Waarom verscheidene andere dieven op het tooneel verschijnen en welk
aangenaam gesprek zij voerden.
Toen Rolando dit alles verteld had, verschenen er zes andere mannen
in de zaal. Het was de luitenant met vijf manschappen, allen beladen
met buit. Zij droegen twee groote draagkorven vol suiker, kaneel,
peper, vijgen, amandelen en rozijnen.
De luitenant begon te spreken tot den kapitein en zeide hem, dat hij
die manden met buit weggenomen had van een kruidenier van Benavente
en dat hij diens muilezel ook gestolen had. Na aldus rekening en
verantwoording van zijn tocht te hebben gegeven, werd de buit naar
de provisiekamers gebracht. Daarna dacht men slechts aan vreugde
en vermaak, men plaatste een groote tafel in het salon en zond mij
naar de keuken, waar Leonarda mij op de hoogte bracht van wat ik te
doen had. Ik boog voor de noodzakelijkheid, daar mijn noodlot het van
mij eischte, begroef mijn smart diep in mijn binnenste en begon deze
eerlijke, brave menschen te bedienen.
Ik bracht eerst het buffet in orde, plaatste er zilveren kopjes op
en verscheidene flesschen van dien heerlijken wijn, dien Rolando
zoo geprezen had. Vervolgens zette ik twee schotels ragoût klaar en
terstond gingen de roovers aan tafel. Zij begonnen met een flinken
eetlust te eten, terwijl ik achter hen bleef staan om hen te bedienen
en wijn in te schenken. Ik deed dit zoo naar hun genoegen, dat zij
mij allerlei complimentjes maakten, terwijl de kapitein hun mijne
geschiedenis vertelde, wat hen blijkbaar zeer vermaakte. Vervolgens
vertelde hij allerlei lof van mij, doch ik was voorgoed van ijdelheid
genezen en ik hoorde het dan ook onverschillig aan. Toen begonnen zij
mij allen te prijzen en zeiden dat ik geknipt was voor schenker en
honderdmaal beter was dan mijn voorganger. En daar Senora Leonarda
dat ambt na zijn dood had waargenomen, ontnamen zij haar van nu af
die waardigheid om mij er mede te bekleeden. Zoo volgde ik deze oude
Hebe op als een tweede Ganymedes.
Een groote schotel met wild, die na de ragoût werd opgediend,
verzadigde verder de roovers, die onderwijl een stevig glaasje dronken
en spoedig in een vroolijke stemming kwamen en veel lawaai maakten. Zij
begonnen allen tegelijk te praten, deze vertelde een geschiedenis,
gene tapte een ui, weer een ander schreeuwde of zong, zoodat men
elkaar niet kon verstaan. Eindelijk had Rolando dit tooneel lang
genoeg geduurd en met een stentorstem gebood hij het gezelschap stilte.
"Mijne heeren," zeide hij op bevelenden toon, "luister naar hetgeen
ik u te zeggen heb. Inplaats van elkander doof te schreeuwen, zouden
wij beter doen als verstandige menschen te praten. Er valt mij iets
in. Zoolang wij elkander kennen, zijn wij nog nooit zoo nieuwsgierig
geweest te vragen van welke familiën wij zijn en door welke lotgevallen
wij ons beroep hebben gekozen. Het komt mij voor, dat dit wel de moeite
waard is bekend te maken. Laten wij elkaar dus vermaken met dit te
verhalen." Met vele buigingen van vreugde begroetten de luitenant en
de anderen dit voorstel, alsof zij iets moois te vertellen hadden,
en de kapitein begon aldus:
"Mijne heeren, gij moet weten dat ik de eenige zoon ben van een rijk
burger uit Madrid. De dag van mijn geboorte werd door de familie
gevierd met onbeperkte vreugd. Mijn vader, die reeds bejaard was, was
buitengewoon verheugd bij het zien van zijn erfgenaam en mijne moeder
voedde mij zelf. Mijn grootvader van moederszijde leefde toen nog; het
was een goedaardige grijsaard, die zich nergens meer mee bezighield
als met zijn rozenkrans en het vertellen van zijn krijgsdaden, want
hij had lang de wapenen gedragen en beroemde er zich dikwijls op,
in het vuur te zijn geweest. Ongemerkt werd ik de afgod van deze
drie menschen; onophoudelijk hadden ze mij in hun armen. Uit vrees
dat de studie mij in de eerste jaren te veel zou vermoeien, liet men
mij dien tijd doorbrengen met allerlei genoegens. Mijn vader zeide,
dat kinderen zich eerst in den tijd dat hun verstand wat gerijpt is,
ernstig aan iets moeten gaan wijden. In afwachting van die rijpheid,
leerde ik lezen noch schrijven, maar daarom verkwistte ik mijn tijd
toch niet. Mijn vader leerde mij honderd soorten van spelen. Ik was
volleerd in kaartspel, kon de steenen werpen en mijn grootvader
leerde mij liederen over de militaire expedities, die hij had
medegemaakt. Elken dag zong hij mij dezelfde coupletten voor en
wanneer hij drie maanden lang tien of twaalf verzen had herhaald,
kon ik ze zonder fouten opzeggen en bewonderden mijne ouders mijn
geheugen. Niet minder tevreden schenen zij over mijn verstand,
als ik, profiteerend van de vrijheid die ik had om te zeggen wat
ik wilde, een van hen in de rede viel, om tegen alles en allen in
te praten. 'Och, wat is het een lieve jongen!' riep mijn vader dan
uit, mij ontroerd aanziende. Mijne moeder overlaadde mij dan ook met
liefkoozingen en mijn grootvader schreide van genoegen. Ook deed ik
waar zij bij waren de onbeschaamdste dingen; zij vergaven mij alles,
zij aanbaden mij. Intusschen was ik twaalf jaar geworden en had ik
nog geen onderwijzer gehad. Men gaf mij er een; maar tegelijk ontving
hij nauwkeurige bevelen mij te onderwijzen zonder hardhandigheid;
men vergunde hem alleen mij af en toe te bedreigen om mij een beetje
vrees in te boezemen. Deze vergunning was niet erg heilzaam, want
òf ik lachte om de bedreigingen van mijn onderwijzer, òf ik ging
met tranen in de oogen mijn leed klagen bij mijn moeder of mijn
grootvader en maakte hen wijs dat hij mij erg mishandeld had. En al
ontmaskerde de arme drommel mij ook, dan was hij er nog niet beter
aan toe, maar ging door voor een woesteling, men geloofde mij toch
altijd eerder dan hem. Zelfs schramde ik mijzelf eens; ik ging toen
schreeuwen alsof ik vermoord werd; mijn moeder liep toe en joeg den
meester onmiddellijk weg, hoewel hij den hemel tot getuige riep,
dat hij mij niet had aangeraakt.
Zoo ontdeed ik mij van al mijne leeraren, totdat er een kwam, van
de soort, die ik noodig had. Dat was een student van Alkala. Een
uitmuntend mensch voor huisleeraar. Hij hield van vrouwen, het spel
en de kroeg, in betere handen kon ik niet vallen. Hij begon eerst mijn
verstand met zachtheid te bewerken, daarin slaagde hij en won daardoor
het vertrouwen van mijn ouders, die mij aan hem overlieten. Zij
hadden geen reden daarover berouw te hebben; vroegtijdig maakte
hij mij volleerd in wereldkennis. Door mij mede te nemen naar alle
plaatsen waar hij gaarne kwam, wekte hij zulk een leerlust bij mij op,
dat ik op het latijn na, bijna een alwetend jongmensch werd. Zoodra
hij zag dat ik zijn voorbeeld niet meer noodig had, ging hij zich
ergens anders aanbieden.
Had ik in mijn kindsheid thuis erg vrij geleefd, zoo werd dit heel
anders toen ik begon meester te worden over mijne daden. In den kring
van het gezin nam ik de proef met mijne onbeschaamdheid. Ik bespotte
elk oogenblik mijn vader en mijn moeder. Zij lachten slechts om mij;
en hoe grievender ik hen beleedigde, hoe aangenamer zij het vonden,
Intusschen gaf ik mij over aan allerlei uitspattingen met jongelieden
van mijn slag en daar onze ouders niet genoeg geld gaven om zulk een
heerlijk leven voort te zetten, stal elkeen thuis, wat hij krijgen
kon en daar dit nog niet voldoende was, begonnen wij des nachts te
stelen, wat niet weinig méer inbracht. Ongelukkig kreeg de politie er
de lucht van. Zij wilde ons laten arresteeren, maar men waarschuwde
ons voor dit booze plan, wij vluchtten en begonnen de groote wegen
te exploiteeren. Van dien tijd af, mijne heeren, is God zoo genadig
geweest, mij in mijn beroep oud te laten worden, ondanks de gevaren
die er aan verbonden zijn."
De kapitein zweeg en de luitenant nam het woord. "Mijne Heeren,"
zeide hij, "eene opvoeding, die precies het tegenovergestelde was
van die van signor Rolando, heeft het zelfde resultaat gehad. Mijn
vader was slager in Toledo; met recht ging hij door voor den grootsten
woesteling in de buurt en mijn moeder was niet zachter van aard. In
mijn jeugd wedijverden zij als het ware in het afrossen van mij. De
minste fout, die ik beging, werd door de ruwste straffen gevolgd. Al
vroeg ik hen vergiffenis met tranen in de oogen en had ik berouw over
hetgeen ik gedaan had, men vergaf mij niets en sloeg mij meestal zonder
reden. Wanneer mijn vader mij sloeg, dan ging mijn moeder meedoen,
inplaats van tusschenbeide te komen. Deze behandeling vervulde mij met
zulk een afkeer van het ouderlijke huis, dat ik het verliet vóór ik
veertien jaar was. Ik ging den weg naar Aragon op en trok al bedelende
naar Saragossa; daar voegde ik mij bij een troep landloopers, die een
tamelijk gelukkig leven leidden. Zij leerden mij voor blind doorgaan,
mank te schijnen, op de beenen zweeren en gezwellen aan te brengen,
enzoovoorts. Als tooneelspelers, die zich voorbereiden, maakten wij
ons des morgens klaar verschillende karakters voor te stellen. Ieder
betrok zijn post en na ons des avonds vereenigd te hebben, maakten wij
's nachts pleizier ten koste van hen, die medelijden met ons hadden
gehad. Nochtans verveelde ik mij bij deze lieden en wilde met eerlijker
menschen leven; ik voegde mij bij eenige fortuinzoekers. Zij leerden
mij goede slagen te doen, maar wij moesten spoedig Saragossa verlaten,
omdat wij ongenoegen kregen met een rechter, die ons altijd beschermd
had. Elk ging zijn eigen weg. Wat mij betreft, ik voelde in mij den
lust tot gewaagd spel en voegde mij bij een troep moedige mannen,
die de reizigers schatting lieten betalen en ik bevond mij zoo wel
bij hunne manier van leven, dat ik sedert geen andere bezigheid heb
willen zoeken. Ik ben mijne ouders dus zeer dankbaar, mijne heeren,
dat zij mij zoo mishandeld hebben, want wanneer zij mij wat zachter
hadden opgevoed, dan zou ik thans ongetwijfeld niet meer zijn dan
een ongelukkige slager, inplaats waarvan ik de eer heb uw luitenant
te zijn."
"Mijne heeren," zei nu een jonge dief, die tusschen den kapitein en den
luitenant zat, "zonder verwaandheid mag ik zeggen dat de verhalen, die
wij zooeven gehoord hebben, niet zoo ingewikkeld noch zoo zonderling
zijn als het mijne; ik ben zeker, dat dit u zal bevallen. Ik dank
het levenslicht aan eene boerin uit de buurt van Sevilla. Drie weken
nadat zij mij ter wereld had gebracht (zij was jong, flink en een goede
voedster), stelde men haar voor min te worden bij een voornaam kind,
een eenigen zoon die pas in Sevilla geboren was. Mijne moeder nam het
voorstel gaarne aan; zij ging het kind halen. Men vertrouwde het haar
toe en eenige gelijkenis tusschen hem en mij vindende, vatte zij het
plan op mij voor het voorname kind in de plaats te schuiven, in de
hoop dat ik dezen goeden dienst te eeniger tijd wel zou erkennen. Mijn
vader, die niet nauwgezetter was dan een ander boer, vond het goed,
zoodat na van luiers te hebben verwisseld, de zoon van don Rodriges
de Herrera onder mijn naam naar een andere min werd gezonden en mijne
moeder mij voedde als de zijne.
Wat men ook zeggen moge over het instinkt en de kracht van het bloed,
zoo slikten de ouders van den kleinen edelman toch gemakkelijk
de verwisseling. Hun voornemen was een volmaakt edelman van mij
te maken, maar ik deed mijne onderwijzeres weinig eer aan: ik had
weinig lust in de oefeningen en nog minder smaak in de kennis die
men mij wilde bijbrengen. Ik speelde veel liever met de lakeien,
die ik steeds in den stal of in de keuken opzocht. Het spel was niet
lang mijn overheerschende passie; reeds toen ik zeventien jaar was,
verveelde ik mij elken dag. Ik viel ook alle vrouwen in huis lastig. Ik
hechtte mij vooral aan een keukenmeid, die ik mijne eerste zorgen wel
waard achtte. Dat was een groote boerenmeid, wier dikke wangen en
omvangrijk middel mij zeer bevielen. Ik maakte haar met zoo weinig
omslag het hof, dat don Rodriges het zelfs bemerkte. Hij berispte
mij daar bitter over en verweet mij de laagheid mijner neigingen,
en uit vrees dat het gezicht van het beminde wezen zijne berispingen
te niet zouden doen, zette hij mijne prinses buiten de deur.
Dat mishaagde mij en ik besloot mij te wreken. Ik stal de juweelen
van de vrouw van don Rodriges en na mijne schoone Helena te hebben
opgezocht, die naar een waschvrouw in de buurt was gegaan, schaakte
ik haar op klaarlichten dag, opdat iedereen ervan hooren zou. Ik ging
verder, ik bracht haar naar haar land, waar ik haar plechtig trouwde,
zoowel om Herrera nog meer te grieven als om aan deftige kinderen
een mooi voorbeeld te geven. Drie maanden later hoorde ik, dat don
Rodriges gestorven was. Dit liet mij niet onverschillig, want direct
begaf ik mij naar Sevilla om mijn erfgoed op te eischen, maar daar
vond ik alles veranderd. Mijne moeder was overleden en stervende had
zij de indiscretie begaan alles te bekennen in tegenwoordigheid van
den pastoor en andere getuigen. De zoon van don Rodriges had reeds
mijn plaats, of liever de zijne, ingenomen en hij was met des te
meer genoegen erkend, waar men ontevredener was over mij; toen ik
dus niets meer van dien kant te hopen en geen pleizier meer in mijn
dikke vrouw had, voegde ik mij bij eenige fortuinzoekers, met wie ik
mijne strooptochten begon."
Toen de jonge dief zijn geschiedenis verteld had, zeide een ander,
dat hij de zoon van een koopman uit Burgos was; dat hij in zijn jeugd
gedreven door eene vrome devotie, de soutane had aangenomen en in een
zeer heilige orde was getreden. Nu begon men over andere dingen te
spreken. Zij bespraken allerlei plannen voor een volgenden strooptocht
en na het eindelijk over een bepaald plan te zijn eens geworden,
stonden allen van tafel op en gingen ter ruste. Ieder van hen stak een
kaars op en ging naar zijn eigen kamer, terwijl ik kapitein Rolando
volgde om hem bij het ontkleeden behulpzaam te zijn. "Wel, Gil Blas,"
zeide hij, "gij ziet nu hoe wij leven. Wij zijn altijd vroolijk en
blij en haat en afgunst kennen wij niet; wij hebben nooit ruzie met
elkaar en zijn onderling inniger verbonden dan kloosterlingen. Zooals
ge dus ziet, zult ge hier een heerlijk leventje krijgen, want gij
zult wel geen gewetensbezwaren hebben bij dieven te zijn. Ziet men
eigenlijk wel iets anders dan dieven in de maatschappij? Neen, mijn
beste jongen, alle menschen houden ervan zich het goed van anderen
toe te eigenen; dit is allen ingeboren, alleen de wijzen waarop
men het doet, verschillen. De veroveraars bijvoorbeeld nemen den
grond van hun buren, voorname personen leenen geld en geven het niet
terug. Bankiers, rentmeesters, wisselhandelaars, beambten, zoowel
groote als kleine, zijn niet erg nauw van geweten. Wat de heeren van
het gerecht aangaat, daarover spreek ik maar liever niet; het is maar
al te goed bekend waartoe zij in staat zijn. Toch moet ik bekennen,
dat zij menschelijker zijn dan wij, want wij ontnemen vaak het leven
aan onschuldigen, terwijl zij vaak dat van een schuldige redden."