Welke ernstige gebeurtenis op dit avontuur volgde.
Wij bleven het grootste gedeelte van den dag in dat bosch zonder
een enkelen reiziger te zien, die voor den geestelijke zou kunnen
betalen. Eindelijk gingen wij er uit om naar het onderaardsche gewelf
terug te keeren, onze heldendaden besprekende en het belachelijk
geval, dat nog steeds het onderwerp van ons onderhoud uitmaakte,
toen we in de verte een koets ontdekten met vier muilezels bespannen.
Het rijtuig kwam in flinken draf op ons af en werd begeleid
door drie mannen te paard, die mij goed gewapend schenen en goed
voorbereid ons te ontvangen indien we moedig genoeg waren hen aan te
vallen. Rolando liet de troep stilhouden om daarover te beraadslagen
en de uitslag was, dat tot den aanval werd besloten. Dadelijk stelde
hij ons op, zooals hij dat goedvond en we gingen slagvaardig op de
koets af. Niettegenstaande de toejuichingen die ik in het bosch
had ontvangen, voelde ik mij geweldig beven en weldra werd mijn
geheele lichaam zóó door koud zweet bedekt, dat ik me niets goeds
voorspelde. Tot overmaat van geluk liep ik aan het hoofd der troep,
tusschen den kapitein en den luitenant, die mij daar hadden geplaatst
om mij maar dadelijk aan het vuur te gewennen. Rolando, die mijn
angst bemerkte, keek me van terzijde aan, en zei op kwaden toon:
"Luister, Gil Blas, denk er aan je plicht te doen, ik waarschuw je,
als je terugwijkt jaag ik je een kogel door je hoofd."
Ik was te zeer ervan overtuigd, dat hij zou doen wat hij zei, om die
waarschuwing in den wind te slaan; daarom beval ik slechts mijn ziel
aan God, daar ik nu den eenen kant niet minder had te vreezen dan
den andere. Intusschen kwamen de koets en de ruiters al dichterbij;
zij zagen welk soort lui wij waren, en daar zij ons plan aan onze
houding raadden, hielden zij op geweerschotsafstand stil. Zij hadden
evengoed als wij, karabijnen en pistolen bij zich. Terwijl zij zich
gereed maakten ons het hoofd te bieden, stapte er uit de koets een
welgemaakt, rijk gekleed man. Hij steeg op een los paard door een
der ruiters bij den teugel gehouden en stelde zich aan het hoofd der
anderen; tot wapen had hij slechts zijn zwaard en twee pistolen. Hoewel
ze slechts vier tegen negen waren, want de koetsier bleef op den bok,
gingen zij met een zekerheid vooruit, die mijn angst nog verergerde. Ik
liet echter niet na, hoewel over alle leden bevend, mij gereed te
houden tot vuren; maar om de dingen te vertellen, zooals ze zijn,
moet ik bekennen, dat ik mijn oogen sloot en mijn hoofd afwendde,
toen ik mijn karabijn afvuurde, zoodat de manier waarop ik aftrok,
mij die daad niet op het geweten laadde.
Ik zal niet uitweiden over die handeling: hoewel ik er bij
tegenwoordig was, zag ik niets en mijn angst, die mijn verbeelding
benevelde, verborg mij het vreeselijke van het schouwspel zelve,
dat mij schrik aanjoeg. Alles wat ik ervan weet, is, dat na een groot
gerucht van geweervuur, ik mijn metgezellen luidkeels hoorde roepen:
"Victorie! Victorie!" Bij dien uitroep verdween de verstijving, die
zich van mijn zinnen had meester gemaakt, en zag ik de vier ruiters
levenloos op het slagveld liggen. Van onze zijde hadden we slechts
één doode; een onzer ruiters had een kogel in de rechterknieschijf
gekregen. Ook de luitenant was gewond, doch slechts heel licht,
daar de kogel slechts de huid had geschaafd.
Rolando rende eerst naar het portier van de koets, waarin eene dame
was van vier- à vijfentwintig jaar, die hem heel mooi toescheen,
niettegenstaande den treurigen toestand, waarin hij haar zag. Ze
was tijdens het gevecht flauw gevallen en verkeerde nog in dien
toestand. Terwijl hij er slechts aan dacht haar aan te kijken, dachten
wij aan den buit. Wij begonnen met ons van de paarden der gestorven
ruiters te verzekeren, want die dieren, door het geluid der schoten
geschrokken, waren van den weg afgegaan na hun geleiders te hebben
verloren. Wat de muilezels betreft, deze waren pal blijven staan,
al had de koetsier gedurende het gevecht zijn zetel verlaten om zich
te redden. Wij stegen af om ze uit te spannen en wij belastten ze
met verschillende koffers, die we voor en achter de koets vonden
vastgesjord. Daarna nam men op order van den kapitein, de dame,
die nog niet tot zich zelve was gekomen en zette haar te paard,
ondersteund door een roover, die een der sterksten was en het best
bereden; toen namen wij de dame, de muilezels en de paarden mee en
lieten de koets en de beroofde dooden op den weg liggen.