Wat de roovers met de dame deden. Van het groote plan dat Gil Blas
vormde en wat er de uitslag van was.
Het was reeds langer dan een uur donker toen we aan het gewelf
kwamen. Allereerst brachten wij de dieren op stal, waar we genoodzaakt
waren ze zelf aan de ruif vast te binden en ze te verzorgen, daar
de oude neger reeds drie dagen het bed moest houden. Niet alleen dat
het pootje hem hevig had aangegrepen, maar ook de rheumatiek had zich
aan al zijn ledematen meegedeeld. Niets bleef hem over dan zijn tong,
die hij dan ook gebruikte om zijn ongeduld door allerlei vloeken te
kennen te geven. Wij lieten den ellendeling vloeken en schelden en
gingen naar de keuken, waar we al onze aandacht wijdden aan de dame,
die reeds omgeven scheen door de schaduwen des doods. Wij deden alles
om haar uit haar bewusteloosheid te doen ontwaken en we hadden het
geluk hierin te slagen. Maar toen ze weer bij kennis was en zich in
de armen van verscheidene onbekende mannen bevond, voelde zij haar
ongeluk en huiverde. Haar oogen drukten de hevigste smart en wanhoop
uit en zij sloeg ze ten hemel als om zich daar te beklagen over
de schandelijke daden, waarmee zij werd bedreigd; toen, plotseling
overweldigd voor de verschrikkelijke beelden, viel zij opnieuw flauw
en haar oogleden sloten zich, waarop de roovers dachten, dat de dood
hun prooi ging ontrukken. De kapitein achtte het beter haar aan haar
zelf over te laten inplaats van haar met nieuwe hulpbetuigingen te
plagen en liet haar toen naar het bed van Leonarda dragen, waar hij
haar op goed geluk alleen liet.
Wij gingen toen naar het salon, waar een der roovers, die chirurg was
geweest, de wonden van den luitenant en den ruiter onderzocht en ze
met zalf insmeerde. Hierna wilde men zien wat er alzoo in de koffers
was. Eenige waren met kant en linnengoed gevuld, andere met kleeren;
maar de laatste die men opende, bevatte eenige zakken geld, wat den
heeren belanghebbenden bijster beviel. Na dit onderzoek dekte de meid
de tafel, schepte op en bediende. Wij praatten eerst over de groote
overwinning, die we hadden behaald, waarop Rolando tot mij het woord
richtte: "Beken, Gil Blas, dat je erg bang bent geweest." Ik antwoordde
dat ik dat graag wilde toestemmen, maar dat ik als een dolend ridder
zou strijden als ik slechts twee of drie tochten had meegemaakt. Daarop
nam het geheele gezelschap het voor mij op, zeggende, dat men het
mij moest vergeven, dat de handeling zoo plotseling was geweest,
en ik me nog niet zoo slecht van mijn taak had gekweten.
Vervolgens ging het gesprek over op de muilezels en paarden, welke
we juist in het gewelf hadden meegevoerd. Er werd besloten, dat we
den volgenden morgen nog vóór het aanbreken van den dag, allen naar
Mansilla zouden gaan, waar men waarschijnlijk nog niet van onzen
aanslag had hooren spreken, om daar de dieren te verkoopen. Na dit
besluit genomen te hebben, zetten we ons avondeten voort; daarna
gingen we weer naar de keuken om de dame te zien, die we nog in
denzelfden toestand vonden, zoodat we dachten, dat zij den nacht
niet zou halen. Niettegenstaande zij ternauwernood scheen te leven,
waren er toch nog enkele roovers, die niet nalieten een wellustigen
blik op haar te werpen en blijk gaven van een brutale begeerte, die zij
stellig zouden voldaan hebben, indien niet Rolando er hen van had terug
gehouden, door hen er op te wijzen, dat ze tenminste moesten wachten
tot de dame bijkwam uit haar neerslachtige bewusteloosheid, die haar
elk gevoel benam. Het respect, dat ze voor hun kapitein hadden, hield
hun wulpschheid in bedwang; zonder dat zou niets de dame kunnen redden;
zelfs haar dood zou misschien nog niet haar eer verzekerd hebben.
Wij lieten die ongelukkige vrouw in den toestand waarin ze was,
terwijl Rolando zich tevreden stelde met Leonarda haar verzorging
op te dragen, waarna ieder zich in zijne kamer terugtrok. Wat mij
betreft, inplaats van in te slapen zoodra ik in bed lag, hield ik
me voortdurend met het ongeluk der dame bezig. Ik twijfelde niet of
zij was eene voorname persoonlijkheid, en dat deed mij haar lot nog
treuriger schijnen. Ik stelde mij sidderend de verschrikkelijke dingen
voor, die haar wachtten, en ik voelde er mij even hevig door getroffen
alsof bloedverwantschap of vriendschap mij aan haar hadden verbonden.
Eindelijk, na haar lot beklaagd te hebben, droomde ik over de middelen
om haar eer te beschermen tegen het gevaar waarmee deze werd bedreigd,
en mij uit het hol te redden. Ik bedacht, dat de neger zich niet kon
verroeren en dat sinds zijn ziekte, de keukenmeid den sleutel van het
hek had. Deze gedachte prikkelde mijn verbeelding, en deed bij mij
een plan rijzen, dat ik goed overdacht; daarna ondernam ik dadelijk
de uitvoering ervan op de volgende wijze:
Ik veinsde kolieken te hebben, door eerst te klagen en te kermen;
daarna begon ik te schreeuwen. De roovers ontwaakten en waren weldra
bij me; ze vroegen wat me scheelde om zoo te schreeuwen, waarop ik hun
antwoordde, dat ik een verschrikkelijke koliek had, en om hen beter
te overtuigen, begon ik te tandenknarsen, grimassen te maken, ineen
te krimpen en op een vreemde wijze me om en om te wentelen. Daarna
hield ik me plotseling bedaard alsof mijn pijnen mij een oogenblik
met rust lieten; een oogenblik later begon ik opnieuw in mijn armoedig
bed te springen en mijn armen heen en weer te zwaaien. In één woord,
ik speelde zóó goed komedie, dat de roovers, hoe slim ook, zich lieten
foppen en werkelijk dachten, dat ik hevige krampen gevoelde. Maar
daar ik mijn rol zoo goed speelde, werd ik op vreemde wijze gekweld;
want van het oogenblik dat mijn liefdadige makkers zich verbeeldden
dat ik leed, kwamen ze allen erbij en haastten zich mij eenige
verlichting te brengen: de een brengt me een flesch brandewijn en
laat er mij de helft van uitdrinken, een ander geeft me tegen mijn
zin een lavement van zoete amandelolie en weer een ander gaat een
doek warmen en komt hem dan heet op mijn buik leggen. Al riep ik ook
om genade, zij schreven mijn kreten aan mijn koliek toe en gingen
door me te doen lijden door werkelijke pijnen, om mij te ontdoen
van een, die ik niet had. Eindelijk kon ik het niet meer uithouden,
was genoodzaakt hun te zeggen, dat ik geen krampen meer voelde en
dat ik hun smeekte mij alleen te laten. Zij hielden op mij met hun
middeltjes te vermoeien en ik wachtte me wel mij nog meer te beklagen,
uit angst nogmaals hun hulp te moeten ondergaan.
Dit tooneel duurde bijna drie uur.
Daarna maakten de roovers, ziende, dat de morgenstond niet meer ver
was, zich gereed om naar Mansilla te gaan. Ik nam een nieuwe list te
baat: ik wilde opstaan om hun te doen gelooven, dat ik grooten lust
gevoelde mee te gaan: maar zij beletten mij dat, terwijl Rolando mij
toevoegde: "Neen, neen, Gil Blas, blijf hier, mijn jongen, de koliek
zou kunnen terugkomen. Je zult een volgenden keer met ons meegaan;
voor vandaag moet je den heelen dag rust houden; je hebt het noodig."
Ik durfde niet langer aandringen uit vrees, dat men dan aan mijn
verzoek zou voldoen; ik scheen dus alleen teleurgesteld niet van de
partij te kunnen zijn, wat ik zoo natuurlijk deed, dat ze allen het hol
verlieten zonder het minste vermoeden van mijn plan. Na hun vertrek,
hield ik het volgende gesprek met mijzelf: "Zoo, Gil Blas, nu komt
het er op aan door te zetten. Schep moed om te voltooien, wat ge zoo
gelukkig zijt begonnen. Deze zaak schijnt me niet lastig toe: Domingo
is niet in staat zich tegen je onderneming te verzetten en Leonarda
kan je niet beletten haar uit te voeren. Vat deze gelegenheid aan om
te ontsnappen, gij zult misschien nooit meer een gunstiger vinden."
Deze overwegingen gaven me vertrouwen: ik stond op, nam mijn degen en
mijne pistolen en ging eerst naar de keuken; maar alvorens er binnen
te gaan, bleef ik staan om te luisteren, want ik hoorde Leonarda
praten. Zij sprak tot de onbekende dame, die weer was bijgekomen,
en die haar ongeluk ziende, wanhopig was geworden en schreide. "Ween
maar, mijn kind, stort maar tranen en spaar je zuchten niet," zei de
oude tot haar. "Je ontsteltenis was gevaarlijk; maar nu is er niets
meer te vreezen, nu je gehuild hebt. Je smart zal wel langzamerhand
verdwijnen en ge zult u gewennen hier met die heeren te leven, die
nette lieden zijn. Gij zult beter behandeld worden dan een prinses;
zij zullen vol attenties voor je zijn en je elken dag hun genegenheid
doen blijken. Veel vrouwen zouden in je plaats willen zijn."
Ik gaf Leonarda geen tijd meer iets te zeggen, maar ik trad binnen,
hield haar het pistool voor en dwong haar door bedreigingen den
sleutel van het hek te geven. Zij was door mijn handelwijze ontsteld
en daar zij, hoewel reeds op leeftijd, nog voldoende aan het leven
was gehecht, durfde zij mij het gevraagde niet weigeren. Toen ik
den sleutel in handen had, richtte ik het woord tot de bedroefde
dame, en zei: "Mevrouw, de hemel heeft u een bevrijder gezonden,
sta op en volg mij, ik zal u geleiden tot waar gij naar toe wilt
gaan." De dame had daar wel ooren naar en mijn woorden maakten zoo
'n indruk op haar, dat zij al haar moed bij elkaar raapte, opstond,
zich aan mijn voeten wierp en me smeekte haar eer te beschermen. Ik
hief haar op en verzekerde haar, dat ze op mij rekenen kon. Daarna nam
ik een touw, dat ik in de keuken vond en met behulp van de dame bond
ik Leonarda aan den voet van een zware tafel en dreigde met den dood,
indien zij den minsten gil slaakten. De goede Leonarda, overtuigd dat
ik woord zou houden als ze me durfde weerstreven, koos de partij van
me te laten doen wat ik wilde. Ik stak een kaars aan en ging met de
onbekende naar de kamer waar het goud en zilver lag. Ik stak zooveel
geldstukken in mijn zakken, als deze slechts konden bevatten; en om
de dame te noodzaken er ook van te nemen, overtuigde ik haar, dat ze
slechts haar eigendom terugnam, wat ze dan ook zonder gewetenswroeging
deed. Toen we een goeden voorraad hadden, gingen we naar den stal,
waar ik alleen met geladen pistool binnentrad. Ik rekende er op,
dat de oude neger, niettegenstaande pootje en rheumatiek, mij niet
rustig mijn paard zou laten zadelen en optuigen en ik had het besluit
genomen hem voor goed van zijn kwalen te genezen indien hij kwaad
wilde, maar gelukkig was hij zoo afgemat van de pijnen, die hij had
doorstaan en nog doorstond, dat ik mijn paard uit den stal haalde,
zonder dat hij 't zelfs scheen te bemerken. De dame wachtte mij aan
de deur. Wij gingen snel de gang door, die uit het hol leidde, kwamen
aan het hek, openden het en kwamen eindelijk aan het valluik. Wij
hadden veel moeite het op te lichten, of liever, het verlangen ons
te redden gaf ons kracht, en wij slaagden.
De dag brak reeds aan toen we uit dien afgrond waren. Wij wilden er
zoo spoedig mogelijk vandaan en daartoe steeg ik te paard, de dame
ging achter mij zitten en we sloegen in galop het eerste weggetje,
dat we zagen, in; zoo waren wij weldra buiten het bosch. Wij kwamen
op een open vlakte, die verschillende wegen doorsneed; wij namen er
een op goed geluk. Ik stierf van angst, dat hij naar Mansilla zou
leiden en we dan Rolando en zijn makkers zouden ontmoeten, wat best
kon gebeuren. Gelukkig werd mijn vrees niet bewaarheid, want we kwamen
aan de stad Astorga te twee uur 's middags. Ik zag menschen, die ons
met bijzondere aandacht gadesloegen, als ware 't voor hen nieuw een
vrouw te paard achter een man te zien zitten. Wij stapten af aan het
eerste het beste hotel, waar ik allereerst een patrijs en een konijn
aan het spit liet braden. Terwijl men mijn bestelling uitvoerde en
ons middagmaal gereed maakte, geleidde ik de dame naar een kamer om
wat met elkaar te praten, wat we onderweg niet hadden kunnen doen,
daar we ons te veel hadden moeten haasten. Zij heette dona Mencia
de Mosquera, betuigde mij haar dankbaarheid voor den dienst, dien
ik haar had bewezen en zei mij, dat ze mij niet voor een metgezel
der roovers kon houden, na de edelmoedige daad, waardoor ik haar van
hen verlost had. Om haar die goede opinie over mij te doen behouden,
vertelde ik haar mijne geschiedenis. Daardoor won ik haar vertrouwen
en zij vertelde mij welke ongelukken haar getroffen hadden, zooals
ik dit in het volgend hoofdstuk zal mededeelen.