Baxter was bleek geworden, toen hij den brief las.
Hij reikte hem Marholm en zei:
„Die brutaliteit stijgt ten top. De kerel wil mij niet alleen zien,
maar spreken ook. Hij denkt zeker, mij ook nog te kunnen ontsnappen.
Wacht maar, kereltje! Ditmaal heb ik je zoo zeker als dat je reeds
achter de ijzeren tralies zit!”
Marholm antwoordde niets en schudde alleen eens heel bedenkelijk het
hoofd.
Daar er geen andere verbinding van uit Edinburg was, moest Baxter er
wel toe overgaan de aanwijzing te volgen, die Raffles hem had gegeven.
Op zijn verzoek waren de beambten mee naar Dalmally gegaan. Daar werd
het personeel nog met drie man verstrekt, zoodat Baxter nu het bevel
voerde over 15 man.
Om half negen des avonds kwam de expeditie aan de kleine rotspoort.
Baxter was de eerste, die de poort bereikte. Toen hij de hand op de
klink wilde leggen, ging de deur open en in de donkere opening
verscheen een stokoude, witharige man. Hij was gekleed in een wijden,
kaftanachtigen rok en een witte, wollige baard hing hem over de borst.
De oogen waren achter een grooten, blauwen bril verborgen.
Baxter, vroeg terstond:
„Waar is Raffles?”
De oude keek hem een oogenblik strak aan; toen zeide hij, zich op
vertrouwelijke wijze tot Baxter overbuigend:
„Lepels? Neen, ze maken geld.”
„Ik vraag, waar lord Lister is.”
„Ja”, knikte de oude vriendelijk, „het zijn beesten.”
„Wil je me voor den gek houden?” riep Baxter boos uit.
Nu waren Marholm en de overige beambten genaderd, die tot Baxter zei:
„Kalm, kalm, inspecteur. Ge hebt toch gelezen, dat de oude doof is.”
De oude had met ingespannen aandacht de woorden van Marholm’s lippen
gelezen en zei met een vriendelijken hoofdknik:
„Of het diefstal is? Natuurlijk is alles gestolen. Ga nu mee, heeren,
ik zal u geleiden.”
Toen alle beambten in de donkere gang waren, sloot de oude man de
straatdeur zorgvuldig. Baxter, Marholm en nog eenige beambten hadden
dadelijk eenige electrische zaklantaarns laten ontvlammen om vast te
stellen, waar ze waren en om zich, zoo noodig, bij een mogelijken
aanval te verdedigen.
Het was helder als de dag in de gang.
De oude scheen te gelooven, dat de beambten hem wilden bijlichten en
met een piepstem zei hij:
„Dank u wel, heeren, dank u vriendelijk. Ik zie al genoeg.”
Langzaam op een stok geleund, ging de grijsaard op weg.
Baxter zou in zijn ongeduld graag zoo vlug mogelijk zijn
vooruitgeloopen maar de grijsaard strompelde slechts met kleine pasjes
voorwaarts, zoodat Baxter zijn ongeduld moest beheerschen.
Geluidloos trok de kleine groep door verscheiden gangen verder.
Voor een zware, met ijzer beslagen deur bleef de oude staan en zei z’n
stem tot fluisteren latende dalen:
„Gaat nu naar beneden, heeren, heel zachtjes, heel zachtjes.”
Hij opende de deur en de beambten zagen een smalle wenteltrap, die in
de rotsen uitgehouwen, in een gruwelijke diepte voerde.
De zenuwen der beambten waren tot op het uiterste gespannen. Ieder had
zijn brandende electrische zaklantaarn in den gordel hangen, den
politiestok in de rechterhand, in de linker het geladen pistool. Zoo
trok de stoet, door den grijsaard geleid, naar de diepte.
Onwillekeurig telde ieder de treden, die men neerdaalde. Het waren er
235. Toen de trap was afgedaald bevond men zich in een kleine ruimte,
die echter groot genoeg was om plaats te bieden voor acht personen.
De grijsaard had herhaaldelijk den vinger op den mond gelegd, ten
teeken, dat niemand mocht spreken. Nu wees hij met stom gebaar voor een
deur in den rechterhoek van de kleine ruimte en duidde door teekens
aan, dat de beambten deze deur moesten openen.
Uit de daarachter gelegen ruimte hoorde men een stampend, steunend
geluid. Af en toe konden de luisterenden iets verstaan. Baxter, die den
oude steeds op den voet was gevolgd, beduidde door een teeken den
beambten, hoe zij zich moesten opstellen. Toen ging hij naar de deur,
legde zijn hand zwaar op de klink en stiet de deur, die niet gesloten
was, met één ruk open.
De beambten, die naast hem stonden, drongen terstond de ruimte binnen,
terwijl de achtersten zich haastten om te naderen.
Men zag hier een tamelijk groote, onderaardsche ruimte, die in de
rotsen was uitgehouden. In een haard die naar boven een rookuitgang
scheen te hebben, brandde een reusachtig vuur. Rondom stonden vele
machines en op de tafel allerlei vormen met metaal en daarnaast
stapeltjes gemunt goud en zilver.
Toen de politiemannen zoo plotseling binnendrongen, waren drie mannen
druk aan den arbeid. Door het stampen der machines hadden zij in het
eerste oogenblik het openen der deur niet gehoord.
De eerste, die het gevaar bemerkte, was de oude dienaar van lady Ethel,
John Webster, die juist een pan met gesmolten zilver van het vuur wilde
nemen.
„Verraad!” schreeuwde hij met luider stemme en terzelfdertijd gooide
hij een pan vol gloeiend metaal naar een der politiebeambten, die het
meest op den voorgrond waren gedrongen.
Hoogop spatte het metaal, dat de beenen van den ongelukkige trof, die
van pijn brulde als een dier en toen neerzonk.
In hetzelfde oogenblik, dat Webster deze daad verrichtte, had Baxter
zijn pistool afgedrukt en John stortte, midden in het hoofd getroffen,
ruggelings in het haardvuur.
Toen de andere beambten Websters daad zagen, weerklonk een schreeuw van
woede. In een oogenblik hadden zij zich op de andere valsche munters
gestort en deze gebonden.
Websters lijk was van den haard gegleden. Zijn kleeren hadden vuur
gevat. Een deel der beambten was bezig, den beginnenden brand te
blusschen, die voor allen gewisse dood beteekende.
De grijsaard, die de politiemannen zoo zeker had geleid, ging nu naar
Baxter en vroeg:
„Is deze brief voor u, waarde heer? Zijt gij mr. Baxter?”
Baxter knikte, nam een brief uit de hand van den oude en deed dezen
open.
Hij las de volgende regels:
Heer politie-inspecteur!
Ik heb mijn woord gehouden. Ge hebt het hol met de valsche munters
gevonden en bovendien heb ik het genoegen gesmaakt u te kunnen
zien, en spreken, want ik zelf heb u geleid.