genoot Elsje al zooveel, als had zij uren gereden door de bekoorlijke
streek. Haar spraakzaamheid van zooeven was geheel verdwenen, maar al
bracht zij het niet onder woorden, Frits zag wel aan de glinsterende
oogen, waarmee zij om zich heen keek en aan de uitdrukking van vredig
geluk op haar gezicht, hoe zij genoot. Nu en dan haalde zij diep adem
en eens zelfs hoorde hij haar zacht neuriën bij zichzelf op een wijze,
alsof zij er zich nauwelijks van bewust was dat zij dit deed. Toen
het rijtuigje voor het hek der villa stilstond en zij grootmama onder
de veranda zag staan, ontwaakte zij uit haar mijmering en sprong zoo
vlug uit den _panier_ dat Frits uitriep: "Neen maar, wat een haast
heb je, Roodkapje!"
Ja, zij _had_ haast. Toen zij het lieve gezicht der oude dame zag,
sprong haar hart op van vreugde en was al hare kalmte weg.
"O grootmama, lieve grootmama!" zei ze, toen deze haar hartelijk
welkom heette en kuste.
"Ik ben er ook nog, grootmoedertje," zei Frits naderbij
komend. "Roodkapje was er wel toe over te halen om nu al bij u te
komen, zooals u ziet, maar u moet haar niet al te veel verwennen,
want dan wordt ze brutaal."
"Brutaal?" Elsje keerde zich snel om en herinnerde zich met schrik de
waarschuwingen harer tante. "Dat ben ik toch niet geweest?" vroeg ze.
"Wel neen, hoe heb ik het nu met je? Ik dacht juist dat je zoo goed
tegen plagen kondt," antwoordde Frits. "Zal ik maar naar mijn kamer
gaan, grootmama, en u verder de zorg voor deze jonge dame over laten?"
"Ja, dat is best. Ga jij dan maar met mij mee, kind, dan zal ik je
je slaapkamer wijzen. Vindt je het hier niet mooi?"
"Prachtig mooi!" zei Elsje op bijna eerbiedigen toon, terwijl ze
bewonderend keek naar het lieflijke uitzicht, dat men van uit de
veranda had naar alle kanten heen. Het huis lag aan den lommerrijken
straatweg, vlak tegenover de oprijlaan van een groot, ouderwetsch
kasteel, waarvan de puntige torentjes en hoekvensters tusschen het
donkere groen der linden te voorschijn kwamen. Aan den rechterkant
leidde een dennenlaan naar het heuvelachtige bosch en de heide en
aan den linkerkant lagen, tusschen het bouwland verspreid, enkele
boerderijen.
De oude dame liet Elsje stil genieten, terwijl deze met genot overal
rond keek en de geurige dennenlucht inademde. Grootmama zag met deernis
hoe teer en bleek zij er uitzag en nam zich vast voor alles te doen,
wat zij kon om haar verblijf hier gelukkig te maken.
"Kom kindje, nu moet je je goed eens gaan afdoen en je eens
wasschen. Wij eten om half zes, dus je hebt nog net den tijd om een
beetje uit te rusten. Wil je me maar volgen?"
Zij gingen door de openstaande glazen deuren naar binnen en toen
de gang door naar boven naar een groot portaal, waarop verscheidene
deuren uitkwamen.
"Je ziet, ik heb plaats voor vele logés," zei de oude dame, "maar op
't oogenblik zijn alleen de kamers van Frits en mij bezet en die
van jou. Ik dacht dat je het wel prettig zoudt vinden, als er geen
vreemden waren."
"O ja," antwoordde Elsje met haar geheele hart, terwijl ze hare
gastvrouw volgde naar een vrij groote kamer, die eenvoudig gemeubileerd
was, maar er toch bizonder aantrekkelijk uitzag. Er stonden twee
ledikanten, een waschtafel voor twee personen, een met neteldoek
gedrapeerde toilettafel en eenige stoelen, terwijl de vensters van
buiten met klimrozen waren begroeid. Voor de ramen hingen neteldoeksche
gordijnen en het viel Elsje op, dat een daarvan vreemd bol uitstond
van onderen, alsof men er iets achter had gezet. Zij had geen tijd
te onderzoeken wat dit was, want plotseling klonk de muziek van een
reinen, vroolijken kinderlach door het vertrek, het gordijn werd
met een ruk terzijde geschoven en ... kleine Liesje van Rensen stond
voor haar.
"Dàt dacht je niet, he?" riep ze, snel naar Elsje toeloopend, die
met een kreet van blijdschap bij haar neerknielde en toen dankbaar
opzag naar grootmama.
"Kleine Liesje had de buitenlucht ook noodig, moet je weten," zei
deze lachend. "En hare ouders vonden haar nog te jong om met de
geheele familie mee op reis te gaan. Daarom is ze toen maar bij mij
gekomen. Ze zou eerst pas de volgende week..."
"Ja, ik zou eerst veel later gaan," viel Liesje ijverig in, "maar
toen kwam er opeens een brief of ik gisteren al kon komen!"
"Ik vond het een aardige verrassing voor je haar hier te vinden," zei
de oude dame, terwijl ze zachtjes hare hand over Elsje's haar streek.
Elsje's hart was zoo vol, dat zij niets anders doen kon dan grootmama's
hand grijpen en die stevig drukken.
Liesje was natuurlijk opgetogen en bleef steeds zoo dicht mogelijk
bij Elsje. Aan tafel moest zij naast haar zitten, na den eten was zij
er niet af te brengen te helpen bij het uitpakken van den koffer en
zij vond het heerlijk, toen Elsje later terstond beslist den wensch
uitte om Liesje zelf iederen avond naar bed te brengen. Toen het
kleine meisje eindelijk onder de dekens lag, na hare beide armen om
Elsje's hals te hebben geslagen en na haar met een "nacht snoes!" een
nachtkus te hebben gegeven, dronk Elsje heerlijk rustig thee onder
de veranda met de oude mevrouw d'Ablong en Frits, en ging de avond
voorbij onder gezellige, vroolijke gesprekken. Noch grootmama noch
Frits schenen iets aan te merken te hebben op Elsje's manieren of
op hare wijze van zich uit te drukken en toen ze later alleen op
hare kamer was, vroeg zij zich verwonderd af, hoe het kwam dat zij
zich hier in huis zoo bizonder op haar gemak voelde. Met een zucht
van geluk legde zij zich ter ruste en toen de oude dame nog even naar
haar kwam kijken, deed zij als Liesje, sloeg de armen om grootmama's
hals en fluisterde:
"Wat houd ik toch veel van u en wat is het heerlijk weer bij u
te zijn!"
En nu volgden er dagen voor Elsje, die zij haar geheele leven niet weer
zou vergeten, dagen van rein genot, waarin de vrede en blijmoedigheid
terugkeerden in haar hart. Bijna overweldigend was voor haar in
het begin de aanblik van de prachtige natuur. "Nu moet je maar eens
alleen een eind gaan wandelen," zei grootmama den eersten ochtend na
het ontbijt. "Neen, Liesje blijft van morgen bij mij--je bent nu mijn
patiëntje en ik reken er op dat je me stipt zult gehoorzamen. Tegen
koffietijd kan Liesje je dan wel hier in de dennenlaan tegemoet
komen. Ga dien kant maar eens uit, je zult het daar heel mooi vinden."
Elsje gehoorzaamde met een lachend gezicht en liep langzaam de
dennenlaan in op zij van het huis. Het was er zoo heerlijk stil
en mooi en het rook er zoo lekker! Met innig welbehagen ademde ze
de verkwikkende lucht in en wandelde voort, terwijl de grond hoe
langer hoe heuvelachtiger werd en zij soms even stil moest staan om
adem te scheppen. "Wat ben ik gek gauw moe," dacht ze. Toen ze bij
grootmoeder was, kon ze uren achtereen loopen, zonder iets te voelen
en nu was ze nog geen half uurtje van huis, of ze kreeg al lust om
eens even te gaan zitten. Maar nu al rusten, dat was toch al te erg,
vond ze. Neen, ze zou nog doorloopen tot aan dien hoogen heuvel, daar
op zij van den weg. Dien moest zij even beklimmen, men had daar zeker
een prachtig uitzicht; ze kon daar dan wel een poosje gaan zitten. Ze
hijgde wel wat, terwijl ze haar voornemen ten uitvoer bracht, maar
zij gaf den moed niet op en toen ze bovenop den heuvel gekomen was,
hoe werd hare moeite toen beloond!
Plotseling stond ze voor een groot heideveld, waarover de zon vol
scheen en aan de purperkleurige bloesems van het heidekruid een
schitterenden glans verleende. Als een glinsterend, reusachtig tapijt,
vol gloed en kleuren strekte zich de heide uit, terwijl tusschen
den overvloed van bloeiende Erica, enkele blauwe klokjes groeiden,
waarvan de teere stengels zachtjes door den morgenwind heen en weer
werden bewogen. Een zoete welriekende geur steeg uit het kruid op en
een oogenblik was het Elsje, terwijl ze dien inademde, als stond ze
weer bij de heide in de buurt van het huisje van hare grootmoeder. Het
scheen haar alles zoo bekend, zoo heerlijk bekend, hier voelde ze
zich thuis, zoo geheel en al! 0, God was goed, zoo goed voor haar,
dat Hij haar dit liet genieten! Even stond ze doodstil en ernstig op
te kijken naar de rein-blauwe lucht--toen, als overweldigd door een
gevoel van onuitsprekelijke, hartstochtelijke vreugde, wierp zij
zich languit voorover op de heide en greep liefkoozend met beide
handen in het taaie, veerkrachtige kruid. Zoo bleef ze liggen, met
wellust de heidelucht opsnuivend en zich geheel overgevend aan een
gewaarwording van groot, oneindig genot. Eindelijk hief zij het hoofd
op, plantte hare beide ellebogen in den grond en keek gretig voor zich
uit. Het zachte gegons der bijen, het fluisteren van den wind door
de dennen naast haar, het rinkelen van de belletjes van een huifkar
heel in de verte, was al wat de stilte verbrak. Recht vóór haar,
in de diepte, zag ze het dorp liggen, met de roode daken der huisjes
aardig afstekend tegen het groen der hoornen en aan hare linkerhand
vertoonde zich een glooiende heuvelenrij, gelijk aan die, welke zij
zooeven had beklommen. En terwijl ze daar lag, werd het zeer rustig
en vredig in haar en kwamen haar de welbekende woorden in de gedachten:
"_Ik hef mijne oogen op naar de bergen, vanwaar mijne hulpe komen
zal._"
Hoe lang ze zoo bleef liggen, met al haar hart genietend, zou ze
niet hebben kunnen zeggen, maar ze schrikte op, toen ze plotseling
het zachte stemmetje van Liesje aan haar oor hoorde fluisteren:
"Slaap je? Waarom blijf je daar zoo stil liggen?"
"Zoo zoo, jonge dame, hebben wij het ons zo gemakkelijk mogelijk
gemaakt?" klonk de stem van Frits toen. "Gelukkig dat wij je eindelijk
gevonden hebben; dat is me een zoeken geweest, he Liesje?"
Verlegen sprong Elsje op. Dat Frits haar daar zoo had moeten zien
liggen! Wie weet, hoe ontzettend weinig jongedamesachtig hij hare
houding gevonden had! Als tante het hoorde....
"Ik ... ik vond het zo heerlijk hier!" zei ze. "Ik wist niet ... ik
dacht ... het spijt me erg dat ik niet wat netter zat."
"Maar Roodkapje, wat scheelt er nu aan?" En Frits lachte
hartelijk. "Wie zit er nu ooit 'netjes' op de heide! En ik vond je
houding juist zoo schilderachtig! Neen, kijk maar niet zoo verschrikt;
ik meen het, hoor. Het was alleen een beetje moeielijk je te vinden,
maar Liesje heeft me dapper geholpen bij het zoeken. Je zult wel
trek hebben na je vermoeienden tocht, he?" En hij keek haar plagend
aan. Elsje lachte vroolijk.
"Ik houd zooveel van de heide," zei ze. "Toen ik nog bij grootmoeder
woonde ging ik er zoo dikwijls heen."
"Ja, de heide is prachtig," zei Frits. "Kom, zullen we nu naar huis
gaan? Ja Liesje, blijf jij maar naast Elsje loopen aan dien kant,
dan ontsnapt ze ons niet weer. Waar heb je vroeger gewoond, Elsje?"
Elsje vertelde het hem en Frits toonde zooveel belangstelling in
haar vroeger leven, dat zij er over doorpraatte tot zij de villa
hadden bereikt.
"Wel kindje, je begint er al wat beter uit te zien," zei
grootmama. "Was het mooi buiten?"
"Zij heeft er niet veel van gezien. Ze heeft een dutje gedaan op de
heide" zei Frits.
"0 neen, heelemaal niet!" riep Elsje verontwaardigd uit. "Ik heb maar
al liggen kijken naar alles--het was er zoo prachtig!"
"Je hebt heerlijk gedroomd," spotte Frits weer en toen Elsje hevig
ontkennend het hoofd schudde, legde grootmama de hand op haar arm en
zei vriendelijk:
"Laat hem maar praten, kind; ik geloof heelemaal niet dat je geslapen
hebt."
Hoofdstuk XIII.
"Koningin! Koningin!"
"Ziezoo Liesje, nu ben je heusch heelemaal klaar. Neen, neen, je moet
niet te veel aan de bladeren trekken, dan gaan de kransen dadelijk
stuk. Ja, loop maar flink rechtop--dan zie je er dubbel deftig uit."
En Liesje liep met een gewichtig gezicht en kleine, voorzichtige pasjes
naar grootmama toe, die onder een breeden beuk op een mosheuveltje
zat uit te rusten van de lange wandeling, die het gezelschap samen
had gemaakt.
"Hè, nu wil ik ook heel graag eens even zitten," zei Elsje met de
handen nog vol eikebladeren. Frits, Liesje en zij waren druk aan het
plukken geweest en Elsje was daarop ijverig aan het kransen vlechten
gegaan, zoodat Liesje nu een lange guirlande droeg op haar witte jurk,
armbanden om de polsen en een krans op het blonde haar.
"Prachtig hoor!" zei grootmama, toen het kleine meisje vlak voor haar
ging staan met de woorden: "Kijk eens!"
"Nu moet Elsje zelf ook bekransd worden," zei Frits, terwijl Elsje en
hij zich naast de oude dame neervlijden, "kom Roodkapje, wij hebben
die eikebladeren niet voor niets geplukt. Niet zoo lui zijn als 't
je blieft. Ik sta er op dat je een krans voor jezelf vlecht en dan
nog een voor grootmama en een voor mij."
"En als ik dat nu eens niet doe?" vroeg Elsje lachend.
"Dan noem ik je nooit meer Roodkapje."
"Alsof dat zoo'n straf was!" riep Elsje uit, om toen plotseling
van toon te veranderen en langzaam, en als bij zichzelf te zeggen:
"Ja .... dat zou ik toch wel een beetje jammer vinden."
Grootmama keek snel op. "Waarom wordt je zoo graag Roodkapje
genoemd?" vroeg ze.
Elsje antwoordde niet dadelijk. Toen zei ze: "Het herinnert me zoo
prettig aan vroeger."
"Waarom ben jij Roodkapje?" vroeg Liesje met groote oogen.
"Omdat zij soms boodschappen gaat doen met een heel aardig, rood
wollen kapje op," zei Frits.
"En waarom zet je het dan nu nooit op?" vroeg Liesje. "Je hebt altijd
dien grooten hoed op, als wij samen boodschappen doen in het dorp. Doe
je morgen dan dat aardige, roode kapje eens op?"
"Morgen zijn tante en Cécile hier," zei Elsje langzaam.
"Maar je hebt dat kapje toch zeker ook niet bij je, wel?" vroeg
grootmama. Het deed haar leed op te merken hoe weinig Elsje naar het
gezelschap van mevrouw d'Ablong en Cécile scheen te verlangen. Zij
was nu drie weken bij de oude dame gelogeerd geweest, drie gelukkige,
zonnige weken, waarin hare oude opgewektheid en hare gezondheid geheel
waren teruggekeerd, maar hoe vroolijk en spraakzaam zij overigens
ook was, over hare tante en Cécile sprak zij bijna nooit.
Zij werd een beetje verlegen bij grootmama's vraag omtrent het
bewuste kapje en beschroomd, erg bang dat men haar uit zou lachen,
zei ze bijna fluisterend:
"Ja, ik heb het wel meegenomen in den koffer, omdat ik dacht .... als
ik soms eens alleen uitging .... het leek me zoo aardig het dan eens
op te zetten en me dan te verbeelden dat ... dat alles nog net was
als vroeger."
Er volgde een oogenblik van algemeen stilzwijgen en Liesje trok
Elsje den hoed van het hoofd en zette haar voorzichtig haar eigen
breedgeranden hoed op. Elsje scheen hiervan niets te bemerken--zij
was geheel in gedachten verdiept en keek stil voor zich uit het
donkere bosch in, waar de zon door de dichte bladeren heen, kleine
lichtvlekjes wierp op het groene mos. Met een grappig ernstig gebaar
legde Liesje haar vingertje tegen den mond om Frits en grootmama te
waarschuwen, Elsje niet opmerkzaam te maken op wat zij gedaan had. Zij
verried dit echter onmiddellijk zelf door voor Elsje te gaan staan,
in de handen te klappen en juichend uit te roepen:
"Daar heb ik je gefopt! Daar heb ik je gefopt! O, wat zie je er
mooi uit!"
"Ik geloof dat ik een prachtigen hoed op heb," zei Elsje, die haar
stil had laten begaan, maar heel goed gemerkt had wat zij deed. "Dien
houd ik dan maar op vandaag, denk ik, hij is zoo heerlijk voor de
zon met dien breeden rand."
"En met al dat gebabbel over dien hoed wordt er maar heelemaal niets
meer aan de kransen gedaan," mopperde Frits. "Het is wat moois! Als
ik dat geweten had, had ik me ook niet zoo uitgesloofd met het plukken
van eikebladeren!"
"Stil maar, ik begin al weer!" lachte Elsje vroolijk. "Zal ik er dan
eerst maar een voor u maken, grootmama?"
"Dank je kind, ik ben over die ijdelheid heen."
"Nu, ik eigenlijk ook," zei Elsje met een wijs gezicht.
"Lieve tijd, wat een aanstellerij!" riep Frits uit. "Alsof niet alle
meisjes nuffig waren! Maar zoo kom je er niet af! Ik wil een krans
hebben voor mijn strooien hoed en een beetje gauw ook!"
"Plaag dat arme kind toch niet zoo, Frits," zei grootmama.
"Alsof zij mij nooit plaagde!" zei Frits, op een toon van verdrukte
onschuld.
"Ik doe nu in ieder geval heel gedwee wat je me bevolen hebt," zei
Elsje bedaard.
"Wil je van avond het roode kapje eens opzetten als wij uitgaan?" vroeg
Liesje weer.
"Dat weet ik nog niet," zei Elsje langzaam, bedenkend dat hoogst
waarschijnlijk heden avond mevrouw d'Ablong en Cécile er zouden
zijn. De eerste had geschreven dat zij niet precies het uur van hare
aankomst bij grootmama kon melden, omdat Cécile en zij nog even in de
stad aan wenschten te gaan onderweg. In ieder geval moest grootmama
maar geen rijtuig aan het station sturen, zij zouden er daar wel
een nemen.
"Als Elsje het aardige, roode kapje opzet, moet je mij even roepen,
hoor Liesje," zei Frits. "Ik ben verlangend er de kennis mee te
vernieuwen. Och, och, wat keek je me _toen_ dankbaar aan Elsje, toen ik
je voor 't eerst zag! De tijden zijn wel veranderd! Nu krijg ik haast
nooit eens een vriendelijk woord en het grieft me tot in mijn ziel
te zien, hoe weinig het je aanstaat, dien krans voor mij te maken."
"Maar ik doe het met plezier," zei Elsje lachend.
"Ik hoop dat je de zuivere waarheid spreekt," zei Frits. "Ik houd er in
't geheel niet van dat iemand zich voor mij opoffert."
"Pruttel nu maar niet langer, de krans is klaar," zei Elsje. "Als
't je blieft. Doe hem maar gauw om je hoed."
"Ik had gedacht dat jij dat nu eens netjes voor mij doen zoudt."
"Toe Frits, help mij eens even op, wij moesten nu maar weer naar huis
wandelen," zei grootmama. "Het loopt tegen etenstijd."
Frits gehoorzaamde en bleef toen stokstijf staan met zijn hoed vast
op het hoofd gedrukt. Elsje sprong snel op met den krans nog in hare
handen. Daar viel Liesje's hoed haar af.
"O, o, o!" riep Liesje. "Hij duikelt het heuveltje af. Kijk eens! O,
wat aardig!"
Frits liep den vluchteling snel na, gaf Liesje en Elsje ieder hare
eigene hoeden terug en bleef toen weer stokstijf staan, erg rechtop,
in dezelfde houding als daareven.
"Komt kinderen, nu een beetje voortgemaakt!" riep de oude dame.
"Nog één oogenblikje, grootmoedertje," zei Frits. "Kom Roodkapje,
probeer eens of je zoo hoog kunt reiken en leg mij den krans eens om
den hoed, terwijl ik dien op heb."
"Zooveel grooter ben je niet dan ik," meesmuilde Elsje, maar zij moest
toch op hare teenen gaan staan en hare armen hoog uitrekken om bij den
hoed te kunnen komen. Een beetje hijgend en met moeite was ze bezig
het kunststuk te volbrengen, terwijl Frits lachend op haar neerzag,
toen zij plotseling ontsteld keek bij het hooren van een welbekende
stem, die riep:
"Hier zijn ze, hier zijn ze!"
Snel liet Elsje hare armen zakken en trad achteruit, terwijl hare
tante en Cécile naderden. Zij waren een uur geleden aan de villa
gekomen, hadden even gewacht, maar waren toen ongeduldig geworden en
de wandelaars gaan zoeken.
"Dol gezellig dat wij u zoo makkelijk hebben gevonden," zei Cécile,
grootmama een kus gevend. "Ik heb _onzinnig_ naar u verlangd,
grootmoedertje."
"En naar mij toch zeker ook?" vroeg Frits, met welgevallen naar zijn
nichtje kijkend. Zij zag er allerliefst uit in haar zomertoiletje van
licht crème en met den witten hoed met klaprozen op het donkere haar.
"Neen, naar jou natuurlijk heelemaal niet," zei ze met een coquet
lachje. "Hoe maak je het? En hoe gaat het jou, Lizzie, och, Elsje
bedoel ik. Dag, Liesje, kleine snoes, hoe heb jij het?"
En met een bevallige beweging knielde zij bij Liesje neer op het mos
en kuste haar.
"Ik loop met Elsje. Mag ik met Elsje?" vroeg Liesje, toen het
gezelschap zich in beweging zette om naar huis te wandelen.
"Ja, maar ik loop ook naast Elsje," zei Frits. "Kijk eens Cilly,
heeft Roodkapje mijn hoed niet mooi versierd?"
"O, stond ze daarom zoo ongeneerd vlak bij je?" vroeg Cécile scherp.
"Zoo, heb je dat nog net gezien? Ja, ja, Roodkapje en ik zijn beste
maatjes."
"Kom eens hier, Elsje," riep mevrouw d'Ablong, zich omkeerend. Zij liep
met grootmama voor de anderen uit. "Ik moet je eens goed aankijken
en eens zien of je heusch heelemaal weer de oude bent geworden. Dat
is een gesukkel geweest, he?"
"Ik blijf bij Elsje," riep Liesje weer en Cécile en Frits liepen
dus samen.
Cécile scheen niet bizonder tevreden over het onderhoud dat zij toen
met haar neef had.
's Avonds ten minste, toen Elsje alleen op haar kamer was en zich
gereed maakte om naar bed te gaan, kwam zij bij haar met een zeer
ontevreden gezicht en zei:
"Hoor eens Elsje, ik vind het heel onplezierig, maar ik moet eens
even met je spreken."
"Met mij? Wat is er dan?" vroeg Elsje verbaasd en fluisterend. "Praat
niet te luid, want dan maak je Liesje wakker."
"Ik heb je maar een paar woorden te zeggen, maar ik hoop dat je
me goed begrijpen zult. Val mij als 't je blieft niet in de rede
en luister goed. Ik heb mij ontzettend geërgerd, toen Frits mij
van middag vertelde dat je hem zooveel over je vroeger leven hadt
medegedeeld. Enfin, dat is nu eenmaal gebeurd en daar is dus niets
aan te veranderen, hoewel ik volstrekt niet begrijp, wat Frits met
jouw dorp te maken heeft,--maar veel erger is het dat je je hier in
huis en vooral tegenover Frits zoo belachelijk vrij gedraagt. Frits
is te goedhartig en grootmama te lief om daarvan iets te zeggen,
maar ik raad je sterk aan in 't vervolg wat minder het hoogste woord
te hebben en je familiare grappen voor je te houden. Ik heb je nu
bijtijds gewaarschuwd, voordat mama ernstig boos op je wordt en je
eens goed onder handen neemt. Nu zal zij er misschien niet meer met
je over spreken, als je ten minste je best doet dat alles anders
wordt. Vergeet niet waar je staan moet en bedenk als 't je blieft
dat je toch altijd maar een gewoon dorpskind blijft, al ben je dan
ook honderdmaal mijn nichtje. Nacht Elsje."
Elsje antwoordde niet, ook niet op de laatste woorden; ze bleef
doodstil bij het raam naar buiten staan kijken, toen Cécile reeds lang
de kamer had verlaten. Zij zag heel bleek en hield de handen stijf
tegen elkaar gedrukt, maar zij schreide niet en bleef uiterst bedaard,
hoewel het lang niet bedaard was in haar binnenste. Geruimen tijd
bleef ze zoo staan, al maar in dezelfde houding naar buiten kijkend
in den plechtigen maneschijn, toen ontspanden zich hare trekken en
met een zucht liet zij het venstergordijn zakken en ontkleedde zich.
Zij was op 't punt om in bed te stappen, toen haar iets inviel en
zij aarzelend en langzaam naar haar koffer toeging, dien opende,
naar iets zocht en eindelijk het bekende roode kapje te voorschijn
haalde. Zij hield het even in hare handen, keek er naar met half
lachende, half weemoedige oogen, sprong toen eensklaps op, strikte
het kapje om haar hoofd vast en ging voor den spiegel staan. De witte
nachtpon en het roode kapje staken grappig bij elkander af en vormden
nu juist geen toilet, dat goed bij elkaar paste, maar .... Elsje zag
toch in het korte oogenblik dat ze in den spiegel keek, dat het kapje
haar heel aardig stond en zoodra ze tot deze ontdekking kwam, bloosde
zij van schaamte over hare ijdelheid, liep snel van den spiegel weg,
trok zich het kapje van het hoofd, bergde het heelemaal onder in den
koffer weg en besloot het nooit, nooit weer op te zetten, zoolang
ze hier was. Frits zou er stellig wel niet meer om vragen, maar in
ieder geval zou ze het toch zeker niet doen. Zij _wilde_ niet nuffig
en coquet worden evenals Cécile en o--misschien, misschien _was_ ze
wel te vrij geweest en te familiaar, maar grootmama en Frits hadden
er toch niets van laten blijken dat ze dat vonden en ze was hier zoo
innig gelukkig geweest. Cécile had ook altijd zooveel aanmerkingen,
maar--ze moest toch oppassen en ze zou stiller zijn en geen grappen
meer maken en heel veel met Liesje alleen gaan wandelen en goed op
haar manieren letten; ze zou erg haar best doen dat tante tevreden
over haar kon zijn--dat nam ze zich vast voor.