JOHN C. RAFFLES.

Baxter’s gelaat werd vertrokken van machtelooze woede. De schellen

vielen van zijn oogen. Nu wist hij, wie de oude, doove dienaar was

geweest. Hij keek naar hem om—de oude was verdwenen.

Daar zag hij plotseling, vlak naast den haard, een kleine deur open

staan, die hij tevoren niet had gezien. Hij begreep dadelijk, dat

Raffles hierdoor verdwenen was. Met een enkelen sprong was hij

verdwenen. Hij zag, dat de deur naar een lage gang voerde.

Kort besloten beval hij:

„Vijf man blijven hier voor de gewonden, de gevangenen en om den brand

te blusschen, de anderen volgen mij!”

In groote haast werd zijn bevel opgevolgd.

Zonder om te zien, ging Baxter voorwaarts in de gang, die, zooals wij

uit het eerste avontuur van Raffles weten, zich verderop in tweeën

vertakte.

Na enkele ogenblikken stond Baxter aan het kruispunt.

Waar moest hij nu heen?

Intusschen waren de andere beambten hem gevolgd. Hij besloot, dat de

helft den weg moest volgen, die naar de rotsholte voerde, waarin

Raffles door den verdrinkingsdood was bedreigd.

Baxter zelf volgde met eenige andere beambten de gang, die naar het

graf op het kerkhof te Inverary voerde.

Daar deze gang zeer steil was, konden de beambten slechts langzaam

voorwaarts gaan. Ongeveer duizend schreden verder struikelde Baxter

plotseling over een hinderpaal. Toen de beambten met hun electrische

zaklantaarns bijlichtten, zagen zij Baxter languit op den grond liggen.

Onder hem lag, zooals het scheen, een oude man. Met beide handen greep

Baxter naar het hoofd om dit op te richten, maar hij hield slechts het

witte haar in de hand, een grijze pruik, een valschen baard en een

leege jas.

Met een schreeuw van woede slingerde Baxter de pruik in den hoek.

„Alweer ontsnapt!” klonk van zijn lippen.

Marholm, die hem op den voet gevolgd was, kon niet nalaten in een

schaterlach uit te barsten.

Maar inspecteur Baxter liet zich niet ontmoedigen. Vlug sprong hij op

en snelde verder de gang door.

De beambten volgden hem en weldra was het einde van de gang bereikt.

Maar daar stonden de vervolgers voor nieuwe hinderpalen.

Hoe vlug Raffles ook met zijn vriend Charly was weggevlucht, had hij

toch niet verzuimd den uitgang van de geheime gang naar het familiegraf

stevig af te sluiten.

Op zeker oogenblik wisten de beambten dan ook niet, waar ze heen

moesten.

Radeloos stonden allen voor den muur en belichtten de vochtige steenen

met hun lantaarns en fakkels.

„De schurk kan toch niet van de aarde zijn verdwenen,” beweerde Baxter,

„hier moet dus ergens een uitweg zijn.”

„Zou Raffles ons niet in een val hebben gelokt en langs een anderen

uitweg zijn verdwenen?” vroeg Marholm.

Woedend wendde Baxter zich tot hem. Zijn oogen schoten vonken.

De beambten gingen nu overal zoeken en met hun lantaarns lichtten zij

de muren af. Ten slotte ging Baxter plat op den grond liggen en klopte

overal tegen den muur.

Zijn pogingen werden ten slotte met goed gevolg bekroond, maar daar de

inspecteur te groote kracht had aangewend, suisde niet alleen de groote

steen met kracht naar beneden, maar ook de inspecteur gleed door het

gat.

Hij stiet een luiden kreet uit en trachtte zich met de handen vast te

houden. Dit gelukte hem echter niet en met een luiden smak sloeg zijn

lichaam neer op de doodkist.

Het hout kon dien stoot niet weerstaan en barstte krakend uit elkander.

Baxter was niet zoo heel gauw bang, maar toen hij de doodkist uit

elkaar zag splinteren, schreeuwde hij het toch uit, want hij dacht op

een lijk te liggen.

Groot was daarom zijn verbazing, toen er geen menschelijke beenderen,

zooals hij dat verwacht had, maar glinsterende gouden en zilveren

munten door de ruimte vlogen.

Snel was hij van zijn verbazing bekomen en had hij zich weer opgericht

uit zijn benarde positie. Hij riep den anderen beambten toe, hem zoodra

mogelijk te volgen.

Dat ging goed tot dat de dikke Marholm aan de beurt kwam. Deze kwam

nauwelijks met zijn beenen door de opening, maar zijn dikke buik kon

niet door de opening.

Zoo bleef er niets over dan dat de kameraden met veel inspanning het

zware lichaam weer naar boven schoven.

„En zoo iemand wil detective zijn!” bromde Baxter, „ik heb wel altijd

gezegd, dat de man onbruikbaar is.”

Al spoedig echter bleek, dat Marholm dit verstand rijkelijk bezat, wat

hem ontbrak aan lichamelijke geschiktheid. Hij ontdekte de geheime

inrichting van den uitgang en nu ging de groote steen los, die

feitelijk als toegang diende.

Baxter hield zich niet lang bezig met het onderzoeken van de

geheimzinnige doodkist, maar spoedde zich naar de stad.

Het duurde niet lang of de politiemannen wisten, dat de gezochte

logeerde in het hotel „De Koningin van Schotland”. Men spoedde zich

terstond daarheen, maar moest daar vernemen, dat de Groote Onbekende

reeds met zijn geleider vertrokken was.

Baxter telegrafeerde terstond naar het spoorwegstation van Oban.

Vele uren van angstige spanning volgden thans voor den inspecteur en

ten slotte kwam uit Oban het bericht, dat men den gezochte niet had

gevonden.

Al kon Baxter ook tot zijn groote teleurstelling den gentleman-dief

niet vatten, toch troostte hem de lof der Engelsche pers, dat het hem

gelukt was, zoo spoedig de bende valsche munters te arresteeren.

Uit het verhoor der beide overlevende valsche munters bleek dat lady

Ethel, die door haar spoedigen dood de aardsche straf was ontgaan, de

beschermster was geweest van een internationale bende dieven en valsche

munters.

En tevens bleek, dat lady Mabel, de echtgenoote van lord Arthur, alles

had geweten van het werken van haar schoonmoeder en deze zelfs in haar

misdadige onderneming had gesteund.

De vrouwen hadden zich in de ontoegankelijke rotsholte veilig gewaand;

toen het onheil zoo snel naderde, werd de mooie Mabel aangegrepen door

grenzelooze vertwijfeling. Lady Ethel had het tijdelijke met het

eeuwige verwisseld.

Met haar echtgenoot leefde Mabel als steeds in onmin, daar het nobele,

oprechte karakter van lord Arthur in lijnrechten strijd was met het

wraakzuchtige gemoed van zijn vrouw.

Wien moest zij dus om raad en daad vragen?

Zij wist, dat haar het tuchthuis wachtte en die schande wilde zij niet

overleven.

Zij greep dus naar het laatste middel, dat haar overbleef en

vergiftigde zich.—

Lord Lister was natuurlijk niet naar Londen teruggekeerd, daar hij de

vervolgingen der politie vreesde. Hij zond van uit Leith (havenplaats

van Edinburg) aan den echten Harry Danby een brief met alle documenten

en een groote geldsom en deelde daarin mede, dat hij van plan was, voor

eenigen tijd uit Engeland te verdwijnen.

Harry had nog steeds getwijfeld aan de goede gevolgen der onderneming

en hij kon dan ook ternauwernood zijn oogen gelooven, toen hij

tenslotte de documenten in handen hield, die hem zijn goeden, eerlijken

naam teruggaven niet alleen, maar die hem ook maakten tot een rijk

erfgenaam.

Tranen van vreugde rolden den armen, zwaarbeproefden jongen langs de

wangen en in oprechte dankbaarheid dacht hij steeds aan lord Lister,

die op zoo onbaatzuchtige, edelmoedige wijze voor de zooveelste maal

een verworpeling der maatschappij, een schandelijk miskend en

onschuldig persoon wederom in zijn rechten had doen treden, waarop hij

door geboorte de volle aanspraak had.

En daar Harry thans kon bewijzen, dat de smet, de blaam, die vele

tientallen van jaren op hem had gekleefd en zijn leven had vergald, ten

onrechte op hem gerust had, maakte hij zich zoodra mogelijk op naar

Eaglestone.

Arthur ontving zijn stiefbroeder met open armen. Deze ongelukkige man

was in korten tijd van bloeiend, levenskrachtig mensch tot gebogen

grijsaard bijna geworden, want loodzwaar drukte op hem het onrecht

gepleegd door zijn moeder en vrouw.

Hij geloofde, die vreeselijke schande niet te kunnen overleven en greep

in wanhoop naar de revolver.

Gelukkig kwam Harry nog tijdig genoeg tusschenbeiden om de volvoering

van dit vreeselijke plan te kunnen beletten.

Hij had buiten, in de groote, wijde wereld wel ervaren, dat de

zoogenaamde „eer” niet wordt behouden, doordat men achteloos met het

leven speelt, waarin nog zooveel is goed te maken.

En door langdurige redeneering wist hij ook Arthur tot deze

levensbeschouwing over te halen.

Door het groote proces, dat tegen de valsche munters was gevoerd, was

het den broeders onmogelijk geworden, in Engeland te blijven.

Arthur sloot zich gaarne aan bij Harry en toen deze voorstelde om naar

Australië te vertrekken en daar een groote boerderij te vestigen,

volgde hij hem met dankbaarheid.

De vele kennis, die Harry had opgedaan in den moeilijksten tijd van

zijn leven, toen hij te kampen had gehad met zorgen, zou den broeders

in het verre werelddeel van zeer veel nut zijn.

Arthur had alle allures van edelman heel spoedig afgelegd en was,

eveneens zijn stiefbroeder, een echte boer geworden

Toen het den broeders gelukt was, het kasteel Eaglestone te verkoopen

voor goeden prijs, werd het geld besteed ter vergrooting der boerderij.

Zoozeer Harry vroeger door het ongeluk was achtervolgd, zoo rijkelijk

bloeide thans het geluk voor hem op. Het was, alsof een zware berg van

hem was gewenteld, die vroeger als ’t ware al zijn werkkracht had

verlamd.

Ook voor Arthur verdween mettertijd de herinnering aan de zware slagen,

die hem eens waren toegebracht door moeder en echtgenoote. Hij wijdde

zich geheel en al aan zijn beroep. Den adellijken naam evenals den

titel had hij afgelegd en, als zijn broeder, noemde hij zich eenvoudig

Arthur Leyden.

De boerderij bloeide prachtig en de producten van de bezittingen der

gebroeders Leyden worden thans op de wereldmarkt op hooge waarde

geschat.

Lord Lister No. 0019: De erfenis van Eaglestone · 第 23 / 23 题