nauwkeurigheid bekijkend. "Je ziet heelemaal niet bleek."
"Nu niet, omdat ik zoo blij ben dat jij bij me bent."
"Denk je dan dat ik je wat kom brengen?" vroeg Liesje, met zulk een
grappige poging om te kijken alsof zulk een veronderstelling hoogst
ongerijmd zou geweest zijn, dat Elsje hardop lachte.
"Nu, dacht je dat?" vroeg Liesje weer.
"Ik dacht er alleen maar aan hoe prettig ik het vond, je daar opeens
te zien straks," zei Elsje. "Hoe ben je hier toch gekomen?"
"Loulou is beneden bij Cécile, en ik zei dat ik een visitetje bij
jou zou maken," zei Liesje deftig.
"Dat vind ik heel aardig van je."
"Wat denk je dat hierin zit?" vroeg het kleine meisje, het
geheimzinnige grijze pakje bij Elsje's oor houdend en heen en weer
schuddend. Elsje hoorde iets zacht rammelen, maar werd daar niet veel
wijzer door.
"Weet je het niet?" vroeg Liesje.
"Neen, ik kan het niet raden."
Liesje gleed van haar schoot af, liep naar Miss Piper toe, liet het
pakje aan _haar_ oor rammelen, maar met hetzelfde ongunstige resultaat.
"Laat mij probeeren weer," zei Miss Piper, maar het hielp niets.
"O maar, wat dom!" riep Liesje uit. "Nu _moet_ ik het je dan maar
laten kijken," en met een gewichtig gezicht het papier van het pakje
losmakend, haalde zij een paaschei van chocolade te voorschijn en
hield dit Elsje voor.
"Nu al een paaschei?" zei Elsje met groote oogen. "Of heb je dit
misschien van verleden jaar bewaard?"
Liesje schudde ijverig van neen.
"Zij waren nog maar in één winkel te krijgen," zei ze, "en onze
juffrouw wist het."
"Zoo, en je bent er zeker heel blij mee?"
"Het is voor jou," zei Liesje, terwijl ze met een zucht van voldoening
het ei voor Elsje op de tafel legde.
"Voor _mij_!" riep Elsje verheugd uit. "Maar Liesje, heb je dat dan
exprès voor mij gekocht?"
Liesje knikte met een grappig pedante uitdrukking op haar
gezichtje. Toen zei ze haastig:
"Van mama's geld, maar ik heb het bedacht."
Elsje's oogen schitterden even blij als die van haar klein
vriendinnetje. Zij trok het kind naar zich toe en zei:
"Ik ben er heel, heel blij mee. Dank je vriendelijk, hoor."
"Bewaar je het tot Paschen?" vroeg Liesje ernstig.
"Wou je dat liever? Of wou je er nu ook wel graag eens even van
proeven?"
Liesje bedacht zich even en keek met begeerige oogen naar het ei. "Het
ziet er erg lekker uit," zei ze.
"Dan moet je er nu ook maar een stukje van hebben. Wil jij het
kapot maken?"
Neen, dat gewichtige werk moest Miss Piper maar doen, vond Liesje
en met gespannen aandacht volgde zij de bewegingen der Engelsche,
terwijl deze de lekkernij doorbrak en ieder een stukje gaf. Toen
bleef zij nog een poosje babbelen over Tom, die gauw zes jaar werd
en dan naar school ging en eindelijk nam ze afscheid met de stellige
belofte dat ze gauw eens weerom zou komen.
Hoofdstuk XI.
Evert Jacob Ferdinand Mors.
Elsje's herstel kwam langzaam maar zeker en toen het tegen Mei liep
en het voorjaar in het land was, keerde haar gezondheid geheel terug
en begon ze zich met den dag sterker te voelen.
"Je zult nu spoedig weer geheel de oude zijn," zei de dokter, maar
"geheel de oude" zou Elsje, naar hare eigene meening, nooit weer
worden. Zij miste hare grootmoeder zoozeer en de gedachte dat het
gelukkige, zonnige leven met haar nooit terug zou keeren, de gedachte
dat alles zóó anders was geworden, dat ze zulk een geheel andere
toekomst te gemoet ging dan zij zich ooit had voorgesteld, dat zij
haar lief, gelukkig thuis voor goed had verloren en dat het nu haar
plicht was, zich in het deftige, groote huis harer tante op haar
plaats te gaan voelen en zich door deze te laten vormen en kneden,
tot ze eindelijk op den naam van "jonge dame" aanspraak zou kunnen
maken--dat alles drukte haar soms zoo, dat ze zich met zekeren schrik
afvroeg, hoe het kwam, dat er zoo weinig dankbaarheid in haar hart was
voor de zorgen, waarmede mevrouw d'Ablong haar omringde. Deze was, de
eerste weken na den dood van Elsje's grootmoeder, bizonder hartelijk
voor haar geweest en ook nu nog behandelde zij haar vriendelijker
dan ze gedaan had, toen Elsje haar logée was, maar ze kon toch nu
en dan haar ongeduld en wrevel niet onderdrukken, als ze zag, hoe
weinig Elsje nog vorderde in het aannemen van elegante manieren en
meer aristocratische spraak en wijze van zich uit te drukken en hoe
zij er geheel als een jong boerinnetje bleef uitzien.
"Hoor eens Elsje," zei ze op zekeren dag, toen deze vroolijk geworden
door een bezoek van kleine Liesje, die haar in geen enkel opzicht
anders scheen te wenschen dan zij was en volgens hare zuster Loulou,
"een allerdwaaste vereering voor Elsje had opgevat"--"hoor eens Elsje,
ik moet nu toch eens even ernstig met je spreken. Kijk eens, ik wil
je heel graag bij mij houden en ik hoop dat je je hier hoe langer
hoe meer thuis zult gaan voelen, maar je bent nu verstandig en oud
genoeg, dunkt me, om te begrijpen, dat je je nu _anders_ moet gaan
gedragen. Gelukkig was nu zooeven alleen die kleine Liesje er bij,
toen je zoo ongemanierd hard lachte en daarbij je mond zoo ontzettend
wijd opendeedt...."
"Dat doet ze alleen om te laten zien, dat ze mooie, witte tanden
heeft," zei Cécile, die in de kamer gekomen was, terwijl haar moeder
Elsje toesprak.
"Och wat, dat is heelemaal niet waar!" zei Elsje driftig. "_Ik_
ben zoo akelig nuffig niet als jij!"
"Ga liever naar je kamer Cilly, snoesje," zei mevrouw d'Ablong
bedaard. "Elsje weet op 't oogenblik niet goed wat zij zegt. Het
spijt me heel erg te hooren, dat zij haar jaloezie nog altijd niet
overwonnen heeft."
"Och tante, ik ben heelemaal niet jaloersch op Cécile," zei Elsje,
die zichzelf werkelijk weinig in bedwang had thans, opgeschrikt als
zij was uit hare vroolijke stemming door de onverwachte strafpredikatie
harer tante. "Ik ben juist heel blij dat...."
"Zwijg Elsje," viel mevrouw d'Ablong in. "Kom Cilly, ga nu liever
heen."
"O ja mama, met plezier," antwoordde Cécile spottend. Ze keerde zich
om, om de kamer uit te gaan, toen ze zich weer scheen te bedenken en
naar hare moeder terugliep.
"Mama," zei ze zacht, terwijl ze mevrouw d'Ablong met hare
donkere oogen smeekend aanzag, "zult u het u nu heusch niet te veel
aantrekken? Ik vind het zoo naar dat u zooveel moeite hebt met Lizzie
en dat ze u zooveel verdriet doet."
Ze had niet zoo fluisterend gesproken of Elsje had verstaan, wat zij
zeide. Ze beet zich op de lippen, wendde het hoofd af en keek met een
brandend gevoel in hare oogen den tuin in. Schreien wilde zij nu niet,
dàt zou Cécile er niet van hebben, maar o, wat vond zij haar naar,
naar--en wat zou ze haar graag eens flink door elkander hebben geschud
en haar gezegd hebben dat ze nooit, nooit op haar hoopte te gelijken,
in _niets_!
"Kindlief," zei mevrouw d'Ablong, Cécile naar zich toetrekkend,
"zóó erg is het niet. Elsje meent het veel beter dan ze nu toont,
daarvan ben ik overtuigd. Maak je daarover nu maar niet bezwaard,
lieveling. Je ziet heusch wat bleek, snoesje, je moet bepaald van
den zomer weer eens naar zee. Wat is er toch, Cilly, je voelt je toch
immers heel wel?"
"Ja _mother dear_, ik ben alleen maar een klein beetje zenuwachtig;
ik vind het zóó naar voor u."
"Maar kindje, dat moet je je nu heusch zoo niet aantrekken. Alles zal
langzamerhand wel beter gaan. Maar ik vind het toch heel lief van je,
om zoo voor mij te voelen. Ga nu gauw naar je kamer. Keetje zal je
een kop bouillon brengen straks. Laat Miss Piper bij je gaan zitten
en ga dan even op je rustbank liggen."
Cécile ging nu werkelijk heen en geduldig luisterde Elsje verder naar
de terechtwijzingen en raadgevingen harer tante, die bizonder veel
woorden schenen te vereischen. "Ik heb er over gedacht," eindigde ze,
"om je naar een kostschool te sturen, maar ik heb hiervan afgezien,
omdat je je daar waarschijnlijk zeer eenzaam voelen zoudt en je bijna
voortdurend zoudt moeten schamen, niet alleen over je slechte manieren,
maar ook omdat je nog maar zoo heel weinig geleerd hebt en natuurlijk
geheel van voren af aan zoudt moeten beginnen met de talen enz. Van
't najaar zullen we dus een aanvang maken met je goede privaatlessen
te laten geven--voor je gezondheid is het beter dat we nu nog wat
wachten. Je kunt je nu wel vast wat oefenen in het Engelsch met Miss
Piper. Over een poosje zullen Cécile en ik wel naar een of andere
badplaats moeten en ik weet nog niet of we jou dan mee zullen nemen
of niet. Dat hangt ook van je gedrag af. In ieder geval zal ik er
voor zorgen dat je ook nog eens buiten komt van den zomer. Dat zal
je goed doen, denk ik, maar ik verwacht dan ook stellig van je dat
je veel meer je best zult doen dan tot nu toe gebeurd is, om te zijn
en je te gedragen zooals _ik_ dat wil en zooals het ook behoort. Het
spijt mij heel, heel erg dat je het nog altijd niet schijnt te kunnen
verdragen dat Cécile in alles je meerdere is. Het spreekt van zelf
dat zij dat is en dat ze dat blijven zal ook, maar je kunt toch heel
goed probeeren om haar na te volgen wat hare manieren en houding en
alles betreft. Ik zeg je nu nog eens beslist dat ik _verkies_ dat je
je vriendelijk tegenover haar gedraagt en ik raad je sterk aan met
alle macht tegen je jaloezie te strijden. Cilly kan het niet helpen
dat zij mooi is en dat jij niet op haar lijkt."
Elsje antwoordde niet, maar zij voelde zich diep gekrenkt. Alsof zij
er ooit aan gedacht had om jaloersch op Cécile te zijn en dáárom!
Met een zucht verliet ze de kamer, toen hare tante haar daartoe verlof
gegeven had. Voor de zooveelste maal nam ze zich voor nog meer haar
best te doen om het mevrouw d'Ablong naar den zin te maken en een
beetje van Cécile te gaan houden. Maar het was zoo moeielijk en Cécile
behandelde haar altijd zoo uit de hoogte en zoo onvriendelijk! O,
zij _kon_ niet van haar houden! Toen zij den vorigen dag op Cilly's
kamer gekomen was, om voor 't eerst na den dood harer grootmoeder,
de andere meisjes weer te spreken--waren Cato en Emma en zelfs Loulou
vriendelijk voor haar geweest en hadden een paar hartelijke woorden
tot haar gesproken over haar verlies, maar Cécile was al gauw over wat
anders begonnen en een poosje later hadden de meisjes samen zitten
te fluisteren en te giegelen, terwijl Elsje er stil en verlegen
bij zat. Zij was toen eindelijk maar weg gegaan en naar haar eigen
kamer geloopen, met een gevoel van verlatenheid en bitterheid in haar
hart. Ja, ze was toen zoo boos geweest en zoo hevig ontevreden met
haar lot, zoo vol haatdragendheid tegenover Cécile in haar hart--dat
ze geschrikt was voor zichzelf en in wanhopige droefheid de handen
gevouwen had en uitgeroepen: "Help mij toch, o Heer, ik word zoo
slecht!" En zij had toen zoo naar hare grootmoeder verlangd, zoo
vreeselijk, dat het haast niet uit te houden was geweest.
En nu vandaag--alweer die bittere uitval tegen hare tante! Wat moest
zij beginnen?--Zij was heel, heel anders dan vroeger! Toen had ze
zich zoo zelden ongelukkig gevoeld en o nooit, nooit zoo slecht,
zoo bitter, zoo ontevreden met haar lot! Maar och, toen was haar
leven ook blij en vriendelijk geweest, vol heldere, vroolijke
zonnestraaltjes en eenvoudig, rein genot! En dan kwam daar opeens
met bijna onweerstaanbaren drang, een snakkend verlangen in haar
op naar buiten, naar een lange, frissche wandeling, zooals ze die
vroeger zooveel had gedaan--alleen met de ruime, groote natuur om zich
heen--alleen op de heide, alleen tusschen de dennen, den harsgeur met
wellust opsnuivend--alleen op den vriendelijken, schilderachtigen
straatweg, vanwaar zij het huisje harer grootmoeder reeds uit de
verte kon zien liggen--alleen in de heerlijke, vrije, rijke natuur,
ver verwijderd van alle menschelijke kleingeestigheid!
Iederen dag ging ze een eind wandelen met Miss Piper en Cécile. En zij
zag de knoppen der boomen op de pleinen en langs de grachten zwellen
en ze keek op naar de lucht, waarin het zachtwit der kleine wolken
zoo fraai afstak bij het heldere blauw en ze zag den gouden gloed
der zon op het oude, grijze steen van groote, statige gebouwen en op
het dek der schepen in de gracht en in het tintelende, rimpelende
water en op de bogen der bruggen en ze zag al de vroolijke drukte
van het voorjaar in de bonte uitstallingen der kleedermagazijnen en
in de elegante toiletjes der dames en kinderen in de parken en ze zag
dat de stad mooi was in den lentetooi--maar het verkwikte haar niet;
het was haar als kon zij er niet ruim en diep ademhalen--zij snakte
naar de plechtige stilte en de reine, vroolijke lieflijkheid van het
voorjaar _buiten_.
O, wat waren de straten stoffig en warm en wat was het vol en
luidruchtig in het park, waar Cécile altijd zoo gaarne wandelde! Het
wemelde er van rijtuigen en kinderwagens en bovenal van menschen--allen
keurig gekleed, wandelend naast elkaar, netjes en deftig met
parasols en elegante wandelstokken, of rijdend in fraaie equipages
met livrei. Elsje drukte soms hare handen stijf tegen elkaar in de
glacé handschoenen om zichzelf te dwingen, bedaard naast Miss Piper
te blijven loopen.
Met een bijna woeste hartstochtelijkheid kwam er dan een verlangen
over haar, om de nette, geëffende paden langs te hollen in vroolijk
huppelenden draf en het park uit te loopen naar buiten, ver buiten
de stad, naar de weide in het verschiet met de goudgele, glanzige
dotterbloemen, waar het gegons der blijde insecten niet vermengd
was met het geluid van schelle menschenstemmen. En o, om daar dan
de pijnlijk knijpende, nauwe knoopjeslaarzen te mogen uittrekken,
den breeden vilten hoed aan den arm te hangen, de fluweelen jurk uit
te doen en met bloote armen in haar onderlijfje rond te loopen en
adem te halen uit ruime borst in de heerlijke, geurige, reine lucht
en dan neer te vallen op het fluweelzachte, groene gras, te liggen
kijken naar de blauwe, blauwe lucht en met hare handen het frissche,
malsche gras te voelen. Naar buiten, naar buiten!
En dan hoorde ze de vriendelijke stem van Miss Piper naast zich:
"Moe, Elsie? Wou je lijken te gaan huiswaarts? De lucht is te heet;
het is te veel voor je."
En dan knikte Elsje bevestigend. Ja, ze wou maar liever naar huis.
Soms dacht ze, of ze zich misschien nog zoo weinig in hare nieuwe
omgeving op hare plaats voelde, omdat zij den omgang miste met menschen
uit haar eigen stand. En eindelijk vermande ze zich, om aan hare tante
te vragen, of ze het kruideniersgezin eens mocht gaan opzoeken. Ze had
die vraag telkens uitgesteld omdat ze een voorgevoel had, dat mevrouw
d'Ablong haar verzoek met een weigering zou beantwoorden en daarin
had zij zich niet bedrogen. Alleen uitgaan mocht ze niet meer na den
noodlottigen avond van het bal en dat hare tante er ooit uit zichzelf
toe zou komen om met haar een bezoek te maken in den kruidenierswinkel,
achtte zij hoogst onwaarschijnlijk. Toen zij met haar vraag voor den
dag kwam, klonk het terstond zeer beslist: "O neen kind, daar zie
ik volstrekt geen nut in. Die menschen zijn heel vriendelijk voor
je geweest, dat is waar, maar ik vind het allerminst gewenscht dat
je je verder met hen bemoeit en visitetjes bij hen gaat maken. Als
het weer St. Nicolaas is, kunnen we er wel eens iets heensturen en
er bij schrijven dat het van jou komt, maar familiariteiten met hen
verlang ik in 't geheel niet voor je. Ik ben al blij genoeg dat je
nooit een lid van dat gezin tegenkomt op je middagwandeling met Miss
Piper en als dat ooit gebeuren mocht...."
"Wij gaan altijd een heel anderen kant uit, nooit die straat door,"
viel Elsje in.
"En dat is wel heel goed ook. Maar je moet iemand niet zoo onbeleefd in
de rede vallen, Elsje, dat hoort zoo niet. En houd je armen toch niet
zoo wijd van je lijf. Lieve tijd, kind, wat moet ik je dat dikwijls
zeggen! Kom, ga nu maar naar Miss Piper. Ik hoor met genoegen dat je
al een klein beetje begint te vorderen in het Engelsch. Gelukkig dat
je tenminste niet dom bent."
"En ik _wil_ die aardige, lieve menschen dan toch nog eens zien
en hun zeggen, hoe dankbaar ik hun ben voor hun vriendelijkheid op
dien vreeselijken avond," dacht Elsje, terwijl zij naar de leerkamer
liep. "Ik zal hun dan meteen zeggen dat ik nooit weer mag komen,
maar één keer moet ik er nog heen--dat kan tante onmogelijk verkeerd
vinden."
Het besluit was gauw genomen, maar hoe zou ze het ten uitvoer
brengen? Dat ging veel gemakkelijker dan ze had durven hopen.
Op zekeren ochtend was mevrouw d'Ablong uitgegaan om een arm gezin
te bezoeken, Miss Piper lag met hoofdpijn te bed en Cécile was den
geheelen dag bij Loulou van Rensen om haar te helpen met het nummeren
van voorwerpen voor een bazaar. Elsje was dus geheel aan haar lot
overgelaten en, zooals ze met een zucht van tevredenheid bedacht,
geheel vrij. Terstond kwam het denkbeeld bij haar op, dat dit nu een
geschikte gelegenheid was om even uit te gaan en een paar oogenblikken,
heel kort maar, in den kruidenierswinkel door te brengen. Haar
geweten begon onrustig te kloppen bij de gedachte dat zij iets zou
gaan doen dat hare tante hoogst waarschijnlijk af zou keuren, maar
alweer troostte zij zich met de gedachte: "Als ik er heel even heenga
om hen te bedanken en dan zeg dat ik nooit weerom mag komen, _kan_
tante het zoo erg niet vinden," en zonder zich langer te bedenken,
zette zij haar hoed op, deed haar mantel om en ging heen. In de gang
kwam ze Dina tegen, die haar verwonderd aankeek, maar Elsje vroeg
haar met zoo'n grappig deftig _air_, of ze haar even uit wou laten en
liep toen zoo bedaard en netjes de stoep af--ze begon in die dingen
al aardig aan te leeren!--dat Dina tot de overtuiging kwam dat alles
in orde was en met een lachje naar de keuken terugliep. "Ze wordt
heusch al heelemaal een klein dametje," dacht ze.
Spoedig had Elsje de drukke winkelstraat ingeslagen en vlug stapte
ze voort, totdat ze vlak in de buurt van den kruidenierswinkel
kwam. Toen vertraagde zij haar pas en eindelijk bleef ze aarzelend
staan. Plotseling begon haar geweten weer te spreken. Eigenlijk mocht
zij toch niet doen wat ze zoo vurig wenschte, eigenlijk had hare tante
haar toch bepaald verboden naar hare vrienden toe te gaan--eigenlijk
had zij toch maar stil thuis moeten blijven! Wacht, ze zou maar
heel even den winkel voorbijgaan--alleen maar één enkel oogenblik
naar binnen kijken. Dan zou ze weer bedaard naar huis terug gaan en
nooit weer haar best doen met het kruideniersgezin in aanraking te
komen. Langzaam liep ze den hoek om, het verboden terrein voorbij,
toen zij eensklaps de deur van den winkel rinkelend hoorde opengaan
en Everts blijde kinderstem hoorde roepen: "Elsje! Elsje! Moeder,
moeder, daar is Elsje eindelijk!"
Nu was het gedaan met Elsje's bedachtzaamheid. Zij bleef staan, liet
zich door den verrukten Evert in den winkel trekken en stond weldra,
met een van blijdschap stralend gezicht, voor haar vroegere gastvrouw.
"Dag Elsje," zei deze op hartelijken toon, "dat is goed, dat we je
eindelijk eens weerzien. En ben je hier nog altijd gelogeerd?"
"Neen," zei Elsje, terwijl de blijde trek van haar gezicht verdween,
"mijn grootmoeder is gestorven en nu blijf ik hier."
"Och, wat is dat treurig; is je grootmoeder dood? Arm kind! En blijf
je nu bij je tante?"
"Ja," zei Elsje, bij de gedachte aan mevrouw d'Ablong weer onrustig
wordend, "en ik kom u nu maar heel even bedanken dat u zoo goed en
vriendelijk voor me geweest bent, toen op dien akeligen avond. Ik
.... ik vergeet dat bepaald nooit, maar nu moet ik weer weg."
"Weer weg! Nu al! En je bent er net! Kom, dat meen je niet en Evert
heeft al zoo lang naar je verlangd."
"Ja, maar ik moet toch heusch dadelijk weer naar huis. Ik bedank u
nog hartelijk voor alles."
"Nu ja, dat weet ik nu wel dat je heel dankbaar bent, maar ik vind
het niet aardig, als je niet nog wat blijft. Kom Evert, haal maar
eens even een stoel voor Elsje--wij kunnen niet naar binnen gaan,
want mijn man is uit en ik kan den winkel niet alleen laten."
Evert kwam hijgend en met een vuurroode kleur van inspanning met een
stoel aansjouwen en met de woorden: "Dan blijf ik nog even," ging
Elsje zitten. En zonder zich een oogenblik te bedenken, vertelde ze
nu wie zij was en waar zij gewoond had en hoe hare tante heette en
hoe moeilijk zij het nog vond aan het stadsleven te wennen. Gevleid
door de zeer groote belangstelling der kruideniersvrouw, die met
een verbaasd gezicht naar haar luisterde, terwijl Evert steeds met
grappige vragen tusschenbeide kwam, als hij niet begreep wat zij
zeide, babbelde Elsje druk voort, totdat de schel der winkeldeur en
het binnenkomen van een klant haar stoorden en zij opsprong met een:
"Maar nu moet ik heusch terstond weg."
"Dan breng ik je een eindje," zei Evert zeer galant en deftig. "Moeder,
mag dat? Mag ik even met Elsje mee?"
"Ja, maar dan een heel klein eindje hoor, niet verder dan tot de
gracht, waar Elsje woont. En dan dadelijk weer thuis komen, anders
wordt moeder ongerust."
Evert vloog heen om zijn pet te halen en een oogenblik later trippelde
hij, druk pratend, naast Elsje voort.
Tot haar blijdschap zag zij op de klok in den bekenden bloemenwinkel
dat het eerst elf uur was. Hare tante zou dan zeker vooreerst nog
niet thuiskomen--zoo heel veel haast behoefde ze dus eigenlijk
niet te maken. Het was zoo aardig en gezellig om langzaam voort
te drentelen met den aardigen, kleinen Evert naast zich, die haar
zooveel te vertellen had! Wat zou het heerlijk zijn, als hare
tante nog van besluit veranderde en haar toestond hare vrienden
geregeld te bezoeken--al was het maar één keer in de maand bij
voorbeeld. Over mevrouw d'Ablong en Cécile had zij heel weinig met
de kruideniersvrouw gesproken--hare natuurlijke fijngevoeligheid
had haar daarvan weerhouden. Ook had ze niet over haar lot geklaagd;
dat zou zóó ondankbaar geweest zijn, vond ze. Och heden, daar waren
zij al bij de gracht, dan moest ze Evert nu terugsturen en zelf ook
weer naar huis gaan. Juist wilde zij haar vriendje goedendag zeggen,
toen een grappig tooneeltje voor het smalle hoekhuis der stille gracht,
haar aandacht trok.
Een steviggebouwde vischboer, klein van stuk, maar overigens stoer
en forsch, met een rond, frischrood gezicht, levendige bruine oogen,
die half listig, half schalksch keken, en geelblond haar, waarvan een
lok van voren onder zijn pet uitkwam, stond, met zijn vischkar naast
zich, druk over zijn koopwaar te onderhandelen met het dienstmeisje
van het hoekhuis. Zij schenen het niet eens te kunnen worden over
den prijs der "prachtige, springlevende" botjes, die de boer niet
ophield met groote welsprekendheid aan te prijzen. Een slagersjongen
met een mand op den rug en een paar straatjongens stonden met open
monden te luisteren naar het levendige debat, zonder er zich ook maar
een oogenblik in te mengen. Het zeer belangstellende, toeschouwende
publiek werd thans nog vermeerderd door Elsje en den kleinen Evert.
"Geloof me, kindlief, ik kan ze je onmogelijk minder geven dan voor
zestig cents," begon de vischboer weer.
"Dat kan je begrijpen, vijf-en-veertig," zei het dienstmeisje,
"geen cent meer en dan zijn ze nog heel goed betaald ook!"
"Dat meen je niet! Ik zie aan je gezicht dat je het niet meent. Dat
kan ik immers niet doen! Al stond de koningin daar nu in eigen persoon
voor me..."
"Nu heel best dan," viel het dienstmeisje snibbig in, "dan moet je
het laten, maar houd me dan ook niet langer op," en meteen maakte
zij een beweging, alsof ze de voordeur wou sluiten.
"Nou, neem ze dan in vredesnaam maar," zei de consequente vischboer
met een zucht en met een gezicht, alsof hem het grootste onrecht werd
aangedaan. "Ik kan nou eenmaal niet zoo van jou weggaan, daarvoor
heb ik te veel hart voor je, maar anders, 't is schande, schande."
"Ja, praat jij maar toe," lachte het dienstmeisje, "kom, maak ze maar
gauw schoon. Ik heb wel wat anders te doen dan hier den heelen morgen
naar jou te staan luisteren."
Op dit oogenblik, terwijl Elsje en Evert met de grootste aandacht
het gesprek volgden, kwam mevrouw d'Ablong, in gezelschap van mevrouw
van Rensen, de gracht langs. De laatste zag Elsje het eerst.
"Vergis ik me, of is dat uw nichtje, die daar staat te kijken naar
die onappetijtelijke vischkar?" vroeg ze aan haar buurvrouw.
"Wel neen, Elsje is thuis," zei mevrouw d'Ablong, maar ze keek toch
haastig naar de plek, waar de vischboer nog stond met zijn bewonderend
gehoor om zich heen.
"Ja, ik geloof toch, dat zij het is," zei ze snel. "Hoe durft ze! Ik
begrijp niet...."