Mevrouw d'Ablong keerde zich snel om en met een glans van moederlijken

trots op haar gelaat, keek ze naar de jonge meisjesgestalte, die in al

de schoonheid van een allerelegantst toiletje, kwistig met lichtblauwe

strikken en volants van slap neerhangende kant versierd, voor haar

stond. Het weelderige, donkere haar viel krullend en golvend neer

langs den blanken hals en werd alleen in bedwang gehouden door een

lossen strik van lichtblauw lint, dat mooi afstak bij de warmbruine

kleur van het haar. De groote, donkere oogen, de fraaie teekening der

wenkbrauwen, de lange oogwimpers, de bevallige ronding der armen,

de slankheid van het figuurtje--alles scheen bij deze smaakvolle

kleeding nog meer uit te komen dan anders en zonder de minste poging

om hare bewondering te verbergen en Cécile's ijdelheid te temperen,

riep mevrouw d'Ablong uit:

"Allerbeelderigst Cilly! Je ziet er meer dan snoeperig uit! Heeft

grootmama je al gezien en Frits?"

"Neen mama."

"Dan zou ik maar gauw naar beneden gaan. Het is ook al niet vroeg

meer. Maar kijk nog eens even naar Elsje; vindt je niet dat dat

japonnetje haar aardig staat?"

Cécile verwaardigde zich niet, meer dan een vluchtigen blik op haar

nichtje te werpen en zei op onverschilligen toon:

"Het gaat nogal." Toen opeens driftig: "Maar mama, waarom heeft ze

uw parels aan?"

"Het stond anders zoo kaal; die kant valt zoo erg naar beneden,

hier van voren."

"Nu, u moet het weten, maar ik vind dat parels al allerminst bij

Lizzie passen."

"Kom Cilly, nu niet zulke onaardige dingen zeggen," zei hare moeder

op vergoelijkenden toon. "Nu maar naar beneden meisjes, ik ben trotsch

op jullie alle twee."

Grootmama en Frits waren vol lof over het fraaie baltoiletje van Cécile

en Frits plaagde zijn nichtje met haar zwak voor mooie kleeren. Naar

Elsje keek de oude dame met een vriendelijke tinteling in hare oogen,

alsof het haar goed deed in het eenvoudige kindergezichtje te zien,

dat gloeide van koortsachtige spanning. Zij trok Elsje naar zich toe

en kuste haar en Frits keek haar vroolijk aan en zei lachend:

"Niet alle dansen weggeven aan anderen, hoor Roodkapje! Ik reken er

vast op dat je er twee of drie met mij doen zult."

"Aan het dansen zijn wij nog zoo gauw niet toe," viel Cécile haastig

in. "Eerst babbelen we een beetje en laten onze balboekjes vullen, maar

voordat het wezenlijke dansen begint, voeren we het tooneelstukje op."

"O," riep Frits, groote oogen opzettend, "moet daar die fraaie tribune

voor dienen?"

"Ja, en nu vertel ik je verder niets meer," zei Cécile met geveinsde

knorrigheid. "Je moogt het gordijn wegtrekken, dat als scherm dienst

doet van avond en dan moet je oplettend en bewonderend naar de

comedie kijken."

"UEd. hebt maar te bevelen," zei Frits, het hoofd buigend.

Toch kwam het anders uit dan Cécile zich had voorgesteld. Toen al de

gasten, een vroolijke, levendige stoet van jongens en meisjes van 14

tot 18 jaar, verschenen waren en de prettige tonen der muziek werden

gehoord, smeekten allen zoo dringend om een, twee dansjes, voordat

er iets anders gebeurde, dat Cécile wel toe moest geven, hoewel

zij het niet heel vleiend vond dat er naar de tooneelvoorstelling

niet meer werd verlangd. Daarbij kwam dat Frits met onverklaarbaren

slechten smaak er op stond den eersten dans met Elsje te doen, die

verbaasd en verrukt haar hand op zijn arm legde en door hem geholpen,

veel beter en met veel meer genot danste dan zij had durven hopen. En

hoewel het Cécile gelukte de jeugdige cavaliers, die zich als om strijd

verdrongen om hunne namen in haar balboekje op te schrijven, van Elsje

af te houden, toch verminderde dit het gevoel van bitterheid niet,

dat bij haar opkwam, toen ze Frits ook den tweeden dans met Elsje zag

doen. Eindelijk, bij den derden zag ze haar als "muurbloem" op een der

stoelen zitten en toen deze dans afgeloopen en het oogenblik gekomen

was, waarop de actrices zich uit de balzaal moesten verwijderen,

ging ze snel naar Elsje toe en fluisterde:

"Ga terstond mee, we moeten ons stukje doen."

Elsje stond dadelijk op en volgde haar naar de achterkamer, waar een

klein tooneel was geïmproviseerd, terwijl de meisjes zich verkleeden

moesten in een vertrekje, dat door een deur met de achterkamer was

verbonden. Een tweede deur kwam op de gang uit. Loulou, Cato, en Emma

waren er reeds, toen Cécile en Elsje binnen kwamen.

"O Cilly, wat zie je er beelderig uit van avond!" riep Cato. "Jij

bent natuurlijk weer la reine du bal."

"Zoo!" zei Cécile op onverschilligen toon. "Ik heb anders nog niet

heel veel plezier gehad; ik schaam me zóó over Lizzie."

"Over mij?" vroeg Elsje verbaasd, wier vroolijke oogen toonden dat

_zij_ wel plezier gehad had.

"Ja, over jou! Heet hier anders soms iemand Lizzie?"

"Alsof ik wel zoo heette!" lachte Elsje. "Maar wat heb ik dan gedaan?"

"Als je dat niet begrijpt, kan ik het je niet uitleggen," zei Cécile

boos. "Je hebt je heel onbehoorlijk en coquet aangesteld. Sta daar

nu maar niet zoo dom te kijken, maar maak liever voort. Denk er

aan dat jij het eerst opkomen moet en dus ook het eerst klaar moet

zijn. Speel nu als 't je blieft een beetje goed en spreek duidelijk,

maar gil en lach niet zoo onbeschaafd."

Elsje antwoordde niet. Zij wilde zich goed houden en beet zich op de

lippen om zichzelf tot zwijgen te dwingen. De anderen keken Cécile

verbaasd aan, maar achtten het ook wijs niets te zeggen. Emma hielp

Elsje aan hare kleeding en zette haar het nette, witte mutsje op,

dat zij als dienstmeisje dragen moest. Allen waren druk bezig, hare

baltoiletten te verwisselen voor de eenvoudiger kleedij, waarin zij

haar rol vervullen moesten.

Eindelijk kon de voorstelling een aanvang nemen. In lange rijen

zaten en stonden de gasten in afwachting van hetgeen zij te zien

zouden krijgen. Frits trok met een plechtig gezicht het gordijn weg

en Cécile duwde Elsje naar voren en fluisterde boos:

"Kom, gauw nu maar, treuzel niet, als 't je blieft."

"Neen," zei Elsje gejaagd, terwijl ze zich opeens heel zenuwachtig

voelde en buitengemeen geneigd om weg te loopen, _niet_ in de richting

van het tooneel. Zij vermande zich echter en trad moedig naar voren,

hoewel ze vreemd duizelig werd en hare oogen als in een witten

nevel zagen.

Zoo duidelijk sprekend als haar maar mogelijk was, begon ze te spelen,

maar ze wist nauwelijks, wat ze zeide. Ze kende echter haar rol zoo

prompt dat ze geen oogenblik haperde, totdat plotseling een jongensstem

uit de toeschouwers riep:

"Niet met je rug naar het publiek! Keer je eens om!"

"Sst.... stil.... stil...." riepen verscheidene andere stemmen.

"Nu ja, maar we zien en hooren zoo niets," zei de eerste stem weer.

Elsje keerde zich om--zij wist niet eens dat zij met haar rug naar

het publiek toe had gestaan--en begon nog eens. Nauwelijks echter had

zij een paar zinnen gezegd, of hare stem begaf haar. Zij hapte naar

adem en keek met een hulpelooze, angstige uitdrukking in hare oogen

naar de zee van nieuwsgierige gezichten voor haar. Zij probeerde nog

eens en nog eens, maar er kwam geen geluid. De tooneelkoorts had het

arme kind deerlijk in hare macht; zij stond te trillen op hare beenen,

het suisde in hare ooren en zij voelde zich diep ongelukkig. Al haar

moed begaf haar en met een wanhopig gebaar sloeg zij de handen voor

het gezicht en barstte in tranen uit.

Frits schoof snel het gordijn weer voor het tooneel.

"Even geduld, dames en heeren," riep hij, "een onzer actrices is

een weinig ongesteld geworden. Straks zal de voorstelling wel weer

opnieuw kunnen beginnen."

Intusschen had Cécile Elsje driftig bij den arm genomen en meegetrokken

naar het kleedkamertje. Elsje volgde gedwee en hard snikkend.

"Je hebt alles, alles bedorven!" knorde Cécile. "Wij hadden je nooit

mee moeten laten spelen! En wat moeten wij nu beginnen?" vervolgde ze,

zich tot de anderen wendend, "met die erbarmelijk snikkende Lizzie

kunnen wij niets uitvoeren."

"Mag ik binnen komen?" vroeg een stem aan de deur, die op de gang

uitkwam.

"Wie is daar, wie is daar?" riepen Loulou en Emma tegelijk.

"Wie ben je?" riep Cécile.

"Kitty van Heusde," antwoordde de stem. "Laat mij heusch maar

binnen--ik kom jullie helpen."

Emma opende de deur en een klein, dik meisje met een rond, prettig

gezicht, trad snel binnen.

"Ik wou vragen," zei ze, "of ik voor dienstmeisje zal spelen. Ik ken

het stukje heel goed, wij hebben het juist bij ons thuis opgevoerd,

op Papa's verjaardag. Misschien wil zij," en zij wees medelijdend op

Elsje, die op een stoel zat te schreien, "er wel graag af."

"O ja natuurlijk," zei Cécile. "Dat treft heerlijk, Kit. Verkleed je

dan maar gauw. Kom Lizzie, trek dat costuum eens uit. Het zal je wel

passen denk ik, Kitty, jullie zijn zoowat even groot."

Elsje gehoorzaamde en bleef toen met een treurig gezicht, in haar

onderlijfje zitten. Emma vroeg haar vriendelijk of ze haar even zou

helpen om haar baljurk weer aan te trekken, maar ze schudde droevig

het hoofd. De andere meisjes lieten haar aan haar lot over. De

voorstelling begon weer, thans met de allesbehalve bedeesde Kitty

van Heusde als dienstmeisje, en was in vollen gang, toen Elsje nog

steeds bitter terneergeslagen in het kleedkamertje zat. Juist waren

al de vijf actrices op het tooneel bezig, toen de eene deur van het

vertrekje zacht geopend werd en de oude grootmoeder binnen kwam.

"Maar kindje," zei ze, hare hand op Elsje's schouder leggend, "zit

je hier nog zóó? Wel foei, dat is nu net om kou te vatten en ziek te

worden! Kom, laat ik je maar eens gauw weer netjes maken. Dit is je

japonnetje, he?"

"Ja," zei Elsje, "maar ik durf toch niet weer naar binnen."

"Niet weer naar binnen! Dat meen je niet! Je zult eens zien hoeveel

plezier je nog zult hebben. Sta maar eens gauw op."

Elsje durfde niet tegen te stribbelen en in een oogenblik had de

handige, oude dame haar de mooie, rose jurk aangetrokken. Het kostbare

parelsnoer werd weer om haar hals bevestigd, toen sloeg grootmama

den arm om haar heen, trok haar naar zich toe en zei:

"Zullen we nu samen weer naar binnen gaan?"

"Ik durf wezenlijk niet," zei Elsje bevend.

"Kom, kom, een beetje moedig wezen. Leg je hand maar hier, zóó;

nu gaan we gearmd naar binnen."

Elsje drukte zich dichter tegen de oude dame aan, toen zij de danszaal

weer inging. Het binnenkomen viel haar echter erg mee. Al de gasten

waren verdiept in het tooneelstukje en bijna niemand keek om, toen

hare begeleidster met haar op een der achterste rijen zitten ging,

waar nog twee stoelen leeg waren. Mevrouw d'Ablong alleen wierp haar

een koelen blik toe en wenkte grootmama om naar voren te komen en haar

vroegere plaats in te nemen. De oude dame knikte echter ontkennend

en bleef bij Elsje.

Met een hoogroode kleur en koude handen zat deze verlegen en beschaamd

naast haar en hoewel zij zich langzamerhand een beetje meer op haar

gemak begon te voelen en weer eens om zich heen durfde te zien,

kwam de vroolijke stemming, waarin zij bij het begin van den avond

was geweest, niet terug. Toen het comediestukje geëindigd was en

de jeugdige actrices levendig waren toegejuicht en herhaaldelijk

teruggeroepen, nam grootmama afscheid en ging naar hare kamer. Zij

was moe en men zou zich nu ook wel zonder haar kunnen amuseeren,

betuigde ze lachend. Zij fluisterde Elsje nog een paar bemoedigende

woorden toe en ging toen heen. Het arme kind voelde zich nu weer erg

verlaten. Hare tante durfde zij niet onder de oogen komen en Frits

evenmin en toen Cécile, Loulou en Cato haar met spottende gezichten

voorbij gingen en ze Cato hoorde zeggen: "Dat laffe kindje moest

maar naar bed gaan, dunkt me," trok zij zich angstig terug in een

stil hoekje achter een paar hooge dennestruiken, waar toevallig een

stoel stond. Juist vroeg ze zich af, of het werkelijk maar niet beter

zou zijn dat ze stil naar haar kamer ging--niemand zou haar zeker

missen, dacht ze met bitterheid--toen ze een frissche koelte hare

wangen voelde streelen en bemerkte dat ze dicht bij een raam zat,

dat half open stond, zeker om te verhinderen dat het in de balzaal

te benauwd werd. Het was een mooie Februari-avond en Elsje knielde

met een zucht van welbehagen voor het venster neer, legde haar hoofd

op het kozijn en keek naar buiten. Wat flonkerden de sterren en wat

was de lucht donkerblauw en welk een heerlijke geur verspreidden de

dennen naast en achter haar! Als zij de dansmuziek niet zoo duidelijk

had gehoord, zou ze zich bijna hebben kunnen verbeelden dat ze buiten

was in het bosch, met de plechtige stilte van den avond om zich heen

en den schitterenden sterrenhemel boven haar hoofd. Hé, wat was het

heerlijk om die verkwikkelijke koelte over hare gloeiende wangen te

voelen glijden! Zij stak haar hoofd verder buiten het raam en keek

met een ernstig gezicht naar boven, terwijl ze hare handen gevouwen

op de vensterbank hield. Zoo bleef ze onbewegelijk een oogenblik

zitten. Een lokje van heur haar viel naar voren en zij schoof het

met de linkerhand weg, waarbij deze even in aanraking kwam met het

kanten plooisel om haar hals. Tegelijkertijd voelde ze plotseling dat

ze het parelsnoer niet meer om had. Met een snelle beweging trok zij

haar hoofd naar binnen, voelde nog eens en nog eens, maar de kostbare

ketting was geheel verdwenen. Hevig verschrikt sprong zij op en zocht

op den grond om zich heen, op de vensterbank, bij de dennen--alles te

vergeefs. Zij wist zeker dat ze het snoer nog om had gehad toen ze hier

ging zitten, want ze had toen nog een paar achterharen losgetrokken uit

het slootje, dat daaraan was blijven haken--waar kon de ketting opeens

gebleven zijn? Radeloos sloeg zij de handen in elkaar en trachtte na te

denken. Daar viel haar iets in! Misschien was het slootje losgeraakt

en het parelsnoer uit het raam naar buiten gevallen, terwijl zij naar

den sterrenhemel opkeek. Terstond stak zij haar hoofd weer buiten

het venster en keek scherp rond, of zij in het maanlicht de parelen

ook ergens op de stoep zag liggen. Maar er was niets te zien dan de

blauwe steenen der stoeptreden en de stille, rustige gracht, die op dit

oogenblik van den avond gewoonlijk zeer weinig werd bezocht. Zij moest

verder zoeken, verder zoeken.... Als er eens iemand voorbij gekomen

was en het parelsnoer opgeraapt en meegenomen had, terwijl zij bezig

was bij de dennen er naar te zoeken! Haar hart klopte hevig bij die

verschrikkelijke gedachte! Nooit, nooit zou zij hare tante weer onder

de oogen durven komen, voordat ze het kostbare sieraad teruggevonden

had! Wie was er, die haar helpen kon? Niemand, niemand! Grootmama was

zeker al te bed gegaan, Miss Piper zat den geheelen avond rustig op

haar kamer en buitendien--zij zouden toch niet weten, waar de parels

gebleven waren! O, zij moest zoeken, zoeken, net zoolang tot zij ze

weer had, den geheelen nacht door, als het noodig was. Hoe kon zij hier

ook nog blijven staan! Zij moest dadelijk naar buiten gaan en overal

kijken bij de stoep--van hieruit kon zij toch ook onmogelijk goed zien.

Daar hoorde zij de stem van Frits roepen: "Waar is Roodkapje toch?" En

Cécile, die lachend terugriep: "Zeker naar boven gegaan, het is

kleine kinderen-bedtijd!" En bevend en angstig, doodsbenauwd dat

iemand haar zien zou, snelde zij uit haar schuilplaats naar de deur

der kamer, die zich gelukkig dicht bij het venster bevond. Tot haar

blijdschap kwam ze niemand tegen in de helder verlichte gang en in

een ondenkbaar kort oogenblik had ze de voordeur geopend en stond ze

op de stoep. Toen keek ze snel rond. Daar was het open raam, waaruit

ze naar buiten had gekeken, dan zou het snoer hier kunnen liggen. Ze

liep haastig twee der stoeptreden af en zocht, zocht uit alle macht,

dan hier, dan daar, overal waar het maar met eenige mogelijkheid

heen zou hebben kunnen glijden--maar het was en bleef weg. Het was

verschrikkelijk! Het arme kind werd hoe langer hoe wanhopiger. In

haar zenuwachtigen toestand deed ze zichzelf de hevigste verwijten

over hare onvoorzichtigheid om het hoofd uit het raam te steken. Met

gloeiende wangen, een brandend gevoel in de oogen en overigens koud

en rillend van agitatie, liep zij nog eens en nog eens de stoep op

en af. Al haar zoeken bleef vruchteloos, een hevige angst voor den

toorn harer tante maakte zich van haar meester en in hare radeloosheid

nauwelijks in staat tot geregeld denken, stond zij een oogenblik met

bange, groote oogen te kijken langs de stille gracht. Wat moest ze

beginnen? Weer naar binnen gaan, durfde ze niet--kon ze maar ergens

heen gaan, vluchten, weg, ergens, waar ze dien nacht kon blijven en

dan morgen naar huis, naar grootmoeder en die alles vertellen. Die

zou haar dan wel helpen om alles aan tante te schrijven....

En tante zou haar niet missen van avond, die dacht natuurlijk dat

zij al naar bed was, dat dacht Cécile immers ook.... maar waar zou

ze heen; waar?

Daar kreeg ze plotseling een inval. Ja, ja, dat zou gaan! En zonder

zich een oogenblik te bedenken, vloog ze als een pijl uit den boog de

hooge huizen langs, een wonderlijke verschijning in haar fladderend

licht toiletje, zonder hoed op het wuivende blonde haar en met de

dunne, sierlijke dansschoentjes aan de voeten. Op den hoek der gracht

sloeg ze de breede winkelstraat in, die nog helder verlicht was;

het was ongeveer tien uur. De voorbijgangers keken nieuwsgierig naar

haar, maar zij lette niet op hunne verbaasde gezichten en snelde al

maar voort, voort, tot ze voor den kleinen kruidenierswinkel stond,

waarmee ze vroeger kennis had gemaakt. Met een bevende hand deed ze de

winkeldeur open en trad binnen. Een man, die achter de toonbank stond,

keek haar met sprakelooze verwondering aan. Dat was een vreemde klant

op den laten avond, vond hij.

"Ik.... ik.... is uw vrouw binnen?" vroeg Elsje hijgend.

"Jawel, die is thuis," zei de man met een hoofdknik. "Maar wat moet

u met haar, jongejuffrouw? Het is al zoo laat, ik begrijp niet...."

"Dus zij is binnen?" viel Elsje hem haastig in de rede en zonder zijn

antwoord af te wachten, liep ze de smalle gang door en de kamer achter

den winkel in. De kruidenier volgde haar terstond.

"Lieve tijd, wat is dat?" riep zijn vrouw, ontsteld van haar stoel

opspringend, toen ze Elsje zag. "Wat moet dat jonge dametje hier,

Gerrit? En in die dunne kleeren...."

"Ik ben het, Elsje, u kent mij toch nog wel?" zei Elsje gejaagd

en schreiend. "En ik kom u vragen, of ik hier van nacht mag

blijven. Morgen ga ik weer weg--naar huis terug, naar grootmoeder."

"Ja, nu zie ik het," zei de vrouw, "je bent dat zelfde meisje,

dat Evert laatst voor een ongeluk heeft bewaard. Maar lieve kind,

waarom ben je weggeloopen van die tante, bij wie je logeerde en dan

nog wel zoo koud gekleed! Kom, schrei nu niet. Vertel mij maar eens

waar je logeert, dan zal mijn man je wel even thuis brengen. Wat is

er toch? Waarom ben je zoo vreeselijk bedroefd?"

"O, ik kan het u niet zeggen en ik kan niet weer naar tante terug

gaan, heusch niet! Ik heb iets verloren van haar, iets heel kostbaars

en ik kan niet weer naar haar toegaan, voordat dat terug is! Och,

laat mij hier van nacht blijven, als 't je blieft, als 't je blieft."

"Maar je tante zal zoo ongerust worden, als ze niet weet, waar je

bent. Kom, zeg ons nu maar even, waar ze woont en schrei niet meer

zoo vreeselijk! Het is toch zeker ook maar een ongeluk geweest dat

je dat mooie ding hebt verloren. Ik zou maar gauw weer naar huis gaan

en haar alles zeggen, dat is veel beter, gerust, en dan zal mijn man

je even brengen. Is 't niet Gerrit?"

Gerrit, die zijn vrouw voortdurend het woord liet doen en nog steeds

met de uiterste verbazing op zijn gezicht stond toe te kijken,

knikte toestemmend.

"Neen, neen!" riep Elsje angstig. "Ik kan niet weer terug, wezenlijk

niet, och, geloof mij toch! En tante zal niet ongerust zijn, want

zij denkt dat ik al in bed lig. Laat mij hier blijven van nacht, als

't je blieft, als 't je blieft! Morgen zal ik weer weggaan...."

Er was niets met haar te beginnen. Zij was zoo over stuur en zoo

angstig bevreesd dat men haar haar zin niet zou geven, dat de vrouw

eindelijk hoofdschuddend toegaf, haar in Gerrit's gemakkelijken stoel

bij de tafel duwde en zei:

"Nu, nu, blijf hier dan maar van nacht. Rust nu maar eens even uit

en probeer wat kalmer te worden."

Toen ging zij met haar man de kamer uit.

"Wij moeten haar in vrede's naam van nacht maar hier houden," zei

ze. "Het arme kind is heelemaal in de war. Het is te hopen dat die

tante van haar werkelijk niet ongerust over haar is. Als ze nu van

nacht eens goed geslapen heeft, zal ze morgen wel wat handelbaarder

zijn. Ze kan natuurlijk toch niet reizen in die jurk; ze heeft niet

eens een hoed en mantel bij zich en wie weet, of ze wel reisgeld heeft

meegenomen! Ze schijnt opeens weggeloopen te zijn. Ze ziet er als een

echte jongejuffrouw uit nu met die mooie kleeren, heel anders dan toen

ik haar voor 't eerst zag. Toen leek ze een gewoon burgermeisje. Het

is een raadselachtige geschiedenis, Gerrit; misschien komen we er

morgen achter. Er is nu niets uit het arme kind te krijgen. Ik moet

haar maar gauw in bed stoppen. Gelukkig dat Jan net voor vier dagen

naar zijn ouders is, nu kan ze in zijn bed slapen."

Jan was de bediende, een buitenjongen, die bij den kruidenier in de

leer was.

Hoofdstuk IX.

Groot Verdriet.

Een half uur later stond Elsje met een bedrukt gezicht en rood

beschreide oogen naast de goedhartige kruideniersvrouw op een klein,

hoogst eenvoudig gemeubileerd zolderkamertje met een bedstee, waarvoor

hardgele gordijnen hingen.

"Kijk," zei haar gastvrouw, de gordijnen opentrekkend, "het bed is

groot genoeg en ik heb er mooi, schoon linnen voor je opgelegd. Kom,

wees nu maar niet meer bedroefd en ga maar gauw slapen. Wat zal de

kleine Evert het aardig vinden je morgenochtend te zien! Denk er aan

dat je de kaars uitblaast als je klaar bent en slaap lekker! Morgen

zal alles wel weer in orde komen, daar ben ik niets bang voor. Nacht

Elsje!"

Elsje sloeg met een plotselinge, hartstochtelijke beweging de armen

om haar hals, legde haar kloppend hoofd tegen den schouder der goede

vrouw en barstte weer in tranen uit.

"O, ik verlang zoo naar huis, naar grootmoeder!" snikte ze, in korte,

afgebroken zinnen, "ik vind het zoo vreeselijk, vreeselijk hier in

de stad--o, ik wou dat ik er nooit gekomen was, nooit! Ik .... ik

wou dat ik maar weg was .... ik wou...."

"Stil, stil," viel de vrouw haar sussend in de rede, "je moet nu niet

meer schreien, wezenlijk niet. Je zult nog hoofdpijn krijgen en ziek

worden, als je je zoo vreeselijk over stuur maakt. Kom, kom, kom,

stil nu, stil nu."

Zij maakte zich zacht los uit de omarming van het snikkende kind,

schonk een glas water in, liet haar drinken en zei op beslisten toon:

"Nu moet je wezenlijk terstond naar bed gaan. Kijk, hier op dezen

stoel ligt een nachtjak van mij voor je. Dat zal je wel een beetje te

wijd wezen, maar dat is niets, beter te wijd dan te nauw. Kom, drink

nog maar eens, zie zoo, nu bedaard het al een beetje, he? Nacht Elsje."

En haar onverwachte gast nog eens vriendelijk toeknikkend, ging

ze heen.

Toen Elsje alleen gelaten was, bleef ze voortschreien, eerst

hartstochtelijk en met zenuwachtige snikken, toen zachter en

bedaarder. Eindelijk was het alsof ze geen kracht meer had om langer te

schreien, geen kracht om uiting te geven aan het gevoel van wanhopige

smart, dat haar bezielde, geen kracht om iets anders te doen dan met

doffe lijdelijkheid, gekleed als zij was, op het bed te gaan liggen

en met starende oogen voor zich uit te zien. Langzamerhand echter

kwam iets van haar ouden moed weer boven. "Zoo mag het niet langer,"

fluisterde ze, terwijl ze zich van het bed liet afglijden. "Ik moet

wezenlijk probeeren of ik wat kan slapen. Misschien .... misschien

gebeurt er morgen iets, dat.... mij helpt."

Elsje · 第 8 / 17 段