in de straat te bewaren en beter de waardigheid van den

geneesheer op te houden, die geen belachelijk dier is. Had mijn dwaas

voorkomen den lachlust van Fabricius gewekt, zoo werd deze door mijn

ernstig gezicht nog verdubbeld; en toen hij flink had uitgebruld, riep

hij uit: "Groote God, Gil Blas, wat zie jij er heerlijk uit. Duivels,

wie heeft jou zoo toegetakeld?"--"Zachtjes aan, beste vriend, zachtjes

aan; heb eerbied voor een nieuwen Hippocrates! Verneem, dat ik de

plaatsvervanger ben van dokter Sangrado, die de beroemdste geneesheer

van Valladolid is! Ik woon sedert drie weken bij hem; en daar hij

niet bij machte is alle zieken, die hem roepen, zelf op te zoeken,

ga ik er een gedeelte van zien om hem wat te verlichten. Hij bezoekt

de groote huizen en ik de kleine."--"Zeer goed," hernam Fabricius,

"dat wil zeggen dat hij je het bloed der armen overlaat en hij zich dat

der voorname lui voorbehoudt. Ik wensch je geluk met jou deel, beter

is het met het volk te doen te hebben dan met de groote wereld. Leve

de geneesheer der voorsteden! Zijn fouten komen minder aan het licht

en zijn moorden worden minder ruchtbaar. Ja, beste jongen, je lot

lijkt me waard benijd te worden en om als Alexander te spreken:

indien ik Fabricius niet was, zou ik Gil Blas willen zijn."

Om den zoon van den barbier Nunez te toonen, dat hij geen ongelijk had

het geluk van mijn tegenwoordigen werkkring te roemen, liet ik hem de

realen van den gerechtsdienaar en den koekbakker zien; daarna gingen

we een herberg binnen om een partijtje te drinken. Men bracht ons vrij

goeden wijn, die me nog beter toescheen door den grooten lust dien ik

gevoelde er van te proeven. Ik dronk met lange teugen, en in weerwil

van het Latijnsche orakel, hoe meer ik er van in mijn maag goot, hoe

meer ik voelde, dat dit orgaan de onrechtvaardige behandeling, die ik

het deed ondergaan, niet kwalijk nam. We bleven lang in de herberg

plakken, en we vermaakten ons zeer ten koste onzer meesters, zooals

dat de gewoonte is onder dienaren. Vervolgens, ziende dat de avond

begon te vallen, scheidden wij, na wederzijds beloofd te hebben, dat we

elkaar den volgenden middag weer op dezelfde plaats zouden ontmoeten.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 1 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 30 / 67 题