Van de verleiding waaraan de ezeldrijver onderweg was blootgesteld,
de gevolgen hiervan en hoe Gil Blas van Scylla in Charybdis viel.
Ik was niet alleen met den ezeldrijver; er waren twee kinderen van een
familie te Pennaflor, een kleine straatzanger en een jonge burgerman
van Astorga die met zijn vrouw, met wie hij juist te Verco getrouwd
was, huiswaarts keerde. Wij maakten al spoedig kennis met elkaar en in
minder dan geen tijd had ieder gezegd waar hij vandaan kwam en waar hij
heenging. De jonggehuwde vrouw was zoo zwart en zoo weinig mooi dat ik
er niet veel pleizier in had haar aan te kijken, maar haar jeugd en
haar molligheid maakten blijkbaar wel indruk op den ezeldrijver, die
besloot zijn best te doen om een wit voetje bij haar te krijgen. Den
geheelen dag peinsde hij over een gunstig plan daarvoor en tegen den
avond begon hij met de uitvoering ervan. Wij kwamen toen te Cacabelas,
waar hij ons terstond bij de eerste herberg deed afstappen. Deze
herberg lag buiten de stad en hij kende den waard als een bescheiden
en inschikkelijk man. Hij bezorgde ons een afzonderlijke kamer, waar
hij ons rustig het avondeten liet gebruiken. Aan het einde daarvan
kwam hij echter woedend binnenstormen, roepende: "Voor den duivel,
ik ben bestolen! Ik had honderd pistolen in een lederen zak en ik zal
ze terugvinden. Ik ga op staanden voet naar den rechtercommissaris
van deze wijk, die op dit punt geen scherts verstaat en die u allen
zoolang zal ondervragen totdat de schuldige bekend heeft en het geld
terug geeft!" Dit zeide hij op een zeer natuurlijk verontwaardigden
toon, ging het vertrek uit en liet ons stom van verbazing achter.
Wij dachten hier niet aan een list omdat wij elkander nog niet
voldoende kenden om voor elkaars eerlijkheid te kunnen instaan. Ik
verdacht den kleinen straatzanger van de misdaad en deze dacht
het waarschijnlijk van mij. Bovendien waren wij allemaal jeugdige
dwazen. Wij kenden geen van allen de formaliteiten, die in zulk een
geval in acht moeten worden genomen en wij geloofden dat wij allen
gearresteerd zouden worden. Bevreesd vluchtten wij dan ook de kamer
uit, sommigen de straat op, anderen den tuin in. Ieder zocht zijn
heil in de vlucht en de jonge man uit Astorga, al even bevreesd door
de gedachte aan het onderzoek, ging aan den haal zonder zich om zijne
vrouw te bekommeren, evenals eertijds Eneas. De drijver die, zooals ik
later vernam, hartstochtelijker van natuur was dan zijn beestjes, ging
hierop zijn goed bedachte list aan de jonggetrouwde vrouw vertellen,
zoodoende profiteerende van de hem gunstige gelegenheid. Deze
Asturische Lucretia, niet erg ingenomen met de boeventronie van haar
verleider, verzamelde al haar krachten, bood hardnekkig tegenstand en
begon luidkeels te schreeuwen. De patrouille, die toevallig dicht bij
de herberg was, waar overigens haar hulp wel meer ingeroepen werd,
ging naar binnen en vroeg naar de oorzaak van dat hulpgeschreeuw. De
waard, die in zijn keuken aan het zingen was en net deed of hij niets
hoorde, was gedwongen den commandant en zijn mannen naar de kamer te
brengen, waaruit de kreten kwamen. Juist op tijd, want de Asturische
kon niet langer tegenstand bieden. De commandant, een ruw man, zag
nauwelijks wat er gaande was, of hij gaf de verliefden drijver eenige
slagen met zijn hellebaard, hem daarbij uitscheldend in woorden,
die het schaamtegevoel zeker niet minder kwetsten dan de handeling
zelve, welke hem deze woorden in den mond legde. Maar dat was nog niet
alles, hij greep den schuldige en bracht hem voor den rechter tegelijk
met de aanklaagster, die, niettegenstaande haar gehavende kleeding,
zelve straf voor deze aanranding wilde gaan vragen. De rechter hoorde
haar aan en na haar nauwlettend te hebben gadegeslagen, oordeelde hij,
dat de beschuldigde geen genade kon erlangen. Hij deed hem op staanden
voet ontkleeden en in hare tegenwoordigheid geeselen; verder beval hij,
dat indien de man van de Asturische vrouw den volgenden morgen niet
terug zou zijn, twee boogschutters haar naar Astorga zouden brengen
op kosten van den beschuldigde.
Wat mij betreft, die misschien het bangst van allen was, ik liep het
veld in, over bouwlanden en door heidestruiken, sprong over greppels
en slooten, die op mijn weg lagen, en kwam eindelijk in een bosch
aan. Ik wilde me juist tusschen dicht struikgewas verbergen, toen
twee mannen te paard mij den weg versperden. "Werda", riepen zij en
daar ik door mijn schrik niet terstond kon antwoorden, kwamen zij
op mij toe, hielden me ieder een pistool voor en eischten, dat ik
zou zeggen wie ik was, waar ik vandaan kwam en wat ik in dit bosch
wilde doen, waarschuwende niets voor hen te verbergen. Op deze wijze
van ondervragen, die mij dezelfde scheen als het ondervragen van den
rechter, waarop de muilezeldrijver ons getracteerd had, antwoordde
ik, dat ik een jonge man was uit Oviédo en naar Salamanca reisde. Ik
vertelde hem verder aan welk een schrik men ons had blootgesteld en
dat ik uit vrees daarvoor op de vlucht was gegaan. Zij barstten in
lachen uit op het hooren van mijn verhaal, dat mijn onnoozelheid
duidelijk aan den dag legde en een van hen zei mij: "Wees gerust,
vriendje, kom met ons mee en vrees niets, we zullen je in veiligheid
brengen." Bij deze woorden deed hij mij achter op het paard stijgen
en wij drongen dieper het bosch in.
Ik wist niet, wat van deze ontmoeting te denken, doch stelde er
mij geen kwaad van voor. "Als deze lieden dieven waren," dacht ik
bij mijzelf, "zouden ze mij bestolen en misschien vermoord hebben,
't zullen dus een paar goede jongelieden zijn uit deze streek,
die medelijden met mij hebben en mij naar hun huis brengen." Ik
verkeerde niet lang in het onzekere, want na een tijdje gereden te
hebben, zonder dat er een woord gesproken werd, hielden we stil aan
den voet van een heuvel en stegen af. "Hier wonen wij nu," zei een
van de ruiters, maar hoe ik ook keek, ik zag nergens een huis of
hut of iets, dat op eene woning geleek. Intusschen opende een van de
mannen een houten valluik, dat bedekt was met kreupelhout en dat den
ingang van een lange onderaardsche, afdalende gang verborg. De paarden
gingen hier uit eigen beweging in, alsof zij eraan gewend waren. De
ruiters namen mij mee naar binnen en lieten het valluik door middel
van daartoe aangebrachte touwen neer en zoo zat de waardige neef van
oom Perez gevangen als een rat in een rattenval.