Op welke onaangename wijze Gil Blas en de dame werden gestoord.
Na dit verhaal barstte donna Mencia in tranen uit. Verre van haar
te willen troosten door gesprekken in den geest van Seneca, liet ik
haar den vrijen loop geven aan haar verdriet; ik schreide zelf ook,
zoo natuurlijk is het dat men meegevoelt met de ongelukkigen en vooral
met eene bedroefde schoone. Ik wilde haar juist vragen welke houding
zij dacht aan te nemen in den toestand, waarin zij zich bevond en
wellicht zou ze mij daarover hebben geraadpleegd, indien ons onderhoud
niet ware onderbroken; we hoorden in het logement zooveel leven,
dat dit onwillekeurig onze aandacht trok.
Dit gerucht werd veroorzaakt door de komst van den baljuw, gevolgd door
twee gerechtsdienaars en verscheidene boogschutters. Ze traden de kamer
binnen, waar wij ons bevonden. Een jongeman, die hen vergezelde, kwam
het eerst op mij toe en begon van nabij mijn kleeding te monsteren. Hij
had niet veel tijd noodig haar te bekijken. "Bij Sint Jacob!" riep
hij uit, "ziedaar mijn wambuis; het is even gemakkelijk te herkennen
als mijn paard. Gij kunt dien vent op mijn woord gevangen nemen;
ik ben er niet bang voor mij aan een herstelling van zijn eer bloot
te stellen; ik ben er van overtuigd, dat het een der roovers is,
die hier een onbekende schuilplaats hebben."
Bij dit gesprek, waardoor ik vernam dat die jonge man de bestolen
edelman was, van wien ik ongelukkigerwijze de geheele plunje aan
had, bleef ik verstomd, verlegen en uit het veld geslagen staan. De
baljuw, die door zijn ambt uit mijn verlegenheid eerder eene slechte
gevolgtrekking moest afleiden dan een goede, vond dat de beschuldiging
niet zonder grond was; en veronderstellende, dat de dame eene
medeplichtige kon zijn, liet hij ons beiden afzonderlijk gevangen
zetten. Die rechter was niet een dergenen, die schrik aanjagen door
hun uiterlijk: hij zag er zacht en lachend uit. God weet, of hij
daarom beter was! Zoodra ik in de gevangenis zat, kwam hij er ook
met zijn twee fretten, d. w. z. zijn gerechtdienaars; zij kwamen met
een vroolijk gezicht binnen als hadden zij er een voorgevoel van, dat
zij goede zaken gingen doen. Zij vergaten hun goede gewoonte niet en
begonnen met me te fouilleeren. Wat een buitenkansje voor die heeren;
zij hadden misschien nog nooit zoo 'n goeden slag geslagen. Bij elke
handvol geldstukken, die ze te voorschijn haalden, zag ik hun oogen
van vreugde schitteren. Vooral de baljuw scheen buiten zichzelf. "Mijn
jongen," zij hij tot me op een toon vol zachtzinnigheid, "wij doen
onzen plicht; maar vrees niet, indien ge niet schuldig zijt, zal
men u geen kwaad doen," Ondertusschen ledigden ze zachtjesaan al
mijn zakken en namen me zelfs af, wat de roovers me gelaten hadden,
nl. de veertig dukaten van mijn oom. Maar daar bleef het niet bij:
hun gretige, onvermoeide handen betastten me van het hoofd tot de
voeten; ze draaiden mij naar alle kanten en ontkleedden me geheel
om te zien of ik geen geld onder mijn hemd had zitten. Ik geloof,
dat ze me graag mijn buik hadden geopend om te zien of daar niets
meer in was. Nadat ze zich zoo goed van hun taak gekweten hadden,
ondervroeg de baljuw mij. Ik vertelde onomwonden alles wat mij was
overkomen. Hij liet mijn verklaring opschrijven; daarna vertrok hij
met zijn lieden en mijn geld en liet me spiernaakt op het stroo achter.
"O menschenleven!" riep ik uit, toen ik me alleen en in dien
toestand zag, "wat zijt ge vervuld van vreemde avonturen en
teleurstellingen! Van dat ik uit Oviédo ben gegaan, ondervind ik
slechts tegenspoeden: nauwelijks ben ik aan het eene gevaar ontsnapt
of ik val in een ander. Toen ik in deze stad kwam, dacht ik niet,
dat ik zoo spoedig kennis met den baljuw zou maken." Terwijl ik deze
nuttelooze beschouwingen hield, deed ik dat vervloekt wambuis en de
rest der kleeding, die me zooveel ongeluk had gebracht, weer aan;
daarna zei ik tot mezelf om me moed in te spreken: "Kom, Gil Blas,
wees ferm, denk er aan, dat na dezen tijd er wellicht een gelukkiger
aanbreekt. Past het je wel in een gewone gevangenis te gaan wanhopen,
na zoo 'n pijnlijke proef van geduld te hebben doorstaan in dat
hol? Maar, helaas!" hernam ik droevig, "ik vergis me. Hoe zou ik hier
kunnen uitkomen? Men heeft er me juist alle middelen toe ontnomen,
daar een gevangene zonder geld, gelijk is aan een vogel, wiens vleugels
men heeft afgeknipt."
Inplaats van den patrijs en het konijntje, die ik aan het spit had
laten braden, bracht men mij een klein bruin brood met een kruik
water, en men liet mij in mijn cel mijn leed verkroppen. Ik bleef
er volle veertien dagen zonder iemand te zien, dan mijn cipier, die
mij elken morgen mijn provisie kwam vernieuwen. Zoodra ik hem zag,
begon ik tegen hem te spreken, ik trachtte een gesprek met hem te
beginnen om me een beetje uit mijne verveling op te wekken; maar dat
personnage gaf geen antwoord op al wat ik tot hem zei; 't was me niet
mogelijk een enkel woord uit hem te krijgen; zelfs kwam en ging hij
meestal weer zonder mij aan te zien. Den 16den dag kwam de baljuw
en zei tot me: "Eindelijk, mijn vriend, zijn je rampen ten einde, ge
kunt u verheugen; ik kom je een aangename tijding mededeelen! Ik heb
de dame, die bij je was, naar Bargos laten brengen; voor haar vertrek
heb ik haar ondervraagd en haar antwoorden zijn in je voordeel. Gij
zult vandaag vrijgelaten worden, tenminste als de muilezeldrijver
met wien ge van Pennaflor naar Cacabelos zijt gekomen, zooals ge me
hebt gezegd, uwe verklaring bevestigt. Hij is in Astorga, ik hem om
hem gestuurd en verwacht hem elk oogenblik; indien hij uw verhaal
als waar verklaart, herkrijgt gij dadelijk uw vrijheid."
Deze woorden verheugden mij, want ik dacht van nu af buiten gevaar te
zijn. Ik bedankte den rechter voor de korte en goede rechtvaardiging
die hij mij wilde laten wedervaren; ternauwernood had ik uitgesproken
of de muilezeldrijver trad binnen vergezeld van twee boogschutters. Ik
herkende hem dadelijk; maar die beul van een muilezeldrijver, die
ongetwijfeld mijn valies met den geheelen inhoud had verkocht, en
die vreesde genoodzaakt te zijn het geld, dat hij ervoor ontvangen
had, terug te moeten geven indien hij toegaf mij te herkennen, zei
brutaalweg dat hij niet wist wie ik was en dat hij me nooit gezien had.
"O! schelm," riep ik uit, "beken liever dat je mijn armzalige kleeding
hebt verkocht en vertel de waarheid. Kijk me goed aan, ik een der
jongelieden, die ge bedreigdet met een gerechtelijk onderzoek in
de buurt van Cacabelos en die ge zoo angstig maakte." De drijver
antwoordde op kouden toon, dat ik van een voorval sprak, dat hij in
't geheel niet kende en daar hij tot het einde toe volhield dat
ik hem onbekend was, werd mijn bevrijding tot een volgenden keer
uitgesteld. "Mijn beste jongen," zei de baljuw, "ge ziet wel dat de
ezeldrijver uwe verklaring niet bevestigt; ik kan je dus, hoe graag
ook, nog niet in vrijheid stellen."
Er bleef dus niets anders over dan mij met nieuwen moed te wapenen,
nogmaals te vasten met water en brood en den stilzwijgenden cipier
weer te zien. Wanneer ik eraan dacht, dat ik me niet uit de klauwen der
justitie kon redden, hoewel ik niet de minste misdaad had begaan, dan
bracht die gedachte me tot wanhoop en betreurde ik het roovershol. Ik
zei tot mezelf: "Goed beschouwd, had ik het daar minder onaangenaam
dan hier; ik at en dronk er goed van met de roovers, onderhield me
prettig met hen en leefde in de zoete hoop op ontvluchting; terwijl
ik hier niettegenstaande mijn onschuld, misschien al gelukkig zal
zijn als ik hieruit kom om naar de galeien te gaan."