Na dien avond was het gedaan met Elsje's zorgelooze uren van

genot. Grootmama en Frits waren wel even vriendelijk en alles bleef

even mooi, maar zij voelde zich telkens niet op haar gemak, vond

het maar het allerprettigst heele ochtenden en middagen met Liesje

alleen naar het bosch te gaan en was boos en verlegen tegelijk, als ze

Cécile's oogen waarschuwend op zich gevestigd zag. Frits plaagde haar

eerst dat ze zoo graag het heele bosch voor Liesje en zich alleen had

en dat zij het overige gezelschap telkens ontvluchtte, maar Elsje keek

dan zoo verschrikt en wist zoo heelemaal niet wat ze moest antwoorden,

dat hij haar met rust liet en zich alleen verwonderd afvroeg, hoe

zij opeens zoo veranderd was. In zijn bijzijn en dat van grootmama

behandelde Cécile Elsje altijd beleefd en goed, al hield zij haar

op een afstand. Een groote troost was voor Elsje het gezelschap van

Liesje, hoewel het kleine meisje haar telkens in verlegenheid bracht

door herhaaldelijk te vragen of zij het roode kapje nu niet eens op

wilde zetten. Mevrouw d'Ablong keek dan heel verbaasd en eindelijk

moest Elsje haar klein vriendinnetje bepaald verbieden, er meer naar

te vragen; Frits bemerkte al heel gauw dat het onderwerp zijn tante

niet aangenaam was en zweeg er dus over. Grootmama kwam trouw elken

avond even bij Elsje's bed om haar nog eens goeden nacht te kussen en

deed dit in deze dagen bizonder hartelijk, maar zij vroeg haar niet,

of haar iets scheelde en wat; zij begreep heel goed, welken strijd

het meisje had te strijden, maar vond het toch niet goed tusschen

haar schoondochter en Elsje te komen. Mevrouw d'Ablong was trouwens

vrij tevreden over het gedrag van haar nichtje en eens zelfs kwam ze

opzettelijk bij haar op haar kamer en zei:

"Nu moet ik je eens een prijsje geven, kind. Ik vind wezenlijk dat

je wat vooruit gaat in je manieren en vanavond vooral heb je je

zoo bescheiden en netjes gedragen, dat ik er plezier in had. Ik had

niets op je houding aan te merken, toen je bij dat tafeltje platen

zat te kijken."

Elsje glimlachte flauw. Zij had dien avond zoo erg lang gevonden en

zoo verlangd om maar naar boven te gaan!

Het was eenige dagen na dit gesprek dat grootmama en mevrouw d'Ablong

een lang onderhoud hadden in de veranda. Frits, Cécile, Elsje en

Liesje waren samen naar het bosch gegaan. "Ik laat je nu eens niet

weer zoo rustig je gang gaan, Roodkapje," had Frits 's ochtends aan

het ontbijt lachend gezegd. "Je blijft hier nu nog maar zoo kort,

ik wil nu nog een beetje van je gezelschap profiteeren, daar moet je

je dus maar in schikken."

Cécile zorgde er echter wel voor dat Frits zich ook dezen ochtend

meer met haar bemoeide dan met Elsje. De wandeling was echter zoo

mooi en Liesje babbelde zoo gezellig, dat Elsje toch erg genoot en

in een heel opgewekte stemming weer thuis kwam.

"Ga eens even met grootmama en mij mee, Elsje," zei mevrouw d'Ablong

na de koffie. "Wij hebben je iets heel gewichtigs te zeggen."

Elsje keek verschrikt op en volgde hare tante met een kloppend hart

naar het aardige, kleine boudoir, waar de oude dame reeds rustig in

haar gemakkelijken stoel voor het raam zat te wachten.

Zij trok Elsje naar zich toe en zei:

"Kom nu maar eens prettig hier bij me zitten, kind, in dat lage

stoeltje. Neen, een beetje dichterbij; ik heb je graag vlak naast me."

Elsje keek haar dankbaar aan, terwijl ze gehoorzaamde. Mevrouw d'Ablong

ging tegenover de oude dame zitten en begon:

"Grootmama vindt, Elsje, en ik vind het ook, dat het goed voor je zijn

zou, eens wat meer met meisjes van je eigen leeftijd om te gaan. Cilly

is nogal wat ouder dan jij en zooveel meer ontwikkeld en buitendien

is er nog heel veel dat je leeren moet en dat je ook gemakkelijker

leeren zult, als je onder meisjes bent, dan wanneer je privaatlessen

krijgt. Grootmama en ik gelooven ook dat je dan gelukkiger zult

zijn en je later wat meer bij ons zult thuis voelen. Ik ben daarom

van plan veranderd en besloten je wèl naar kostschool te sturen en

ook liefst zoo gauw mogelijk. Neen, kijk maar niet zoo verschrikt,

je zult het er heel prettig vinden en je gezondheid is nu weer zoo

goed, dat ik je wel van mij durf te laten gaan. De kostschool, die

ik op het oog heb, is op de badplaats, waar Cilly en ik gelogeerd

hebben. Ik heb er heel veel goeds van gehoord en de directrice een

paar malen gesproken. Zij weet nu alles van je vroeger leven af en zal

zeker doen wat zij kan om je leven bij haar gelukkig te doen zijn,

mits .... je goed je best doet, gehoorzaam haar raad opvolgt en er

vooral op let, je even beschaafd en netjes te gedragen als de andere

meisjes. De zeelucht zal zeker ook heel goed voor je wezen en ik hoop

en vertrouw dus dat deze maatregel aan het doel zal beantwoorden en

je langzamerhand heelemaal zóó worden zult, dat ik er trotsch op kan

zijn dat je mijn nichtje bent."

"Maar je bent nu toch ook al trotsch op Elsje, niet waar?" zei de

oude dame met een vriendelijk knikje, terwijl ze hare zachte hand op

die van Elsje legde. Het meisje werd beurtelings rood en bleek.

"Ik hoop het nog veel meer te worden," zei mevrouw d'Ablong zeer

beslist. "Kom kind, kijk maar niet zoo verschrikt. Ik ben overtuigd

dat het nieuwe leven je wel bevallen zal. Je moet natuurlijk nog

heel veel leeren, maar je bent pas vijftien jaar en als je nu bij

voorbeeld tot je achttiende op kostschool blijft...."

"O tante, zóó lang?" viel Elsje verschrikt in.

"De tijd zal om zijn, voordat je het weet, lieveling," zei

grootmama. "En dan moet je de heerlijke vacanties niet vergeten,

waarin je natuurlijk heel dikwijls bij mij komt logeeren."

"Mag ... mag ik weggaan, tante?" vroeg Elsje, die vurig verlangde,

alleen te zijn. Zij had een gevoel alsof ze zich niet langer

goed zou kunnen houden--op dit oogenblik scheen het haar nog iets

verschrikkelijks toe naar een kostschool te worden gestuurd, om daar,

zooals zij stellig verwachtte, door de andere meisjes, die wèl al

"jonge dames" waren, uitgelachen en geplaagd te worden. Maar zij _zou_

haar best doen; zij zou alles doen wat ze maar kon, om hare tante

niet te veel tot last te wezen en ze zou moed houden ook!

En ze _bleef_ moed houden en strijden tegen het overweldigende gevoel

van eenzaamheid, dat haar soms dreigde te bemachtigen. Het was maar

goed dat zij al heel spoedig vertrekken moest. Het nieuwe schooljaar

was reeds sedert een paar weken ingegaan en toen het besluit van

mevrouw d'Ablong eenmaal vaststond, werd er haast achter het werk

gezet en ruim een week nadat Elsje gehoord had, welk nieuw leven

haar wachtte, was zij reeds met hare tante op weg naar de bewuste

badplaats en reed ze, met een erg benauwd gevoel in de keel, naar het

deftige kostschoolgebouw, dat een tijdlang hare woning zou wezen. De

directrice, een statige, lange dame met doordringende, bruine oogen,

ontving haar echter zoo hartelijk en sprak haar zoo vriendelijk toe,

dat zij verruimd adem haalde, toen de eerste begroeting achter den rug

was en zelfs veel minder zenuwachtig was dan ze gedacht had te zullen

zijn, toen zij afscheid van hare tante genomen had en de directrice

volgde naar de groote eetzaal, waar ruim twintig meisjes aan de tafel

zaten, gereed om het lunch te gaan nuttigen. Elsje kreeg een stoel

naast een bleek, heel blond meisje, dat er zeer verlegen uitzag en hare

oogen op haar bord hield geslagen. De verlegenheid van hare buurvrouw

maakte Elsje vrijmoediger; zij keek bedaard om zich heen en bemerkte

tot haar blijdschap dat volstrekt niet alle meisjes onberispelijk

rechtop zaten en zich zoo elegant gedroegen als Cécile. De Engelsche

onderwijzeres, die tegenover Elsje zat, moest telkens een of andere

vermaning toedienen met betrekking tot het hanteeren van mes, vork

en glas en Elsje vond het een heel aangename gewaarwording dat zij

haar zoo goed kon verstaan--dàt had zij aan Miss Piper te danken en

zij was er nu haast blij om dat zij zooveel mooie zomerdagen alleen

in haar gezelschap had doorgebracht. Na het lunch werd zij aan al de

onderwijzeressen en aan de meisjes voorgesteld. Er waren verscheidene

nieuwe leerlingen onder en zij waren lang niet allen zoo knap en

zoo begaafd, als Elsje had gevreesd. Wel was zij natuurlijk zeer

ten achter bij de meeste meisjes van haar leeftijd, vooral wat het

Fransch en Duitsch betrof, waarmee zij nog geheel van voren af aan

moest beginnen, maar haar aanleg en haar wil waren zeer goed en dit

kon niet van al de andere leerlingen worden gezegd. Er waren er onder,

die naar kostschool waren gestuurd omdat ze bizonder moeilijk leerden,

of bizonder lui van nature waren. Onder de uitnemende leiding der

directrice en het goede onderwijs maakten echter de meesten flinke

vorderingen en wat Elsje betrof,--zij deed zoozeer haar best en begon

spoedig zooveel lust te krijgen in haar werk dat ze zich in de lesuren

bepaald gelukkig voelde. Hare belangstelling en ambitie waren opgewekt

en met groot genot kon zij soms over hare boeken gebogen zitten,

geheel verdiept in een geschiedenisles of in een of ander vers, dat

zij later zou moeten reciteeren. Dat reciteeren was in het eerst een

ontzettend iets voor haar. De directrice had als vasten regel ingesteld

dat alle meisjes een avond in de week iets moesten voordragen. Allen

kwamen dan in het salon, dat anders alleen Zondags werd gebruikt,

bijeen en na de thee namen de werkzaamheden een aanvang en moest

ieder meisje haar best doen, zóó goed haar bijdrage op te zeggen,

als zij dit maar met mogelijkheid kon.

De "nieuwelingen" zagen in het begin altijd erg tegen dezen avond op,

maar de directrice, die zelf bizonder goed reciteerde en een zeer

welluidende stem had, hielp allen zoo goed terecht en met zooveel

geduld, dat hare leerlingen hoe langer hoe meer moed begonnen te

vatten en ook Elsje, toen zij eenige maanden op school geweest was,

den "reciteeravond" werkelijk prettig begon te vinden. Met de andere

meisjes kon zij goed overweg. Er waren er, die haar een beetje vreemd

aanzagen, toen zij met groote vrijmoedigheid allerlei omtrent haar

vroeger leven vertelde, maar zij deed dit zoo aardig en vroolijk en

als het nichtje van de deftige mevrouw d'Ablong vond men haar toch

zoo geheel _comme il faut_, dat de meesten met gretige ooren naar

haar grappige verhalen luisterden. Want op ernstige wijze sprak zij

over haar dorpsleven slechts met haar kamergenoot, het blonde meisje,

naast wie zij den eersten dag aan tafel had gezeten. Dit meisje was

het eenige kind van een rijken bloemist, die in Gelderland woonde

en van den dokter den raad had gekregen, zijn zwak dochtertje de

zeelucht te laten genieten. Verscheidene leerlingen der deftige

kostschool vonden het wat beneden zich, zich veel met de dochter van

een bloemist te bemoeien, al was deze ook nog zoo rijk en het meisje

zelf voelde wel dat sommige harer aristocratische schoolkameraadjes

haar "minder" rekenden en hare aangeboren schroomvalligheid werd

daardoor nog grooter. Met Elsje echter was zij geheel op haar gemak

en het waren gelukkige oogenblikken voor de beide meisjes, als zij

naast elkaar mochten gaan op de lange, dagelijksche wandeling langs

het prachtige strand. De leerlingen moesten dan netjes in de rij

loopen, iets wat voor de meesten een kwelling was en Elsje vooral

voelde soms een bijna onweerstaanbare neiging in zich opkomen om

weg te snellen van de anderen naar een hooge duin in de verte, die

hijgend te beklimmen en in vrije eenzaamheid het mooie uitzicht

te genieten op de grootsche zee, die haar ernstig maakte en deed

jubelen tegelijk. Eens zelfs trok zij, in een uitgelaten bui, haar

vriendinnetje lachend mee uit de rij en liep met haar een eind de zee

in, om toen met natte laarzen en neergeslagen oogen, langzaam terug

te keeren tot de zeer toornige Française, die de meisjes dien dag op

de wandeling vergezelde. Elsje begreep later zelf niet hoe zij het

had durven doen! Het was alsof zij soms uiting geven _moest_ aan het

gevoel van vroolijken levenslust in haar hart, want over 't geheel was

zij zeer gelukkig in haar tegenwoordig leven en er waren oogenblikken,

waarin hare zonnige natuur haar bijna dwong tot juichen en zingen.

"Zij is een mijner beste en liefste leerlingen," verzekerde de

directrice aan mevrouw d'Ablong, toen Elsje een jaar op de kostschool

had doorgebracht, "het is alleen maar jammer, dat zij soms van die

wonderlijke, luidruchtige buien heeft. Zij is dan zoo levendig en

vol grappen, dat zij al de andere meisjes aan den gang maakt en... ja

eerlijk gezegd, heb ik zelf soms moeite mijn lachen te bedwingen. Zij

kan zoo aardig origineel met een of andere opmerking voor den dag

komen. Zij heeft bepaald vele gaven, lieve mevrouw, en het is treffend

om te zien hoe zij onder den indruk komt van een mooi natuurtafreel,

dan is ze stil en ernstig, maar er zijn dagen dat haar levenslust

haar vergeten doet waar zij is en zij zal nog veel moeten leeren,

eer zij zich volkomen gracieus en _ladylike_ gedraagt. Dat drukke en

opgewondene moet wat getemperd worden."

"O ja zeker, zeker, levendigheid is goed, maar luidruchtigheid kan

ijselijk burgerlijk zijn," antwoordde mevrouw d'Ablong zeer beslist.

Zij zou reden hebben zich nog meer te ergeren aan Elsje's gemis aan

aristocratische bedaardheid. Tot groote teleurstelling van Elsje,

ging men in de zomervacantie niet bij grootmama logeeren. Met de

Paaschdagen had Elsje haar even gezien en er zich op verheugd in

Juli en Augustus eenige weken bij haar te komen, maar toen de groote

vacantie aanstaande was, schreef hare tante haar dat Cécile weer een

week of zes aan zee moest doorbrengen en dat zij zelf daarom besloten

had met de beide meisjes kamers te nemen in het badhotel, waar zij

den vorigen zomer met Cilly had gelogeerd. Grootmama schreef aan

Elsje hoe het haar speet, dat zij haar nu niet bij zich zou krijgen;

zij moesten nu beiden maar hopen op den volgenden zomer; het jaar

zou gauw genoeg om zijn en in de Kerstvacantie kwam de oude dame

stellig bij haar schoondochter logeeren. Wat zou Elsje dan al een

jonge dame zijn! Zij was nu immers al zestien jaar? Frits beweerde,

dat hij haar nauwelijks meer "Roodkapje", zou durven noemen, als hij

een paar dagen in het hotel kwam logeeren bij zijn tante.

Dus Frits zou ze toch wèl zien! Dat vond Elsje nogal prettig en toen

de vacantie eindelijk daar was en mevrouw d'Ablong haar het aardige

slaapkamertje toonde, dat zij voor zich alleen zou hebben en haar een

paar vriendelijke woorden zei, omdat zij op school zoo goed haar best

had gedaan en toen Cécile zich verwaardigde ook vrij aardig jegens

haar te wezen,--trok het denkbeeld in het hotel zes weken door te

brengen, haar meer aan.

Er waren verscheidene gasten en men at aan table d'hôte. Het trof

toevallig dat Elsje een paar plaatsen van hare tante en Cécile af een

stoel kreeg naast een vriendelijken, ouden heer, die al heel gauw een

praatje met haar begon. Elsje antwoordde vroolijk en ongedwongen. Zij

had er nogal tegenop gezien met zooveel vreemde menschen aan tafel

te zitten, maar nu de maaltijd even aan den gang was, viel het haar

erg mee. Hare tante keek telkens eens tersluiks langs de tafel heen,

of Elsje netjes at en netjes zat en bemerkte tot haar voldoening dat

het meisje erg "aangeleerd" was in het verloopen jaar. Alles ging

goed tot het dessert, toen de oude heer allerlei grappen met zijn

buurmeisje begon te maken over een schoteltje pralines en flikjes,

waarvan hij haar zeer overvloedig had bediend. Elsje's oogen begonnen

te schitteren van pret. Zij had een kleur gekregen, eerst van een

beetje agitatie, later van het drukke praten en van het plezier en

zij zag er zoo aardig en aantrekkelijk uit in haar frissche jeugd, dat

haar buurman hoe langer hoe meer welbehagen in haar kreeg. Toevallig

was het juist een oogenblik heel stil aan tafel, toen de vroolijke,

oude heer iets zeide, dat Elsje in een luiden, helderen lach deed

uitbarsten, die echter plotseling verstomde, toen men haar verbaasd

aanzag en hare tante met een gezicht vol strenge berisping haar kant

uitkeek. Het was gedaan met Elsje's zorgelooze vroolijkheid. De oude

heer fluisterde haar toe dat zij niet zoo verlegen moest zijn en dat

hij nog wel eens veel luider gelachen had, maar dat troostte Elsje

niet en zij was blij toen het tijd was om van tafel op te staan, ook

al vreesde zij dat haar nu van haar tante een strafpredikatie wachtte,

die dan ook niet uitbleef.

Den volgenden dag was haar plaats veranderd en zat ze naast mevrouw

d'Ablong aan een hoek der tafel. Haar vroegere buurman knikte haar

vriendelijk toe uit de verte en maakte 's avonds een praatje met haar,

maar Elsje was toen zoo bedaard en antwoordde zoo _einsilbig_, dat

hij nauwelijks wist, hoe hij het met haar had. Eenige dagen later was

hij vertrokken--eigenlijk maar een rust, dacht Elsje met een zucht,

terwijl ze zich telkens afvroeg, waarom het toch deftiger was om op

gemaakt zachten toon te spreken en zijne vreugde en droefheid weinig

te toonen, dan om zich precies voor te doen zooals men werkelijk was

en zich voelde.

Toch had zij geen onaangename vacantie. Hare tante en Cécile waren

vriendelijker dan vroeger en zij bemerkte wel dat zij meer met haar op

hadden en zich veel minder over haar schaamden en ergerden dan een jaar

geleden. Cécile had echter een wonderlijke manier om Elsje achteraf

te houden en zichzelf op den voorgrond te brengen, als zij met andere

loges in aanraking kwamen. Heel veel kon dit Elsje nu wel niet schelen,

maar het was toch een eigenaardig prettige gewaarwording voor haar,

toen Frits kwam en minstens evenveel notitie van haar nam als van

Cécile. Hij bleef haar hardnekkig "Roodkapje" noemen en toen in het

dorp het bericht de ronde deed dat de koninginnen een bezoek zouden

komen brengen, raadde hij Elsje sterk aan, zich op den grooten dag

als Roodkapje te verkleeden en in dit kostuum aan de jonge koningin

een mandje met wafels te overhandigen. Nu, daaraan dacht Elsje niet,

maar zij had wel een gevoel, alsof ze zichzelf niet was, toen zij

op den feestdag na het ontbijt op de duin voor het hotel stond en

in de kronkelende dorpsstraat beneden, tusschen de hooge linden,

de vroolijke vlaggen zag wapperen, die helder beschenen werden door

de volle, rijke zon. Koningin Wilhelmina zien! Het was iets, waarvan

ze had gedroomd en waarnaar ze had gehunkerd jaren lang en toen Frits

haar den vorigen avond de versieringen in het dorp had laten kijken,

was het haar plotseling zoo vreemd week geworden om het hart, dat het

haar benauwde en zij angstig had uitgeroepen: "Als zij nu opeens eens

niet kwamen!"

Wat had Frits haar toen uitgelachen--gelukkig was Cécile er niet

bij geweest! Die was veel kalmer bij het vooruitzicht; zij had de

koninginnen al zoo verbazend vaak gezien!

De vorstelijke rijtuigen zouden langs het hotel voorbijkomen en

de gasten behoefden dus in 't geheel geen moeite te doen. Dat vond

Elsje eigenlijk een beetje jammer en o, wat moest het nog lang duren,

eer zij kwamen! Het was nu half tien en zij konden niet vóór elf uur

komen, had Frits gezegd. Hoe zou ze den tijd klein krijgen!

"je bent te laat, zij zijn al weer weg! Ik moest je wel de groeten doen

van koningin Wilhelmina," klonk de stem van Frits achter haar. Elsje

keerde zich lachend om.

"Dan hebben zij wel een _bizonder_ kort bezoek aan het dorp gebracht,"

zei ze. "Hoe is het mogelijk dat zij dan toch nog tijd hebben gevonden

om met jou te spreken?"

"Lieve tijd, hoe brutaal! Bedenk een beetje wie je voor je hebt,

jonge dame! Vergeet niet dat ik heel gauw Mr. Frits d'Ablong zal

zijn en spoedig beroemd en bekend in het buitenland, zoowel als in

ons eigen kleine landje."

"In het buitenland?" vroeg Elsje verbaasd.

"Ja zeker, want zoodra ik gepromoveerd ben, ga ik een poosje naar

Duitschland en als ik dan terugkom, probeer ik een plaats als

rentmeester te krijgen op een groot buiten in Gelderland. Dat is

altijd grootmama's wensch geweest en als die nu werkelijk eenmaal

vervuld wordt, ben ik natuurlijk heel wat meer waard dan nu. Ik wed

dat je me dan heelemaal niet meer Frits durft te noemen."

"Misschien wel niet," zei Elsje zacht.

"Maar Roodkapje, wat scheelt er nu aan?" vroeg hij lachend. "Kom,

kijk mij eens recht in de oogen en zeg eens gauw dat je me nooit

anders dan Frits zult noemen."

Wat had Elsje opeens? Zij begreep het zelf niet. Confuus voor Frits

was zij eigenlijk nog nooit geweest, maar op dit oogenblik kwam er

eensklaps een vreemde verlegenheid over haar, waartegen zij zich

te vergeefs poogde te verzetten, terwijl ze hare oogen opsloeg,

hem aanzag en zei:

"Ik wil heel graag altijd Frits zeggen."

"Wel natuurlijk," zei hij vroolijk. "O, daar komen tante en Cilly

aan. Hierheen dames, als 't je blieft; er is hier voor allen

plaats." En hij ging de anderen voor naar een groote veranda, waar

de vorstelijke stoet langs zou rijden en stoelen waren neergezet.

"Niet waar, mevrouw, wij staan allen op en maken eenvoudig een buiging,

als zij komen? U doet toch zeker ook niet mee aan dat luide roepen der

dorpsbewoners? Die kunnen hier trouwens ook moeilijk komen bij het

hotel; de weg is smal. Maar u bent het toch met mij eens, nietwaar,

dat het veel deftiger en welstandiger is om eerbiedig te buigen dan

zoo oorverdoovend te juichen?"

Het was een der gasten uit het hotel, die deze vragen tot mevrouw

d'Ablong richtte, die met Cécile, Frits en Elsje onder de veranda

had plaats genomen.

"O ja, zeker, zeker," haastte zij zich te antwoorden, terwijl het

overige gezelschap eerbiedig toeluisterde. "Dat spreekt van zelf. Ik

ben het volkomen met u eens."

Elsje alleen had niet naar het gesprek geluisterd. Met een kloppend

hart zat zij het plechtige oogenblik af te wachten. Frits keek haar

nu en dan van ter zijde aan, glimlachend over haar jonge geestdrift.

Eindelijk, eindelijk, daar naderden zij. Langzaam en statig kwamen

de rijtuigen dichter bij. Elsje's hart klopte nu bijna hoorbaar

en als in een droom volgde zij het voorbeeld der anderen en stond

op van haar stoel. Daar was het rijtuig der koninginnen vlak voor

haar. Hare blijde oogen zagen een jeugdige, blonde verschijning,

die met een innemend lachje en een bevallige buiging het eerbiedig

nijgen der hotelgasten beantwoordde, en uiting gevend aan het warme

gevoel van liefde en bewondering, dat haar bezielde, wuifde Elsje

met hare beide handen en riep met bevende lippen, luid en juichend:

"O koningin, koningin, koningin!"

Er gleed een vroolijk lachje over het gelaat van haar, wie deze

uitroep gold en met stralende oogen zag Elsje het rijtuig na, toen

zij de hand harer tante op haar arm voelde.

"Stil toch kind, stil toch, je hoort toch dat niemand anders wat

roept!" klonk het verdrietig.

"Vreeselijk aanstellerig van je, Elsje," fluisterde Cécile, die haar

sierlijkste buiging ten beste had gegeven.

"Kom tante, zij was zoo erg blij!" bracht Frits verontschuldigend in

het midden. "Ik zou dolgraag meegeroepen hebben met Elsje, als ik maar

gedurfd had. Koningin Wilhelmina zal je nu natuurlijk nooit vergeten,

Roodkapje. Hadt je nu nog maar een mandje wafels bij je gehad en je

kapje op!"

Maar mevrouw d'Ablong was niets gesticht over Elsje's uiting van

geestdrift. "Zulke dingen doen deftige menschen niet, dat behoort

niet zoo," zei ze 's avonds tot haar, toen ze haar nog eens onder

handen nam. "Ik ben anders wel tevreden over je tegenwoordig, maar

je moet heusch wat meer op Cécile letten, die weet altijd precies,

hoe zij zich gedragen moet. De andere gasten keken zoo verbaasd en

vreemd op, toen jij daar opeens zoo hard aan 't roepen gingt!"

Het was misschien niet goed van Elsje, maar _deze_ berisping trok zij

zich heel weinig aan. Zij was zóó blij dat zij de koningin gezien

had en zoo opgetogen over haar, dat er voor 't oogenblik althans,

geen plaats was in haar hart voor spijt over hetgeen ze in haar groote

vreugde had gedaan. Zij luisterde beleefd naar wat hare tante zeide,

maar dacht er verder niet over na.

En wie beschrijft hare verrukking, toen ze op een der eerste ochtenden

na de vacantie, de eetkamer op school inkwam en op haar bord een

pakje vond liggen, dat een groot kabinetportret der jonge koningin

bleek te bevatten. Met groote ingenomenheid bekeek zij het en zag

toen dat achter op het karton geschreven stond:

"_Met hartelijke groeten van Frits d'Ablong. Ter herinnering aan_

18 _Augustus._"

Hoofdstuk XIV.

"Kindersproke."

Elsje · 第 14 / 17 段