Baxter’s gelaat werd vertrokken van machtelooze woede. De schellen
vielen van zijn oogen. Nu wist hij, wie de oude, doove dienaar was
geweest. Hij keek naar hem om—de oude was verdwenen.
Daar zag hij plotseling, vlak naast den haard, een kleine deur open
staan, die hij tevoren niet had gezien. Hij begreep dadelijk, dat
Raffles hierdoor verdwenen was. Met een enkelen sprong was hij
verdwenen. Hij zag, dat de deur naar een lage gang voerde.
Kort besloten beval hij:
„Vijf man blijven hier voor de gewonden, de gevangenen en om den brand
te blusschen, de anderen volgen mij!”
In groote haast werd zijn bevel opgevolgd.
Zonder om te zien, ging Baxter voorwaarts in de gang, die, zooals wij
uit het eerste avontuur van Raffles weten, zich verderop in tweeën
vertakte.
Na enkele ogenblikken stond Baxter aan het kruispunt.
Waar moest hij nu heen?
Intusschen waren de andere beambten hem gevolgd. Hij besloot, dat de
helft den weg moest volgen, die naar de rotsholte voerde, waarin
Raffles door den verdrinkingsdood was bedreigd.
Baxter zelf volgde met eenige andere beambten de gang, die naar het
graf op het kerkhof te Inverary voerde.
Daar deze gang zeer steil was, konden de beambten slechts langzaam
voorwaarts gaan. Ongeveer duizend schreden verder struikelde Baxter
plotseling over een hinderpaal. Toen de beambten met hun electrische
zaklantaarns bijlichtten, zagen zij Baxter languit op den grond liggen.
Onder hem lag, zooals het scheen, een oude man. Met beide handen greep
Baxter naar het hoofd om dit op te richten, maar hij hield slechts het
witte haar in de hand, een grijze pruik, een valschen baard en een
leege jas.
Met een schreeuw van woede slingerde Baxter de pruik in den hoek.
„Alweer ontsnapt!” klonk van zijn lippen.
Marholm, die hem op den voet gevolgd was, kon niet nalaten in een
schaterlach uit te barsten.
Maar inspecteur Baxter liet zich niet ontmoedigen. Vlug sprong hij op
en snelde verder de gang door.
De beambten volgden hem en weldra was het einde van de gang bereikt.
Maar daar stonden de vervolgers voor nieuwe hinderpalen.
Hoe vlug Raffles ook met zijn vriend Charly was weggevlucht, had hij
toch niet verzuimd den uitgang van de geheime gang naar het familiegraf
stevig af te sluiten.
Op zeker oogenblik wisten de beambten dan ook niet, waar ze heen
moesten.
Radeloos stonden allen voor den muur en belichtten de vochtige steenen
met hun lantaarns en fakkels.
„De schurk kan toch niet van de aarde zijn verdwenen,” beweerde Baxter,
„hier moet dus ergens een uitweg zijn.”
„Zou Raffles ons niet in een val hebben gelokt en langs een anderen
uitweg zijn verdwenen?” vroeg Marholm.
Woedend wendde Baxter zich tot hem. Zijn oogen schoten vonken.
De beambten gingen nu overal zoeken en met hun lantaarns lichtten zij
de muren af. Ten slotte ging Baxter plat op den grond liggen en klopte
overal tegen den muur.
Zijn pogingen werden ten slotte met goed gevolg bekroond, maar daar de
inspecteur te groote kracht had aangewend, suisde niet alleen de groote
steen met kracht naar beneden, maar ook de inspecteur gleed door het
gat.
Hij stiet een luiden kreet uit en trachtte zich met de handen vast te
houden. Dit gelukte hem echter niet en met een luiden smak sloeg zijn
lichaam neer op de doodkist.
Het hout kon dien stoot niet weerstaan en barstte krakend uit elkander.
Baxter was niet zoo heel gauw bang, maar toen hij de doodkist uit
elkaar zag splinteren, schreeuwde hij het toch uit, want hij dacht op
een lijk te liggen.
Groot was daarom zijn verbazing, toen er geen menschelijke beenderen,
zooals hij dat verwacht had, maar glinsterende gouden en zilveren
munten door de ruimte vlogen.
Snel was hij van zijn verbazing bekomen en had hij zich weer opgericht
uit zijn benarde positie. Hij riep den anderen beambten toe, hem zoodra
mogelijk te volgen.
Dat ging goed tot dat de dikke Marholm aan de beurt kwam. Deze kwam
nauwelijks met zijn beenen door de opening, maar zijn dikke buik kon
niet door de opening.
Zoo bleef er niets over dan dat de kameraden met veel inspanning het
zware lichaam weer naar boven schoven.
„En zoo iemand wil detective zijn!” bromde Baxter, „ik heb wel altijd
gezegd, dat de man onbruikbaar is.”
Al spoedig echter bleek, dat Marholm dit verstand rijkelijk bezat, wat
hem ontbrak aan lichamelijke geschiktheid. Hij ontdekte de geheime
inrichting van den uitgang en nu ging de groote steen los, die
feitelijk als toegang diende.
Baxter hield zich niet lang bezig met het onderzoeken van de
geheimzinnige doodkist, maar spoedde zich naar de stad.
Het duurde niet lang of de politiemannen wisten, dat de gezochte
logeerde in het hotel „De Koningin van Schotland”. Men spoedde zich
terstond daarheen, maar moest daar vernemen, dat de Groote Onbekende
reeds met zijn geleider vertrokken was.
Baxter telegrafeerde terstond naar het spoorwegstation van Oban.
Vele uren van angstige spanning volgden thans voor den inspecteur en
ten slotte kwam uit Oban het bericht, dat men den gezochte niet had
gevonden.
Al kon Baxter ook tot zijn groote teleurstelling den gentleman-dief
niet vatten, toch troostte hem de lof der Engelsche pers, dat het hem
gelukt was, zoo spoedig de bende valsche munters te arresteeren.
Uit het verhoor der beide overlevende valsche munters bleek dat lady
Ethel, die door haar spoedigen dood de aardsche straf was ontgaan, de
beschermster was geweest van een internationale bende dieven en valsche
munters.
En tevens bleek, dat lady Mabel, de echtgenoote van lord Arthur, alles
had geweten van het werken van haar schoonmoeder en deze zelfs in haar
misdadige onderneming had gesteund.
De vrouwen hadden zich in de ontoegankelijke rotsholte veilig gewaand;
toen het onheil zoo snel naderde, werd de mooie Mabel aangegrepen door
grenzelooze vertwijfeling. Lady Ethel had het tijdelijke met het
eeuwige verwisseld.
Met haar echtgenoot leefde Mabel als steeds in onmin, daar het nobele,
oprechte karakter van lord Arthur in lijnrechten strijd was met het
wraakzuchtige gemoed van zijn vrouw.
Wien moest zij dus om raad en daad vragen?
Zij wist, dat haar het tuchthuis wachtte en die schande wilde zij niet
overleven.
Zij greep dus naar het laatste middel, dat haar overbleef en
vergiftigde zich.—
Lord Lister was natuurlijk niet naar Londen teruggekeerd, daar hij de
vervolgingen der politie vreesde. Hij zond van uit Leith (havenplaats
van Edinburg) aan den echten Harry Danby een brief met alle documenten
en een groote geldsom en deelde daarin mede, dat hij van plan was, voor
eenigen tijd uit Engeland te verdwijnen.
Harry had nog steeds getwijfeld aan de goede gevolgen der onderneming
en hij kon dan ook ternauwernood zijn oogen gelooven, toen hij
tenslotte de documenten in handen hield, die hem zijn goeden, eerlijken
naam teruggaven niet alleen, maar die hem ook maakten tot een rijk
erfgenaam.
Tranen van vreugde rolden den armen, zwaarbeproefden jongen langs de
wangen en in oprechte dankbaarheid dacht hij steeds aan lord Lister,
die op zoo onbaatzuchtige, edelmoedige wijze voor de zooveelste maal
een verworpeling der maatschappij, een schandelijk miskend en
onschuldig persoon wederom in zijn rechten had doen treden, waarop hij
door geboorte de volle aanspraak had.
En daar Harry thans kon bewijzen, dat de smet, de blaam, die vele
tientallen van jaren op hem had gekleefd en zijn leven had vergald, ten
onrechte op hem gerust had, maakte hij zich zoodra mogelijk op naar
Eaglestone.
Arthur ontving zijn stiefbroeder met open armen. Deze ongelukkige man
was in korten tijd van bloeiend, levenskrachtig mensch tot gebogen
grijsaard bijna geworden, want loodzwaar drukte op hem het onrecht
gepleegd door zijn moeder en vrouw.
Hij geloofde, die vreeselijke schande niet te kunnen overleven en greep
in wanhoop naar de revolver.
Gelukkig kwam Harry nog tijdig genoeg tusschenbeiden om de volvoering
van dit vreeselijke plan te kunnen beletten.
Hij had buiten, in de groote, wijde wereld wel ervaren, dat de
zoogenaamde „eer” niet wordt behouden, doordat men achteloos met het
leven speelt, waarin nog zooveel is goed te maken.
En door langdurige redeneering wist hij ook Arthur tot deze
levensbeschouwing over te halen.
Door het groote proces, dat tegen de valsche munters was gevoerd, was
het den broeders onmogelijk geworden, in Engeland te blijven.
Arthur sloot zich gaarne aan bij Harry en toen deze voorstelde om naar
Australië te vertrekken en daar een groote boerderij te vestigen,
volgde hij hem met dankbaarheid.
De vele kennis, die Harry had opgedaan in den moeilijksten tijd van
zijn leven, toen hij te kampen had gehad met zorgen, zou den broeders
in het verre werelddeel van zeer veel nut zijn.
Arthur had alle allures van edelman heel spoedig afgelegd en was,
eveneens zijn stiefbroeder, een echte boer geworden
Toen het den broeders gelukt was, het kasteel Eaglestone te verkoopen
voor goeden prijs, werd het geld besteed ter vergrooting der boerderij.
Zoozeer Harry vroeger door het ongeluk was achtervolgd, zoo rijkelijk
bloeide thans het geluk voor hem op. Het was, alsof een zware berg van
hem was gewenteld, die vroeger als ’t ware al zijn werkkracht had
verlamd.
Ook voor Arthur verdween mettertijd de herinnering aan de zware slagen,
die hem eens waren toegebracht door moeder en echtgenoote. Hij wijdde
zich geheel en al aan zijn beroep. Den adellijken naam evenals den
titel had hij afgelegd en, als zijn broeder, noemde hij zich eenvoudig
Arthur Leyden.
De boerderij bloeide prachtig en de producten van de bezittingen der
gebroeders Leyden worden thans op de wereldmarkt op hooge waarde
geschat.