"Zij schijnt nog niet in _alle_ opzichten een jonge dame te zijn,"

zei mevrouw van Rensen met een spottend glimlachje. "Uw taak is niet

gemakkelijk, lieve mevrouw."

De arme mevrouw d'Ablong had juist met veel voldoening aan hare

aristocratische kennis verteld, dat Elsje haar "dorpsmaniertjes"

geheel begon kwijt te raken!

"Ik neem hier nu maar afscheid van u," begon mevrouw van Rensen

weer, terwijl zij staan bleef en hare gezellin moeite deed kalm te

blijven. Hoe kon Elsje nu toch ook zoo ongemanierd zijn! "Dag lieve

mevrouw, zal ik Cilly maar hartelijk van u groeten? Loulou is steeds

in één adoratie voor haar."

Mevrouw d'Ablong nam haastig afscheid en liep toen vlug naar Elsje toe,

die half met den rug naar haar toegekeerd stond. Zij keek verschrikt

op, toen zij een hand op haar schouder voelde en een bekende stem

aan haar oor hoorde zeggen:

"Wat doe jij _hier_? Ga terstond mee naar huis."

"O ja tante," stamelde Elsje, "ik .... ik was al op weg. Ik ... ben

maar even uit geweest."

Evert hield hare hand stijf vast en zag ernstig op naar de deftig

gekleede dame, die zoo boos keek.

"Wat is dat voor een kind?" vroeg zij scherp.

"Ik heet Evert, Jacob, Ferdinand Mors," zei het kereltje trotsch,

"en Elsje zegt...."

"Nog eens, wie is dat kind?" viel mevrouw d'Ablong in, terwijl zij

zich met Elsje en Evert van het vischtooneel verwijderde.

"Het is het zoontje van den kruidenier," zei Elsje bijna fluisterend.

"Dus je bent daar _toch_ heen geweest, hoewel ik het je bepaald

verboden had?" vroeg hare tante met ingehouden toorn.

"Ja," antwoordde Elsje heel zacht.

"Waarom knijp je mijn hand zoo vreeselijk stijf?" vroeg Evert met

een helder stemmetje. "Ben je bang voor die mevrouw?"

Elsje antwoordde niet. Het schreien stond haar nader dan het lachen.

"Ik wil nu maar liever naar huis," zei Evert, hare hand loslatend.

"Wij zullen je wel even brengen, kind," zei mevrouw d'Ablong

opeens. "Wijs ons den weg maar."

Tot Elsje's verbazing sloegen zij de breede winkelstraat weer

in. Mevrouw d'Ablong sprak geen woord meer en het was haar aan te zien

dat zij haar best deed, bedaard te blijven. Zij keek in 't geheel

niet naar Elsje, maar strak voor zich uit. De kruidenierswinkel was

spoedig bereikt. Evert duwde gedienstig de rinkelende winkeldeur open

en vloog naar binnen, op zijn moeder toe.

"Wij hebben zoo'n plezier gehad," zei hij, "en er was een vischkar

met een vroolijken man en Elsje en ik..."

"U bent zeker de moeder van dit jongetje?" vroeg mevrouw d'Ablong

beleefd, maar zeer uit de hoogte en zonder er aan te denken dat zij

Evert in zijn verhaal stoorde.

"Jawel mevrouw," antwoordde de kruideniersvrouw, terwijl ze met een

verwonderden blik nu eens naar Elsje, dan naar mevrouw d'Ablong keek.

"Dan mag ik u nog wel eens vriendelijk dank zeggen voor uw gastvrijheid

tegenover mijn nichtje," zei Elsje's tante, terwijl ze haar beurs uit

den zak haalde, er een gouden tientje uitnam en dit op de toonbank

legde. "Dit kan zeker wel voor den spaarpot van uw kleinen jongen

dienen?"

"O ja, ja," riep Evert verheugd. "Staat het koninginnetje erop,

moeder?"

"Het spijt me dat Evert uw geschenk gezien heeft, mevrouw," zei

zijn moeder beleefd, "want ik zou het u liever weer teruggeven. Wij

zijn niet vriendelijk voor Elsje geweest met het doel er geld voor

te krijgen."

"O neen, dat begrijp ik heel goed," zei mevrouw d'Ablong haastig en

vol verlangen om een eind te maken aan het onderhoud. "Maar u wilt

het toch zeker wel aannemen voor den spaarpot van uw zoontje? Ik

.... ik wou u ook nog even zeggen ... u begrijpt ... mijn nichtje

leeft in zoo'n geheel andere omgeving.... Ik geloof dat het voor

beide partijen aangenamer zal zijn, als zij u niet meer bezoekt."

Elsje werd vuurrood en keek het raam uit. Zij _kon_ de goede

kruideniersvrouw niet langer aanzien.

"O! u bedoelt dat wij niet goed genoeg voor haar zijn? Niet deftig

genoeg?" vroeg deze, met iets scherps in hare stem.

Mevrouw d'Ablong zweeg; het was geheel onnoodig deze vragen nog

te beantwoorden. Die vrouw achter de toonbank had het heel juist

uitgedrukt--dat was precies wat zij bedoelde.

"Het zou mij spijten, als ik u gekrenkt had," zei ze eindelijk op

vriendelijken toon. "Ik ben u werkelijk heel dankbaar voor uwe

goedheid tegenover mijn nichtje en zijzelf is vol lof over uwe

hartelijkheid. Maar....

"Jawel, jawel, ik begrijp u heel goed," viel de kruideniersvrouw

snel in, terwijl hare oogen schitterden van nog iets anders dan

verontwaardiging. "Neem je geld terug, als 't je blieft, mevrouw,

wij hebben dat niet noodig. U zult wel gelijk hebben, het zal beter

zijn dat Elsje niet meer hier komt." En met driftige haast begon zij

de theebussen en trommels op de planken aan den muur te verschikken.

Mevrouw d'Ablong wachtte even, kuchte en zei eindelijk:

"Dan zullen wij nu maar heengaan, juffrouw. Ik dank u nog zeer voor

uwe vriendelijkheid jegens mijn nichtje."

De kruideniersvrouw keerde zich snel om. "Ik geloof dat u iets

vergeet, mevrouw," zei ze, toen zij het geld nog op de toonbank zag

liggen. Mevrouw d'Ablong deed precies alsof zij haar niet hoorde en

liep den winkel uit. Elsje volgde langzaam. Met een bedroefd gezicht

wendde zij zich nog even om, keek de kruideniersvrouw smeekend aan

en fluisterde:

"Houd het als 't je blieft voor Evert, och toe, als 't je blieft. We

zien elkaar toch nog wel _eens_ weer, denk ik."

En na den kleinen, zeer verbaasden Evert snel een kus gegeven te

hebben en zijn moeder een treurig afscheidsknikje, haastte ze zich,

zich bij hare tante te voegen.

Deze bleef zwijgend naast haar loopen en deed juist alsof Elsje

niet bij haar was, totdat zij thuis waren gekomen. Toen opende zij

terstond de deur der zijkamer, nam haar nichtje mee naar binnen,

keek haar strak in de oogen en zei zeer beslist:

"Nu zeg ik je eens vooral Elsje, dat ik niet verkies, ja--dat ik

je _verbied_, weer naar die menschen toe te gaan. Heb je me goed

begrepen? Ik verbied het je ten strengste. En als ik ooit bemerk

dat je mijn gebod overtreden hebt, zal ik je stellig straffen, heel

stellig hoor. Begrijp je me goed?"

"Ja tante," zei Elsje, die op dat oogenblik bepaald bang voor haar was.

"Goed. Dan zullen we de zaak nu hierbij laten rusten. Alleen heb ik je

nog te zeggen dat ik er ook sterk tegen ben, dat je 's ochtends alleen

uitgaat--of op welken tijd van den dag dan ook. Pas op dat dat nooit

weer gebeurt. Ik wil het eenvoudig niet meer hebben. Ik wist niet waar

ik me bergen zou van schaamte, toen mevrouw van Rensen en ik je daar

bij die rare vischkar zagen staan. Denk er aan dat je me gehoorzaamt,

anders zal ik andere maatregelen moeten nemen en veel strenger voor

je zijn. Je weet dus nu precies, waar je je aan te houden hebt?"

"Ja, tante, ja."

Hoofdstuk XII.

Naar Buiten!

"Misschien zal het dan toch maar beter zijn Elsje thuis te laten

met Miss Piper," zei mevrouw d'Ablong op een ochtend in Juni, toen

de dokter er geweest was en haar geraden had, Cécile een poosje de

zeelucht te laten genieten.

"O ja mama, veel beter," antwoordde Cilly beslist. "Hadt u er

heusch over gedacht haar mee te nemen? Zij weet zich nog zóó weinig

te gedragen. Verbeeld u, met haar in dat groote hotel en aan table

d'hôte, dat zou immers heelemaal niet gaan!"

"Och, dat weet ik niet. Zij begint toch wezenlijk al aardig aan te

leeren. En de zeelucht zou zeker ook goed voor haar zijn; zij is

bizonder stil den laatsten tijd en ze ziet er ook weer minder goed

uit dan ze gedaan heeft. Het spijt me dat ik den dokter niet eens

gevraagd heb, wat hij ervan dacht."

"Maar mama, hij heeft immers verleden week nog gezegd dat zij nu heusch

totaal beter was en dat ze alleen nog maar wat versterkt behoefde te

worden. Zoo'n rustig tijdje met Missy alleen zal juist heel goed voor

haar zijn. En in September gaan wij immers bij grootmama logeeren. Dan

komt Lizzie dus toch buiten!"

"Och Cilly, waarom blijf je dat arme kind nu toch altijd Lizzie

noemen? Ik vind het zoo overdreven van je. Elsje is immers een heel

aardige naam en je doet er haar zoo'n verdriet mee dat je nog altijd

Lizzie zegt! Zij doet zelf haar best om hier te wennen en zich

naar mijn zin te gedragen, waarom wil jij nu ook niet een beetje

vriendelijker voor haar zijn?"

"Ik begrijp u niet, mama," zei Cécile, terwijl zij zich met een

zucht in een gemakkelijken stoel liet vallen. "Ik dacht juist dat ik

mij niets te verwijten had tegenover Lizzie of Elsje, als u dat dan

zooveel liever hebt. Ik wil haar ook wel Elsje noemen, hoe kon ik ook

weten dat zij daar zoo bizonder op gesteld is! Maar ik vind het heel

verdrietig dat ik het u niet naar den zin heb gemaakt. Ik doe zóó

mijn best. Toen zij jarig was laatst, heb ik nog bloemen voor haar

gekocht en toen heeft ze me daar nog wel zoo overdreven hartelijk voor

bedankt. Ik kon het toch niet helpen dat die verjaardag een treurige

dag voor haar was!"

"Neen Cilly, dat spreekt van zelf, dat kon je ook niet. Maar ik

houd vol dat je meer van Elsje zult kunnen gaan houden, als je dat

wilt--wezenlijk wilt en dat jij kunt maken, dat ze zich hier in huis

meer op haar gemak gevoelt en beter over weg kan met jouw kennissen."

"Maar mama, hoe kunt u het zeggen! Loulou en Cato vinden juist dat

ik er mij bizonder goed onder houd dat Elsje hier moet wonen. Als

u eens wist hoe moeielijk ik het soms vind om mij niet aan haar te

ergeren en niet driftig te worden, als zij rare dingen zegt of doet."

"Nu kom Cilly, dat gebeurt nu toch zoo heel dikwijls niet meer."

"Och, laten wij er maar niet meer over spreken, mama, wij worden het

toch niet eens en--dat zult u misschien heel dwaas vinden--maar ik

krijg er zoo'n hoofdpijn van. De dokter vond bepaald ook dat ik erg

zenuwachtig was. Och, maar dat komt er niets opaan. Ik beloof u dat

ik mij nog meer zal inspannen en laat Elsje dan maar wèl met ons mee

gaan op reis. Laten we dan nu heusch over wat anders gaan spreken,

mama, ik kan wezenlijk niet langer over Elsje praten. Het is heel

flauw van me natuurlijk, maar het agiteert me ontzettend."

En met een air van lusteloosheid leunde zij achterover in haar stoel

en deed hare oogen dicht, alsof ze eigenlijk te moe was om nog een

woord te zeggen.

"Cilly, kindje," zei mevrouw d'Ablong ongerust, terwijl zij opstond

en zich over Cécile heenboog, "voel je je wezenlijk moe? Maar waarom

heb je me dat dan niet eerder gezegd? En heb je hoofdpijn ook? Ja,

je ziet bepaald bleek! Maar snoesje, waarom laat je me dan toch ook

doorspreken?"

"Och het is niets, mama," zei Cécile, hare oogen openend en tot hare

moeder opslaande, "ik voel me alleen maar een beetje op, anders niet."

"Maar hoe komt dat dan? Zou je het je gisteren te druk hebben gemaakt

met dien bazaar? Je hebt toch goed geslapen van nacht?"

"Ja moedertje, zeker. Toe, wees nu maar niet ongerust. Ik ben heusch

heel wel, alleen maar een beetje zenuwachtig."

"Maar Cilly, dat ben je anders nooit, wat is er dan toch? Je hebt

toch niets dat je hindert?"

Cécile zweeg even, toen zei ze:

"Het is heusch niets, mama. Het zal wel weer overgaan, wezenlijk."

"Maar dan gaan we dadelijk naar zee, morgen of overmorgen. Waarom

heb je het mij toch niet eerder gezegd, snoesje? Er _is_ toch immers

niets dat je hindert?"

"Och lieve mama, laten wij er nu maar niet meer over praten. Het is

heel kinderachtig van me om zoo zenuwachtig te zijn. Maar het is waar,

ik voel me eigenlijk al lang een beetje zwak en op. De zeelucht zal

mij wel heelemaal weer opknappen, heusch. Het komt alleen, omdat...."

"Nu, omdat?"

"Och neen, laat ik het u maar niet zeggen. Zullen we dus maar besluiten

dat Elsje met ons meegaat, moedertje?"

"Dat weet ik niet. Elsje kan mij nu ook op 't oogenblik niets

schelen. Wat is er, Cilly? Ik moet het weten!"

Cécile sloeg de oogen neer, keek toen weer op met een smeekenden blik

en zei:

"Ik zeg het heusch liever niet, mama, ik doe er u bepaald verdriet

mee."

"Alsof je me nu geen verdriet doet! Kom kindje, zeg het mij nu."

Weer sloeg Cécile de oogen neer. Toen fluisterde ze, half klagend:

"Ik had het u veel liever niet willen zeggen. Het is alleen maar,

dat.... dat ik zoo moe word van Elsje."

"Moe van Elsje! Hoe meen je dat, lieveling?"

"Ik weet niet hoe ik het zeggen moet, mamaatje," zei Cécile, haar hoofd

tegen den schouder van mevrouw d'Ablong leggend, die teeder de armen

om haar heensloeg. "Het is eigenlijk al heel lang. Het agiteert me dat

Elsje zoo dikwijls iets doet dat u hindert, het maakt me geagiteerd

dat u vindt dat ik niet lief voor haar ben, en.... en... och het

agiteert me heelemaal dat zij er is. Erg flauw van me, vindt u

niet? Ik vind het zelf ook en het is dus veel beter dat zij wel met

ons meegaat. Langzamerhand zal ik die rare kuren wel afleeren."

"En heb je je daardoor nu al lang zwak en moe gevoeld, Cilly? Hoe is

het mogelijk dat ik daar niets van gemerkt heb!"

"Ik heb gedaan wat ik kon om het u niet te toonen," zeide Cécile,

haar moeder een kus gevend. "U hadt toch al genoeg verdriet, lief

moedertje. Maar nu spreken wij er niet meer over, he? En Elsje gaat

stellig met ons mee?"

Maar mevrouw d'Ablong schudde het hoofd.

"Neen, nu gaan we zeker met ons beiden. Arm kindje! Heeft je dat

allemaal zoo gehinderd? Ik ben blij dat ik het weet; Elsje moet nu

stil bij Missy blijven en als wij dan later allen samen bij grootmama

zijn, ben jij weer heelemaal gezond en sterk, hoop ik. En dan zal

langzamerhand alles wel beter gaan."

"Bent u heusch niet boos op mij, moedertje?"

Tot eenig antwoord trok mevrouw d'Ablong haar dichter naar zich toe

en kuste haar. "Boos op jou, lieveling? In 't geheel niet, hoor. Houd

je nu maar heel, heel rustig vandaag. Beloof je me dat?"

"O ja mama; ik ben toch eigenlijk wel heel blij dat u het weet. Het

is zoo'n heerlijke verlichting!"

Een week later waren mevrouw d'Ablong en Cécile vertrokken naar de

drukke modebadplaats, die Cécile het meest aantrok en brak er voor

Elsje een rustige, doch zeer eentonige tijd aan. Miss Piper was lief

en vriendelijk voor haar en aanmerkingen maakte zij weinig, maar

het was een mooie, warme zomer en Elsje kon de drukkende stadshitte

en de benauwde atmosfeer in den tuin van haar tante, nauwelijks

verdragen. Miss Piper deed wat zij kon om het haar aangenaam te

maken. Met groote hartelijkheid sprak zij met haar over den dood

harer grootmoeder en met geduld hielp zij haar aan het handwerk,

een reusachtig stuk tapisserie, waaraan mevrouw d'Ablong wenschte dat

Elsje een gedeelte van haar vrijen tijd zou wijden. Het was gewoonlijk

te warm om 's middags uit te gaan en den eenen dag na den anderen

zaten zij samen op het bordes, dat aan de zaal grensde en op den tuin

uitzag. Elsje's oogen werden moe van het kijken naar het helwitte

zonnescherm, dat boven haar hoofd gespannen was en de kleine tuin

met de keurig aangelegde perken vol vuurroode geraniums en lichtrose

maandroosjes, begon zijn bekoorlijkheid voor haar te verliezen,

toen de langdurige droogte de paden stoffig en hard had gemaakt en

de bladeren der struiken er bestoven en vaal begonnen uit te zien.

Bezoek kwam er, nu Cécile en haar moeder van huis waren, heel weinig en

buitendien waren vele families ook op reis of naar buiten, zoodat het

er langs de grachten somber en doodsch uitzag met zooveel luiken voor

de ramen en briefjes met "afwezig" op de deuren. Op hare dagelijksche

ochtendwandelingen met Miss Piper naar het park, had Elsje dikwijls

een gevoel alsof zij iemand anders was, niet hetzelfde meisje als

die Elsje, die vroolijk en vol levenslust iederen dag begon, toen zij

bij hare grootmoeder woonde, niet hetzelfde meisje als die Elsje, die

grappen maakte met Krelis en de meisjes van het dorp en voor wie tot nu

toe het leven een bron van rein genot was geweest. Het was ook juist,

alsof zij opeens veel ouder geworden was--soms kon zij 's ochtends

opstaan met zulk een overweldigend gevoel van gedruktheid, dat het

haar bijna angstig maakte en zij al hare krachten moest inspannen

om vriendelijk en geduldig te zijn tegen Miss Piper. Dan werd ze

soms boos op zichzelf, verweet zich dat zij schandelijk ondankbaar

was bij al het goede, dat haar tegenwoordig leven toch ook had en

werd dan weer overmand door een hartstochtelijk verlangen naar haar

grootmoeder, door een vurig snakken ook naar één dag, één uur in de

stilte en de schoonheid der natuur. Zij was zoo stil in het bijzijn

der gouvernante en ging er zoo bleek en teer uitzien dat Miss Piper

zich ongerust over haar begon te maken en eindelijk besloot mevrouw

d'Ablong over haar te schrijven. Het liep reeds tegen September, maar

er moest toch nog bijna een maand verloopen eer Cécile en haar moeder

van de badplaats terug zouden komen; het zou dus nog vrij lang duren,

eer Elsje's tante haar weerzag.

Op een drukkend warmen ochtend, terwijl Elsje bleek en met een

vreemde lusteloosheid, die zij vroeger nooit had gekend, tegenover

de gouvernante op het bordes zat te handwerken, haalde deze haar

schrijfgereedschap te voorschijn. Zij was juist een brief aan mevrouw

d'Ablong begonnen, toen de deur der zaal plotseling werd geopend,

een vlugge stap door de kamer klonk en Frits d'Ablong op het bordes

verscheen. Hij zag er bizonder opgewekt uit en zijn gezicht was

bruingebrand door de zon, maar hij keek terstond heel ernstig, toen

hij Elsje's bleeke gezichtje zag en haar scherp onderzoekend aanziende,

vroeg hij vriendelijk:

"Hoe is het, Roodkapje? Nog niet heelemaal weer beter?"

Nu zag Elsje niet bleek meer. Een donkere blos verspreidde zich over

haar wangen en voorhoofd en hare lippen begonnen te beven, toen zij

trachtte te antwoorden. Tot haar ontsteltenis kon zij niet anders

uitbrengen dan: "Ik.... ik ben...." en begon toen opeens bitter

te schreien.

"Het is niets.... niets.... het is erg flauw," snikte ze, boos op

zichzelf en erg verlegen. Wat moest Frits wel van haar denken en

wat had zij nu toch weer? Zij had werkelijk in het huis harer tante

al veel meer tranen vergoten in dien korten tijd dat zij er woonde,

dan in al de jaren van haar vroeger leven.

Vol schaamte wendde zij het hoofd af en wilde opstaan om zachtjes

heen te gaan, maar Frits hield haar tegen met de woorden:

"Ik zie wel dat je nog lang niet beter bent. Kom, kom, wees maar

bedaard. Je moet eens naar buiten, dat zal je goed doen. Het is hier

ook zoo benauwd in de stad. Wat zegt u, Miss Piper, heeft zij de

buitenlucht niet dringend noodig?"

De gouvernante knikte, ernstig toestemmend.

"Grootmama heeft tot voor een paar dagen in de meening verkeerd dat

Elsje met tante en Cécile meegegaan was," hernam Frits, "en ik zelf

ben op reis geweest. Wij dachten niet anders of je waart druk bezig

je frissche roode wangen terug te krijgen in de versterkende zeelucht,

Roodkapje," ging hij lachend tot Elsje voort. "Een paar dagen geleden

eerst hoorde grootmama door een brief van tante, dat jij met Missy

thuis waart gebleven en daarom kom ik je nu uit haar naam vragen,

of je lust hebt nu maar zoo gauw mogelijk bij ons buiten te komen en

dan natuurlijk niet eerder dan met tante en Cilly weer naar stad te

gaan. Wil je, of blijf je liever hier?"

Of zij wilde? Met een kreet van blijdschap en stralende oogen sprong

zij op. "Als.... als ik mag, als tante het goed vindt," stamelde zij.

"Ik ben juist een brief aan mevrouw d'Ablong begonnen," zei Miss Piper

met een geruststellend knikje, "zij vindt het zeker heel goed dat je

gaat. Zal ik het haar vragen?"

"O ja, dolgraag."

"Dus dat blijft dan afgesproken," zei Frits, "ik ben blij dat je er

lust in hebt. Grootmama verlangt erg je eens weer te zien. Wij kunnen

dan samen reizen, want ik blijf een paar dagen hier in de stad. Zou

je tegen overmorgen klaar kunnen zijn? Dan zal tante wel al geschreven

hebben dat zij het uitstekend vindt, dat je bij ons komt."

"O ja, ik kan best klaar, mijnheer," zei Elsje, die een gevoel had,

dat zij eigenlijk op dit oogenblik al klaar was om op reis te gaan.

"_Mijnheer!_ Wat beteekent dat nu, Roodkapje? Weet je wel dat je me

beleedigt, als je me niet eenvoudig Frits noemt, evenals Cilly? Ik

zal jou mademoiselle Roodkapje moeten gaan noemen, als jij mijnheer

tegen mij zegt! Mag ik vragen, hoe oud u zijt, mejuffrouw?"

"Ik ben pas vijftien geworden," antwoordde Elsje lachend.

"En ik pas twee-en-twintig," zei Frits. "Ja, dan moet je toch wel een

beetje eerbied voor me hebben! Je zoudt me wel 'oom' kunnen noemen

als we samen reizen, maar ik heb toch liever dat je Frits zegt. En

wat gaat u dan doen, Miss Piper, als Roodkapje u verlaat?"

"Dan hoop ik reeds nu mijn vacantie te beginnen en naar Engeland

te gaan."

"Dus dan komt alles mooi in orde," zei Frits. "Dan zal ik de dames

nu maar verlaten, dan kom ik morgenavond nog wel even hooren of ik

het genoegen zal hebben, overmorgen Roodkapje mee naar grootmama te

nemen. Dag Missy, dag Roodkapje."

"Ik _heet_ eigenlijk Elsje," zei ze met haar ouden, vroolijken lach.

"Ja, dat weet ik wel, maar ik heb je als Roodkapje leeren kennen en

zoo heet je dus bij mij. Kom, laat mij maar eens netjes even uit,

dat doet Cilly ook altijd."

Elsje gehoorzaamde lachend. Bij de voordeur reikte Frits haar nog

eens de hand en zei: "Nu, dag Roodkapje. Ik zal straks aan grootmama

schrijven hoor, dat je hoogstwaarschijnlijk komt."

"Dag mijn.... Frits," zei Elsje verlegen.

"Zóó! Dat klinkt al _heel_ hartelijk," plaagde hij haar met

een ondeugende flikkering in zijn oogen, maar Elsje overwon hare

verlegenheid, gaf hem met een spottend gezicht een deftige, kleine

hoofdbuiging tot afscheid en deed de voordeur dicht.

Toen verdween al hare deftigheid terstond. Vlug als de wind snelde

zij de gang door, de zaal in en het bordes op, sloeg onstuimig de

armen om Miss Piper's hals, drukte zich tegen haar aan en riep uit:

"O Missy, Missy, ik ben zoo blij, zoo vreeselijk blij. O, hoe heerlijk,

hoe heerlijk!"

En Miss Piper legde de pen neer, schoof den brief van zich af, trok

Elsje dichter naar zich toe en liefkoosde en kuste haar, al maar

zachtjes mompelend: "_Dear little Elsie! Poor darling! I am glad too,

my pet!_"

Het was Elsje alsof haar adem stilstond, toen Miss Piper den volgenden

dag den brief van mevrouw d'Ablong opende, die het antwoord bevatte

op de gewichtige vraag. Gelukkig liet Missy haar niet lang in

onzekerheid. Elsje's tante schreef dat zij er niet tegen was dat

haar nichtje reeds nu naar grootmama vertrok, maar dat Elsje dan

vooral erg haar best moest doen zich _ladylike_ te gedragen en niet

te uitgelaten en te druk te zijn. Miss Piper kon dan naar Engeland

vertrekken en Cécile en zijzelf hoopten over een week of drie ook

bij grootmama te komen.

Twee dagen later, 's middags om twee uur, reed Elsje, in gezelschap

van Frits, naar het station. Het was haar bijna alsof zij droomde,

toen hij haar verzekerde dat zij nog vóór vijven bij grootmama buiten

zouden zijn en zij keek zegevierend naar de stoffige, warme straten

en grachten, die zij langs reden--het was zoo'n heerlijke gedachte

dat zij die nu in weken niet zien zou! Maar bij al haar blijdschap

dacht zij toch telkens aan de waarschuwing harer tante om zich vooral

te gedragen als een jonge dame en toen Frits haar in den coupé had

geholpen en tegenover haar ging zitten, moest hij er om lachen dat

zij zulk een deftig _air_ aannam en hem met zulk een zachte stem

antwoordde op zijn vraag, of zij gemakkelijk zat en of de zon haar

niet hinderde. Er waren nog twee meisjes van Elsje's leeftijd in

den trein. Zij reisden met hare moeder en het duurde niet lang of

Frits had een gesprek met deze aangeknoopt. Langzamerhand geraakten

de drie meisjes ook met elkaar aan het praten en spoedig klonk er

telkens een luid en frisch gelach, als Frits een grappig verhaal deed

of Elsje plaagde. Hij had er plezier in haar aan den gang te brengen

en aardige, gevatte antwoorden uit te lokken op zijn plagerijen en in

een bizonder vroolijke stemming namen zij eindelijk afscheid van hun

reisgezelschap en verlieten den trein bij een schilderachtig gelegen

klein station, dat Elsje levendig herinnerde aan dat van het dorp,

waar zij gewoond had.

"Kijk eens, daar wacht Jacob al op ons," zei Frits, op een ouden

koetsier wijzend, die op den bok van een kleinen _panier_ gezeten,

uitkeek naar de logés van zijn meesteres. Hij groette beleefd toen

hij Frits en Elsje bemerkte en even later zaten zij in het sierlijke

rijuigje. De aardige, jonge paardjes zetten zich vlug in beweging en

voort ging het den straatweg over, het dorpje door en eindelijk door

een prachtige beukenlaan op de bevallige villa toe, die door de oude

mevrouw d'Ablong werd bewoond.

Elsje · 第 12 / 17 段