Gil Blas beproeft te ontvluchten en wat daar het gevolg van is.
Na op deze wijze zijn beroep verdedigd te hebben, ging de kapitein
naar bed, terwijl ik naar het salon terugkeerde om de tafel af te
nemen en alles op te bergen.
Vervolgens ging ik naar de keuken, waar Domingo (dit was de naam van
den ouden neger) en Signora Leonarda mij met het souper wachtten,
Hoewel ik niet den minsten eetlust had, ging ik toch bij hen
zitten. Ik kon echter geen hapje door mijn keel krijgen en daar ik
er erg bedroefd en terneergeslagen uitzag, begonnen deze twee oudjes
mij te troosten, echter op een wijze, die beter geschikt was om mij
wanhopig te maken, dan om mijn smart te verlichten. "Waarom ben je
zoo bedroefd, mijn jongen?" zei de oude vrouw. "Je moest je eerder
verheugen hier te zijn. Je bent nog jong en onervaren en zoudt
spoedig in de wereld verloren zijn geweest; gij zoudt er vast en
zeker losbandige jongelieden hebben aangetroffen, die je tot allerlei
uitspattingen zouden verleiden, terwijl je onschuld hier in veilige
haven is." "Leonarda heeft gelijk," zeide de oude neger met een zware
stem, "en men zou er nog bij kunnen voegen, dat er slechts moeiten
en smarten in de wereld zijn. Je moogt den hemel wel danken dat je
zoo ineens verlost bent van al die gevaren en ellenden der wereld."
Ik duldde dit gesprek zonder eenige tegenspraak, daar het toch niets
zou gebaat hebben mij er boos om te maken. Zelfs geloof ik, dat zij om
mij gelachen zouden hebben als ik kwaad was geworden. Eindelijk ging
Domingo, na goed gegeten te hebben, naar zijn stal en Leonarda nam een
lamp en leidde mij naar een soort gewelfde kelder, die dienst deed als
kerkhof voor de overleden roovers, die hun natuurlijken dood stierven
en waar ik een soort krib zag, die meer op een doodkist geleek dan op
een bed, "Dit is nu jou kamer, mijn beste jongen," zei zij mij met de
hand onder de kin streelend; "de jongen die hier vóór jou diende, heeft
er zijn heele leven in gehuisd en ligt er nu ook nog begraven. Hij
is in den bloei van zijn jeugd gestorven, maar jij moet verstandiger
zijn en zijn voorbeeld niet volgen." Toen gaf zij mij de lamp en
keerde weer naar haar keuken terug. Ik zette de lamp op den grond en
wierp mij op het bed, niet zoozeer om te rusten als wel om mijzelf
geheel aan mijn overpeinzingen over te geven. "O, mijn God," zei ik,
"is er een lot zoo droevig als het mijne? Men verlangt van mij dat ik
afstand zal doen van het zonnelicht en alsof het nog niet genoeg was
op achttienjarigen leeftijd levend begraven te worden, vernedert men
mij nog tot het dienen van roovers en moet ik 's nachts bij de dooden
verblijven!" Bij deze gedachten, die mij vreeselijk mistroostig schenen
en het inderdaad ook waren, begon ik hevig te snikken. Ik vloekte
den inval van mijn oom om mij naar Salamanca te sturen en verweet
mijzelf bevreesd te zijn geweest voor het gerecht van Cacabelos; ik
wilde dat ik op 't oogenblik erdoor ondervraagd werd. Maar bedenkende
dat al dat gejammer niets baatte, begon ik over middelen te peinzen
om te ontvluchten en ik begon mijzelf moed in te spreken, zeggende:
"Is het dan volstrekt onmogelijk van hier te ontvluchten? De roovers
slapen en de oude keukenmeid en de neger zullen ook spoedig in diepe
rust zijn. Zou ik nu met behulp van deze lamp den uitgang niet kunnen
vinden, waarlangs ze mij binnenbrachten? Intusschen ben ik misschien
niet sterk genoeg om alleen het valluik op te lichten, maar komaan ik
kan het probeeren, dan heb ik mij ten minste niets te verwijten. Mijn
wanhoop zal mij kracht geven en misschien slaag ik er in."
Ik vormde dus een groot plan. Toen ik meende dat Leonarda en
Domingo sliepen, stond ik stilletjes op, nam de lamp en verliet het
onderaardsche hol, terwijl ik mij aan alle heiligen van het Paradijs
aanbeval. Eerst na veel moeite gelukte het mij, den weg te vinden
in dit doolhof van gangen, maar ik kwam eindelijk toch aan den stal
en aan den weg, dien ik zocht. Langzaam ging ik vooruit naar het
valluik, terwijl mijn hart van vreugde en vrees tegelijk heftig
kloppen. Halverwege de gang echter, stuitte ik op een ijzeren hek,
dat stevig gesloten was en waarvan de staven zóó dicht bij elkaar
waren, dat men nauwelijks de hand er doorheen kon steken. Ik had
dit beletsel niet gezien bij het binnenkomen omdat het hek toen open
was. Intusschen beproefde ik de stangen, bekeek het slot nauwkeurig,
trachtte het zelfs te forceeren, toen ik plotseling eenige krachtige
slagen tusschen mijn schouders ontving. Ik gaf een luiden gil zoodat
het onderaardsch gewelf ervan weergalmde, en mij omdraaiende zag ik
den ouden neger, die in de eene hand een dievenlantaarn had en in
de andere een bullepees, waarmee hij mij had geslagen. "Arme kleine
schelm," zei hij, "wou je ontvluchten? Je behoeft er niet aan te denken
mij te verschalken, want ik had je heel goed gehoord. Je dacht zeker
het ijzeren hek open te vinden, is 't niet? Maar ge kunt er van opaan,
dat het voortaan altijd gesloten is. Wanneer wij hier iemand tegen zijn
zin houden, moet hij geslepener zijn dan gij om ons te ontsnappen."
Op mijn geschreeuw waren twee of drie van de roovers wakker geworden
en opgesprongen. En denkende, dat het de dienaren van den heiligen
Hermandad waren, die hen overvielen, riepen ze in allerijl hun
kameraden. In minder dan geen tijd waren allen op de been, grepen
hun degens en karabijnen en snelden naar de plaats waar Domingo
en ik stonden. Toen zij echter de reden van het gerucht vernamen,
maakte hun onrust plaats voor uitbundig gelach. "Hoe nu, Gil Blas,"
zei een van hen, "je bent nauwelijks een paar uur bij ons en wil je ons
nu reeds verlaten? Gij schijnt wel een vreeselijken afkeer te hebben
van afzondering en ge moet er maar nooit aan denken Karthuizer monnik
te worden. Ga nu maar gauw slapen, voor dezen keer komt ge er af met
de slagen, die Domingo je gegeven heeft, maar als je 't ooit in den
zin krijgt weer zoo iets te probeeren, kun je er staat op maken dat
we je levend villen." Hierop ging hij heen en ook de andere roovers
trokken zich in hun kamers terug, nog hartelijk lachende over mijn
poging tot ontsnappen. Ook de oude neger keerde zeer voldaan naar
den stal terug en ik ging weer naar mijn kerkhof, waar ik den nacht
verder met zuchten en huilen doorbracht.