Inspecteur Baxter had van zijn chef in Londen verlof gekregen om naar
Edinburg te reizen, teneinde de valsche munters op het spoor te komen
en zoo mogelijk den onvindbaren Raffles bij deze gelegenheid te pakken
te krijgen.
Detective Marholm, met wien Baxter in de meeste gevallen samenwerkte,
was hem als hulp meegegeven.
Het politiebureau van Scotland Yard had zich in verbinding gesteld met
de chefs van politie in Edinburg door middel van uitvoerige telegrammen
en deze stelde een inspecteur en tien agenten ter beschikking, zoodat
Baxter twaalf man tot zijn dienst had.
De groote Engelsche en Schotsche couranten, vooral echter de Londensche
bladen, meldden in lange berichten, dat de beroemde inspecteur Baxter
bezig was, de groote bende valsche munters te ontmaskeren.
Onomstootelijke bewijzen omtrent de herkomst van het valsche geld waren
in handen der politie.
Het was Baxter ook reeds gelukt, door zijn groote slimheid vast te
stellen, dat de valsche munters niet in Londen te vinden waren. Nadere
mededeelingen werden echter nog geheim gehouden. De geheele pers was
het er echter over eens, dat Baxter de grootste lof toekwam.
Hoewel de inspecteur wist, dat deze lof hem eigenlijk niet toekwam, was
hij toch niet weinig trotsch, weer het middelpunt van de algemeene
belangstelling te zijn.
Op de gemeenschappelijke reis der beide beambten naar Edinburg sprak
Marholm herhaaldelijk als zijn meening uit, dat de reis doelloos zou
zijn. Hij bleef bij zijn eenmaal opgevatte meening, dat zij hoewel hun
bekend was, uit welke streek de valsche munters kwamen, niets zouden
vinden, als Raffles zijn woord niet hield en hun verder den weg wees.
Baxter daarentegen was er vast van overtuigd, dat het hem met zijn
groote scherpzinnigheid wel moest gelukken, het goede spoor te vinden.
Voor de woorden van Marholm had hij slechts een minachtend
schouderophalen over.
„Beste Marholm, ik ben ervan overtuigd, dat wij binnen de 24 uur de
bende in handen hebben.
„En even zeker ben ik ervan, dat deze schurk Raffles mij niet weer zal
ontsnappen. De kerel behoort zeker zelf tot de valsche munters en wij
zullen hem met het geheele gezelschap pakken. Dacht je werkelijk, dat
ik zoo dom was, te zullen wachten totdat hij zich eerst in veiligheid
heeft gebracht?”
„Ik geloof niet dat Raffles iets te maken heeft met de valsche
munters.”
„Maar wat is er dan? Welke nieuwe streek haalt hij dan weer uit?”
„Mr. Baxter, ik geloof, dat ge veel te verwoed zijt tegenover Raffles,
omdat hij tot nog toe door uw vingers is geglipt.”
Opgewonden viel Baxter hem in de rede:
„En uw voorliefde voor den „genialen dief,” zooals ge hem noemt, heeft
je al heelemaal verblind!”
„Wind u toch niet zoo op, inspecteur. Bedenk toch, dat John Raffles bij
al z’n streken steeds de gentleman is gebleven. Hij heeft nog nooit een
gemeene streek uitgehaald. Hij heeft alleen steeds andere boeven
gestraft en het grootste deel van dat, wat hij dien lieden afhandig
maakte, aan armen en behoeftigen besteed. Raffles zal nooit een valsche
munter worden. Hij begaat slechts misdaden om anderen te wreken en de
armen te helpen; hij is op en d’op een gentleman”.
„Je bent gek,” bromde Baxter en hij ging in een hoek zitten.
Al spoedig echter zou Baxter bespeuren, dat Marholm gelijk had. Hij
trachtte in Edinburg iets te ontdekken, maar alle moeite was
tevergeefsch.
Alle spelonken en holen werden afgezocht; alle postkantoren werden
streng bewaakt, daar men meende, op deze manier den man te kunnen
arresteeren, die den brief, aan Baxter geadresseerd, zou bezorgen.
Maar alles bleef zonder eenig resultaat.
De opwinding van Baxter had het toppunt bereikt.
Zoodra hij in Marholms buurt kwam, werd hij zenuwachtig, want het kwam
hem voor, dat diens gelaat voortdurend een spotachtigen trek vertoonde.
Daar alle nasporingen tevergeefsch waren, besloot Baxter den namiddag
van den derden dag onafgebroken op het station te blijven.
Het werd al later en later. De door Raffles aangekondigde brief kwam
niet. In zenuwachtige onrust keek Baxter rond. Marholm zat behaaglijk
in een stoel aan het venster en keek de straat langs.
Telkens als Baxter langs Marholm liep, trof dezen een blik vol woede.
Baxter was inderdaad boos op Marholm, omdat deze daar zoo kalm zat,
alsof de heele zaak hem niets aanging, terwijl hij zelf bijna berstte
van innerlijke woede.
Eindelijk kon hij zich niet langer inhouden en zei:
„Ik begrijp niet, hoe iemand zoo onverschillig kan zijn.”
Glimlachend wendde zich Marholm tot hem en antwoordde:
„Maar beste vriend, waarvoor zou ik me zoo opwinden? Raffles zal ons
den rechten weg wel wijzen, zoo gauw als de tijd daarvoor is gekomen.”
„Je schijnt niet te weten, dat het al elf uur in den avond is en dat er
nog steeds geen boodschap is gekomen. De schurk heeft ons voor den mal
gehouden en mij haar Schotland gelokt. Wie weet, wat er intusschen in
Londen gebeurt. Hij is bang voor mij en wilde mij daarom uit de stad
weg hebben.”
Marholm glimlachte boosaardig.
„Wel, Baxter, eerlijk gezegd heb ik nooit iets gemerkt van eenige vrees
van Raffles voor u. Vertrouw er echter gerust op, dat wij bericht
hebben, voordat de derde dag is verstreken. De man is edelman en houdt
zijn woord zeker.”
Baxter wilde opnieuw opstuiven, toen een beambte binnentrad en den
inspecteur een brief overhandigde.
Deze brief was met den juist binnengeloopen laatsten trein uit Oban
aangekomen en toonde het poststempel van Inverary, de hoofdstad van het
graafschap Argyll.
„Ziet ge, Baxter, dat ik gelijk heb,” riep Marholm goedmoedig lachend
uit.
De inspecteur antwoordde niets.
Hij opende den brief en las:
Mijn waarde Heer Baxter!
Het spijt mij dat ge, naar ik gehoord heb u zooveel onnoodige
moeite heb veroorzaakt. Ik had u toch geschreven, dat ge voor het
einde van den derden dag niets zoudt hooren!
Dezen brief zend ik met den laatsten trein uit Oban. Dit is noodig,
omdat ge anders in uw overgrooten ijver hier eerder zoudt
verschijnen, dan ik u kan veroorloven, daar ge eerst morgenochtend
om acht uur ter plaatse kunt zijn.
Neem den eersten trein uit Edinburg en rijd tot Dalmally. Vandaar
met een extra postkar door het gebergte, totdat ge aan den
straatweg komt, die van den Branderpas bijna rechtaan loopt op het
kasteel Eaglestone. Aan de kleine poort van het kasteel zal een
oude, doove dienaar op u wachten, die u naar het hol van de valsche
munters zal brengen. Neem een flink getal beambten mee. Maak echter
vooral geen lawaai; daar dan niemand van uw mannen zijn leven zeker
is. De oude dienaar, die helaas, zooals gezegd, volkomen doof is,
zal u zeker geleiden.
Ik hoop, u morgenavond zelf te zien en te spreken en hoop door deze
aanwijzing op uw welwillendheid te kunnen rekenen.
Met verschuldigde hoogachting,