Wat Gil Blas deed bij gebrek aan beter.
Ik dacht de eerste dagen van verdriet te zullen sterven. Ik leidde
een treurig bestaan, maar gelukkig vermaande mijn goede genius mij
voortaan te veinzen. Ik deed dus juist of ik minder bedroefd was en
begon te lachen en te zingen, hoewel ik er in 't minst niet den lust
toe had. Ik huichelde echter zoo goed, dat Leonarda en Domingo erdoor
verschalkt werden en dachten dat de gevangen vogel aan zijn kooi
wende. Ook de roovers dachten hetzelfde daar ik mij zeer opgewekt
toonde als ik hen bediende en mij in hun gesprekken mengde door een
of andere aardigheid te tappen als er gelegenheid toe was. Mijn
vrijmoedigheid, verre van hun te vervelen, vermaakte hen zeer,
"Gil Blas," zei de kapitein mij op een avond toen ik weer vroolijk
was, "gij doet zeer verstandig door die zwaarmoedigheid te bannen;
ik houd veel van je opgewektheid en je grappen. Men kent iemand niet
terstond op het eerste gezicht en ik had je waarlijk niet zoo geestig
en vroolijk gedacht als ge nu blijkt te zijn."
Ook de anderen prezen mij om het hardst en spoorden mij aan zoo voort
te gaan met hen vroolijk tegemoet te komen; ten slotte schenen zij
mij toe zoo tevreden over mij te zijn dat ik, gebruik makende van hun
goede stemming, hen aldus toesprak: "Veroorlooft mij, mijne heeren,
dat ik u den bodem van mijn ziel blootleg. Sedert ik hier ben gevoel
ik mij een geheel ander mensch dan vroeger. Gij hebt mij verlost
van de vooroordeelen van mijn opvoeding en ik heb onmerkbaar mij uwe
zienswijze eigen gemaakt. Ik gevoel veel lust in uw beroep en ik sterf
bijna van verlangen om een van de uwen te zijn en alle gevaren van
uwe tochten te deelen." Het geheele gezelschap juichte deze toespraak
toe. Men prees mijn goeden wil; daarna werd er met algemeene stemmen
besloten, dat men mij nog eenigen tijd hen zou laten bedienen om mijne
roeping op de proef te stellen en dat men mij vervolgens de plaats zou
geven die ik vroeg en die men niet kon weigeren aan een jongmensch,
dat toonde zulk een goeden wil te hebben.
Ik moest dus voortgaan met mijn rol van huichelaar en mijn ambt van
schenker nog eenigen tijd uit te oefenen. Ik leed natuurlijk vreeselijk
onder dien toestand want ik verlangde slechts roover te worden om uit
te kunnen gaan zooals zij en vleide mij ook met de hoop, dat ik hen
vroeg of laat zou kunnen ontsnappen. Deze hoop hield den moed er bij
mij in, doch het wachten viel mij ontzettend lang en meermalen trachtte
ik Domingo te verschalken. Hiertoe was echter geen kans want hij was
veel te waakzaam; geen honderd Orpheussen zouden dezen Cerberus hebben
bekoord. Bovendien was ik steeds bang ontdekt te worden zoodat ik niet
al het mogelijke deed om hem te bedriegen. Hij hield mij voortdurend
in het oog en ik moest veel te voorzichtig zijn om mijzelf niet te
verraden. Ik wachtte dus den tijd af waarop de roovers mij bij hun
troep zouden inlijven en ik wachtte er met zooveel ongeduld op alsof
het mijne benoeming tot een hoog ambt gold.
Gelukkig brak dat gelukkige oogenblik na zes maanden aan. Kapitein
Rolando sprak op zekeren avond tot de roovers: "Kameraden, wij moeten
het aan Gil Blas gegeven woord gestand doen. Die knaap bevalt mij,
hij schijnt mij geschikt onze voetstappen te drukken en ik geloof dat
wij er een flink medelid van zullen maken. Wij moesten hem morgen met
ons medenemen om lauweren te verwerven op onze tochten. Wij moeten
zorgen hem tot onzen eigen roem op te voeden." De roovers waren het
allen eens met hun kapitein; en om te toonen, dat ze mij reeds als
een der hunnen beschouwden, behoefde ik van dit oogenblik af hen niet
meer te bedienen. Zij herstelden juffrouw Leonarda in de betrekking,
die men haar ontnomen had om er mij mee te belasten. Ze lieten mij van
mijn kleeding ontdoen, die uit een eenvoudige, versleten priesterrok
bestond, en ze tooiden me met de achtergelaten kleederen van een
edelman, kort tevoren bestolen. Na dit alles hield ik mij gereed voor
mijn eersten veldtocht.