Fabricius brengt Gil Blas bij den kanunnik Sédillo. In welken staat
zij dezen vonden en hoe zijn huishoudster er uitzag.
Zoo bang waren we te laat te zullen komen, dat we vliegensvlug naar
het huis holden. De deur vonden we gesloten en we klopten daarom
aan. Een meisje van tien jaar, dat de huishoudster niettegenstaande
de kwaadsprekerij voor haar nichtje liet doorgaan, deed ons open, en
toen we haar vroegen of we den kanunnik konden spreken, kwam juffrouw
Jacinta te voorschijn. Zij was een dame van reeds twijfelachtigen
leeftijd, maar nog mooi en ik bewonderde vooral de frischheid van haar
gelaatskleur. Zij droeg een lange japon van een zeer slechte kwaliteit
stof, met een breeden leeren gordel, aan den eenen kant hing een bos
sleutels en aan den anderen een rozenkrans van dikke kralen.
"Ik heb vernomen," begon mijn metgezel, "dat de kanunnik een
eerlijken netten jongen noodig heeft en ik kom er hem een aanbieden,
waarover ik hoop dat hij tevreden zal zijn." Bij die woorden richtte
de huishoudster haar oogen op mij en keek me strak aan; en daar ze
mijn borduursel niet in overeenstemming kon brengen met de bewering
van Fabricius, vroeg ze of ik het dan was, die naar de vacante
plaats dong. "Ja," antwoordde haar de zoon van Nunez, "dat is die
jonge man. Zooals ge hem daar ziet heeft hij zooveel tegenspoeden
ondervonden, dat hij genoodzaakt is in betrekking te gaan", en een
zachten zoetsappigen toon aanslaande, ging hij verder: "maar hij zal
zich troosten over zijn ongeluk, als hij 't geluk heeft in dit huis te
kunnen dienen en in de nabijheid van de deugdzame Jacinta te leven,
die waardig is de huishoudster van den opperkerkvoogd van Indië te
zijn." Bij die woorden hield de oude scheinheilige op met mij te
bestudeeren om beter het galante jongmensch op te nemen, dat tot haar
sprak, en gefrappeerd door zijn haar niet onbekende trekken, zei ze:
"Ik heb een vaag idee u reeds meer gezien te hebben; help me dat eens
ophelderen."--"Kuische Jacinta, ik ben er zeer door vereerd, dat ik uw
aandacht getrokken heb. Ik ben reeds twee keer hier in huis geweest
met mijn meester, den heer Manuel Ordonnez, administrateur van het
hospitaal," "Ah, juist, nu herinner ik het mij en weet ik weer wie gij
zijt. En daar ge bij den heer Ordonnez behoort, zult ge wel een goede,
eerlijke jongen zijn. Uw betrekking strekt u tot eer en die jonge man
zou geen betere aanbeveler kunnen hebben dan u. Kom", vervolgde zij,
"ik zal u met den heer Sédillo laten praten."
Wij volgden juffrouw Jacinta en zagen den ouden podagrist in een
leuningstoel gedoken, met een kussen onder zijn hoofd, kussens onder
zijn armen en met zijn voeten op een groot donzen rustbed. Wij
naderden hem zonder buigingen te sparen, en Fabricius steeds nog
het woord voerende, stelde zich niet tevreden met alles te herhalen,
wat hij aan de huishoudster gezegd had, maar begon mijn verdiensten
te prijzen en hield vooral stil bij de eer, die ik bij den dokter
Godinez behaald had met mijn redetwisten over philosophie, als ware
het noodig een groot philosoof te zijn om knecht van een kanunnik
te worden. Maar door den grooten lof, dien hij mij toezwaaide,
verblindde hij toch de oogen van den domheer, die ook ziende dat
ik juffrouw Jacinta niet ongevallig was, tot mijn aanbeveler zei:
"Mijn vriend, ik zal hem, dien ge mij aanbeveelt in dienst nemen;
hij lijkt me nog al en ik heb een goed denkbeeld van zijn zeden,
daar hij mij door een knecht van den heer Ordonnez is voorgesteld."
Zoodra Fabricius zag, dat ik was aangenomen, maakte hij een diepe
buiging voor den kanunnik, een nog diepere voor de huishoudster
en trok zich toen zeer voldaan terug, na me nog zacht te hebben
toegefluisterd dat we elkaar zouden terugzien en dat ik daar maar
moest blijven. Nadat hij weg was, vroeg de domheer mij hoe ik heette,
waarom ik mijn land verlaten had en noodzaakte mij zoodoende door
zijn vragen in het bijzijn van juffrouw Jacinta mijn geschiedenis
te vertellen. Ik vermaakte hen beiden vooral met het verhaal van
mijn laatste avontuur. Camilla en don Raphaël brachten hem zoo aan
het lachen dat het bijna het leven aan den ouden podagrist koste;
terwijl hij uit alle macht lachte, overviel hem zoo'n zware hoestbui,
dat ik dacht dat hij zou stikken. Hij had zijn testament nog niet
gemaakt, dus denk eens of de huishoudster ontsteld was! Ik zag haar
beven, geheel van streek te hulp snellen naar den ouden man en hem
het voorhoofd wrijven en op den rug slaan, alles beginnende wat men
doet om kinderen die hoesten bij te staan. Het was echter maar een
valsch alarm; de grijsaard hield op met hoesten en zijn gouvernante
met hem te plagen. Ik wilde toen mijn verhaal eindigen, maar juffrouw
Jacinta, die een tweeden aanval vreesde, verzette zich daartegen. Zij
bracht mij zelfs buiten de kamer van den kanunnik in een kleedkamer,
waar tusschen verschillende andere kleedingstukken de rok van mijn
voorganger hing. Zij deed mij hem er uit nemen en hing de mijne er
voor in de plaats die ik graag wilde bewaren in de hoop, dat hij me
later weer van dienst zou kunnen zijn. Daarna gingen wij beiden het
eten klaarmaken.
Ik bleek niet onbekend te zijn met de kunst van koken. 't Is waar,
ik had het gelukkig wat geleerd bij Leonarda, die voor een goede
kookster zou kunnen doorgaan maar ze was niet te vergelijken bij
juffrouw Jacinta. Deze overtrof misschien zelfs den kok van den
aartsbisschop van Toledo. Zij muntte in alles uit. Men vond haar
kreeftensoep overheerlijk, zoo goed als zij het sap der verschillende
vleezen wist te kiezen en te vermengen; en haar gehakt wist zij zoo
te kruiden dat het een genot voor den smaak was. Toen het middagmaal
gereed was, gingen we terug naar de kamer van den kanunnik en terwijl
ik de tafel dekte, schoof de huishoudster den grijsaard een servet
onder den kin en hechtte het op zijn schouders vast. Een oogenblik
later diende ik een soep op, die men aan den lastigsten directeur van
Madrid had kunnen voorzetten, en daarna twee voorgerechten, die den
zinnelijken smaak van een onderkoning zouden geprikkeld hebben, indien
juffrouw Jacinta er niet de kruiderijen zoo in gespaard had uit angst
dat deze het podagra van den domheer zou verergeren. Op het gezicht
van dezen goeden schotel toonde mijn oude meester, dien ik verlamd
aan alle ledematen dacht, dat hij nog niet volkomen het gebruik van
zijn armen had verloren. Hij bediende zich van die ledematen om zich
van hoofd- en andere kussens te ontdoen en hield zich toen vroolijk
gereed om met eten te beginnen. Hoewel zijn hand beefde, weigerde ze
toch niet haar dienst; hij deed haar nog al los heen en weer gaan,
maar toch zóó, dat de helft van hetgeen hij naar zijn mond bracht op
het tafelkleed en het servet terecht kwam.
Toen hij genoeg van de kreeftesoep had, nam ik deze weg en bracht een
patrijs, geflankeerd door twee gebraden kwartels, die juffrouw Jacinta
voor hem stuk sneed. Zij droeg ook zorg hem van tijd tot tijd groote
slokken versneden wijn te laten drinken uit een grooten diepen kroes
van zilver, dien ze hem voorhield als aan een kind van 15 maanden. Hij
viel met grooten eetlust op de voorgerechten aan en bewees niet minder
eer aan de fijne vogeltjes. Toen hij zich goed had volgestopt, deed
de kwezel hem zijn servet af en gaf hem weer zijn noodige kussens;
daarna lieten wij hem in zijn leuningstoel zoetjes de rust genieten,
die men gewoonlijk na het middagmaal neemt, en ruimden de tafel af,
waarna we op onzen beurt gingen eten.
Op deze wijze at nu onze kanunnik, die misschien een der grootste
eters van het kapittel was, elken dag. Maar zijn souper was lichter;
hij stelde zich dan tevreden met een kippetje of een konijn, met
de een of andere vruchtencompôte. Ik leefde daar heerlijk in dat
huis en ik leidde er een rustig leventje. Slechts een ding vond ik
onpleizierig, nl. dat ik 's nachts bij mijn meester moest waken en
hem als een verpleger oppassen. Behalve een aandrang van urine, die
hem noodzaakte zijn kamerpot tien keer per uur te vragen, was hij
nog onderhevig aan zweten en wanneer dat hem overviel moest men hem
een ander hemd aantrekken. Den tweeden nacht, dat ik bij hem was, zei
hij opeens tot mij: "Gil Blas, ge zijt handig en ijverig; ik voorzie
dat je me van veel dienst zult zijn. Ik wilde je dan ook alleen maar
aanbevelen gewillig tegenover juffrouw Jacinta te zijn en gedwee
alles te doen, wat ze je vraagt alsof ik het je zelf zou bevelen;
't is een meisje, dat me al vijftien jaar bedient met een bijzonderen
ijver; ze heeft zooveel zorg voor mij, dat ik er haar niet genoeg
dankbaar voor kan zijn. Daarom ook, moet ik je bekennen, is zij mij
dierbaarder dan mijn geheele familie. Om harentwille heb ik mijn neef,
den zoon van mijn eigen zuster hier weggejaagd, en ik heb daaraan
goed gedaan. Hij had in het geheel geen achting voor dat arme meisje
en verre van recht te doen wedervaren aan haar oprechte toewijding
voor mij, noemde de onbeschaamde haar een valsche femelaarster,
want tegenwoordig schijnt de deugd slechts schijnheiligheid aan
de jongelieden. Den hemel zij dank, heb ik me van dien deugniet
ontslagen. Ik verkies de genegenheid, die men mij betoont, boven de
rechten van het bloed, en ik laat me slechts innemen door de goedheid,
die men mij bewijst."--"Gij hebt gelijk mijnheer," antwoordde ik,
"de dankbaarheid moet meer kracht over ons hebben dan de wetten der
natuur."--"Ongetwijfeld en mijn testament zal wel toonen, dat ik me
al heel weinig om mijn bloedverwanten bekommer. Mijn huishoudster zal
er een goed deel van hebben en gij zult er niet in vergeten worden,
indien ge voortgaat met mij te bedienen zooals ge begonnen zijt. De
knecht, dien ik gisteren de deur heb gewezen, heeft door eigen schuld
een goed legaat verloren. Indien die kerel mij niet door zijn gedrag
genoodzaakt had hem zijn ontslag te geven, dan zou ik hem rijk hebben
gemaakt; maar hij was een hoogmoedige, die geen respect toonde voor
juffrouw Jacinta, een luiaard, die bang voor moeite was. Hij bleef
niet graag waken en het was voor hem een vermoeienis de nachten door
te brengen met me bij te staan." "De ongelukkige," riep ik uit als had
de geest van Fabricius mij geïnspireerd, "hij verdiende niet bij zoo'n
fatsoenlijk man als u te wezen. Een jongen, die het geluk heeft u toe
te behooren, moet een onvermoeiden ijver bezitten; hij moet zich zijn
plicht tot een genoegen maken en niet denken dat hij genoeg werkt,
zelfs al zweet hij water en bloed voor u."
Ik merkte, dat die woorden den kanunnik zeer bevielen. Niet minder
tevreden was hij met de verzekering, die ik hem gaf, dat ik steeds
onderworpen zou zijn aan den wil van juffrouw Jacinta. Daar ik
dus wilde doorgaan voor een dienaar, wien de vermoeienis nooit kon
afmatten, deed ik mijn dienst met de meeste nauwkeurigheid. Ik kon
echter niet nalaten dat alles heel onaangenaam te vinden; en zonder het
legaat, waarop mijn hoop gevestigd was, zou ik spoedig genoeg hebben
gehad van mijne betrekking en zou ik het niet hebben kunnen volhouden;
wel is waar rustte ik overdag eenige uren, want de huishoudster,
wie ik recht moet laten wedervaren, had veel oplettendheden voor
mij, hetgeen men moet toeschrijven aan de zorgvuldigheid, waarmee
ik trachtte haar gunst te winnen door voorkomende en eerbiedige
manieren tegenover haar. Wanneer ik met haar en haar nicht die Inesilla
heette, aan tafel was, wisselde ik de borden en schonk hen in; ik had
een buitengewone attentie voor haar. Daardoor drong ik mij in hun
vriendschap in. Op zekeren dag dat juffrouw Jacinta was uitgegaan
voor de noodige provisie, was ik alleen met Inesilla en begon een
gesprek met haar. Ik vroeg haar of haar vader en moeder nog leefden,
waarop zij mij antwoordde: "O, neen, ze zijn al heel, heel lang dood,
want mijn tante zegt het en ik heb ze nooit gezien." Ik geloofde
heilig wat het kleine meisje mij zei, hoewel haar antwoord niet zeer
duidelijk was, en ik bracht haar zoo goed aan het praten, dat ze meer
vertelde dan ik weten wilde. Zij vertelde me, of liever ik begreep
door haar naïve gezegden, dat haar tante een goeden vriend had,
die ook bij een ouden kanunnik was, waar hij de wereldlijke zaken
van administreerde en dat die gelukkige bedienden erop rekenden
de nalatenschap hunner meesters te vereenigen door een huwelijk,
waarvan ze nu reeds de genietingen smaakten. Ik heb reeds gezegd
dat juffrouw Jacinta, hoewel niet jong meer, nog zooveel frischheid
bezat. 't Is waar dat zij niets spaarde om die te behouden; behalve,
dat ze elken morgen een lavement nam, gebruikte ze elken avond bij
het slapen gaan een aftreksel van zoethout. Daarbij sliep ze den
geheelen nacht heel rustig, terwijl ik bij mijn meester waakte. Maar
wat misschien nog meer bijdroeg tot haar frissche gelaatskleur, was,
zooals Inesilla mij vertelde, een fontenel, die ze aan ieder been had.