HOOFDSTUK I

Fabricius brengt Gil Blas bij den kanunnik Sédillo. In welken staat

zij dezen vonden en hoe zijn huishoudster er uitzag.

Zoo bang waren we te laat te zullen komen, dat we vliegensvlug naar

het huis holden. De deur vonden we gesloten en we klopten daarom

aan. Een meisje van tien jaar, dat de huishoudster niettegenstaande

de kwaadsprekerij voor haar nichtje liet doorgaan, deed ons open, en

toen we haar vroegen of we den kanunnik konden spreken, kwam juffrouw

Jacinta te voorschijn. Zij was een dame van reeds twijfelachtigen

leeftijd, maar nog mooi en ik bewonderde vooral de frischheid van haar

gelaatskleur. Zij droeg een lange japon van een zeer slechte kwaliteit

stof, met een breeden leeren gordel, aan den eenen kant hing een bos

sleutels en aan den anderen een rozenkrans van dikke kralen.

"Ik heb vernomen," begon mijn metgezel, "dat de kanunnik een

eerlijken netten jongen noodig heeft en ik kom er hem een aanbieden,

waarover ik hoop dat hij tevreden zal zijn." Bij die woorden richtte

de huishoudster haar oogen op mij en keek me strak aan; en daar ze

mijn borduursel niet in overeenstemming kon brengen met de bewering

van Fabricius, vroeg ze of ik het dan was, die naar de vacante

plaats dong. "Ja," antwoordde haar de zoon van Nunez, "dat is die

jonge man. Zooals ge hem daar ziet heeft hij zooveel tegenspoeden

ondervonden, dat hij genoodzaakt is in betrekking te gaan", en een

zachten zoetsappigen toon aanslaande, ging hij verder: "maar hij zal

zich troosten over zijn ongeluk, als hij 't geluk heeft in dit huis te

kunnen dienen en in de nabijheid van de deugdzame Jacinta te leven,

die waardig is de huishoudster van den opperkerkvoogd van Indië te

zijn." Bij die woorden hield de oude scheinheilige op met mij te

bestudeeren om beter het galante jongmensch op te nemen, dat tot haar

sprak, en gefrappeerd door zijn haar niet onbekende trekken, zei ze:

"Ik heb een vaag idee u reeds meer gezien te hebben; help me dat eens

ophelderen."--"Kuische Jacinta, ik ben er zeer door vereerd, dat ik uw

aandacht getrokken heb. Ik ben reeds twee keer hier in huis geweest

met mijn meester, den heer Manuel Ordonnez, administrateur van het

hospitaal," "Ah, juist, nu herinner ik het mij en weet ik weer wie gij

zijt. En daar ge bij den heer Ordonnez behoort, zult ge wel een goede,

eerlijke jongen zijn. Uw betrekking strekt u tot eer en die jonge man

zou geen betere aanbeveler kunnen hebben dan u. Kom", vervolgde zij,

"ik zal u met den heer Sédillo laten praten."

Wij volgden juffrouw Jacinta en zagen den ouden podagrist in een

leuningstoel gedoken, met een kussen onder zijn hoofd, kussens onder

zijn armen en met zijn voeten op een groot donzen rustbed. Wij

naderden hem zonder buigingen te sparen, en Fabricius steeds nog

het woord voerende, stelde zich niet tevreden met alles te herhalen,

wat hij aan de huishoudster gezegd had, maar begon mijn verdiensten

te prijzen en hield vooral stil bij de eer, die ik bij den dokter

Godinez behaald had met mijn redetwisten over philosophie, als ware

het noodig een groot philosoof te zijn om knecht van een kanunnik

te worden. Maar door den grooten lof, dien hij mij toezwaaide,

verblindde hij toch de oogen van den domheer, die ook ziende dat

ik juffrouw Jacinta niet ongevallig was, tot mijn aanbeveler zei:

"Mijn vriend, ik zal hem, dien ge mij aanbeveelt in dienst nemen;

hij lijkt me nog al en ik heb een goed denkbeeld van zijn zeden,

daar hij mij door een knecht van den heer Ordonnez is voorgesteld."

Zoodra Fabricius zag, dat ik was aangenomen, maakte hij een diepe

buiging voor den kanunnik, een nog diepere voor de huishoudster

en trok zich toen zeer voldaan terug, na me nog zacht te hebben

toegefluisterd dat we elkaar zouden terugzien en dat ik daar maar

moest blijven. Nadat hij weg was, vroeg de domheer mij hoe ik heette,

waarom ik mijn land verlaten had en noodzaakte mij zoodoende door

zijn vragen in het bijzijn van juffrouw Jacinta mijn geschiedenis

te vertellen. Ik vermaakte hen beiden vooral met het verhaal van

mijn laatste avontuur. Camilla en don Raphaël brachten hem zoo aan

het lachen dat het bijna het leven aan den ouden podagrist koste;

terwijl hij uit alle macht lachte, overviel hem zoo'n zware hoestbui,

dat ik dacht dat hij zou stikken. Hij had zijn testament nog niet

gemaakt, dus denk eens of de huishoudster ontsteld was! Ik zag haar

beven, geheel van streek te hulp snellen naar den ouden man en hem

het voorhoofd wrijven en op den rug slaan, alles beginnende wat men

doet om kinderen die hoesten bij te staan. Het was echter maar een

valsch alarm; de grijsaard hield op met hoesten en zijn gouvernante

met hem te plagen. Ik wilde toen mijn verhaal eindigen, maar juffrouw

Jacinta, die een tweeden aanval vreesde, verzette zich daartegen. Zij

bracht mij zelfs buiten de kamer van den kanunnik in een kleedkamer,

waar tusschen verschillende andere kleedingstukken de rok van mijn

voorganger hing. Zij deed mij hem er uit nemen en hing de mijne er

voor in de plaats die ik graag wilde bewaren in de hoop, dat hij me

later weer van dienst zou kunnen zijn. Daarna gingen wij beiden het

eten klaarmaken.

Ik bleek niet onbekend te zijn met de kunst van koken. 't Is waar,

ik had het gelukkig wat geleerd bij Leonarda, die voor een goede

kookster zou kunnen doorgaan maar ze was niet te vergelijken bij

juffrouw Jacinta. Deze overtrof misschien zelfs den kok van den

aartsbisschop van Toledo. Zij muntte in alles uit. Men vond haar

kreeftensoep overheerlijk, zoo goed als zij het sap der verschillende

vleezen wist te kiezen en te vermengen; en haar gehakt wist zij zoo

te kruiden dat het een genot voor den smaak was. Toen het middagmaal

gereed was, gingen we terug naar de kamer van den kanunnik en terwijl

ik de tafel dekte, schoof de huishoudster den grijsaard een servet

onder den kin en hechtte het op zijn schouders vast. Een oogenblik

later diende ik een soep op, die men aan den lastigsten directeur van

Madrid had kunnen voorzetten, en daarna twee voorgerechten, die den

zinnelijken smaak van een onderkoning zouden geprikkeld hebben, indien

juffrouw Jacinta er niet de kruiderijen zoo in gespaard had uit angst

dat deze het podagra van den domheer zou verergeren. Op het gezicht

van dezen goeden schotel toonde mijn oude meester, dien ik verlamd

aan alle ledematen dacht, dat hij nog niet volkomen het gebruik van

zijn armen had verloren. Hij bediende zich van die ledematen om zich

van hoofd- en andere kussens te ontdoen en hield zich toen vroolijk

gereed om met eten te beginnen. Hoewel zijn hand beefde, weigerde ze

toch niet haar dienst; hij deed haar nog al los heen en weer gaan,

maar toch zóó, dat de helft van hetgeen hij naar zijn mond bracht op

het tafelkleed en het servet terecht kwam.

Toen hij genoeg van de kreeftesoep had, nam ik deze weg en bracht een

patrijs, geflankeerd door twee gebraden kwartels, die juffrouw Jacinta

voor hem stuk sneed. Zij droeg ook zorg hem van tijd tot tijd groote

slokken versneden wijn te laten drinken uit een grooten diepen kroes

van zilver, dien ze hem voorhield als aan een kind van 15 maanden. Hij

viel met grooten eetlust op de voorgerechten aan en bewees niet minder

eer aan de fijne vogeltjes. Toen hij zich goed had volgestopt, deed

de kwezel hem zijn servet af en gaf hem weer zijn noodige kussens;

daarna lieten wij hem in zijn leuningstoel zoetjes de rust genieten,

die men gewoonlijk na het middagmaal neemt, en ruimden de tafel af,

waarna we op onzen beurt gingen eten.

Op deze wijze at nu onze kanunnik, die misschien een der grootste

eters van het kapittel was, elken dag. Maar zijn souper was lichter;

hij stelde zich dan tevreden met een kippetje of een konijn, met

de een of andere vruchtencompôte. Ik leefde daar heerlijk in dat

huis en ik leidde er een rustig leventje. Slechts een ding vond ik

onpleizierig, nl. dat ik 's nachts bij mijn meester moest waken en

hem als een verpleger oppassen. Behalve een aandrang van urine, die

hem noodzaakte zijn kamerpot tien keer per uur te vragen, was hij

nog onderhevig aan zweten en wanneer dat hem overviel moest men hem

een ander hemd aantrekken. Den tweeden nacht, dat ik bij hem was, zei

hij opeens tot mij: "Gil Blas, ge zijt handig en ijverig; ik voorzie

dat je me van veel dienst zult zijn. Ik wilde je dan ook alleen maar

aanbevelen gewillig tegenover juffrouw Jacinta te zijn en gedwee

alles te doen, wat ze je vraagt alsof ik het je zelf zou bevelen;

't is een meisje, dat me al vijftien jaar bedient met een bijzonderen

ijver; ze heeft zooveel zorg voor mij, dat ik er haar niet genoeg

dankbaar voor kan zijn. Daarom ook, moet ik je bekennen, is zij mij

dierbaarder dan mijn geheele familie. Om harentwille heb ik mijn neef,

den zoon van mijn eigen zuster hier weggejaagd, en ik heb daaraan

goed gedaan. Hij had in het geheel geen achting voor dat arme meisje

en verre van recht te doen wedervaren aan haar oprechte toewijding

voor mij, noemde de onbeschaamde haar een valsche femelaarster,

want tegenwoordig schijnt de deugd slechts schijnheiligheid aan

de jongelieden. Den hemel zij dank, heb ik me van dien deugniet

ontslagen. Ik verkies de genegenheid, die men mij betoont, boven de

rechten van het bloed, en ik laat me slechts innemen door de goedheid,

die men mij bewijst."--"Gij hebt gelijk mijnheer," antwoordde ik,

"de dankbaarheid moet meer kracht over ons hebben dan de wetten der

natuur."--"Ongetwijfeld en mijn testament zal wel toonen, dat ik me

al heel weinig om mijn bloedverwanten bekommer. Mijn huishoudster zal

er een goed deel van hebben en gij zult er niet in vergeten worden,

indien ge voortgaat met mij te bedienen zooals ge begonnen zijt. De

knecht, dien ik gisteren de deur heb gewezen, heeft door eigen schuld

een goed legaat verloren. Indien die kerel mij niet door zijn gedrag

genoodzaakt had hem zijn ontslag te geven, dan zou ik hem rijk hebben

gemaakt; maar hij was een hoogmoedige, die geen respect toonde voor

juffrouw Jacinta, een luiaard, die bang voor moeite was. Hij bleef

niet graag waken en het was voor hem een vermoeienis de nachten door

te brengen met me bij te staan." "De ongelukkige," riep ik uit als had

de geest van Fabricius mij geïnspireerd, "hij verdiende niet bij zoo'n

fatsoenlijk man als u te wezen. Een jongen, die het geluk heeft u toe

te behooren, moet een onvermoeiden ijver bezitten; hij moet zich zijn

plicht tot een genoegen maken en niet denken dat hij genoeg werkt,

zelfs al zweet hij water en bloed voor u."

Ik merkte, dat die woorden den kanunnik zeer bevielen. Niet minder

tevreden was hij met de verzekering, die ik hem gaf, dat ik steeds

onderworpen zou zijn aan den wil van juffrouw Jacinta. Daar ik

dus wilde doorgaan voor een dienaar, wien de vermoeienis nooit kon

afmatten, deed ik mijn dienst met de meeste nauwkeurigheid. Ik kon

echter niet nalaten dat alles heel onaangenaam te vinden; en zonder het

legaat, waarop mijn hoop gevestigd was, zou ik spoedig genoeg hebben

gehad van mijne betrekking en zou ik het niet hebben kunnen volhouden;

wel is waar rustte ik overdag eenige uren, want de huishoudster,

wie ik recht moet laten wedervaren, had veel oplettendheden voor

mij, hetgeen men moet toeschrijven aan de zorgvuldigheid, waarmee

ik trachtte haar gunst te winnen door voorkomende en eerbiedige

manieren tegenover haar. Wanneer ik met haar en haar nicht die Inesilla

heette, aan tafel was, wisselde ik de borden en schonk hen in; ik had

een buitengewone attentie voor haar. Daardoor drong ik mij in hun

vriendschap in. Op zekeren dag dat juffrouw Jacinta was uitgegaan

voor de noodige provisie, was ik alleen met Inesilla en begon een

gesprek met haar. Ik vroeg haar of haar vader en moeder nog leefden,

waarop zij mij antwoordde: "O, neen, ze zijn al heel, heel lang dood,

want mijn tante zegt het en ik heb ze nooit gezien." Ik geloofde

heilig wat het kleine meisje mij zei, hoewel haar antwoord niet zeer

duidelijk was, en ik bracht haar zoo goed aan het praten, dat ze meer

vertelde dan ik weten wilde. Zij vertelde me, of liever ik begreep

door haar naïve gezegden, dat haar tante een goeden vriend had,

die ook bij een ouden kanunnik was, waar hij de wereldlijke zaken

van administreerde en dat die gelukkige bedienden erop rekenden

de nalatenschap hunner meesters te vereenigen door een huwelijk,

waarvan ze nu reeds de genietingen smaakten. Ik heb reeds gezegd

dat juffrouw Jacinta, hoewel niet jong meer, nog zooveel frischheid

bezat. 't Is waar dat zij niets spaarde om die te behouden; behalve,

dat ze elken morgen een lavement nam, gebruikte ze elken avond bij

het slapen gaan een aftreksel van zoethout. Daarbij sliep ze den

geheelen nacht heel rustig, terwijl ik bij mijn meester waakte. Maar

wat misschien nog meer bijdroeg tot haar frissche gelaatskleur, was,

zooals Inesilla mij vertelde, een fontenel, die ze aan ieder been had.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 1 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 28 / 67 题