Geschiedenis van dona Mencia de Mosquera.
Ik ben geboren in Valladolid en heet dona Mencia de Mosquera. Don
Martin, mijn vader, werd in Portugal aan het hoofd van een regiment
gedood. Hij liet mij zoo weinig na, dat ik, hoewel eenige dochter,
een tamelijk arme partij was. Nochtans ontbrak het mij niet aan
minnaars. Verscheidene van de aanzienlijkste edelen van Spanje vroegen
mij ten huwelijk. Hij, die mijn aandacht trok, was don Alvares de
Mello. Hij was werkelijk beter dan zijne mededingers. Bovendien had
hij geest, was bescheiden, moedig en eerlijk. Ook kon hij doorgaan
voor den meest galanten man ter wereld.
Eenige dagen na ons huwelijk ontmoette hij op een afgelegen plaats don
André de Baëza, die een van zijn mededingers was geweest. Zij kregen
twist met elkander en vochten het uit met den degen. Dit kostte don
André het leven; en daar deze de neef was van den vrederechter van
Valladolid, een bruusk man en doodsvijand van het huis Mello, meende
don Alvares niet spoedig genoeg de stad te kunnen verlaten. Hij
kwam direct naar huis, waar hij mij vertelde wat er gebeurd was,
terwijl er een paard werd gereed gemaakt. "Waarde Mencia," zeide hij
vervolgens, "wij moeten scheiden, dit is helaas noodzakelijk. Gij
kent den vrederechter; laten wij ons nergens mede vleien, hij zal
mij krachtig vervolgen." Hij was zoo bedroefd, dat hij niets meer
kon zeggen. Ik deed hem geld en edelsteenen medenemen, vervolgens
omhelsde hij mij en een kwartier lang schreiden wij samen. Eindelijk
kwam men zeggen dat het paard gereed was. Hij rukte zich van mij los,
vertrok en liet mij achter in een onbeschrijfelijken toestand; ik zou
gelukkig zijn geweest als ik van droefenis was gestorven, wat een leed
en moeiten zou de dood mij bespaard hebben. Eenige uren later vernam
de rechter zijn vlucht. Hij liet hem door de gerechtsdienaren van
Valladolid vervolgen en spaarde niets om hem in handen te krijgen. Mijn
echtgenoot wist echter veilig te ontkomen, zoodat de rechter zich
genoodzaakt zag zijn wraak te beperken en zich tevreden te stellen
met de goederen van den man, wiens bloed hij had gewild. Hij deed
dit zoo goed, dat alles wat don Alvares bezat, verbeurd verklaard werd.
Ik bleef in een zeer treurigen toestand achter; en had nauwelijks
genoeg om van te leven. Ik verminderde mijn leefwijze en hield
slechts één dienstbode. Den geheelen dag weende ik om de afwezigheid
van mijn dierbaren echtgenoot van wien ik geen enkele tijding
ontving. Hij had mij toch beloofd bij ons droevig afscheid omtrent
zijn lot te onderrichten, waar ter wereld zijn slecht gesternte
hem ook leiden mocht. Zoo gingen zeven jaren voorbij zonder dat ik
over hem hoorde spreken. De onzekerheid omtrent zijn lot maakte
mij zeer droevig. Eindelijk hoorde ik, dat hij gevallen was bij
een veldslag in het rijk van Fez. Een man die kort geleden uit
Afrika teruggekeerd was, deelde mij dit mede, en verzekerde mij,
dat hij don Alvares de Mello uitstekend gekend had. Hij had met
hem in het Portugeesche leger gediend en hem zien vallen in den
strijd. Dit verergerde slechts mijne droefheid en deed mij besluiten
nimmer weder te huwen. In dien tijd kwam don Ambrosio Mesio Carillo,
markies Guardia, in Valladolid. Hij was een van die oude heeren, die
door hunne galante en beleefde manieren hun leeftijd doen vergeten
en de vrouwen weten te behagen. Eens vertelde men hem bij toeval de
geschiedenis van don Alvares en de beschrijving, die men hem van mij
gaf maakte hem verlangend mij te zien. Om zijne nieuwsgierigheid te
bevredigen, haalde hij een van mijne bloedverwanten over mij bij haar
te noodigen. Hij was daar, zag mij en ik behaagde hem ondanks de droeve
uitdrukking van mijn gelaat; doch wat zeg ik, ondanks? misschien was
hij wel getroffen door mijn treurig en verlangend uitzien, die hem
een bewijs van mijn trouw waren; mijne melancholie wekte misschien
zijne liefde op. Ook zeide hij mij dikwijls dat hij mij als een
wonder van standvastigheid beschouwde en zelfs dat hij het lot van
mijn echtgenoot benijdde, hoe betreurenswaardig dit ook was. In een
woord, hij was getroffen toen hij mij zag en behoefde mij geen twee
maal te zien om te besluiten mij te trouwen.
Hij riep de bemiddeling in van mijn bloedverwante om mij zijn plan te
doen aannemen. Zij trachtte mij te overreden, dat ik nu niet langer
mijne bekoorlijkheden moest begraven, dat ik lang genoeg getreurd had
over een man met wien ik slechts enkele oogenblikken vereenigd was
geweest en dat ik partij moest trekken van de gelegenheid die zich
aanbood, dan zou ik de gelukkigste vrouw ter wereld zijn. Hoe zij ook
sprak over zijn edel karakter en zijn groote goederen, zij kon mij
niet overtuigen, de weinige neiging of liever de tegenzin dien ik
in een tweede huwelijk voelde, na al de ongelukken van het eerste,
was het eenige dat mij terughield. Mijn bloedverwante betrok mijne
geheele familie er in en mijne armoede, die dag aan dag nijpender werd,
droeg er niet weinig toe bij om mijn tegenstand te doen overwinnen.
Eindelijk bezweek ik voor den aanhoudenden drang en huwde den markies
van Guardia, die mij medenam naar een zeer mooi kasteel bij Burgos. Hij
vatte voor mij een zeer hevige liefde op; in alles bespeurde ik den
lust om mij te behagen, hij voorkwam mijne geringste wenschen. Nooit
heeft een echtgenoot zooveel oplettendheid voor zijn vrouw gehad,
nooit was een minnaar zooveel inschikkelijk voor zijn maitresse. Ware
ik in staat geweest iemand lief te hebben na don Alvares dan zou ik
hem hartstochtelijk hebben bemind. Ik kon zijn teederheid slechts
vergelden met de reine gevoelens van erkentelijkheid.
Ik verkeerde in dien gemoedstoestand, toen ik eens vanuit het
raam mijner kamer in den tuin een soort van boer bemerkte, die mij
oplettend aankeek. Ik dacht dat het een tuinjongen was en lette weinig
op hem. Maar toen ik den volgenden morgen weer aan het venster ging
zitten, zag ik hem op dezelfde plaats en hij scheen mij weder scherp
aan te kijken. Dit trof mij. Op mijn beurt keek ik hem nauwlettend
aan en na eenigen tijd meende ik de trekken van den ongelukkigen
don Alvares te herkennen. Deze gelijkenis bracht in mijn zinnen een
onbegrijpelijke verwarring en ik slaakte een luiden kreet. Gelukkig
was ik toen alleen met Inès, de vrouw die het meeste mijn vertrouwde
was. Ik zeide haar welk vermoeden mijn verstand verbijsterde. Zij
lachte er slechts om en meende dat een lichte gelijkenis mij bedrogen
had. "Stel u gerust, mevrouw, wat kan doen vermoeden dat hij hier is
als boer, is het zelfs wel waarschijnlijk dat hij nog leeft? Om u
gerust te stellen, zal ik in den tuin gaan en met dien man spreken
en u dadelijk komen vertellen wie hij is." Kort daarna kwam zij
zeer ontroerd binnen en zeide: "Mevrouw, uw vermoeden is maar al te
gegrond. Gij hebt don Alvares in eigen persoon gezien; hij heeft zich
bekend gemaakt en vraagt u om een geheim onderhoud."
Daar ik don Alvares dadelijk kon ontvangen aangezien de markies naar
Burgos was, gelastte ik de dienstbode hem in mijn kamer te brengen
langs een geheime trap. Bedenk hoe groot mijn ontroering was. Ik
kon het gezicht van een mensch, die recht had mij te overstelpen met
verwijten niet verdragen en viel flauw zoodra hij binnenkwam. Hij en
Inès hielpen mij dadelijk en toen zij mij weder bijgebracht hadden, zei
Alvares mij: "Mevrouw, stel u toch gerust, laat mijne tegenwoordigheid
geene marteling zijn, ik ben niet voornemens u het minste leed te
doen. Ik kom niet als vertoornd echtgenoot u rekenschap vragen van
de eens gezworen trouw en uw tweede huwelijk als een misdaad aan te
schrijven. Ik weet dat dit het werk is van uwe familie. Ook heeft men
in Valladolid het gerucht van mijn dood verspreid en dit hebt ge met
te meer grond kunnen gelooven daar geen enkele brief van mij u van
het tegendeel overtuigd heeft. Ten slotte weet ik hoe gij sedert onze
wreede scheiding geleefd hebt en dat de noodzakelijkheid, eerder dan
de liefde u in de armen van den markies heeft geworpen." "Mijnheer",
viel ik hem weenend in de rede, "waarom wilt gij uwe echtgenoote
verontschuldigen, daar gij leeft is zij schuldig. Waarom ben ik niet
meer in den ellendigen toestand van vroeger, ik zou dan tenminste in
mijne ellende de troost hebben u weder te zien zonder te blozen."
"Mijn waarde Mencia", hernam don Alvares, "ik beklaag mij niet over
u; en verre van u den schitterenden staat te verwijten, waarin ik u
wedervind, zweer ik, dat ik er den hemel voor dank. Sedert den dag
van mijn vertrek uit Valladolid, heb ik steeds de fortuin tegen mij
gehad, mijn leven is een aaneenschakeling geweest van ongelukken en
tot overmaat van ramp heb ik u nooit tijding kunnen zenden. Al te
zeker van uwe liefde, stelde ik mij onophoudelijk den toestand voor,
waarin mijne noodlottige teederheid u gebracht had; ik stelde mij donna
Mencia voor in tranen; gij waart mijne grootste bekommering. Nochtans
heb ik u na zeven jaren van lijden, u meer dan ooit beminnend, willen
terugzien. Ik heb dezen lust niet kunnen bedwingen en ben vermomd
naar Valladolid gegaan, op gevaar af herkend te worden. Daar heb ik
alles vernomen. Maar geloof niet dat ik van plan ben uw geluk door
mijne tegenwoordigheid hier te verstoren; ik eerbiedig uwe rust en
nu ga ik verre van u de treurige dagen van mijn leven doorbrengen."
"Neen, don Alvares, neen," riep ik bij deze woorden uit, "de hemel
heeft u niet voor niets hierheen gevoerd en ik zou eene tweede
scheiding niet te boven komen; ik vertrek met u, alleen de dood kan
ons scheiden." "Geloof mij," hernam hij, "blijf met don Ambrosis
leven; maak u geen deelgenoot van mijne ongelukken; laat mij ze
alleen dragen."
Hij zeide mij nog vele dergelijke dingen, maar hoe meer hij zich
van mijn geluk scheen te willen scheiden, hoe minder ik genegen
was er in toe te stemmen. Toen hij mij vastbesloten zag hem te
volgen, veranderde hij eensklaps. "Mevrouw", zeide hij, "is het
mogelijk dat gij mij nog genoeg bemint om de ellende te verkiezen
boven den welstand van thans? Laat ons dan in Bétancos gaan wonen,
in het rijk van Galicië, daar ben ik veilig. Al zijn mij al mijne
goederen ontnomen, toch heb ik mijne vrienden nog niet verloren;
er zijn nog getrouwen overgebleven die mij in staat hebben gesteld u
te ontvoeren. Ik heb een karos laten komen naar Zamara, heb ezels en
paarden gekocht en ben vergezeld van drie vastberaden Galiciërs. Laat
ons van de afwezigheid van don Ambrosis profiteeren; ik zal de karos
laten voorrijden en wij vertrekken onmiddellijk." Ik stemde toe. Don
Alvares snelde naar Zamara, kwam binnenkort terug met zijne drie
ruiters en ontvoerde mij te midden mijner vrouwen, die niet wetend wat
te denken van deze ontvoering, verschrikt vluchtten. Alleen Inès wist
er alles van, doch zij weigerde haar lot aan het mijne te verbinden,
daar zij een kamerdienaar van Don Ambrosius liefhad, wat wel bewijst
dat de gehechtheid van onze getrouwste bedienden niet bestand is
tegen de liefde.
Ik steeg dus met don Alvarez in den karos, nam alleen mijne kleederen
mee en eenige juweelen, die ik voor mijn tweede huwelijk reeds
bezat. Wij reisden twee dagen en nachten door om niet door Ambrosius
en zijne lieden te worden achterhaald en ontmoetten niemand. Reeds
waren wij geruster en hoopten dat de derde dag eveneens zoo zou
voorbijgaan. Don Alvarez vertelde mij het treurig ongeval dat
aanleiding had gegeven tot het gerucht van zijn dood en hoe hij na
vijf jaren slavernij de vrijheid had herkregen, toen wij gisteren de
dieven ontmoetten, waar gij bij waart. Hem met zijne lieden hebben
zij gedood en om hem zijn de tranen, die ge mij ziet weenen.