De oppasser bracht den mantel, keurig in een doos gepakt, aan de

kruideniersvrouw terug met een eigenhandig geschreven briefje van

mevrouw d'Ablong. Elsje had haar verteld dat zij den naam harer tante

niet had genoemd en ook niet had gezegd waar deze woonde en mevrouw

d'Ablong vond het bij nader inzien ook onnoodig, het kruideniersgezin

daaromtrent thans in te lichten. Zij gebood den oppasser de vrouw

een belooning in geld te overhandigen, niet te zeggen wie hem zond

en schreef het volgende briefje:

"_Elsje's tante zendt u haren vriendelijken dank voor de goede zorgen

en de gastvrijheid, aan haar nichtje verleend._"

De kruideniersvrouw keek vreemd en wat teleurgesteld op, toen ze het

briefje las. De belooning in geld wezen haar man en zij eenigszins bits

van de hand; dàt was het niet, waarnaar zij verlangden, maar: "ik had

gedacht dat het meisje zelf ons hartelijker zou hebben behandeld," zei

ze. De geheele geschiedenis bleef even raadselachtig als zij geweest

was, vooral toen Elsje niet meer van zich liet hooren en ook niet in

den winkel verscheen, hoewel Evert telkens verlangend naar haar uitzag.

Hoofdstuk X.

Grootmama.

"Een telegram, mevrouw, of u zoo goed wilt zijn, hier even uw naam te

teekenen," met deze woorden kwam Dina twee dagen later de eetkamer

binnen, waar mevrouw d'Ablong, grootmama, Miss Piper en Cécile aan

het ontbijt zaten.

"Zeker _toch_ een telegram van Lizzie's grootmoeder," zei Cécile

ontevreden, "om te vragen hoe het op dit oogenblik met haar is. En

u zoudt nog wel niet te alarmeerend schrijven, mama!"

"_Cilly, Cilly dear_," begon Miss Piper op vermanenden toon, maar op

het zelfde oogenblik uitte de oude dame een kreet van schrik en vroeg:

"Mijn hemel Lize, wat is er? Wat zie je doodsbleek! Zeg toch in

vredesnaam wat er is!"

"Mijn lieve moeder is gestorven," zei mevrouw d'Ablong met bevende

lippen, het telegram aan grootmama overreikend, "ze is van nacht

plotseling heengegaan, terwijl wij rustig lagen te slapen. Mijn lieve,

lieve moeder!"

Zij bedekte haar gezicht met de beide handen en begon zacht te

schreien. Cécile stond langzaam van tafel op.

"Och moedertje, wat spijt me dat voor u," zei ze, haar arm om haar

moeders hals slaande en bij haar neerknielend. "Geen wonder dat u

bedroefd bent, arme mama! Ja, leg uw hoofd maar tegen mij aan en

schrei maar eens goed uit! Wat een vreeselijk plotseling bericht

ook--zij hadden u toch ook eerst wel een brief kunnen schrijven,

om u wat voor te bereiden."

"Ik moet er dadelijk heen, ik moet terstond op reis," zei mevrouw

d'Ablong, met koortsachtige haast van tafel opstaande en Cécile zacht

van zich afduwend. "Ik wil mijn lieve moeder ten minste nog even zien,

voordat... voordat ze begraven wordt. Och, waarom heeft zij zoo alleen

moeten sterven! Waarom was ik niet bij haar! Ik zou stellig nog eens

naar haar toegegaan zijn, als Elsje niet ziek geworden was...."

"Ja, die arme Elsje, wat zal die ontzettend bedroefd zijn," zei de

oude dame zacht, "zij verliest _alles_ in hare grootmoeder."

"Och heden ja, wat moet zij nu beginnen, nu staat ze heel alleen op

de wereld," zei Cécile, "hier kan ze natuurlijk niet blijven en ze

is nog te jong om in betrekking te gaan."

"Foei Cilly," zei haar grootmoeder verwijtend, "hoe zou je moeder er

nu ooit toe komen om dat lieve kind aan haar lot over te laten! Haar

plaats is...."

"Ja, zeker, Elsje's plaats is _hier_," viel mevrouw d'Ablong

zenuwachtig in, geheel vervuld als zij op dit oogenblik was van het

verlangen om te doen wat zij maar kon, om hare nalatigheid tegenover

hare moeder op een of andere wijze goed te maken.

Cécile haalde even nauw merkbaar de schouders op, maar zweeg. Hare

moeder was nu veel te bedroefd om bedaard over iets te kunnen praten,

redeneerde zij bij zichzelf, maar dat Elsje voor goed hier in huis

zou blijven was natuurlijk al te dwaas.

"Het zal heel moeielijk zijn, het arme kind te vertellen dat hare

grootmoeder gestorven is," begon de oude dame weer, "vooral omdat

het bericht haar licht weer erger ziek zou kunnen maken. Wij kunnen

het toch niet lang voor haar verborgen houden natuurlijk."

"Neen, dat gaat niet," zei mevrouw d'Ablong zeer zenuwachtig. "En wie

zal het haar zeggen? Ik moet terstond op reis en zij slaapt nu nog--de

dokter heeft zoo gezegd dat zij zooveel mogelijk rust moet hebben."

Zij keek haar schoonmoeder met een angstig vragenden blik aan en deze

knikte haar geruststellend toe.

"Ik zal van ochtend wel met den dokter spreken en hem vragen of ik

het haar zeggen mag," zei ze.

"Wilt u dat doen? Dan ben ik u heel, heel dankbaar. Dan ga ik nu

terstond naar boven om mij klaar te maken. Ja Cilly lieveling, ik

wil heel graag dat je even met mij mee gaat naar mijn kamer. Och,

ik had jou ook zoo graag nog eens meegenomen naar haar toe; nu is

het te laat."

Ja, nu was het te laat! Het was zeker niet meer dan natuurlijk dat

Cécile, onder de bestaande omstandigheden, weinig of niets voelde

voor den dood der brave, oude vrouw, die zulk een trouwe, goede moeder

voor Cécile's eigene mooie moeder was geweest, maar mevrouw d'Ablong

voelde toch een steek in haar hart, toen Cilly, terwijl ze bij de

voordeur afscheid van haar nam, bedaard zei:

"Als het er is, neemt u dan een portret van uw moeder mee, mama? Ik

weet heelemaal niet hoe zij eruitzag."

En Elsje? Het arme kind had sedert den ochtend, waarop zij van haar

vreemden tocht was teruggekeerd, al den tijd te bed doorgebracht. De

dokter had bedenkelijk het hoofd geschud, toen hij haar voor de tweede

maal bezocht, gezegd dat hij bevreesd was voor een longaandoening en de

grootste voorzichtigheid aanbevolen. Het was mogelijk dat de ziekte van

tamelijk langdurigen aard zou zijn en het was dus niet ongewenscht dat

de patiënt op een vroolijker kamer lag, ergens waar zij de zon eens

kon zien en niet alleen de kachel warmte bracht. Grootmama opperde

terstond het plan dat haar kamer, die ruim en vroolijk was en aan den

zonnigen tuinkant lag, voor Elsje in orde zou worden gemaakt. Zoo heel

lang zou zij zelf toch niet meer blijven logeeren en buitendien kon

zij heel goed slapen op de logeerkamer, waar de patiënt nu lag. Deze

werd dus, terdege in wollen dekens gewikkeld, naar het andere vertrek

overgebracht en daar lag zij thans gerust te slapen, terwijl Keetje

nu en dan heel zacht binnenkwam om de kachel te verzorgen en te zien

of de zieke al wakker was en naar haar ontbijt verlangde. Eindelijk

hoorde ze Elsje diep zuchten en met een zwak stemmetje vragen:

"Ben jij daar, Keetje?"

"Ja jongejuffrouw, bent u goed wakker? Zal ik dan uw ontbijt maar

halen?"

Er kwam geen antwoord, zoodat Keetje naar het bed toe ging en haar

vraag herhaalde. Elsje lag nog met gesloten oogen; thans opende zij

die en zei met een lachje:

"Ik ben toch zoo vreeselijk lui. Ik zou best nog een beetje kunnen

slapen."

"Dan zou ik het maar doen ook--straks kom ik wel eens weer naar u

kijken. Kom, doe maar gauw de oogen weer dicht."

"Ja. Maar Keetje...."

"Ja, jongejuffrouw?"

"Hoe is het met allemaal beneden? Goed?"

Keetje zweeg verlegen. Straks zou het arme kind weten wat er niet

"goed" was--hoe moest zij haar vraag beantwoorden?

Maar Elsje maakte het haar gemakkelijk. Zij wachtte Keetje's antwoord

niet af, maar had haar hoofd al weer op het kussen omgedraaid en was

bijna weer in slaap.

Het was omstreeks elf uur, toen ze verkwikt en met een heerlijk

gevoel van flink uitgerust te zijn, opnieuw wakker werd. Met geopende

oogen, maar zich overigens geheel overgevend aan een behagelijke

gewaarwording van zalige rust, bleef ze doodstil in dezelfde houding

liggen, al haar aandacht wijdend aan een vriendelijken zonnestraal,

die onder de neergelaten gordijnen door naar binnen scheen. Ze voelde

zich te zwak en te dommelig op dit oogenblik om er aan te denken,

hoe mooi en lieflijk het thans buiten zijn moest, waar het vroege

voorjaar de kastanjes reeds deed uitbotten en over alles licht en

glans wierp. Het was haar genoeg, warm gekoesterd te mogen rusten in

het ruime, makkelijke bed, dat de lieve oude dame haar had afgestaan

en stil tevreden te zijn, omdat het akelige gehamer en gesis in haar

hoofd en de benauwde pijn op haar borst zich van ochtend nauwelijks

deden gevoelen.

Even bleef ze zoo liggen, toen ze plotseling geheel wakker werd door

een gefluister in hare nabijheid, waarvan ze duidelijk de woorden

opving:

"Ja, het zal toch maar beter zijn dat het haar nu gezegd wordt. Ze zal

toch naar hare tante vragen, als zij die den geheelen dag niet ziet

en buitendien ben ik er volstrekt geen voorstander van, dergelijke

dingen voor patiënten verborgen te houden, als het niet absoluut

noodzakelijk is."

Elsje herkende de stem van den dokter en hoorde grootmama antwoorden:

"Dan moet ik het haar straks zeggen, als zij wakker is, het arme

kind! Wilt u ook nog even naar haar kijken, dokter, al slaapt ze?"

"Neen, neen, ik slaap niet," riep Elsje uit, geheel opgeschrikt uit

haar zoete rust. "Wat is er, wat is er?"

"Stil, stil, rustig meisje, rustig," zei de dokter, met de oude dame

naderbij komend. "Kom, ik ben zoo gewend dat mijn patiëntje gehoorzaam

is. Ga gauw weer liggen, zóó!" En hij legde zijn koele hand op haar

voorhoofd en dwong haar stil te blijven liggen.

"Maar wat is er toch, dokter?" vroeg ze weer.

De dokter antwoordde niet, maar nam een stoel en ging bij het bed

zitten, bevoelde Elsje's pols, deed haar eenige vragen en zei toen

op hartelijken toon:

"Er is iets gebeurd, Elsje, daar je heel bedroefd om zijn zult. Er

is van ochtend bericht gekomen over je grootmoeder en dat bericht is

niet gunstig."

Zij bleef hem strak aanzien, maar scheen nog volstrekt niet te

vermoeden, waar zijne woorden op doelden.

"Elsje," zeide de oude dame zacht, terwijl ze zich over haar heenboog

en haar diep in de oogen zag. "Mijn lief, lief kind, je grootmoeder

is gestorven."

Elsje keek haar aan, met zulk een vreemde, onzekere uitdrukking in

de oogen, zoo geheel alsof zij niet begreep wat haar gezegd was,

dat grootmama zachtjes herhaalde:

"Zij is dood, Elsje."

"Neen, neen!" riep het arme kind nu, terwijl ze met een woeste beweging

de beide handen der oude dame greep, "dat kan niet, dat kan niet! Dat

bericht is verkeerd, zoo ziek was grootmoeder niet! Maar ze is zeker

erger, dan wil ik naar huis... en dan mag ik ook wel! Ik ben zooveel

beter en ik verlang zoo vreeselijk..."

"Dat zou nu niet meer helpen, Elsje, ze is werkelijk gestorven."

"En ik heb haar niet eens meer gezien! Mijn arme, lieve grootmoeder! Ik

kan niet zonder haar leven, dat kan ik niet! Och, was ik hier maar

nooit heengegaan! En nu is er niemand meer, die wezenlijk van mij

houdt en die mij noodig heeft! O, ik had nooit van haar weg moeten

gaan--mijn lief, lief grootmoedertje! Och, was ik nu ook maar dood,

was ik nu ook maar dood!"

En alsof ze niet getroost wilde worden, alsof ze de medelijdende

uitdrukking in de oogen die haar aanzagen, niet kon verdragen,

alsof haar smart te groot was om het daglicht te zien, drukte zij

haar hoofd diep in het kussen en begon hartstochtelijk te snikken.

"Laat haar maar uitschreien, dat zal haar goed doen," fluisterde de

dokter. "Ik ga nu heen, maar ik kom stellig van middag of van avond

nog even terug."

Hij stond op en was op het punt, de kamer te verlaten, toen Elsje

hem met een zwakke stem terugriep.

"Dokter," fluisterde ze, zoo zacht dat hij zich moest inspannen om

te verstaan wat zij zeide: "Denkt u.... zou het kunnen.... zou ik

ook gauw dood gaan, misschien?"

"O neen, dat geloof ik volstrekt niet," zei hij zeer ernstig.

"En het is natuurlijk slecht om het te wenschen?"

"Jij moogt het zeker niet wenschen, Elsje. Zou je grootmoeder dat

ook gewild hebben?"

"Neen, neen," zei ze, maar ik kan niet zonder haar leven, dat kan

ik niet."

En met een kermenden zucht keerde zij het hoofd naar den muur.

Den geheelen dag bleef zij in dien toestand van ontroostbare

droefheid. De oude dame was bijna voortdurend bij haar, Keetje

verzorgde haar liefderijker en trouwer dan ooit, men trachtte haar

van smakelijk toebereide schoteltjes te doen proeven--maar zij at

nauwelijks, schreide weinig na die eerste uitbarstingen lag maar

stil, steeds met het hoofd naar den muur toegekeerd, zonder iets te

zeggen of eenig teeken te geven dat zij bemerkte wat om haar heen

gebeurde. Toen de dokter weer kwam, was ze even ingesluimerd. Hij

oordeelde het beter, haar niet wakker te maken en beloofde den

volgenden dag terug te zullen komen.

Na een onrustigen nacht en een bitter droevig ontwaken, lag zij den

ochtend daarop moe en lusteloos, met een vreemde onverschilligheid, die

haar zelf verbaasde, voor zich uit te staren, te uitgeput om geregeld

te kunnen nadenken. Men had haar verteld dat haar tante weggereisd was

om bij de begravenis tegenwoordig te kunnen zijn, maar dit had weinig

indruk op haar gemaakt. Het was haar nog als leefde zij in een bangen

droom--maar als ze soms, als met een schok, uit dien droom scheen te

ontwaken, was alles zoo ontzettend, zoo benauwend donker en eenzaam om

haar heen dat zij zich angstig afvroeg, hoe het mogelijk zou zijn om

voort te leven met die alles overheerschende smart in haar binnenste.

Het was aan den middag van dien dag, dat grootmama zich bedaard aan

de tafel zette, die bij het raam was geschoven en met een vriendelijk

knikje naar Elsje, die lijdelijk toezag wat ze deed, haar haakwerk

opnam en de grove haakpen vlug door de zachte wol liet glijden,

waarvan een grappig klein kindermanteltje moest worden vervaardigd. De

gordijnen waren aan den achterkant van het huis niet neergelaten en

terwijl de oude dame rustig zat te werken, wierp het zonlicht schuine

stralen op haar gestalte en deed het mooie, witte haar glinsteren

als zilver. De vriendelijke, bruine oogen werden vochtig, terwijl

zij ze op haar werk hield geslagen, want al keek zij niet op, ze

voelde toch wel hoe Elsje's oogen dof en treurig naar haar keken en

haar hart was vol medelijden voor het arme kind, dat nergens troost

scheen te kunnen vinden voor haar smart.

Eindelijk liet ze haar werk in den schoot zakken, keek peinzend naar

buiten in het heldere, vroolijke licht vol leven en lente, legde toen

wol en haakpen naast zich neer op de tafel, en schoof, de ingeving van

haar hart volgend, een in zwart kalfsleer gebonden boek naar zich toe.

Elsje had met hare oogen hare bewegingen gevolgd, zonder er veel

belang in te stellen.

De oude dame sloeg een paar malen de bladzijden van het boek om,

dat met groote, duidelijke letters gedrukt was; toen begon ze met

hare welluidende stem hardop te lezen:

"_Ik hef mijne oogen op naar de bergen, vanwaar mijne hulp komen zal_.

"Mijne hulp is van den Heer, die hemel en aarde

gemaakt heeft.

"Hij zal uwen voet niet laten wankelen, uw Bewaarder

zal niet sluimeren...."

Elsje hield den blik onafgewend op haar gevestigd en er kwam een

wonderlijke verandering in de uitdrukking van haar gezicht, terwijl ze

luisterde naar de bekende woorden van den psalm--denzelfden psalm,

dien zij haar grootmoeder op dien gedenkwaardigen Zondagochtend

voorgelezen had.

Reeds toen ze de eerste woorden hoorde, week hare onverschilligheid

en aandachtig, onwillekeurig de handen vouwend, luisterde ze naar

de lieve stem en dronk de troostende woorden in, die deze las. Er

heerschte een vredige rust in de kamer, waar de zon een gouden gloed

wierp over de doffe tinten van het tapijt en grillige figuren tooverde

op het behang en de donkergroene bedgordijnen van het mahoniehouten

ledikant. Schilderachtig en aantrekkelijk was de gestalte der oude

dame, zooals zij daar zat, met het grijze hoofd even voorover gebogen

over den Bijbel en de kleine, gerimpelde handen rustig gevouwen

in haar schoot. Dartele zonnestraaltjes speelden over haar japon,

het zwart kanten mutsje en het witte haar, maar zij verschoonden het

oude, schoongevormde gelaat, waarop thans een eenvoudig kinderlijke

uitdrukking lag. Het was alsof er een weldadige invloed uitging

van hare geheele persoonlijkheid en het luisterende kind bleef haar

aanzien met een glans van innige dankbaarheid in de oogen, toen de

psalm reeds geëindigd was.

Grootmama keek zwijgend voor zich uit, nadat ze de laatste woorden

had gelezen: _"De Heer zal uwen uitgang en uwen ingang bewaren, van

nu aan tot in der eeuwigheid,"_ en het was Elsje, als zag ze haar

eigene grootmoeder voor zich, zooals deze tegenover haar had gezeten

aan den ochtend, waarop zij zelf haar den psalm had voorgelezen,

die haar getroost en bemoedigd had, evenals hij het nu haar

kleindochtertje deed. Ze bleef stil liggen en voor het eerst sedert

het bange oogenblik, waarop men haar had verteld dat haar grootmoeder

gestorven was, keerde de hoop terug in haar hart en was het haar, als

voelde zij zich gesteund door een sterke hand, gesteund om geduldig en

geloovig te dragen wat haar werd opgelegd, getroost door de woorden:

_"Mijne hulp is van den Heer, die hemel en aarde gemaakt heeft."_

Het bleef een poosje stil in de kamer, toen klonk het zacht en bedeesd:

"Grootmama."

De oude dame keek snel op. Niettegenstaande zij Elsje herhaaldelijk

had aangemoedigd haar bij dien naam te noemen, was deze altijd met

zekere verlegenheid "mevrouw" blijven zeggen, bevreesd als zij was

dat hare tante en Cécile er aanmerking op zouden maken als zij anders

handelde. Nu dacht zij hieraan echter niet, ze voelde alleen maar

een onuitsprekelijk verlangen, haar hart uit te storten tegenover de

lieve vrouw, die zoo goed scheen te begrijpen hoe vreeselijk bedroefd

zij was en welken troost zij noodig had.

"Ja lieveling," zei grootmama, naar het bed toegaande.

"Ik wou u graag eens vertellen van grootmoeder.... van dien psalm...."

En met de hand der oude dame in de hare vertelde zij van den ochtend,

waarop hare grootmoeder haar had gezegd dat zij afscheid moesten

nemen voor een tijd. Hoe zij er tegen op gezien had hier te komen

en hoe ze bang was dat men hier heel weinig van haar hield en dat ze

hier nu toch zou moeten blijven en hoe zij graag haar best wou doen,

maar het zoo heel moeielijk vond precies te wezen, zooals ze moest,

en hoe ze veel liever zou willen werken en zelf haar brood verdienen,

als zij weer beter was en hoe gelukkig en vroolijk haar leven was

geweest bij haar grootmoeder in het aardige kleine huisje. En hoe zij

er tegen op zag, altijd in een stad te moeten wonen en een jonge dame

te moeten worden en hoe verschrikkelijk moeielijk het haar toescheen,

altijd precies te weten wat ze zeggen moest en hoe ze zich moest

gedragen. En hoe erg ze soms verlangen kon om terug te zijn in haar

vriendelijk dorp en lange wandelingen te maken over de ruime heide en

langs den breeden straatweg--en hoe haar grootmoeder óók had gezegd

dat zij nooit alleen zou zijn, want dat er Een was, die haar altijd

nabij zou wezen en....en....hoe ze dat zelf ook geloofde. Eindelijk

zei grootmama dat ze nu al zooveel had gepraat dat zij zich te moe

zou maken, als ze nog meer zeide en dat ze nu eens probeeren moest,

of zij niet wat slapen kon. Ze moest zich nu maar bedaard houden

en vast _blijven_ hopen dat ze geholpen zou worden, altijd. En zij

mocht niet denken dat niemand hier van haar hield, want dat wist

ze wel beter en allen zouden zeker langzamerhand nog meer van haar

gaan houden en wat haarzelve betrof, zij hield van Elsje, alsof ze

haar eigen kleindochtertje was, dat wist zij immers wel? En Elsje

knikte haar dankbaar toe. Ja, dat had ze wel gevoeld dat grootmama

van haar hield en zij vond haar zoo lief en goed.... En toen ze dit

zeide, strekte zij de armen uit en het gezicht der oude dame naar

zich toetrekkend, drukte zij er een kus op. "Dank u wel voor alles,"

fluisterde ze--toen viel ze in een gerusten slaap.

Stil en terneergedrukt keerde mevrouw d'Ablong van haar droevige reis

terug. De oude vrouw was 's nachts kalm ingeslapen, nadat zij den

vorigen dag erg had geklaagd over benauwdheid en een duizelig gevoel

in het hoofd. 's Ochtends was zij nog een brief aan Elsje begonnen,

met het voornemen dien 's avonds af te maken. Toen had ze zich echter

zoo ongesteld gevoeld, dat ze maar gauw naar bed gegaan was en men

om den dokter had gezonden. Deze had haar poeiers gegeven en gezegd

dat zij vooral niet op moest staan, voordat hij den volgenden ochtend

weer bij haar was geweest--en toen die ochtend kwam, lag zij met een

uitdrukking van vrede op haar gezicht, dood op hare legerstede. Aafje's

zuster was 's nachts herhaaldelijk opgestaan om naar haar te kijken en

de patiënt sliep toen telkens rustig, totdat hare verzorgster haar een

diepen zucht had hooren slaken en naar haar toegegaan was, om te vragen

of zij weer benauwd was en nog eens wou innemen. Op dat oogenblik had

Elsje's grootmoeder den laatsten adem uitgeblazen. De dokter had toen

's ochtends terstond aan mevrouw d'Ablong getelegrafeerd.

Deze had den begonnen brief voor Elsje meegenomen, benevens enkele

kleinigheden, waaraan zij meende dat het meisje gehecht zou kunnen zijn

en ook den grooten, ouderwetschen Bijbel, waarin de oude vrouw nog een

der laatste dagen van haar leven met bevende letters Elsje's naam had

geschreven. Of zij daarbij een voorgevoel gehad had van haar naderend

einde? Haar kleindochtertje las den begonnen brief met brandende oogen.

"Mijn lief kind," las ze,

"Wat begin ik nu erg te verlangen dat je weer thuis komt. Het

is mij net alsof je al maanden weg bent geweest. Krelis heeft

het poesje maar weer mee naar huis genomen, hij zou het voor

je bewaren, zei hij. Aafje's zuster is er zoo bang voor en

het arme diertje kan geen goed bij haar doen. Wil je aan

tante zeggen ...."

Dat was alles. Het bericht over Elsje's ziekte was juist te laat

gekomen. Met een diepen zucht gaf zij den brief ter lezing aan mevrouw

d'Ablong, die zeer ontroerd was geweest, toen zij haar weerzag. De

trotsche vrouw was geheel onder den indruk van de eenvoudige

plechtigheid der begrafenis in het dorp, waar ze haar jeugd had

doorgebracht en van het vredig sterven der moeder, wier liefde zij

zoo weinig had gewaardeerd. Voor 't oogenblik althans was haar hart

vervuld van een vurig verlangen om tegenover Elsje goed te maken wat

zij tegenover de oude vrouw had verzuimd en met groote hartelijkheid

sprak zij het bedroefde meisje toe en beloofde haar dat _zij_ nu

voor haar zorgen zou en haar een gelukkig thuis verschaffen. Er

viel een lichtstraal van hoop in Elsje's hart, terwijl ze naar haar

luisterde en iets van haar ouden moed en frisschen levenslust keerde

terug. En er kwam een blik van verbaasde dankbaarheid op haar gezicht,

toen ook Cécile, die hiertoe door hare moeder was aangespoord, haar

vriendelijk toesprak en--hoewel met een haperende stem--zeide, dat

zij hoopte dat Elsje gelukkig zou zijn hier, in haar nieuw tehuis.

Intusschen herstelde Elsje slechts langzaam. Zij bleef hoesten

en aanvallen van koorts krijgen en moest nog steeds haar kamer

houden. "Geduld maar, geduld maar, wij gaan toch vooruit," zei de

dokter en Elsje _was_ geduldig en droeg hare beproeving en haar

leed zoo moedig mogelijk. Het was een zware dag voor haar, toen

grootmama weer naar buiten vertrok en aan den middag van dien dag

zat ze stil en ernstig voor zich uit te zien in den tuin, met een

gevoel van verlatenheid in haar hart, dat zij te vergeefs poogde

te overwinnen. Miss Piper zat bij haar en hare tante had haar een

ruikertje Maartsche viooltjes gebracht, maar daardoor was hare

stemming niet opgewekter geworden en ze moest zich geweld aan doen

om hare tranen te bedwingen.

Daar hoorde zij plotseling een wonderlijk gestommel op de trap en

het vroolijk, helder gelach van een kind; toen een hoog stemmetje,

dat riep: "Jawel, ik kan best alleen. Ik zal wel roepen bij de

deur--ga maar gauw weer weg!" en daarop een getrippel van kleine

voetjes op het portaal. "Open de deur!" riep het heldere stemmetje

weer en toen Miss Piper haastig aan dit verzoek had voldaan, vertoonde

zich een alleraardigste kleine gedaante op den drempel. Twee groote,

donkerblauwe oogen, schitterend van pret, keken uit een rond, blozend

kindergezichtje, waaromheen een donkerrood, geplooid kaperhoedje

was gestrikt, van dezelfde stof gemaakt als het ruime manteljurkje,

dat bevallig neerhing om de kleine gestalte. In hare beiden handen

hield het kleine meisje, stevig vastgeklemd, een eirond voorwerp,

dat in een grijs papier was gewikkeld.

"Daar kom ik aan!" zei ze met een vroolijk gezicht naar Elsje

toeloopend, nadat ze eerst heel beleefd Miss Piper een handje had

gegeven.

"Liesje!" riep Elsje uit, terwijl het kind op haar schoot klauterde,

waarbij het kostbare pakje groot gevaar liep uit de kleine handen

te vallen.

Elsje · 第 10 / 17 段