HOOFDSTUK II

Op welke wijze de kanunnik behandeld werd toen hij ziek was; wat er

het gevolg van was en wat hij bij testament aan Gil Blas naliet.

Gedurende drie maanden diende ik dan kanunnik Sédillo zonder te klagen

over de slechte nachten, die ik in zijn dienst doorbracht. Na verloop

van dien tijd werd hij ziek, de koorts kwam op, en met de pijn, die

deze hem veroorzaakte, verergerde ook zijn podagra. Voor de eerste maal

in zijn lang leven, nam hij zijn toevlucht tot de geneesheeren. Hij

ontbood dokter Sangrado, die door geheel Valladolid als een Hippocrates

werd aangezien. Juffrouw Jacinta had liever gezien, dat de kanunnik

begonnen was met zijn testament, te maken en sprak er zelfs over,

maar behalve dat hij zich nog niet zoo dicht bij zijn einde dacht,

was hij in eenige dingen bijzonder stijfhoofdig. Ik ging dus dokter

Sangrado halen en bracht hem thuis. 't Was een groote, magere, bleeke

man, die meer dan veertig jaar praktiseerde. Deze wijze man zag er

ernstig uit; hij overwoog zijn redeneeringen en gaf een edelen zin

aan zijn uitdrukkingen. Zijn redeneeringen leken wiskundig en zijn

denkbeelden heel zonderling.

Na mijn meester nauwkeurig te hebben gadegeslagen, zei hij op

dokterstoon: "Het komt er hier op aan een fout van begane transpiratie

te hulp te komen, Anderen in mijn plaats zouden zonder twijfel

geneesmiddelen voorschrijven als zouten, op de urine werkende, of

vluchtige drankjes die voor het meerendeel zwavel en kwik bevatten,

maar die afdrijvende- en transpireermiddelen zijn zeer schadelijk en

uitgevonden door kwakzalvers; al die chemische preparaten lijken me toe

zeer slecht te zijn. Ik gebruik eenvoudiger en zekerder middelen. Aan

welk voedsel zijt gij gewend?" vervolgde hij. "Ik gebruik gewoonlijk

kreeftensoep en sappige vleezen", antwoordde de kanunnik. "Kreeftensoep

en sappige vleezen," riep de dokter verbaasd uit. "O, dan ben ik

waarlijk niet meer verwonderd, dat ge ziek zijt geworden. Heerlijke

gerechten zijn genotrijke vergiften, het zijn valstrikken die de

zinnelijkheid den menschen spreidt om hun ondergang des te stelliger

te bewerken. Gij zult van die smakelijke spijzen moeten afzien; de

flauwste zijn de beste voor de gezondheid. Daar het bloed smakeloos is,

wil ik dat het voedsel daarmee overeenstemt. En drinkt gij wijn?" "Ja,

versneden wijn," antwoordde de kanunnik, "O! versneden, zooveel ge maar

wilt," hernam de geneesheer, "wat een ongeregelde levenswijze! Dat

is een verschrikkelijke leefregel. Gij zoudt reeds lang dood hebben

moeten zijn. Hoe oud zijt ge?" "Ik ga mijn negen-en-zestigste in,"

antwoordde de kanunnik. "Juist, een te vroege ouderdom is altijd de

vrucht van de onmatigheid. Indien ge slechts altijd water gedronken

had, en u tevreden gesteld met eenvoudig voedsel, zooals gekookte

appelen of boonen en erwten, dan zoudt ge nu niet van het pootje te

lijden hebben en zouden al uw ledematen nog gemakkelijk hun diensten

verrichten. Toch wanhoop ik er niet aan, u weer op de been te helpen,

indien ge tenminste mijn bevelen opvolgt." Hoe groot een fijnproever

de domheer ook was, beloofde hij toch stipte gehoorzaamheid.

Toen liet Sangrado mij een chirurgijn halen en liet om te beginnen

mijn meester zesmaal flink aderlaten om aan het transpireeren tegemoet

te komen. Daarna zei hij tot den chirurg: "Meester Maarten Onez,

kom over drie uur terug om dezelfde hoeveelheid te laten en begin

morgen opnieuw. 't Is een vergissing te denken, dat het bloed noodig

is om te leven; men kan een zieke niet genoeg aderlaten. Daar hij

tot geen enkele beweging in staat is en hij niets te doen heeft dan

alleen niet te sterven, heeft hij niet meer bloed noodig dan een

ingeslapen mensch. Bij beiden bestaat het leven nog slechts in den

polsslag en de ademhaling." De goede kanunnik, die zich verbeeldde,

dat zoo 'n groot geneesheer geen drogredenen kon vertellen, liet

zich zonder tegenstand maar aderlaten. Nadat de dokter verschillende

en flinke aderlatingen geboden had, schreef hij ook nog voor, dat

men den kanunnik veel warm water moest laten drinken, verzekerende

dat water, overvloedig gedronken, kon doorgaan voor het werkelijke

middel tegen allerlei ziekten. Vervolgens ging hij weg, terwijl hij

juffrouw Jacinta en mij vol vertrouwen meedeelde, dat hij voor het

leven van den kanunnik instond indien men hem behandelde zooals hij

had voorgeschreven. De huishoudster, die wellicht anders over zijn

methode van behandeling oordeelde dan hijzelf, verzette zich niet

tegen een nauwkeurige opvolging van zijn voorschriften.

Inderdaad zetten we dadelijk water te warmen en daar de dokter ons

bevolen had hem op geenerlei wijze te sparen, lieten we den eersten

keer mijn meester twee of drie pinten achter elkaar uitdrinken. Een uur

later begonnen we opnieuw en herhaalden dit van tijd tot tijd, zoodat

we in zijn maag een zondvloed van water goten. Aan den anderen kant

hielp de chirurg ons door de hoeveelheid bloed, die hij hem aftapte en

zoo brachten wij in minder dan twee dagen den kanunnik op het uiterste.

Toen ik dien goeden kanunnik, die het niet langer kon uithouden,

nog een groot glas van het heilmiddel wilde toedienen, zei hij met

zwakke stem: "Houd op Gil Blas, geef me niet meer, mijn jongen. Ik zie

wel, dat ik sterven moet; niettegenstaande het heil van het water en

hoewel er ternauwernood nog een druppel bloed in mij is overgebleven,

gevoel ik mij niets beter; hetgeen bewijst dat de knapste geneesheer

ter wereld mijn dagen niet zou kunnen verlengen, als het noodlottig

einde daar is. Ik moet me dus gereed houden naar de andere wereld te

verhuizen; ga een notaris halen, want ik wil mijn testament maken." Bij

die laatste woorden die mij bijster bedroefden, zooals iedere erfgenaam

in een dergelijk geval pleegt te doen en terwijl ik niets liet blijken

van het genoegen, waarmee ik dadelijk, de boodschap, die hij mij opgaf,

wilde ten uitvoer brengen, zei ik: "Maar mijnheer, ge zijt Goddank

nog niet zoo ver, dat ge niet meer er bovenop zult komen."--"Neen,

mijn jongen," antwoordde hij, "'t is gedaan met me; ik voel dat de

podagra weer opkomt en de dood nadert; haast u te gaan, waarheen ik

u gezegd heb." Ik zag inderdaad dat hij zienderoogen veranderde; de

zaak leek me zoo dringend, dat ik vlug ging doen wat hij bevolen had,

juffrouw Jacinta bij hem latende, die meer nog dan ik, bevreesd was,

dat hij zou sterven zonder testament te hebben gemaakt. Ik trad het

huis van den eersten notaris dien men mij aanwees binnen, vond hem

thuis en zei: "Mijnheer, de kanunnik Sédillo, mijn meester, gaat zijn

einde tegemoet; hij wenscht zijn laatsten wil te doen neerschrijven; er

is geen oogenblik te verliezen." De notaris was een kleine vroolijke

grijsaard, die graag gekheid maakte; hij vroeg mij welke dokter den

kanunnik bezocht. Ik antwoordde dat het dokter Sangrado was. Bij dien

naam nam hij haastig zijn mantel en hoed en riep uit: "Groote God,

laten we dan vlug vertrekken; want die dokter is zoo gezwind dat hij

zijn zieken niet eens den tijd geeft den notaris te laten roepen. Die

man heeft me al wat testamenten mis laten loopen."

Zoo pratende haastte hij zich met mij mee te gaan en terwijl wij beiden

snel voortstapten om er aan te komen vóór den dood, zeide ik hem:

"Mijnheer, gij weet dat een stervende dikwijls zijn geheugen kwijt

is; als mijn meester mij soms mocht vergeten, wees dan zoo goed hem

aan mijn ijver te herinneren".--"Dat wil ik wel doen, mijn jongen,"

antwoordde de notaris, "gij kunt op mij rekenen. Ik zal hem zelfs

aansporen je wat van beteekenis te geven." Toen wij zijn kamer binnen

kwamen, was de kanunnik nog geheel bij kennis. Juffrouw Jacinta was bij

hem, met het gelaat badende in krokodillentranen. Zij had haar rol al

gespeeld om den goeden man te bewegen haar veel na te laten. Wij lieten

den notaris alleen met mijn meester en zij en ik gingen samen in de

voorkamer, waar wij den chirurgijn vonden, dien de dokter had gezonden

voor eene nieuwe en laatste aderlating. Wij hielden hem tegen. "Meester

Martin", zeide de huishoudster, "gij kunt thans niet binnengaan. Hij

is bezig zijn laatsten wil aan een notaris op te geven; gij kunt hem

op uw gemak aderlaten als hij zijn testament gemaakt heeft."

Wij waren doodsbang, de kwezel en ik, dat de kanunnik stierf

onder het testament maken, maar gelukkig werd de akte, waar wij

ons bezorgd om maakten, voltooid. Wij zagen den notaris weggaan,

die in 't voorbijgaan, me op den schouder klopte en glimlachend zei:

"Gil Blas is niet vergeten." Bij die woorden kwam een heerlijk gevoel

van blijdschap over me en ik was er mijn meester zoo dankbaar voor,

dat hij aan mij gedacht had, dat ik bij mezelf de belofte aflegde

voor hem na zijn dood tot God te bidden; welken dood zich niet lang

wachten deed, want daar de chirurg hem nogmaals had adergelaten,

stierf de arme grijsaard, die reeds al genoeg verzwakt was, bijna op

hetzelfde oogenblik. Terwijl hij den laatsten adem uitblies, verscheen

de dokter, die, niettegenstaande zijn gewoonte het einde van de zieken

te verhaasten, nu toch gek stond te kijken. Maar verre van den dood

des kanunniks toe te schrijven aan het drinken en aderlaten, ging

hij weg, en zei op koelen toon, dat men hem niet genoeg bloed had

afgetapt en niet genoeg warm water had laten drinken. De uitvoerder

van de hoogere medicijnkunst, ik wil zeggen de chirurg, ziende dat

men zijn diensten niet meer noodig had, volgde dokter Sangrado, de

een zoowel als de ander zeggende, dat ze van den eersten dag af den

kanunnik ten doode hadden opgeschreven. Werkelijk vergisten ze zich

haast nooit, als ze een dergelijk oordeel uitspraken.

Zoodra we zagen dat onze meester gestorven was, begonnen juffrouw

Jacinta, Inesilla en ik een concert van treurgalmen, die door de

geheele buurt weerklonken. Vooral de kwezel, die het meest reden had

verheugd te zijn, slaakte zulke klagende kreten, alsof ze de zwaarst

getroffen persoon ter wereld was. In een oogwenk was de kamer gevuld

met lieden, die minder door medelijden dan door nieuwsgierigheid

daarheen waren gekomen. Niet zoodra kreeg de familie van den overledene

lucht van zijn dood of ze kwamen het huis overvallen en lieten

overal alles verzegelen. Zij vonden de huishoudster zoo bedroefd,

dat ze eerst dachten, dat de kanunnik geen testament had gemaakt,

maar tot hun spijt vernamen ze weldra, dat er wel degelijk een was,

voorzien van alle noodige formaliteiten. Toen men het kwam openen en

zij zagen dat de erflater zijn beste bezittingen aan juffrouw Jacinta

had vermaakt, deden zij de uitvaartgebeden ter zijner gedachtenis

in minder lofwaardige termen. Zij gaven tegelijkertijd op de kwezel

af en maakten ook nog even gewag van mij. Nu, ik moet bekennen,

dat ik dit wel verdiende. De kanunnik, God hebbe zijn ziel, had,

om mij mijn geheele leven aan hem te doen denken, op deze wijze zich

omtrent mij in een artikel van zijn testament uitgelaten: "Idem, daar

Gil Blas een jongen is, die al iets van litteratuur afweet, laat ik

hem, om zijn wijsgeerige opvoeding te voltooien, mijn bibliotheek na,

al mijn boeken en mijn manuscripten, zonder eenige uitzondering."

Ik wist niet waar die zoogenaamde bibliotheek wel kon zijn; ik had niet

gemerkt, dat er een in huis was. Ik wist alleen, dat er eenige papieren

met vijf of zes deelen op twee dennenhouten plankjes in het kabinet

van mijn meester stonden. Dat was mijn legaat! En de boeken konden me

nog niet eens van groot nut zijn, want de een had den titel van: "De

volmaakte kok"; de ander handelde over de slechte spijsvertering en de

wijzen waarop die te genezen was, terwijl de andere de vier deelen van

het brevier vormden, half door de wormen verteerd. Wat de manuscripten

betreft, het meest interessante behelsde al de stukken van een proces,

dat de kanunnik vroeger voor zijn domheerschap had gevoerd. Na mijn

legaat nauwkeuriger te hebben bekeken, dan het verdiende, gaf ik het

aan de familie, die er mij zoo om benijd had. Ik gaf hun zelfs het

kleed terug, dat ik gedragen had en nam het mijne terug, terwijl ik

de vrucht mijner verdiensten tot mijn loon bepekte.

Juffrouw Jacinta had behalve de sommen die haar nagelaten waren, nog

mooie buitenkansjes gehad, die zij met behulp van haar goeden vriend

gedurende de ziekte van onzen meester in veiligheid had gebracht.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 1 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 29 / 67 题