Zij trok de dunne rose jurk en hare dansschoentjes uit en besloot

zich maar niet verder uit te kleeden en zoo in bed te gaan. Zij was

veel te gejaagd, veel te veel onder den indruk van het half onbestemde

denkbeeld dat zij het druk zou hebben morgen en vroeg klaar zou moeten

zijn, om zich thans rustig te kunnen ontkleeden en bedaard te gaan

slapen. Zij huiverde en rilde van koude en zenuwachtigheid en toen

ze de kaars uitgeblazen had en was gaan liggen, scheen het haar een

onmogelijkheid toe, dat zij in slaap zou komen. Haar hoofd begon te

kloppen en te gloeien en met tergende duidelijkheid stonden haar nu

eensklaps de bezwaren voor den geest, die aan haar terugreis op morgen

zouden zijn verbonden. Ze had geen geld bij zich--hoe zou ze dan een

kaartje kunnen betalen? Grootmoeder zou misschien, neen zeker, heel

boos zijn, als ze zoo opeens voor haar stond, weggevlucht van hare

tante. En tante zelf--die zou het haar zeker nooit, nooit vergeven,

nog minder misschien dan het verliezen van het parelsnoer. En ze

kon toch ook niet reizen in die dunne, lichte jurk, zonder hoed of

iets! Maar misschien zou de kruideniersvrouw haar wel een of ander

willen leenen--als zij ten minste iets had, dat haar paste. Ja,

ja, die zou haar wel willen helpen, als ze kon. Maar mocht ze wel

weggaan, zou hare tante zich niet erg ongerust maken waar zij toch

was--morgenochtend aan het ontbijt zou men haar natuurlijk missen! O,

wat moest ze beginnen, wat moest ze beginnen! Ze wist zich geen raad,

heelemaal geen raad en onrustig woelde zij op het bed heen en weer,

totdat eindelijk een weldadige slaap zich over haar ontfermde en haar

tijdelijk rust gaf.

Intusschen was het bal bij mevrouw d'Ablong onafgebroken, met

steeds toenemende levendigheid, voortgezet. Cécile was na de

tooneelvoorstelling geheel en al de koningin van het feest geworden

en hare moeder zag met fiere goedkeuring, hoe iedereen als om strijd

haar dochtertje fêteerde. Zij bemerkte vrij spoedig dat Elsje zich

uit de danszaal had verwijderd en hoewel zij haar die straf zelf niet

zou hebben opgelegd, vond zij het niet kwaad dat Elsje toonde zich

genoeg te schamen over haar gedrag op het tooneel, om maar liever

niet meer mee te dansen. Ze zal naar hare kamer gegaan zijn, dacht

mevrouw d'Ablong en ze vatte half en half het voornemen op, naar haar

toe te gaan en haar na een ernstige terechtwijzing te vergunnen, zich

weer bij de dansenden te voegen--maar werd in de uitvoering van dit

plan telkens verhinderd door de gedachte dat Elsje zich misschien

weer op een of andere manier "kinderachtig" zou gedragen en haar

compromitteeren. Neen, het was wellicht maar beter dat het lastige

kind boven bleef. Cécile had nu ook juist zoo heel veel plezier,

dat zou misschien veranderen, als Elsje weer beneden kwam. Zij moest

straks maar eens even naar haar gaan kijken en als zij dan wat al

te bedroefd was, haar wat lekkers brengen--een portie ijs en een

taartje--en zeggen dat zij in 't vervolg maar wat beter haar best

moest doen. Misschien had Cécile ten slotte toch gelijk gehad; het

was niet verstandig geweest, Elsje tot het feest te laten blijven. Ze

kon nu in de volgende week ook wel weer vertrekken. Hare tante zou

haar dan zelf brengen en meteen eens zien, hoe de oude grootmoeder

het maakte--de laatste berichten waren iets minder gunstig geweest.

Mevrouw d'Ablong haastte zich niet, Elsje op haar kamer te gaan

toespreken. Frits had al een paar maal gevraagd of "Roodkapje" heusch

naar bed gegaan was. Dat had zij nu niet moeten doen, beweerde hij;

zóó erg was het toch niet dat zij nog niet gewend was om als actrice

op te treden! Hij vond het jammer dat zij nu in 't geheel niets aan

de partij had. Kon hare tante haar niet laten zeggen of gaan zeggen

dat ze wezenlijk weer beneden komen moest?

Mevrouw d'Ablong gaf op beide vragen een ontwijkend antwoord. Zij vond

het niet noodig Frits op de hoogte te brengen omtrent de beweegredenen,

die haar noopten, Elsje van de balzaal verwijderd te houden--Frits

zag dat zij het onderwerp van Elsje's afwezigheid liever verder

onaangeroerd liet en sprak dus over wat anders. Later zocht hij nog

eens of hij Elsje ook ergens in een verborgen hoekje zag zitten,

maar toen al zijn pogingen vruchteloos bleven, gaf hij het op en

kwam tot de overtuiging dat zij zich werkelijk voor goed op haar

kamer had teruggetrokken. Cécile was blij dat Elsje "zoo verstandig"

geweest was naar bed te gaan en Loulou en Cato waren het geheel met

haar eens. Emma vond het jammer, maar zei niet veel en de overige

gasten hadden nog te weinig van Elsje gemerkt, om zich erg over haar

al of niet tegenwoordig zijn te bekommeren.

Er gingen dus twee, drie uren voorbij, voordat iemand bemerkte dat

Elsje het huis harer tante had verlaten. Tweemaal was deze op het punt

naar boven te gaan, maar telkens werd zij door een of ander in haar

voornemen verhinderd en toen zij het eindelijk ten uitvoer bracht,

was het laat en hadden de gasten reeds afscheid genomen. Het laatste

rijtuig reed weg en Cécile liet zich met een zucht op een der canapés

neervallen, volkomen bereid nog een praatje met Frits te houden voordat

ze naar boven ging, toen hare moeder opeens met een verschrikt, bleek

gezicht weer binnen kwam met het onrustbarende bericht dat Elsje

niet op haar kamer was en noch Keetje, noch de andere dienstboden,

noch grootmama en Miss Piper haar hadden gezien. Niemand begreep waar

zij heengegaan kon zijn. Keetje en Dina waren bezig het geheele huis

te doorzoeken, maar ook dit was vruchteloos, zooals bleek toen de

beide dienstmeisjes in de danszaal verschenen.

"Zijn jullie overal geweest en heb je Anna ook ondervraagd?"

"Ja mevrouw," zei Dina, "maar Anna is den geheelen avond in de keuken

geweest, natuurlijk. Zij had de jongejuffrouw in 't geheel niet gezien,

zei ze."

"Wat moet ik beginnen?" zei mevrouw d'Ablong zich tot Frits wendend,

die angstig toegeluisterd had.

"Ik weet het waarlijk niet, tante," zei hij. "Misschien zal het

het beste zijn dat ik er terstond op uitga en eens zie of ze in

haar droefheid over haar mislukt spel ook naar buiten geloopen en

verdwaald is. Zij houdt zoo ontzettend veel van wandelen en in de

lucht zijn en het is mogelijk dat ze op dezen mooien avond even de

straat opgeloopen is...."

"Dan heeft ze al een heel raren tijd uitgekozen voor hare wandeling,"

viel Cécile scherp in. "Kom mama, zij zal wel weer terug komen, ik zou

mij nu maar niet dadelijk zoo ongerust maken. En wat behoeft Frits er

nu ook terstond op uit te gaan, ze komt natuurlijk van zelf wel weer

terug! Als ze wezenlijk zoo dwaas is geweest om te gaan wandelen en

verdwaald is, zal een politieagent haar wel weer thuis brengen."

"Neen, neen, neen! Ik heb geen rust, voordat ze veilig en wel weer hier

is," zei Frits. "Dat arme kind! Ik ga dadelijk mijn jas aantrekken,

tante."

"Och Frits, wees nu toch niet zoo onverstandig!" riep Cécile. "Ik

vind het onzinnig, als je gaat!"

"Dat is niet anders," antwoordde Frits snel. "Ik ga onmiddellijk. Als

ik haar niet vind, zal ik dan de politie maar in den arm nemen, tante?"

"Ja, ja, zeker. Doe alles maar precies, zooals 't jou het best

dunkt. Je bent een heerlijke steun voor me, Frits; wat moest ik

beginnen zonder jou van nacht?"

Frits hoorde de laatste woorden niet eens meer, hij was de kamer al

uit en heel spoedig daarop het huis.

"Ga jij nu maar dadelijk naar bed, kindje," zei mevrouw d'Ablong

tot Cécile, die erg uit haar humeur was, "anders heb je morgen nog

hoofdpijn. Je zult toch wel al moe zijn."

"Ja mama, ik blijf natuurlijk niet op," zei Cécile wrevelig, "ik

zou niet weten waarvoor ik dat doen zou. Gaat u niet naar bed? Dat

vervelende kind zal wel terug komen, daar zou ik me niet ongerust

over maken."

"Ik hoop het hartelijk," zei hare moeder, "maar natuurlijk ben ik

ongerust, Cilly, dat spreekt nu toch waarlijk van zelf. Ik wou dat

ik Elsje hier maar nooit te logeeren had gevraagd."

"Ja, dàt wou ik ook," zei Cécile zeer beslist. "Toe mama, gaat u

nu toch mee naar boven. Dina en Keetje en Anna desnoods ook, kunnen

immers wel opblijven."

"Neen, neen, ik ga niet naar bed, voordat ze er weer is. Loop vooral

zachtjes voorbij grootmama's kamer, Cilly. Zij was bijna in slaap,

toen ik zooeven bij haar kwam en ik heb haar alleen maar gevraagd of

Elsje ook bij haar geweest was. Zij weet niet dat zij weg is."

"Dat is ten minste één geluk," zeide Cécile. "En Missy?"

"Die zal mij wel gezelschap houden van nacht. Zij weet alles."

"O, dus dan blijft u ten minste niet alleen, gelukkig. Nacht

moedertje."

"Nacht lieveling. Probeer je dan heusch om gauw in slaap te komen en

je niet te angstig te maken over Elsje?"

"Ik ben heelemaal niet angstig, mama. Ik wou dat u het maar wat minder

waart. O, daar is Missy! Ik hoop dat dat nare wachten niet te lang

zal behoeven te duren."

Maar het wachten duurde wèl lang. Cécile was reeds een paar uur vast

in slaap, mevrouw d'Ablong had de dienstboden naar bed gestuurd en Miss

Piper en zijzelf begonnen hoe langer hoe ongeduldiger en ongeruster te

worden, toen Frits eindelijk terug kwam. Hij zag er moe en verslagen

uit. Nergens had hij eenig spoor van de vluchteling kunnen ontdekken,

alleen had een politieagent even over tienen een meisje in een lichte

jurk de gracht langs zien snellen. Hij had haar de straat op den hoek

zien inslaan, maar haar verder uit het oog verloren.

Het was verschrikkelijk. Mevrouw d'Ablong verloor geheel hare

zelfbeheersching en snikte het uit, zichzelf de hevigste verwijten

doende, dat zij niet eerder naar Elsje had omgezien. Frits en Miss

Piper deden al wat zij konden om haar tot bedaren te brengen. De

politie was van alles onderricht, verzekerde Frits en zou zeker het

verloren schaap wel weer terug brengen--zij moesten niet zoo gauw

den moed verliezen. Maar zijn stem beefde, terwijl hij dit zeide

en de vreeselijkste vermoedens rezen bij hem op, als hij bedacht,

hoe weinig Elsje den weg kende in de groote stad en hoe licht zij

in het water geloopen of op een andere wijze verongelukt zou kunnen

zijn. Telkens zag hij haar weer voor zich, zooals hij haar voor 't

eerst gezien had met het aardige, roode kapje om het frissche, jonge

gezichtje en met de dankbare uitdrukking in de blauwe oogen. Ook hij

verweet zich dat hij haar te veel aan haar lot had overgelaten na de

tooneelvoorstelling en hoe hij ook zijn best deed hoopvol te blijven,

zijn ongerustheid werd grooter, hoe meer het eene uur na het andere

verliep, zonder dat de politie iets van zich liet hooren.

Mevrouw d'Ablong liet zich eindelijk overhalen, even op de canapé

te gaan liggen en wat te rusten, toen de ochtend langzaam begon

te naderen.

Zij waren op Cécile's kamer gaan zitten, omdat het na het eerste

half uur in de half ontredderde balzaal niet meer uit te houden

was. Voortdurend herinnerd te worden aan al de luidruchtige

vroolijkheid, die daar kort geleden had geheerscht en dan zoo

beangst van hart te zijn, was niet te dragen. En de onzekerheid,

die hen bleef kwellen, den geheelen nacht door, was ook nauwelijks

te dragen;--toen de morgen aanbrak, kon zelfs Frits zijn ongerustheid

niet meer verbergen.

Het was ongeveer zeven uur en nog zoowat schemerdonker, toen

Elsje gewekt werd door een gebons tegen haar deur, dat door twee

kleine, stevige vuisten werd veroorzaakt. "Elsje, Elsje, opstaan,

opstaan!" riep Evert's kinderstemmetje zoo luid, dat Elsje al

heel vast zou hebben moeten slapen, als zij niet reeds door het

vuistenbombardement wakker geworden was. Met een zucht richtte zij

zich op. Een oogenblik keek ze verbaasd om zich heen, heel spoedig

echter herinnerde ze zich waar ze was, waarom ze half gekleed te

bed lag en hoe het kwam dat ze zich zoo moe en dof en ongelukkig

voelde. Nog nooit was haar zoo sterk de neiging overvallen, om haar

hoofd weer op het kussen te leggen en weer te gaan slapen--nog nooit

was zij met zulk een treurig, moedeloos hart den dag begonnen. Haar

frissche, jonge levenslust had haar tot nu toe hiervoor bewaard, ook

al de dagen die zij reeds bij hare tante aan huis had doorgebracht,

maar nu--nu was het alsof alle moed haar had begeven, nu scheen het

haar toe dat op dit oogenblik niemand zoo ongelukkig, zoo verlaten,

zoo hulpeloos was als zij.

"Ben je wakker?" riep Evert weer ongeduldig. "Je moet opstaan. Ik

ben al bijna heelemaal klaar. Moeder zegt dat je op moet staan."

Hij luisterde een seconde, of zij ook antwoordde, toen riep hij weer:

"Mag ik even bij je komen?"

Die vraag kon Elsje niet onbeantwoord laten. Er kwam een flauw lachje

op haar gezicht, zij sprong het bed uit en deed de deur open. Daar

stond Evert in al de glorie van bretels, een echten jongensbroek en

een rood wollen lijfje.

"Ik moet mijn kiel nog aan, zie je," zei hij. "Maar ik ben al

gewasschen en mijn haar is ook al opgekamd."

Dat was wel te zien, de blonde kuif stond recht en glimmend van het

water overeind.

"Maar, wat ben jij ook al ver!" vervolgde hij op teleurgestelden toon,

"ik dacht dat je nog op bed lag, toen ik je kwam roepen."

"Dat was ook zoo," zei Elsje.

"Heb je je dan zóó gauw aangekleed? Je moet je toch zeker alleen nog

maar wasschen en je jurk aantrekken, he?"

"Ik ben niet uitgekleed geweest," zei Elsje, die te waarheidlievend

was om hem in den waan te laten, dat ze zóó gauw terecht kon met

haar toilet.

Evert keek haar met groote oogen aan.

"Ben je dan met al je rokken aan in bed gaan liggen?" vroeg hij. "Mag

je dat van je moeder?"

"Ik heb geen moeder meer," zei Elsje, terwijl ze bij hem neerknielde

en de tranen haar in de oogen schoten. "Neen, ik _mag_ eigenlijk

niet half aangekleed gaan slapen, zooals ik van nacht gedaan heb,

maar ... maar...."

"Waarom begin je opeens te schreien?" vroeg Evert medelijdend. Hij

legde zijn kleine ronde armen om haar hals, drukte haar hoofd tegen

zich aan en zei: "Heb je je pijn gedaan? Zal ik het afkussen?" En

zonder Elsje's antwoord af te wachten, raakte hij haar wang zacht

aan met zijn roode lipjes.

"Neen, ik heb geen pijn," zei Elsje, hem door hare tranen heen

lachend aanziende, "en het is heel flauw van me dat ik schrei. Ik

zal me ook maar eens flink wasschen en mijn haar netjes opkammen,

net als jij. Kom, ik moet maar gauw voortmaken." En zij sprong snel op.

"En ik moet mijn kiel nog aan," zei Evert met een gewichtig

gezicht. "Dan kom ik weer bij je terug als ik heelemaal klaar

ben. Vindt je dat goed?"

"Ja best."

Evert verdween om zijn kiel aan te trekken en vader en moeder met

veel drukte te vertellen, hoe Elsje "bijna heelemaal aangekleed"

in bed gelegen had.

Ons meisje deed al haar best in een moediger stemming te

geraken. "Kom," zei ze bij zichzelf, toen Evert haar verlaten had,

"ik wil nu werkelijk niet langer zoo flauw zijn. Eigenlijk is het ook

dom van me geweest om weg te loopen gisteravond, want nu wordt tante

natuurlijk straks heel ongerust, als ze me aan het ontbijt niet ziet

en ik weet zelf niet eens wat ik beginnen moet. Het zal misschien het

allerbeste zijn dat ... dat ik toch weer naar tante terug ga straks

... en haar eerlijk alles vertel...."

Dit was zeker een kloek besluit, maar kalmer werd Elsje er niet op

toen zij het genomen had. Zij werd hoe langer hoe zenuwachtiger, toen

zij zich voorstelde welk een ontvangst haar in het huis van mevrouw

d'Ablong wachten moest en niet dan met inspanning gelukte het haar,

eenige aandacht te schenken aan haar toilet. Zij moest eens even

vrij ademhalen--hoe was het mogelijk dat zij dat akelige korset had

aangehouden van nacht--hè, zij zou het even uittrekken! Zoo gezegd,

zoo gedaan, en een kreet van verbazing en vreugde ontsnapte haar, toen

ze haar onderlijfje en het korset losgemaakt had en plotseling iets

ritselend op den grond hoorde vallen, dat ... het kostbare parelsnoer

bleek te zijn! Waarschijnlijk was het slootje door grootmama niet heel

stevig vast gemaakt en los gegaan, toen Elsje voor het open raam naar

buiten zat te kijken. Op voor haar onverklaarbare wijze was het snoer

van haar hals af en naar beneden gegleden en tusschen het verachte

korset vastgeraakt. Met stralende oogen raapte zij het van den grond

op, bekeek het nauwkeurig, zag tot haar groote blijdschap dat het in

't geheel niet beschadigd was en legde het voorzichtig neer op een

stoel. Met de grootste haast kleedde en waschte zij zich toen. Nu

moest ze in ieder geval maken dat ze zoo gauw mogelijk weer bij hare

tante terug was. Als zij maar niet telkens zoo vreemd duizelig geweest

was en het niet zoo akelig geklopt en gebonsd had in haar hoofd! Zij

moest ieder oogenblik eens even stilstaan om op haar verhaal te

komen. Het was of het kamertje met haar in de rondte draaide--hè,

zoo raar! Toen ze een glas water gedronken had werd het een beetje

beter, maar ze bleef zich toch rillerig en onaangenaam voelen en trok

huiverend de dunne, rose jurk aan,--ze was zóó koud! Maar ze _moest_

zich haasten--als ze terstond als ze klaar was naar het huis van

mevrouw d'Ablong terugliep, zou ze misschien nog vroeg genoeg komen

om zich even te kunnen verkleeden en aan het ontbijt te zijn, voordat

haar tante beneden was. Zij zou haar dan alles vertellen natuurlijk,

hoewel ze daar vreeselijk tegen op zag, maar dat kon niet anders,

dat sprak van zelf.

Daar werd de deur van haar kamertje geopend en de kruideniersvrouw

stond voor haar met Evert aan de hand.

"Goed geslapen, Elsje?" vroeg ze vriendelijk. "Wacht, laat ik die

jurk maar eens even voor je vastmaken. Zóó. Maar meisje, wat zijn je

handen ijskoud! Ga maar gauw mee naar beneden, daar begint de kachel

al heerlijk te branden."

"Ik zou eigenlijk graag dadelijk naar huis willen gaan," zei

Elsje. "Kijk, dit was het, wat ik verloren had. Ik dacht dat het

voor goed weg was gisteravond en toen ben ik weggeloopen van tante

in mijn schrik. Maar ik had het niet moeten doen; het was verkeerd

van mij en daarom moet ik nu terstond naar huis--anders wordt tante

bepaald ongerust."

"Maar je moet toch eerst een boterham eten, Elsje, en wat warms

drinken en dan zal mijn man wel dadelijk naar je tante toegaan en

haar zeggen waar je bent. Vertel mij maar even waar ze woont."

"Neen, neen, ik moet zelf gaan en dadelijk," zei Elsje erg gejaagd,

terwijl ze de parelen, die de onschuldige oorzaak waren geweest van

zooveel onrust en angst, in den zak van haar jurk liet glijden. "Ik

moet nu terstond weg, wezenlijk. Ik dank u heel vriendelijk dat ik hier

heb mogen slapen en ... als ik kan, wil ik ook graag eens wat voor

u doen, maar nu moet ik naar tante terug. Is ... is er misschien ook

een oude hoed voor mij en een doek of zoo iets? Ik ben zoo erg koud."

"Waarom heb je je zomerjurk aan?" vroeg Evert, "en waarom ga je

dadelijk weer weg? Blijf je niet met me spelen van ochtend?"

"Neen, neen, nu niet, een anderen keer."

"Hè, waarom nu niet?" vroeg Evert weer met een pruilend lipje.

"Stil jongen, niet lastig zijn," zei zijn moeder. "Elsje komt wel eens

gauw weer terug, is 't niet Elsje? Ze moet ons dan nog een heeleboel

vertellen. Waar ze woont en waar ze logeert en hoe haar tante heet

en nog allerlei dingen meer, maar nu gaan we naar beneden."

De goede vrouw was, zooals te begrijpen is, erg nieuwsgierig wie en wat

Elsje eigenlijk was, maar Elsje was veel te zenuwachtig om nauwkeurig

te letten op wat zij zeide en haar te antwoorden en toen ze een reepje

brood gegeten had en een slokje gedronken uit het glas met warme melk,

dat de kruideniersvrouw haar voorzette, stond ze snel van tafel op,

liet zich een ouden, wijden wintermantel van haar gastvrouw aantrekken,

betuigde dat zij het best zonder hoed kon doen, toen er niet dadelijk

een voor haar te vinden was, nam afscheid van het kleine gezin en

liep snel den winkel uit. Evert riep haar nog na of zij niet een nieuw

zakje met rozijnen hebben moest, want zij had hem verteld hoe zij het

vorige was kwijt geraakt, maar zij hoorde hem niet eens meer en liep

op een draf voort, de drukke straat door en de deftige gracht op.

Het was nu acht uur en de melkboeren, bakkers en enkele dienstmeisjes,

die zij tegen kwam, keken haar verbaasd na, terwijl zij in haar

zonderling kostuum voortsnelde. Het was dan ook een wonderlijke

verschijning: die meisjesgestalte gehuld in een vaalbruinen, lakenschen

mantel met ouderwetsche, neerhangende wijde mouwen, die ver over de

handen vielen--daaronder de lichte, in 't oog vallende jurk en de

zijden kousen met de lage, goudlederen schoentjes en het blonde haar,

dat woest in den wind fladderde.

Maar evenmin als den avond te voren stoorde Elsje zich nu aan de

blikken der voorbijgangers; zij liep voort, voort, tot ze eindelijk

geheel buiten adem op de stoep stond van het huis van mevrouw

d'Ablong. De kruidenier had aangeboden haar thuis te brengen, maar

zij had zijn aanbod afgeslagen, overtuigd dat zij veel vlugger zou

kunnen loopen als ze alleen was. Nu ze echter op de stoep stond en

aangescheld had, scheen het haar toe dat ze er niet zoo verschrikkelijk

tegen op zou hebben gezien naar binnen te gaan, als er iemand bij

haar was geweest. In haar hoofd begon het nog harder te kloppen en

klappertandend, rillend en bevend wachtte zij het oogenblik af, dat de

deur geopend zou worden. Lang behoefde zij niet te wachten. De deur

werd met een ruk open gedaan door Frits, die bij iedere schel hoopte

dat er bericht van de politie zou zijn en met smeekende oogen en de

woorden: "O, het spijt me zoo vreeselijk!" liep Elsje de gang in. Op

hetzelfde oogenblik overviel haar zulk een hevige duizeling dat ze

zich onmogelijk staande kon houden en met de handen rondtastend en

een zwakken kreet om hulp, op het marmer neerzakte. In een oogenblik

had Frits haar van den grond getild en zijn arm om haar heenslaande,

zei hij zacht:

"Stil maar Elsje, stil maar. Wij zijn heel blij dat je er weer

bent. Haal maar eens flink adem. Zoo! Steun nu maar goed op

mij. Tante is binnen. Wij gaan dadelijk naar haar toe. Niet bang

zijn, het is niets, niets. Kom, kom, niet zoo beven! Straks maar

gauw naar bed, he? De warmte zal je goed doen. Arm kind, arme kleine

Roodkapje! Gelukkig dat wij je weer hebben."

"Wat is er, is er bericht?" vroeg de stem van mevrouw d'Ablong

haastig, terwijl de deur der kamer waar zij had zitten wachten,

snel werd geopend. "Toe Frits, kom toch gauw."

"Er is heel goed bericht tante," zei Frits, "ik kom u Elsje zelf

brengen," en een oogenblik later stond hij met Elsje, die er doodsbleek

en zeer bevreesd uitzag, voor Miss Piper en Mevrouw d'Ablong.

"O tante, tante," riep het arme kind, "het spijt me zoo vreeselijk! Het

spijt me zoo vreeselijk! Hier zijn ze weer! Ik dacht dat ze

weg waren gisteravond en toen ben ik weggeloopen in mijn angst,

omdat.... ik.... bang was dat u heel boos zoudt zijn.... maar hier

zijn ze weer!" En snel haalde ze de kostbare parelen uit haar zak

en legde ze haar tante in de hand. Toen begon ze weer over al hare

leden te beven, alles draaide voor hare oogen en met den uitroep:

"Ik ben zoo koud, zoo akelig koud!" viel ze op een stoel neer.

"_She is fainting, she's fainting!_" riep Miss Piper bij haar

neerknielend, terwijl zij uit alle macht Elsje's handen begon te

wrijven; maar flauw vallen deed deze nog niet, hoewel ze zich hoe

langer hoe zieker en akeliger begon te voelen.

"Ik zal me dadelijk gaan verkleeden, tante," zei ze, met een zwakke

poging om op te staan, "och wees maar niet al te boos op mij, het

spijt me zoo vreeselijk, zoo vreeselijk! Het was heel leelijk van me

om weg te loopen, maar ik was zoo bang en toen....

"Niet praten zooveel," zei Miss Piper. "Jij moet nemen een lange rust

en probeeren te slapen."

"Tante, tante, bent u erg boos?" riep Elsje, angstig naar mevrouw

d'Ablong kijkend, die met Frits stond te fluisteren.

"Neen kindje, neen," zei ze, veel te blij dat Elsje er weer was om haar

te kunnen beknorren. "Wind je nu maar niet zoo op. Je bent ziek en je

moet maar dadelijk naar bed. Frits zal naar den dokter gaan, die zal

je wel gauw weer opknappen, hopen we. Maar waar ben je toch den heelen

nacht geweest, toch niet aldoor op straat? Er is zóó naar je gezocht."

Met horten en stooten, veel te moe om geregeld haar wedervaren te

kunnen vertellen en toch niet gerust voordat haar tante alles wist,

deed Elsje haar verhaal, waarbij Miss Piper haar telkens in de rede

viel door te zeggen dat ze "moest probeeren te kalmeeren haarzelf"

en "niet weenen, niet weenen", en "wezenlijk moest nemen een rust

nu." Elsje gunde zich echter geen rust, voordat ze, zoo goed en zoo

kwaad als het ging, haar hart geheel had uitgestort en nauwkeurig

had aangeduid, waar de kruidenier woonde, die haar zoo gastvrij had

geherbergd. Zij was erg bang dat de kruideniersvrouw haar mantel niet

terug zou krijgen en eerst toen haar tante haar vast had beloofd dat

het kleedingstuk nog dien ochtend door den oppasser zou worden terug

bezorgd met een vriendelijk briefje en toen ze nog eens en nog eens

had gehoord dat niemand boos op haar was, liet ze zich overhalen naar

boven te gaan en zich door Keetje, die nu natuurlijk bizonder hartelijk

voor haar was, te laten uitkleeden. Mevrouw d'Ablong bracht haar een

geklopt ei met wijn en ging toen zelf nog wat rusten, terwijl Miss

Piper haar voorbeeld volgde, maar eerst Cécile van alles op de hoogte

bracht, die later, zonder veel medelijden voor Elsje uit te spreken,

alles aan grootmama vertelde, die erg met de arme vluchtelinge te

doen had. De dokter kwam 's middags en constateerde dat Elsje hevig

de koorts had en veel kou had gevat op haar avontuurlijken tocht. Hij

zou den volgenden ochtend weerkomen--er was nu nog weinig van te

zeggen of zij werkelijk ziek zou worden of niet.

Elsje · 第 9 / 17 段