Beschrijving van het onderaardsche hol en welke zaken Gil Blas er zag.
Ik zag nu met wat voor lieden ik te doen had en men kan begrijpen dat
mijn vroegere vrees door deze kennismaking verdween om plaats te maken
voor een veel grooteren angst. Ik vreesde mijn leven en mijn dukaten
te zullen verliezen en beschouwde mijzelf al als een offerdier, dat
men naar het altaar voert. Meer dood dan levend liep ik tusschen mijn
geleiders, die, ziende dat ik beefde, mij tevergeefs trachtten gerust
te stellen. Toen wij ongeveer tweehonderd pas gedaan hadden, steeds
hoeken omslaande en naar beneden loopende, traden wij een soort van
stal binnen, verlicht door twee aan het gewelf hangende lampen. Er
lag een goede voorraad stroo en verscheidene tonnen gierst. Twintig
paarden zouden hier best gestald kunnen worden, maar er waren slechts
de twee paarden die wij medebrachten. Een oude neger, die er intusschen
nog tamelijk krachtig uitzag, bond ze vast aan de ruif.
Wij verlieten daarop den stal en gingen naar een keuken, bijgelicht
op onzen weg door eenige lampen, die juist genoeg licht gaven om
het lugubere van deze plaatsen te laten zien. Een oude vrouw was
bezig stukken vleesch waarschijnlijk bestemd voor het avondeten, in
pannen te bakken. De keuken was behangen met het gewone keukengerei en
dichtbij zag men een bergplaats ruim voorzien van allerlei voorraad. De
keukenmeid was even over de zestig en in haar jeugd zeker erg blond
geweest, want hoewel zij nu wit was, hadden hare haren toch nog eenige
nuancen van de vorige kleur behouden. Haar gelaat was olijfkleurig,
zij had een puntige opgewipte kin en erg invallende lippen; een groote
arendsneus boog zich tot op haar mond en hare oogen waren rood met
purperen glans.
"Hier brengen wij je een jongeling," zei een van de ruiters tot deze
schoone engel der duisternis en zich vervolgens tot mij wendende en
ziende dat ik geheel bleek en ontdaan was van schrik, zeide hij:
"Vriendje, je behoeft voor niets bang te zijn, er zal je geen
leed hoegenaamd geschieden. Wij hadden een knechtje noodig om onze
keukenmeid een beetje te helpen; wij hebben jou ontmoet en dat is een
buitenkansje voor je. Gij komt hier in de plaats van een jongen, die
voor veertien dagen gestorven is. Hij had een zeer zwak gestel, maar
gij lijkt flinker en zult niet zoo gauw sterven. Weliswaar zult gij
het daglicht niet meer zien, maar ter vergoeding daarvoor zal het je
hier aan niets ontbreken. Gij zult je leven slijten met Leonarda, die
een goede vrouw is en gij zult alles hebben wat je hartje begeert. Ik
zal je eens laten zien, dat je hier niet bij arme lui bent." Daarop
nam hij een fakkel en gebood mij hem te volgen.
Hij bracht mij naar een kelder, waarin ik een groote menigte
flesschen zag en aarden potten, alle goed gesloten en vol uitmuntenden
wijn. Vervolgens leidde hij mij door verschillende vertrekken. In
enkele ervan waren stukken linnen opgestapeld, in andere stukken zijde.
Verder zag ik heel veel goud en zilver en allerlei vaatwerk met
wapens erop. Daarna bracht hij mij in een groot vertrek, dat verlicht
werd door drie vensters van gedreven koper en dat toegang gaf tot
verschillende andere kamers. Hier deed mijn geleider mij opnieuw
allerlei vragen, hoe ik heette, waarom ik Oviédo verlaten had en meer
van dien aard en toen ik ze alle beantwoord had, zeide hij tot mij:
"Je bent een zondagskind, Gil Blas, dat je juist ons getroffen hebt,
nu je toch uit je vaderstad waart vertrokken om eene goede betrekking
te vinden. Ik heb het je al gezegd, gij zult hier een heerenleventje
leiden in weelde en overvloed. Gij zult rollen door het goud en
zilver. Bovendien zijt gij hier absoluut veilig, want dit hol is zóó
verborgen, dat de speurhonden van de politie het wel nooit zullen
ontdekken. Ik en mijn kameraden alleen kennen den toegang. Ik ben
kapitein Rolando en aanvoerder van de geheele bende; de man dien gij
bij mij hebt gezien, was een van de manschappen."