Wat er gebeurde op weg naar Pegnaflor, wat hij deed toen hij daar
aankwam en met wien hij soupeerde.
Daar was ik dus buiten Oviédo, op weg naar Pegnaflor, in het vrije
veld meester van mijzelven, van een slechten ezel en van veertig goede
dukaten, ongerekend eenige realen die ik van mijn zeer geachten oom
gestolen had. Het eerste wat ik deed, was mijn ezel zijn gang te
laten gaan, d. w. z. voetje voor voetje. Ik legde den teugel over
zijn hals en de dukaten uit mijn zak halend, begon ik ze in mijn
hoed te tellen en over te tellen. Ik was buiten mezelf van vreugde;
nooit had ik zooveel geld gezien; ik werd niet moe het te bekijken
en te bevoelen. Ik telde het misschien voor de twintigste maal, toen
eensklaps mijn ezel midden op den weg bleef stilstaan met de ooren
in den wind. Ik dacht dat iets hem aan het schrikken had gebracht, ik
keek wat dat zijn kon en zag op den weg een omgekeerden hoed liggen,
waarop een rozenkrans met dikke kralen lag, en hoorde tegelijkertijd
een huilerige stem roepen: "Edele heer, heb medelijden met een armen
kreupelen soldaat; werp als het u belieft een paar zilverstukken in
dien hoed, in de andere wereld zult ge er voor beloond worden." Ik
keek naar den kant waar de stem vandaan kwam en zag aan den voet van
een struik op een pas of twintig van mij af een soort soldaat, die op
twee gekruisde stokken het uiteinde van een musket liet rusten, dat
mij nog langer scheen dan een piek, en dat op mijn gelaat gericht was.
Op dit gezicht, dat mij deed beven voor het welzijn der kerk,
bleef ik staan, drukte mijn dukaten stevig tegen mijn borst, nam er
een paar realen van en terwijl ik den hoed, die bestemd was om de
aalmoezen van de bevreesde geloovigen in ontvangst te nemen, naderde,
wierp ik ze er één voor één in, om den soldaat duidelijk te toonen,
dat ik er erg royaal mee was. Hij was dan ook zeer voldaan over
mijn edelmoedigheid en gaf mij zooveel zegeningen als ik schoppen
gaf aan mijn muilezel om snel van hem af te komen. Het vervloekte
beest stoorde zich er echter niet aan en ging geen stap vlugger;
de langdurige gewoonte voetje voor voetje te gaan met mijn oom had
hem het galoppeeren geheel doen verleeren.
Ik beschouwde dit als een niet al te best voorteeken voor mijn reis,
want ik bedacht dat ik nog lang niet in Salamanca was en dat ik dus
nog wel slechtere ontmoetingen zou kunnen hebben. Het leek mij dan
ook zeer onvoorzichtig van mijn oom, dat hij mij niet onder de hoede
van een muilezeldrijver had gesteld. Hij had dit zeker moeten doen,
maar hij had bij zichzelf gedacht dat de reis hem minder zou kosten
als hij mij den muilezel gaf en hieraan had hij meer gedacht dan aan
het gevaar dat ik misschien op reis zou kunnen loopen. Ik besloot dan
ook als ik het geluk mocht hebben Pegnaflor te bereiken, mijn muilezel
daar te verkoopen en met een muilezeldrijver naar Astorga te gaan en
vandaar naar Salamanca. Hoewel ik nooit van Oviédo was weggeweest,
kende ik toch zeer goed de namen der steden die ik passeeren moest,
daar ik mij daarvan vóór mijn vertrek op de hoogte had gesteld.
Ik kwam goed en wel te Pegnaflor en hield stil voor een herberg, die er
nogal goed uitzag. Nauwelijks was ik afgestapt of de herbergier kwam
mij zeer netjes ontvangen, nam zelf mijn valies op zijn schouder en
bracht mij naar een kamer, terwijl een van de knechts intusschen mijn
muilezel op stal bracht. De herbergier, een zekere Andreas Corcuelo,
was de grootste kletskous van heel Asturie en vertelde even graag
zijn eigen zaken als hij begeerig was die van anderen te hooren. Hij
vertelde mij zonder de minste noodzakelijkheid dan ook al heel spoedig
dat hij lang als sergeant gediend had in dienst van den koning en
dat hij nu vijftien maanden den dienst had verlaten en getrouwd was
met een meisje uit Castropol, die er wel een beetje bazig uitzag,
doch uitstekend voor zijn zaak was. Verder vertelde hij mij nog een
menigte andere dingen, die mij in 't minst niet interesseerden en
vroeg mij daarna, meenende daartoe nu het volste recht te hebben,
vanwaar ik kwam, waar ik heenging en wie ik was.
Hierop moest ik nu punt voor punt antwoorden, omdat hij iedere
vraag zeer gewichtig deed. Hij vroeg mij zoo onderdanig zijne
nieuwsgierigheid te willen verontschuldigen, dat ik zijne
weetgierigheid wel moest tevreden stellen. Hierdoor geraakte ik in
een lang gesprek met hem, vertelde hem mijn plan om den muilezel te
verkoopen en waarom ik dat doen wilde. Ik vertelde hem, dat ik met een
muilezeldrijver verder wilde gaan, iets wat hij dadelijk zeer goed
keurde, mij er op wijzende aan hoeveel gevaren ik nog bloot stond
en mij allerlei vreeselijk treurige geschiedenissen van reizigers
verhalende. Ik dacht, dat er geen eind aan zijn vertellingen zou
komen, maar toch hield hij eindelijk op, mij zeggende, dat, als ik den
muilezel wilde verkoopen, hij een eerlijken paardenkooper kende, die
hem wel van mij zou willen koopen. Ik zeide hem, dat ik gaarne met dien
man kennis zou willen maken en hij ging hem terstond voor mij halen.
Hij kwam spoedig met den man terug, stelde hem aan mij voor en prees
vooral zeer zijn eerlijkheid. Wij gingen daarna met ons drieën naar
de binnenplaats en mijn muilezel werd voorgebracht. Men liet het dier
voor den paardenkooper op en neer draven en deze monsterde het beest
van top tot teen. Hij begon met er zeer veel slechts van te zeggen. Ik
moest toegeven, dat men er niet veel goeds van kon vertellen, maar
al ware hij van den paus geweest, dan zou hij er nog iets op hebben
aangemerkt. Hij verklaarde, dat hij alle mogelijke gebreken had, en
om mij beter te overtuigen bevestigde hij dit ook tegen den waard, die
ongetwijfeld er zijn goede redenen voor had het te beamen. "Wel", zei
daarop de paardenkooper, "hoeveel moet je voor dat beest hebben?" Na
den lof dien hij ervan had gezongen en na de bevestiging van Corcuela,
dien ik voor een eerlijk man en deskundige hield, zou ik geneigd
zijn geweest het dier voor niets te geven. Ik antwoordde daarom,
dat ik het geheel aan hem overliet, dat hij het beest dus maar
moest schatten en dat ik mij bij die schatting zou neerleggen. Hij
antwoordde daarop dat, als ik zijn geweten er bij haalde, ik hem in
zijn zwak tastte. Inplaats van echter den prijs te verhoogen tot tien
of twaalf pistolen, schaamde hij zich niet mij drie dukaten te bieden,
die ik zoo verheugd aannam alsof ik nog bij dien handel had gewonnen.
Na mij zoo voordeelig van den muilezel ontdaan te hebben, bracht
mijn waard mij bij een muilezeldrijver, die den volgenden dag naar
Astorga vertrok. Deze man vertelde mij, dat hij voor dag en dauw
ging vertrekken en dat hij zorg zou dragen mij te wekken. Wij werden
het over den prijs van den muilezel en mijn voedsel eens en toen
alles tusschen ons geregeld was, keerde ik terug naar de herberg met
Corcuelo, die mij onderweg de geschiedenis van dien ezeldrijver begon
te vertellen. Hij vertelde mij alles wat men in het stadje van dien
man wist. Hij begon mij al tamelijk te vervelen met zijn onbelangrijk
gepraat, toen gelukkig iemand hem in de rede kwam vallen. Deze man
was vrij goed gekleed en sprak zeer beschaafd. Ik liet die twee dus
samen achter en vervolgde mijn weg, zonder eraan te denken dat ik
het onderwerp van hun gesprek werd.
Zoodra ik in de herberg kwam, bestelde ik mijn avondeten en daar het
vastendag was, bracht men mij eieren. Terwijl men deze klaarmaakte,
begon ik een gesprek met de waardin, die ik tot nu toe niet gezien
had. Zij zag er nogal aardig uit en haar bewegingen waren zoo levendig,
dat ik uit mijzelf wel de gevolgtrekking kon maken, dat de herberg goed
beklant was, ook al had de waard mij dit niet gezegd. Toen de omelette
klaar was, ging ik alleen aan een tafel zitten. Nauwelijks had ik
het eerste hapje in den mond, of de waard kwam binnen, gevolgd door
den man die hem op straat had staande gehouden. Hij was als ruiter
gekleed, droeg een lang rapier en kon ongeveer dertig jaar zijn. Hij
kwam haastig op mij toeloopen en sprak mij aldus aan: "Mijn waarde heer
student, ik heb daareven gehoord, dat gij Gil Blas de Santillano zijt,
het sieraad van Oviédo en de ster der philosophie! Zijt gij waarlijk
die geleerde heldere geest, waarvan de roep zoo groot is hier in
het land? Gij moet weten," zoo richtte hij zich tot den waard en de
waardin, "welk een schat gij herbergt, gij ziet in dezen jongeling het
achtste wereldwonder." Vervolgens kwam hij naar mij toe, omhelsde mij
en riep uit: "Vergeef mij mijn vervoering, ik ben mij niet meer meester
door de vreugde, die gij mij door uw tegenwoordigheid veroorzaakt."
Ik kon hem niet terstond antwoorden, daar hij mij zoo vastgeklemd
hield, dat ik bijna niet kon ademen. Toen ik eindelijk mijn hoofd
vrij had, zei ik: "Ik dacht niet, mijnheer, dat mijn naam in Pegnaflor
bekend was."
"Hoe," antwoordde hij, "niet bekend? wij houden boek van alle
gewichtige personen twintig mijlen in het rond. Gij gaat hier door
voor een wonderkind en ik twijfel er geenszins aan, of Spanje zal
eens even trotsch op u zijn, als Griekenland op zijn wijzen." Deze
woorden werden gevolgd door een nieuwe omarming, die ik mij nog moest
getroosten op gevaar af het lot van Antëus te ondergaan. Als ik maar
wat meer ondervinding had gehad, zou ik niet het slachtoffer geworden
zijn van deze vertooning en van dezen overdreven lof. Ik zou dan
wel begrepen hebben, dat ik te doen had met een van die parasieten,
die men in alle steden aantreft en die zich bij iederen vreemdeling
weten in te dringen om op diens kosten hun buik te vullen; mijn jeugd
en mijn gestreelde ijdelheid deden mij echter anders oordeelen. Ik
beschouwde mijn vereerder als een hoogst eerlijk man en noodigde hem
uit het souper met mij te gebruiken.
"Met zeer veel genoegen," riep hij uit, "ik ben mijn goed gesternte
zoo dankbaar, dat het mij den beroemden Gil Blas de Santillano heeft
doen ontmoeten, dat ik natuurlijk zoolang mogelijk van mijn geluk
hoop te genieten. Ik heb weliswaar niet veel trek, maar zal mij toch
bij u neerzetten om u gezelschap te houden en ik zal dan een paar
stukjes eten om u een genoegen te doen."
Zoo sprekende ging mijn bewonderaar tegenover mij zitten, terwijl
men een bord voor hem op tafel plaatste. Allereerst wierp hij zich
op de omelet en dat met zulk een gulzigheid, alsof hij in geen drie
dagen een stukje had gegeten. Te oordeelen naar de wijze waarop hij
er mee omsprong, zag ik wel dat zij spoedig naar binnen gewerkt zou
zijn. Ik bestelde een tweede die zoo snel werd gemaakt, dat men hem
ons voorzette juist toen wij de eerste op hadden of beter gezegd
toen mijn overbuur met eten ophield. Hij werkte al even handig met
de tweede, doch vond toch nog tusschen het eten door den tijd mij
allerlei lof toe te zwaaien, wat mij erg trotsch op mijn persoontje
deed zijn. Intusschen dronk hij terdege, nu eens op mijne gezondheid
dan weer op de gezondheid van mijne ouders, die hij gelukkig prees
zulk een zoon te hebben. Tegelijkertijd schonk hij mijn glas dan vol
en noodigde mij uit met hem te klinken. Ik voldeed hieraan en goed
gebuid door zijn lof en den wijn, vroeg ik aan den waard of hij ons
geen visch kon bezorgen, daar de omelette bijna half op was. Corcuelo,
die zooals blijkt onder een hoedje speelde met den kwartjesvinder,
antwoordde mij: "Ik heb nog een heerlijke forel maar zij is zeer
duur en veel te lekker voor u."--"Wat noemt gij te lekker?" zeide
toen mijn vleier op verbaasden toon; "hoe komt ge daarbij. Niets is
te goed voor mijnheer Gil Blas de Santillano die ten volle verdient
als een vorst behandeld te worden".
Ik was zeer voldaan, dat hij de laatste woorden van den waard boos
opnam en hij voorkwam slechts mijn eigen aanmerking. Ik voelde mij
beleedigd en zei trotsch tot Corcuelo: "Breng ons uw forel en bekommer
je maar niet om de rest". De waard, die niets liever wilde, ging haar
klaarmaken en diende 'r spoedig op. Op het zien van dezen schotel zag
ik een innige vreugde blinken in de oogen van den parasiet, die mij
natuurlijk weer een groot genoegen wilde doen door op den visch aan
te vallen zooals hij het op de eieren had gedaan. Ten slotte moest hij
echter ophouden, daar hij tot aan zijn keel vol was. Na zijn genoegen
te hebben gegeten en gedronken, wilde hij eindelijk een einde maken
aan de comedie: "Mijnheer Gil Blas", zei hij opstaande van tafel, "ik
ben te zeer tevreden over uw goed onthaal om u niet voor mijn vertrek
een goeden raad te geven, dien gij naar 't mij schijnt wel noodig
hebt. Pas in het vervolg op voor loftuitingen en wantrouw personen
die gij niet kent. Gij zoudt nog anderen kunnen ontmoeten, die zich
evenals ik zouden willen vermaken ten koste van uwe lichtgeloovigheid,
en die de grap nog verder zouden kunnen drijven. Pas op, dat gij niet
hun slachtoffer wordt en denk niet dat gij het achtste wereldwonder
bent, al zeggen ze het nog zoo vaak."
Hierop lachte hij mij in mijn gezicht uit en ging heen.
Zooals licht te begrijpen valt, was ik zeer uit mijn humeur over
deze beetnemerij, meer dan ik ooit later door eenigen tegenspoed ben
geweest. Ik kon het mezelf maar niet vergeven, dat ik mij zoo leelijk
had laten beetnemen of beter gezegd dat mijn trots zoo vernederd
was. "Wat" riep ik uit, "de schurk heeft dus met mij gespeeld en
den waard eerst uitgehoord. Misschien ook verstaan zij elkaar in dit
opzicht. Arme Gil Blas, je moet sterven van schaamte dat ge jezelf zoo
leelijk hebt laten foppen en belachelijk maken. Zij gaan natuurlijk
hiervan een heel verhaal maken dat zeker tot Oviédo zal doordringen
en dat je daar ook in een mal daglicht zal plaatsen. Je ouders zullen
er spijt van hebben een dwaas zulke goede lessen te hebben gegeven:
inplaats van mij te vermanen niemand te bedriegen, hadden zij mij
liever moeten waarschuwen mijzelf niet te laten bedriegen." Heftig
bewogen door deze kwellende gedachten, verteerd van spijt, ging ik
naar mijn kamer en naar bed, maar ik kon niet slapen en nauwelijks
had ik den slaap gevat of de muilezeldrijver liet mij zeggen, dat hij
gereed was en slechts op mij wachtte om te vertrekken. Ik stond direct
op en terwijl ik mij kleedde, kwam Corcuelo met de rekening waarop de
forel vooral niet was vergeten; en niet alleen moest ik alles tot den
laatsten cent toe betalen wat hij mij vroeg, maar bovendien rakelde
hij het geval van den vorigen avond nog eens op toen ik hem voldaan
had. Na het souper betaald te hebben dat mij zoo slecht was bekomen,
ging ik met mijn valies naar den muilezeldrijver en wenschte den
oplichter, den waard en de herberg naar den duivel.