O, wat wemelde het hier van menschen! Zij bleef dicht langs den

winkelkant gaan, uit vrees van tusschen den drom van karren,

rijtuigen en trams te raken, die voortdurend door de straat

reden. Telkens stond ze stil voor een der winkelramen om al het

moois te bewonderen, dat hier uitgestald lag. Het meest trok een

groote bloemenwinkel haar aandacht. Het was haar alsof ze in een

toovertuin keek, zoo prachtig zag het er achter dat raam uit! Rijke

bouquetten lichtgele rozen met fijne, sierlijke takjes vrouwenhaar,

stonden in hooge vazen van zacht-groen en rood glas, terwijl een

overvloed van kerstrozen, de mooie, reinwitte sterren afstekend

tegen de donkergroene, stevige bladeren, gegroepeerd was tegen een

draperie van donkerrood fluweel. Allerlei soorten varenplanten en

palmen waren tusschen de bloemen in gezet. Elsje kon hare oogen

nauwelijks gelooven. Al die prachtige bloemen en planten midden in

den winter! Naast den bloemenwinkel, op den hoek van een nauwe straat,

was een kleine kruidenierswinkel, die er bizonder onaanzienlijk uitzag

naast zijn rijken buurman, maar Elsje keek er opgetogen naar. Bijna

precies zoo'n kruidenierswinkel als die bij haar in het dorp! De deur

stond op een kier en zij gluurde nieuwsgierig naar binnen. Kijk, de

toonbank was ook aan denzelfden kant en och, wat stond daar een aardig

klein kereltje met knikkers te spelen! Een vrouw met een vriendelijk

gezicht stond achter de toonbank en riep: "Toe maar Evert, toe maar,

het gaat al heel mooi!" Zij was zeker de moeder van den kleinen jongen.

Daar rolde een der knikkers naar buiten vlak voor Elsje's voeten. "O

moeder, daar loopt er een weg, die mooie groote nog wel! Dien pakken

ze bepaald mee!" En zoo gauw als zijn kleine voeten hem veroorloofden,

dribbelde Evert naar de deur toe om den verloren schat te gaan zoeken.

Elsje had den knikker terstond opgeraapt, maar Evert zag dit niet

en liep op een drafje de deur uit, juist op het oogenblik dat een

vigilante snel den hoek der straat omkwam. De kruideniersvrouw gaf

een gil en vloog den winkel uit om haar zoontje buiten het bereik der

paardenhoeven te brengen, maar zij kwam te laat en Evert zou zeker

een vreeselijk ongeluk hebben gekregen, indien Elsje hem niet had

gegrepen en vlug als de wind met hem den winkel was ingeloopen. Het

kleine kereltje begon te schreien nu de schrik voorbij was, zijn

moeder drukte hem met een hartstochtelijke beweging aan het hart en

dankte toen Elsje met uitbundige dankbaarheid.

"Nu is mijn knikker heelemaal weg!" klaagde Evert met zulk een bedroefd

gezichtje dat zijn moeder en Elsje er om moesten lachen.

"Kijk eens!" zei Elsje, hem het verlorene voorhoudend. "Dien had ik

al eerder opgeraapt dan jou."

Evert lachte door zijne tranen heen.

"Dank je wel hoor, voor al je hulp," zei zijn moeder. "Dat trof mooi,

he Evert? Dat dit vriendelijke meisje juist den knikker moest oprapen

en jou zoo flink weghalen voor die vigelante!"

"Ja," zei Evert en keek Elsje met groote oogen aan. Zij scheen een

gunstigen indruk op hem te maken, want terwijl hij haar zachtjes aan

den rok trok, zei hij:

"Je moet mijn paardje zien."

"Dat wil ik heel graag," zei Elsje vroolijk, "als moeder het goed

vindt."

"Wel zeker," zei deze. "Evert heeft van Sinterklaas een paardje

gekregen en dat wil hij nu aan iedereen laten kijken. Kom maar even

binnen, als 't je blieft." Elsje ging den winkel door en volgde

de vrouw door een smalle gang naar een klein vertrek, dat achter

den winkel gelegen was en hierop door een glazen deur uitzicht

gaf. Tegenover deze deur was een raam aan een klein tuintje en hier,

in de lage vensterbank, stond de grootste schat van Evert, een klein,

bruin, houten paard.

"Kijk!" zei hij terstond, toen zij de kamer in waren, met een blik

vol trots zijn ros aan Elsje toonend.

"Heel mooi!" zei ze, "en hij heeft ook heel wat te eten!"

Er lagen eenige krenten en rozijnen bij het paard op de vensterbank.

"Ik eet er ook van," zei Evert heel eerlijk en stopte een paar rozijnen

in den mond. "Wil je ook wat?"

"Neen, dan zullen we haar wat meer geven," zei zijn moeder. "Wacht

maar!" Zij ging even naar den winkel en kwam spoedig met een bruin

papieren zakje vol rozijnen terug.

"Dank u wel," zei Elsje. "Ik vind dit zoo'n aardigen winkel, net zoo

een als bij ons."

"Is je vader dan ook kruidenier?"

"Neen, mijn ouders zijn dood. Ik woon buiten, dicht bij een heel mooi

dorp, bij mijn grootmoeder. Ik ben hier maar voor een poosje. Maar

nu moet ik weer naar huis, anders is tante boos op me. Dag Evert!"

"Dag!" zei Evert.

"Elsje heet ik."

"Dag Elsje. Kom je morgen weer?"

"Neen, dat denk ik niet," zei Elsje lachend.

"Ze zal nog wel eens voorbij komen," zei de vrouw, ziende dat Evert

een lipje trok. "Dag Elsje, dank je nog wel voor je hulp."

Elsje nam een beetje haastig afscheid. Zij had opeens gezien op

de klok in den winkel dat het bijna twaalf uur was en hare tante

had haar zeker al eerder thuis verwacht. Ze was den bloemenwinkel

al voorbij en liep snel voort, toen ze opeens uitgleed en met een

smak op den grond viel. Het zakje ontglipte haar hand en raakte los

en al de rozijnen vielen in een lange, bruine streep op den grond,

tot groote vreugde van twee of drie straatjongens, die uit alle macht

aan het grabbelen gingen.

Pijn deed ze zich gelukkig niet erg, maar ze had toch moeite om weer

op te komen; de plek, waar zij gevallen was, was zóó glad. Telkens

als ze probeerde op te staan, gleed ze weer uit.

"Geef mij maar eens een hand," zei een vriendelijke stem achter haar

en haar rechterhand uitstrekkend, zag ze een heer bij zich staan

met een jong, prettig gezicht, waarin de donkerbruine oogen haar

vroolijk aanzagen.

"Een, twee, drie!" zei hij, haar hand stevig vasthoudend. "Ziezoo,

nu zou ik maar gauw maken dat ik van die verraderlijke gladde plek

vandaan kwam."

"Dank u wel, mijnheer," zei Elsje beschroomd.

"Niet te danken, meisje," zei hij. "Pas nu verder maar op, hoor."

"Ja, mijnheer," zei ze en terwijl hij voor haar uit liep, de straat

door, keek zij hem met een dankbaren blik na. Hij sloeg den hoek

om en liep de gracht op, waar mevrouw d'Ablong woonde en toen zij

het huis naderde, zag Elsje hem tot hare verbazing de stoep opgaan

en aanschellen. Hij stond met den rug naar haar toe, toen zij op

hare beurt de stoep opging en keerde zich lachend om, toen hij haar

herkende.

"Zoo zoo, moet je hier ook zijn?" zei hij. Toen tot Dina, die de

deur opende:

"Morgen Dientje. De dames zijn zeker thuis, he?"

"Jawel mijnheer, daar komt mevrouw juist aan." En met een verbaasden

blik op Elsje, die zij eerst niet herkend had: "O jongejuffrouw,

bent u het?"

Elsje ging vlug naar binnen. Zij had opeens een gevoel dat zij toch

veel beter gedaan zou hebben niet in deze kleeding uit te gaan en

zij schrikte erg toen ze zag, hoe ontstemd hare tante naar haar keek.

"Ga terstond naar boven en verkleed je," zei ze fluisterend, waarop

Elsje zoo snel mogelijk naar haar kamer liep.

"Zoo tante, hoe maakt u het?" zei de jonge man, die met groote

verwondering naar mevrouw d'Ablong en Elsje had gekeken. "En Cécile,

is ze ook wel en Miss Piper? Nog altijd even gezond en elegant?"

"Allemaal uitstekend, uitstekend," was het antwoord. "Ga mee naar

beneden. Je blijft toch natuurlijk lunchen?"

"Zeker, heel graag. Heeft grootmama u geschreven dat zij gauw hier

hoopte te komen?"

"Ja. Cécile vindt het heerlijk dat zij er juist met de partij zal

zijn. Zou je ook niet kunnen komen, Frits? Cilly zou het zeker

ontzettend graag willen."

"Ik weet het heusch niet, tante," zei Frits, terwijl hij zich

behagelijk in een lagen stoel bij den haard liet glijden en met

de hand door zijn donkerbruin haar streek. Men zou hem voor een

broer van Cécile hebben kunnen houden: hij had dezelfde fijnbesneden

gelaatstrekken, dezelfde kleur van oogen en ook die gemakkelijkheid

in houding en manieren, die zijn nichtje zoo goed stond. Maar de

uitdrukking van trots en aanmatiging, die Cécile's gezicht soms

zoo onaangenaam maakte, zag men nooit op dat van Frits. Juist zijn

bizonder groote vriendelijkheid, gaf hem een aantrekkelijkheid,

die Cécile doorgaans mistte.

Hij was de lieveling van zijn grootmoeder, die hem na den dood zijner

ouders,--zij had haar man en hare twee zonen, den vader van Cécile en

dien van Frits overleefd--geheel had opgevoed. Frits placht te zeggen,

dat hij het gemis zijner ouders nooit had _kunnen_ voelen, zoozeer

had zijn grootmoeder haar best gedaan het hem te vergoeden. Als

kleine jongen was hij bij haar gekomen; thans was hij student in

de rechten en kwam hij iederen Zaterdag en Zondag buiten bij zijn

grootmoeder doorbrengen.

Daar vloog Cécile de kamer binnen.

"O dag Frits, hoe vreeselijk gezellig!" zei ze, terwijl ze hem hare

beide handen toestak. _Thans_ keek ze volstrekt niet trotsch of uit

de hoogte.

"Dag Cilly," zei hij, lachend opstaande. "Wat een eer, dat je zóó blij

bent me te zien! Neen, je hebt me je twee handen gegeven, nu houd

ik ze ook vast. Kom, wat krijg ik nog meer? Ik ben je eigen neef en

vroeger kreeg ik altijd een...."

"Och malle jongen!" zei Cilly met een coquette beweging van haar hoofd

en terwijl ze haar best deed, hare handen weg te trekken. "Ik dank

je wel--met die vreeselijke snor, die je er tegenwoordig op na houdt!"

"O, geef me dan maar een kus op de wang, daarmee ben ik ook tevreden."

"Neen, dien geef ik je niet. Toe mama, mag hij nu ophouden? Anders

roep ik Miss Piper."

"Och kom Cilly, geef hem maar even een kus, als hij daar zoo op

gesteld is," zei hare moeder lachend. "Vraag hem maar eens of hij

ook op de partij komt."

"Hè ja, kom je? Toe, kom je?" vroeg Cécile dringend.

"Heel misschien, maar zeker _niet_, als je me nu geen kus geeft,"

zei Frits, plagend op haar neerziende.

"Je bent bepaald de eenige wezenlijke _heer_. Er komen anders niets

dan jongens van 16 en 17."

"En ik ben al over de twintig! Denk je dat ik me met zulke knaapjes

wil bemoeien?"

"Neen, maar dan bemoei je je maar met ons. Als.... als.... ik je _twee_

kussen geef, kom je dan?"

"_En_ als ik er altijd een hebben mag, wanneer ik er om vraag."

"Hè neen, dat kan niet. Wat zegt u nu, mama?"

"Dat moet je zelf uitmaken, kind. Maar maak wat gauw voort, want wij

gaan dadelijk lunchen."

"Nu, in vredesnaam dan maar," zei Cécile met een zucht. "Dus je

komt _zeker?_"

"Ja, maar eerst de twee...."

"Jawel, jawel, gauw dan maar."

Zij ging op de teenen staan en Frits boog zich tot haar over. Juist

op het oogenblik dat zij zijn wang aanraakte, kwam Elsje de kamer

in. Zij bleef verlegen bij de deur staan.

"Wie is daar?" riep Cécile, zich omkeerend. "O, Lizzie, ben jij

het? Kom maar binnen."

En alsof ze het niet onaardig vond, dat Elsje zag hoe vrij ze met

haar neef omging, kuste zij hem hartelijk.

"Dat was wezenlijk goed gemeend," zei Frits. "Je bent zoo kwaad niet,

als je wel lijkt. En vertel mij nu eens, wie Lizzie is. Wij kennen

elkaar al van van ochtend, is het niet, Lizzie?"

"Dan behoef ik ook niet meer te vertellen wie zij is," zei Cécile

spottend.

"Ik heet Elsje," zei haar nichtje snel, "Elsje van den Berg en ik

woon buiten bij mijn grootmoeder. Ik ben hier bij tante gelogeerd."

Keetje had haar een der jurken aangetrokken, die van de naaister thuis

gekomen was. Het was een donkerblauwe stof en de jurk was zoo aardig

gegarneerd en kleurde zoo goed bij Elsje's blond haar en het frissche

rood harer wangen dat mevrouw d'Ablong met welgevallen opmerkte hoe

goed zij er op dit oogenblik uitzag.

"Ja, ja, ze heet Elsje," zei ze. "Zij is het eenige kind van mijne

overledene zuster, Frits, en ook door hare grootmoeder opgevoed,

evenals jij."

"He, dat vind ik aardig!" zei Frits. "Dan zullen wij wel goede vrienden

samen worden, Elsje."

"Hè, zeg toch Lizzie," zei Cécile.

"Wel neen, ik vind Elsje veel mooier. Heb jij Lizzie gemaakt van

dien aardigen, Hollandsche naam? Zeg Elsje, wordt je ook wel eens

Roodkapje genoemd?"

Elsje zweeg bedremmeld en keek verlegen naar hare tante. Zij durfde

niet vroolijk te antwoorden op de toespeling op haar toilet van

dien ochtend.

"O, daar is Miss Piper," zei Frits opstaande om de Engelsche te

begroeten, die juist op dit oogenblik binnen kwam.

Tot Elsje's blijdschap werd er thans een begin gemaakt met het lunch

en was zij niet langer het onderwerp van het gesprek. Frits babbelde

onophoudelijk voort en vertelde allerlei vroolijke grappen, waarom zij

telkens hardop lachen moest. Hare tante keek haar soms waarschuwend

aan, als Elsje naar hare meening, onbehoorlijk luid lachte, maar

Frits vond het aardig, hare blauwe oogen van pret te zien glinsteren

en toen hij wegging, zei hij:

"Dag Roodkapje. Ik ben blij dat je ook vroolijk kijken kunt. Geen al

te deftige Lizzie worden, hoor!"

Hoofdstuk VII.

"Ik bedank er voor!"

"En wilt u dan vooral goed op hare manieren letten, mijnheer? Zorgen

dat ze wat netter loopt en zoo verder? Ze behoeft juist niet zooveel

dansen te kennen, als ze maar wat mee kan doen. Ik ben er op gesteld

dat ze een klein beetje meer elegance krijgt en ze wil zelf graag

haar best doen, is het niet Elsje?"

"Ja tante," zei Elsje zacht.

Zij stond met een ernstig gezicht naar den dansmeester te kijken,

die zich bereid had verklaard haar een weinig dansles te geven,

opdat ze niet geheel onbeslagen op het ijs zou komen ter gelegenheid

van de partij van Cécile. De eerste les zou thans een aanvang nemen

in de leerkamer, terwijl Miss Piper het toeschouwend publiek zou

uitmaken. Elsje was blij dat Cécile het veel te druk had met het

leeren van haar rol om naar de dansles te komen kijken.

"Ik zal mijne beste krachten aan de jonge dame wijden, mevrouw

d'Ablong," zei de dansmeester met een sierlijke buiging. "U weet, ik

heb groot succès gehad met uwe dochter, verbazend succès bepaald. Zoo

iets lichts en elegants en zwevends, zoo uitermate bevallig...."

"O jawel, daar hebt u gelijk in," viel mevrouw d'Ablong ongeduldig

in. "Maar mijn dochter is..."

"Van nature reeds zoo allerinnemendst," zei de dansmeester met een

beleefd lachje.

"Ja juist," was het antwoord, dat een beetje trotsch en uit de hoogte

gegeven werd. "Nu, u weet nu, geloof ik, mijn bedoeling. Dag Elsje,

doe goed je best. Dag Missy, ik zal probeeren die kant voor u te

krijgen. Dag mijnheer Meudon."

"Uw dienaar mevrouw," zei de dansmeester met een tweede buiging.

Mevrouw d'Ablong ging heen en Elsje zuchtte even en ging toen

rechtop staan als een kaars. Het was haar aan te zien dat zij zich

vast voorgenomen had, haar beste beentje voor te zetten. Maar ook in

den letterlijken zin des woords, was dit niet gemakkelijk. De kleine

dansmeester kweet zich met groot geduld van zijn taak, maar Elsje vond

het verbazend moeielijk, precies te doen wat hij verlangde. "Als u

zoo goed wilt zijn, om naar mijn voeten te kijken," zei hij telkens

en heel gehoorzaam keek ze strak naar de keurige, blinkende schoenen

van haar onderwijzer. "Vooral het hoofdje recht houden!" riep hij dan

weer, waarop Elsje verschrikt gehoorzaamde, zonder hare oogen van de

schoenen van mijnheer Meudon af te wenden. "Flink rechtop en de armen

niet zoo ver van het lijf. Ziezoo, nu de eerste pas, de derde.... zóó,

dat gaat al beter. O, maar u moet geen kromme knieën maken! Ja juist,

zoo is het goed. Probeer nu eens op de maat van mijn viool. Een,

twee, drie.... een, twee, drie.... een, twee, drie....e, een, twee,

drie.... Kijk eens, dat gaat al heel aardig. Wel, wel, wat bent u

warm! Eens even rusten?"

"Heel graag mijnheer."

"Dan zou ik maar een oogenblikje gaan zitten. Hebt u nooit eerder

dansen geleerd?"

"Neen mijnheer."

"Maar dan gaat het heusch al vrij goed. Vindt u ook niet,

juffrouw?" vroeg hij, zich tot Miss Piper wendend, die Elsje telkens

bemoedigend had toegeknikt, zonder dat deze er iets van gemerkt had.

"Ik versta niet u," zei Miss Piper. "Ik ben Engelsch."

"O...." zei mijnheer Meudon teleurgesteld. "Maar u spreekt toch

Hollandsch?"

"Heel klein. Het is moeielijk aan mij."

"Vindt u niet," begon hij, langzaam en zeer gearticuleerd sprekend,

alsof hij met een doove sprak, "dat zij," en hij wees naar Elsje,

"al goed danst?"

"Zij wil gauw leeren, u meent?"

"Ja."

"Ik hoop zoo," zei Miss Piper lachend. "Zij heeft alleen juist

begonnen."

"Ja zeker en alle begin is moeielijk," zei de goedhartige dansmeester,

"kom jonge dame, nog maar eens op de maat van de viool."

Elsje deed al haar best, maar toen de les afgeloopen was, was ze

moe en had ze een gevoel dat ze het nooit zou leeren. Met een zucht

streek ze zich het lastige ponyhaar van het voorhoofd weg en keek

naar buiten in den tuin, waar de regen bij stroomen neerviel en

plassen als kleine meren vormde tusschen de vuilwitte sneeuw, die op

de bloembedden lag. Het zag er somber uit, alles grauw en vaal met

een egaal-grijze doffe tint--"echt weer om heerlijk in mijn kamer te

gaan zitten, met den rug naar het raam en het gezicht naar het vuur,"

had Cécile 's ochtends gezegd. De regen viel gestadig neer in dichte,

rechte stralen en alles droop van het water; de kale takken van den

beuk in den tuin, de glibberige, houten schutting, de klimop langs

het tuinhuisje--alles was doornat; het zag er uit, alsof er niet meer

water bij kon, zoo doorweekt en drassig. En toch scheen het Elsje

heerlijk, om eens even, al was het ook maar vijf minuten, in dien

regen te zijn. Zij was nu al een week bij hare tante en het was haar

als had ze bijna geen frissche lucht ingeademd in dien tijd. Buiten

hare ochtendwandeling, was ze nog maar weinig uit geweest en dan nog

steeds met mevrouw d'Ablong en telkens in het rijtuig, omdat het weer

"zoo heel ongunstig" was, volgens deze. En er was zooveel te doen voor

die partij! Dan weer moest Elsje haar rol van dienstmeisje instudeeren,

dan weer gepast worden, want zij kreeg werkelijk ook een baltoiletje,

dan weer vermaningen aanhooren, hoe ze zich gedragen moest, of zich

het haar op verschillende wijzen laten kappen door Keetje, opdat

zij toch vooral op Cécile's feest niet te "boerinne-achtig" voor

den dag zou komen. Bijna den geheelen dag was men met haar bezig,

om haar te fatsoeneeren en te kneden naar één model, dat van Cécile,

op wie zij toch in de verste verte nooit zou gelijken, zooals mevrouw

d'Ablong herhaaldelijk met een trotsch lachje verzekerde. Het begon

Elsje te vervelen, o zoo erg soms, en als hare grootmoeder haar niet

telkens zoo opgewekt en bemoedigend had geschreven en als zij niet

steeds had gedacht: "Na de partij mag ik weer naar huis",--zou zij

zich zeker niet zoo geduldig en gehoorzaam hebben kunnen gedragen.

Van de merkwaardigheden van de stad had ze nog weinig of niets

gezien. "Als Cécile's partij voorbij is, kan Miss Piper wel eens met je

uitgaan, die weet uitstekend den weg," zei mevrouw d'Ablong, toen Elsje

het eens waagde te vragen, of ze eens wat van de stad mocht gaan zien,

"alleen laat ik je niet weer uitgaan, dat spreekt van zelf."

En nu, terwijl de regen tegen de ramen kletterde, snakte het kind

er letterlijk naar, om dien ook op hare wangen te voelen, om den

frisschen, woesten wind met hare haren te laten spelen, om er zich door

te laten voortzwiepen tot ze hijgend stil moest staan, zooals ze dat

zoo dikwijls gedaan had, lachend en vroolijk, op den verlaten straatweg

buiten haar dorp, met geen andere getuigen dan de enkele boomen, die

het hoofd schenen te schudden over den dartelen, onbeschaamden wind.

Zij haalde eens diep adem, terwijl Miss Piper ernstig naar haar keek

en zich afvroeg, waarom hare oogen zoo schitterden en ze zoo ongeduldig

met den voet op den grond stampte.

"_Poor child_!" zei de gouvernante bij zichzelf. Toen, naar Elsje

toegaande en de hand op haar schouder leggend, vroeg ze:

"Wat is het, Elsie?"

Cécile was de eenige in huis, die haar nog "Lizzie" noemde. Miss

Piper deed haar best, Elsje te zeggen, ten volle bereid haar genoegen

te doen.

Elsje keek verschrikt om. Gehoor gevende aan een opwelling van

teederheid, trok de Engelsche haar naar zich toe en herhaalde hare

vraag.

"Ik zou zoo vreeselijk graag eens wandelen gaan," zei Elsje.

"Wandelen? In dit weer?"

"Ja, ja, in dit weer!" riep Elsje, zich losrukkend, op opgewonden

toon. "In dit weer! En in mijn eigen jurk, zonder parapluie en op

een ruime, opene plek, waar men de wolken zien kan, de zware, donkere

wolken, en waar men den regen en den wind nog erger voelt dan in de

stad en ... waar men aan geen mooie manieren en rijke kleeren en al

wat stijf is behoeft te denken! En waar men het mooist kan zien, hoe

de lucht langzaam helderder wordt met lichte strepen en heel kleine,

lichtblauwe vlekjes en waar ...."

"Lieve tijd Lizzie, wat bezielt je? Staat ze nu al te acteeren,

Missy?" klonk opeens de stem van Cécile, die ongemerkt binnen gekomen

was. "Dat is anders nu nog niet noodig. Bewaar dat maar voor van avond,

dwaas kind."

"_For shame, Cilly_," zei Miss Piper berispend. "_Why can't you be

kind to your cousin_?"

Cécile haalde de schouders op, terwijl Elsje, zonder een woord te

zeggen, haastig het vertrek verliet. Haar gemoed was vol. Driftig liep

ze naar boven naar haar kamer en de deur vrij onzacht dichtslaande,

riep ze uit:

"Ik kan het hier niet langer uithouden! Ik moet weg, zoo gauw

mogelijk! Niemand houdt van me hier en niemand heeft me noodig! En

ik verlang zoo verschrikkelijk naar grootmoeder!"

En de handen voor het gezicht slaande, viel ze neer op een stoel en

barstte in tranen uit.

"Ik word hier slecht," snikte ze, "heel, heel anders dan thuis. En ik

ben hoe langer hoe laffer! Telkens die akelige tranen en dat nare,

benauwde gevoel in mijn keel. Ik wou dat ik hier nooit gekomen

was--nooit, nooit! Och, waarom wou grootmoeder ook zoo graag dat

ik hier heen ging? Ik hoor hier niet, ik doe letterlijk nooit iets

goed en tante schaamt zich over mij... en die akelige Cécile... och,

grootmoeder, grootmoeder!"

Zij gleed van den stoel af, knielde er bij neer en bleef zoo zacht

voortschreien.

Eindelijk bedaarde hare droefheid wat en de handen vouwend, bad ze

eenvoudig en ernstig: "Help mij, lieve Heer, o, help mij toch!"

Toen sprong ze op, waschte haar gezicht, knikte haar beeld in den

spiegel vroolijk toe en zei: "Kom Elsje, moed gehouden! Denk aan

grootmoeder!"

En met een plotselinge verandering van toon: "O, hoe heerlijk,

heerlijk zal het zijn als ik haar weerzie! Hoeveel dagen zou dat nog

moeten duren?"

Maar ze hield zich goed en dien middag aan tafel deed ze zoo haar

best zich naar de regelen der etiquette te gedragen, dat hare tante

haar goedkeurend toeknikte en zachtjes zei:

"Ziezoo Elsje, je begint al aardig aan te leeren. Let vooral altijd

goed op Cilly."

Na den eten reden Cécile en Elsje samen naar het huis van Louise of

"Loulou" van Rensen, waar de eerste repetitie plaats zou hebben van

het tooneelstukje, dat op de partij moest worden vertoond. Cato en

Emmy waren al aanwezig, toen de beide nichtjes Louise's kamer binnen

kwamen, die zich op een der bovenverdiepingen van het groote huis

bevond. Mevrouw van Rensen, dezelfde dame, die mevrouw d'Ablong

bij het station had aangesproken, was ook binnen. Zij zou naar de

voorstelling kijken en hare op- en aanmerkingen ten beste geven. Ze

begroette Cécile hartelijk en vriendelijk, maar behandelde Elsje erg

uit de hoogte, zei dat ze haar al eens gezien had aan het station,

maar eigenlijk niet recht begreep hoe zij familie kon zijn van mevrouw

d'Ablong en dat het haar zeker heel vreemd was, zoo'n heel ander leven

te hebben hier dan op haar dorp. Elsje antwoordde niet veel en Cécile

deed niets om haar uit de verlegenheid te helpen en mevrouw van Rensen

op de hoogte te brengen omtrent hare betrekking tot mevrouw d'Ablong,

zoodat de avond al dadelijk onaangenaam begon voor Elsje en zij zich

geweld aan moest doen, kalm te blijven en haar rol bedaard en prompt

op te zeggen, 's Ochtends in de leerkamer had hare tante haar dit

nog eens voor de zooveelste maal laten doen en haar precies gewezen,

hoe ze los en ongedwongen, met een stofdoek in de hand, de kamer door

gaan moest en opgewekt en levendig spreken. Elsje was hierin werkelijk

beter geslaagd dan hare tante had durven hopen, maar nu zij mevrouw van

Rensen tot toehoorster had en de andere meisjes met strakke gezichten

naar haar stonden te kijken, overviel haar een gevoel van verlegenheid,

dat zij niet bij machte was te overwinnen en speelde zij stijf en

gedwongen. Zij was blij, toen haar taak verricht was en de anderen

aan de beurt kwamen. Niemand zei iets van haar spel, terwijl mevrouw

van Rensen uitbundig was in haar lof omtrent het acteeren der anderen

en vooral Cécile prees, die een jong getrouwd vrouwtje voor moest

stellen en bedrijvig met haar sleutelmandje heen en weer dribbelde.

"Snoesig, vindt u niet?" fluisterde Loulou haar moeder in, terwijl

Cécile aan het spelen was. "En dan moet u straks eens opletten,

hoe doddig zij er uitziet met dat kapotje!"

Elsje · 第 6 / 17 段