Gil Blas vergezelt de dieven. Welke heldendaad hij verricht op den
openbaren weg.
't Was op het einde van een Septembernacht, dat ik met de roovers
het onderaardsche gewelf verliet. Ik was evenals zij gewapend met
een karabijn, twee pistolen, een zwaard en een bajonet en ik bereed
een vrij goed paard, dat men aan denzelfden edelman ontnomen had,
wiens kleeren ik aan had. Ik had zóó lang in de duisternis geleefd,
dat de aanbrekende dag me in den beginne verblindde; maar langzamerhand
begonnen mijn oogen zich aan het daglicht te gewennen. We gingen langs
Pont-Ferrada, en legden ons in hinderlaag in een klein bosch, dat aan
den grooten weg naar Léon grensde en in een gedeelte waar wij zonder
zelf gezien te worden, alle voorbijgangers konden bespieden. Daar
wachtten we tot het fortuin ons een goeden slag te slaan gaf, toen
wij eensklaps een geestelijke van de orde der Dominikanen bemerkten,
die, tegen de gewoonte dier goede paters in, een slechten muilezel
bereed. "God zij geprezen," riep de kapitein lachende, "daar is het
meesterstuk voor Gil Blas. Hij moet dien monnik berooven; nu zullen
we eens zien hoe hij er dat afbrengt." Alle roovers oordeelden, dat
ongetwijfeld deze zending mij toekwam en maanden mij aan er mij goed
van te kwijten. "Heeren," zei ik tot hen, "gij zult tevreden zijn;
ik zal dien priester zóó berooven tot hij zoo naakt is als mijn hand
en ik zal u zijn muilezel hier brengen."
"Neen, neen," zei Rolando, "dat is de moeite niet waard; breng ons
slechts de beurs van Zijne Eerwaarde; dat is alles wat we van je
eischen."
"Ik zal dus," hernam ik, "onder de oogen mijner meesters mijn proefstuk
leveren; ik hoop, dat ze mij met hun goedkeuring zullen vereeren."
Daarop verliet ik het bosch en stuurde op den geestelijke af, den
hemel smeekende mij de daad te vergeven, die ik ging verrichten, want
ik was nog niet lang genoeg bij de roovers om dit zonder tegenzin
te bedrijven. Ik had op dat oogenblik wel graag willen ontsnappen,
maar het meerendeel der roovers was nog beter bereden dan ik; als ze
mij hadden zien vluchten zouden ze mij dadelijk achtervolgd hebben
en spoedig ingehaald of misschien zouden ze hun karabijnen op mij
gelost hebben, waarbij ik me zeer slecht zou hebben bevonden. Zoo'n
roekeloosheid mocht ik dus niet wagen; ik ging naar den pater toe
en vroeg hem zijn beurs, terwijl ik den loop van mijn pistool voor
zijn neus hield. Dadelijk bleef hij staan en nam me van het hoofd
tot de voeten op, hij was niet erg geschrokken, maar voegde mij toe:
"Mijn kind, gij zijt nog erg jong; je begint reeds vroeg een slecht
bedrijf uit te oefenen."
"Pater", antwoordde ik, "hoe slecht het ook moge zijn, zou ik willen
het reeds vroeger te zijn begonnen."
"O mijn zoon," hernam de goede geestelijke, die zich wel wachtte de
eigenlijke beteekenis mijner woorden te begrijpen, "wat zegt gij? welk
een verblindheid! laat ik u eens duidelijk den ongelukkigen toestand
uitleggen.... "
"O, pater," hernam ik haastig, "geen zedepreeken als het u belieft,
ik kom hier niet om sermoenen aan te hooren; daar is het trouwens
niet om begonnen: ik wil geld."--"Geld?" vroeg hij verwonderd; "gij
schijnt een slecht oordeel te hebben van de Spaansche weldadigheid
als gij meent, dat menschen van mijn stand geld noodig hebben
om door Spanje te reizen. Bedrieg u niet. Men ontvangt ons overal
vriendelijk; men herbergt en voedt ons, en men vraagt slechts gebeden
in ruil. Daarom hebben wij nooit geld bij ons; wij geven ons over aan
de Voorzienigheid." "O, neen," viel ik hem in de rede, daar geeft ge
u niet aan over; ge hebt altijd van die lieve goudstukjes bij u om
nog zekerder van de Voorzienigheid te zijn. Maar, mijn vader," ging ik
verder, "laat ons eindigen, mijn kameraden, die daar in het bosch zijn,
worden ongeduldig; gooi dadelijk uw beurs op den grond, of ik dood u."
Bij deze dreigende woorden, scheen de geestelijke toch voor zijn
leven bevreesd te zijn. "Wacht", zij hij, "ik zal je tevreden
stellen als het dan toch eenmaal moet. Ik zie wel, dat bij jullie de
welsprekendheid nutteloos is." Dit zeggende trok hij van onder zijn
kleed een groote kemelsleeren beurs te voorschijn, die hij op den
grond liet vallen. Daarop zei ik hem, dat hij zijn weg kon vervolgen,
wat hij mij niet tweemaal zeggen liet. Hij drukte de flanken van
zijn muilezel die mijn oordeel over hem, (want ik vond hem niet
beter dan die van mijn oom) logenstrafte door eensklaps een goeden
draf er in te zetten. Terwijl hij zich verwijderde, steeg ik af; ik
raapte de beurs op, die mij heel zwaar leek, daarna steeg ik weer op
en bereikte snel het bosch, waar de roovers me met ongeduld wachtten
om me te feliciteeren, alsof de overwinning die ik behaald had, mij
veel had gekost. Ternauwernood lieten ze mij den tijd van het paard
af te komen, zóó haastten zij zich mij te omhelzen, "Goed, Gil Blas,"
zei Rolando, "gij hebt daar iets buitengewoons verricht. Ik heb je
gedurende je tocht voortdurend gade geslagen, ik heb op je houding
gelet; ik voorspel je, dat je een uitstekende straatroover zult worden,
of ik weet er niets meer van." De luitenant en de anderen juichten deze
voorspelling toe en verzekerden mij, dat ik haar zeker een of anderen
dag tot waarheid zou maken. Ik bedankte hen voor de goede opinie, die
ze van mij hadden en beloofde hun alles te doen om deze te handhaven.
Nadat zij mij te meer hadden geprezen waar ik het minder verdiende
kwam het hun opeens in den zin den buit te bezichtigen, waarmede
ik was terug gekeerd. "Laten we eens zien, wat er in de beurs van
den geestelijke is," zeiden zij. "Zij zal wel goed gevuld zijn,"
vervolgde een hunner, "want die goede paters reizen niet als pelgrims,"
De kapitein wikkelde de beurs los, opende haar en haalde er twee
of drie handenvol kleine koperen medailles uit, waartusschem eenige
scapuliers. Op het gezicht van zulk een vreemdsoortigen buit, barstten
de roovers in een onbedaarlijk gelach uit.
"Lieve God", riep de luitenant uit, "wij zijn wel veel verplicht aan
Gil Blas, die als proefstuk een zoo heilzamen roof voor ons heeft
gedaan." Deze aardigheid wekte andere op van hetzelfde allooi. De
booswichten begonnen zich over dit onderwerp vroolijk te maken. Meer
dan één pijl schoten ze af, die ik hier niet kan herhalen, maar die ten
volle de laagheid hunner zeden kenmerkte. Ik alleen lachte niet. 't
Is waar, dat die spotters mij er den lust toe benamen, door zich
ten mijnen koste te vermaken. Ieder gaf me een steek en de kapitein
voegde me toe: "Mijn hemel, Gil Blas, ik raad je in gemoede je niet
meer met monniken in te laten; zij zijn te slim, te sluw voor jou".