haar! Met groote oogen keek ze haar tante aan, terwijl deze de beide
stoffen nog eens nauwkeurig bezag.
"Dus dan stuurt u deze twee van avond nog op zicht?" vroeg ze nog eens.
"Jawel mevrouw."
"Kom Elsje, dan gaan we nu mantels passen."
Elsje ging snel mee. Een vraag brandde haar op de lippen.
"Tante," zei ze zacht, toen mevrouw d'Ablong op het punt was, de
"mantelzaal" binnen te gaan.
"Wat is er?"
"Heb ik misschien ook een baljurk noodig?"
Mevrouw d'Ablong glimlachte en keek Elsje vriendelijker aan dan ze
vandaag nog gedaan had.
"Wou je dat graag?"
"Ik zou vreeselijk graag eens een bal willen zien," zei Elsje. "Maar
ik zou er liever stil naar kijken dan er aan meedoen, omdat.... omdat
ik niet weet of ik alles wel naar uw zin doen zou."
"Als je je goed houdt en geen kuurtjes hebt en als je op Cécile's
manieren let en die probeert na te volgen, dan.... dan laat ik je
bij ons blijven tot na de partij. Cécile heeft er iederen winter
een en dit jaar zal er niet alleen gedanst worden, maar ook comedie
gespeeld. Als ik dus tevreden over je ben, zul je dat alles bijwonen."
"O!" was al wat Elsje zeide, maar al was de gedachte haar pijnlijk
dat zij de belooning om bij de partij tegenwoordig te zijn, nog moest
verdienen, toch scheen het haar iets onuitsprekelijk heerlijks toe
eens een "echt bal" te zien. Dat zou iets zijn om van te vertellen,
als ze weer tegenover grootmoeder op haar oude plaatsje zat!
"Hoe mooi tante," zei ze met een dankbaren blik op den warmen,
donkerbruinen mantel, dien mevrouw d'Ablong voor haar kocht. Het
korset begon wezenlijk al een beetje te wennen, vond ze, hoewel ze
een hooge kleur had, omdat ze zooveel minder makkelijk adem haalde
dan anders. Er werd bij een Fransch sprekende modiste een hoed met
veeren voor haar gekocht; toen gaf hare tante den koetsier bevel naar
den kapper te rijden.
Dat viel Elsje niet mee; zij had gehoopt dat zij nu weer naar huis
terug zouden gaan, of dat zij eens wat zou mogen gaan wandelen. Ze
was zoo gewend om veel in de frissche lucht te zijn; ze snakte er
letterlijk naar om de aanraking van den wind te voelen op hare wangen
en zich te koesteren in de volle, heldere Januarizon. Met een zucht
ging ze met haar tante het "damessalon" van den "coiffeur" binnen.
"Ik kom zelf maar even bij u, mijnheer," zei mevrouw d'Ablong tot een
klein mannetje met donker, krullend haar, "omdat er nogal haast bij
is. Wilt u eens zien, wat er van dit haar is te maken? Zet je hoed
eens af, kind."
"Tot uw dienst, mevrouw," zei de beleefde kapper, buigend als een
knipmes. "Ga toch zitten als 't u belieft en wil de jongejuffrouw
dan in dezen stoel plaats nemen?"
En met veel drukte en een vertoon van grooten ijver, schoof hij Elsje
een lederen stoel met hooge zitting toe en haalde zijn kam en schaar
te voorschijn.
"Het is geen mooi haar," zei mevrouw d'Ablong, "maar u kunt er toch
misschien wel iets aan doen dat het wat aardiger en meer gedistingeerd
zit."
"O ja zeker mevrouw, zeker. Wilt u het hoofd een _klein_ weinigje
meer rechtop houden, jongejuffrouw? Zoo is het goed, dank u. Ik
geloof dat het lang geleden is dat dit haar gepunt is, mevrouw. Hoe
zoudt u het vinden, als ik de jonge dame een heel klein weinigje
kleursel in het haar deed? De kleur is.... als ik het zeggen mag,
een beetje.... ordinair."
"Neen, neen, verf wil ik niet in mijn haar hebben!" riep Elsje,
driftig opspringend. "Dat kan niet, dat vind ik veel te vies!"
"Ga maar gauw weer zitten, kind," zei haar tante bedaard, maar met een
zeer strengen blik. "Neen mijnheer, u behoeft geen andere kleur aan
het haar te geven; van dergelijke kunstmiddeltjes houd ik heelemaal
niet, dat weet u wel. Hoe zou het staan, als het een weinig gegolfd
werd en als u wat pony knipte van voren?"
"Dat zou wel gaan, mevrouw. Als de jongejuffrouw zoo goed zou willen
zijn, haar hoofdje wat stiller te houden. Zoo! Als dit achterhaar
nu goed weggeschuierd is en het ponyhaar een weinigje gefriseerd,
zult u eens zien hoe goed het staat."
En ijverig gebruikte hij de krultang, waarbij het Elsje hoe langer
hoe benauwder te moede werd.
Eindelijk legde hij het, in hare oogen zeer hatelijke, instrument
neer, nam den schuier, streek het achterhaar glad en strikte het lint
om Elsje's hoofd. Toen zijn werk met een blik vol innig welgevallen
beschouwend, zei hij:
"Zie eens mevrouw, nu bevalt het u zeker beter, niet waar? Deze
coiffure geeft de jonge dame een geheel ander voorkomen, vindt u
niet? Alleen nog een klein, heel klein droppeltje van iets, om de
kleur iets minder geel te maken?"
"Kijk mij eens goed aan," zei mevrouw d'Ablong, zonder op de vraag
van den kapper te letten. "Trek niet zoo met je wenkbrauwen. Neen,
neen, niet dat haar wegschuiven van je voorhoofd."
"Het jeukt zoo," zei Elsje verdrietig.
Weer keek haar tante haar aan met een afkeurenden blik; toen zei ze:
"Zoo kan het wel blijven, mijnheer. Als er nog iets aan veranderd
worden moet, zal ik u wel een boodschap sturen."
Eindelijk, eindelijk was er, voorloopig ten minste, niets meer te
bestellen ter verfraaiing van Elsje's toilet en persoon en reed zij
met haar tante naar huis terug.
Hoofdstuk VI.
Nieuwe Kennissen.
"Nog eens, Elsje, doe nu vooral je best, aardige, beschaafde,
damesachtige manieren aan te nemen," begon mevrouw d'Ablong weer in
het rijtuig. "Die drift zooeven bij den kapper stond je bij voorbeeld
weer heel leelijk. Neen, neen, zucht nu maar niet zoo ongeduldig en
schuif ook niet zoo heen en weer op de bank. Je zult werkelijk met
veel meer plezier bij ons logeeren, als je zelf probeert wat in den
smaak te vallen. Het is voor Cécile ook niet prettig, als je zoo'n
burgelijken indruk maakt. Wil je me nu beloven goed op te letten hoe
Cilly en ik ons gedragen?"
"Ja tante," zei Elsje, zoo kalm als het haar mogelijk was, "maar
ik verlang er in het geheel niet naar om een modepop te worden. En
grootmoeder zegt nooit iets van mijn manieren!"
"Wij spreken nu niet over grootmoeder, kind, maar wij hebben het erover
hoe je je _hier_ gedragen moet. Je kondt onmogelijk beter voorbeeld
hebben dan Cilly. Zij heeft onberispelijke manieren, al heeft ze
natuurlijk ook veel voor omdat ze zoo beelderig mooi is en dat...."
Zij eindigde den zin niet, maar Elsje begreep wel dat ze bedoelde:
"en dat ben jij niet." Ze kreeg een kleur van ergernis, maar ze hield
zich in en bleef zwijgen totdat het rijtuig weer voor het huis van
mevrouw d'Ablong stil stond.
"O, Cilly heeft zeker kennisjes bij zich," zei deze, toen Elsje en zij
naar boven gingen en een kamer voorbij kwamen, waar Elsje nog niet
geweest was en waaruit het geluid van vroolijke meisjesstemmen naar
buiten drong. "Doe maar gauw je goed af, Elsje, dan kun je naar haar
toegaan. Het is jammer dat je geen andere jurk hebt, maar deze past
je toch beter dan die blouse van gisteravond. Laat mij nog eens even
kijken hoe je haar nu zit. Zoo, zoo, vind ik het; het bevalt me toch
maar half. Hoe kom je nu toch weer zoo rood in je gezicht en lieve
tijd kind, wat heb je leelijke, groote handen! En hoe komen die toch
zóó ruw?"
"Van het werken, tante," zei Elsje een beetje trotsch. "Maar zou
ik dat korset vandaag niet nog uit mogen hebben? Het geeft me zoo'n
benauwd gevoel."
"Och kom kind, malligheden! Ga nu maar gauw naar Cilly's kamer en
let vooral op je manieren. Wees bedaard en spreek nog maar niet te
veel vandaag."
"Ik wou liever eens wat gaan wandelen, tante. Ik verlang zoo vreeselijk
om eens even in de lucht te zijn. Thuis ben ik zooveel buiten. Later
kan ik toch ook nog wel met Cécile's vriendinnen kennis maken."
"Neen, neen, je gaat er nu heen. Morgenochtend kan dat wandelen wel
gebeuren. Je blijft vandaag verder thuis."
Dan maar met moed er op af! dacht Elsje, toen ze naar beneden liep
en de deur opende van de kamer, waaruit het drukke gelach en gepraat
klonk. Zij zag een vrij groot vertrek met twee ramen aan den tuin
en elegante tafeltjes, gemakkelijke stoeltjes, een kleine, sierlijke
canapé, waarvoor een aardig eikenhouten theetafeltje stond met een fijn
porseleinen theeservies, dat op dit oogenblik ijverig dienst deed, een
overvloed van smaakvolle, kleine snuisterijen op den schoorsteen en het
miniatuur-schrijfbureautje bij het raam, een groote verscheidenheid
van waaiers en zijden draperieën in zachte tinten,--op een lage,
zwarte zuil in een hoek een allerliefste kleine groep in wit marmer
van twee slapende kinderen, aan den muur een paar landschap-etsen
en een menigte kleine en groote photographieën en in een vergulden
lijst een schilderij van een mooi kinderkopje met bruine oogen en
donker krullend haar--blijkbaar een portret van Cécile, toen ze twee
of drie jaar oud was.
Dit alles zag Elsje als niet ziende, zoozeer werd zij overweldigd
door een gevoel van plotselinge verlegenheid, toen zij de kamer
in ging. Niemand scheen haar binnenkomen te bemerken en zij bleef
in een linksche houding bij de deur staan, onzeker wat ze doen zou
en eigenlijk heel weinig verlangend om de aandacht op zich te doen
vestigen.
"Neen maar, hoe allergekst Cilly," zei een groot, blond meisje, dat
naast Cécile zat, die de _afternoon-tea_ schonk in kleine kopjes van
doorschijnend wit porselein met rose bloemtakjes beschilderd. "Heeft
hij dat heusch tegen je gezegd en wat heb je toen geantwoord? Dat je
pas zestien waart?"
"Eigenlijk maken wij Cilly ook ouder doordat wij juist hare vriendinnen
zijn," zei een meisje met een spits, scherp gezicht. "Wij zijn alle
drie al achttien en Cilly is _net_ zestien geworden."
"Neen Lou, _ik_ ben nog maar zeventien," zei de derde gast, een meisje
met een rond gezicht en vroolijke, blauwe oogen. "En we blijven Cilly
trouw, hoor. Ik kan onmogelijk zonder haar leven en zij niet zonder
mij, is 't wel, _darling_? Toe, zeg ons nu eens gauw wat je geantwoord
hebt, op dat gewichtige oogenblik, toen je...."
"_Dear me_, daar staat Lizzie af te luisteren wat wij praten!" viel
Cécile opeens verschrikt in. "Heeft mama je hierheen gestuurd, Lizzie?"
Elsje knikte verlegen en bleef bij de deur staan, terwijl Cécile's
vriendinnen haar met onverholen verbazing aanstaarden.
"En heeft mama ook gezegd dat je daar vooral bij de deur moest staan
blijven?" vroeg Cécile spottend.
"Neen, volstrekt niet," zei Elsje, zich vermannend.
"Nu, kom dan hier."
Elsje kwam naderbij met een gezicht, dat onverschillig moest heeten,
maar waarop duidelijk te lezen stond dat ze zich weinig op haar
gemak voelde.
"Dit is Lizzie van den Berg, mijn nichtje van buiten. Ze logeert bij
ons," zei Cécile, zich tot hare gasten wendend.
"O, ik wist niet dat je een nichtje hadt, dat buiten woonde," zei de
scherpe Louise. "Zeker verre familie, he? Aangenaam kennis te maken,"
vervolgde ze, zich tot Elsje wendend en hare hand uitstekend, waarop
de twee andere meisjes haar voorbeeld volgden.
"Ze heeft ons wel eens verteld van een _neef_, die buiten woonde,"
zei Emma, het meisje met het vroolijke gezicht schalks, terwijl Cécile
Elsje op een laag stoeltje naast zich liet plaats nemen.
"_Please don't_," zei Cécile met een flauw blosje en met een
waarschuwende beweging harer oogen naar Elsje.
"He ja, waar hadden wij het ook weer over?" zei het groote, blonde
meisje, dat Cato heette. "O gunst neen, daar kom ik weer op verboden
terrein!" En zij proestte het uit van het lachen.
"Hè, wat ben je vervelend," zei Cécile spijtig. "Wil je nog een kopje
thee? Als 't je blieft, Lizzie, dit is voor jou."
"Toe Cilly, niet boos zijn!" zei Cato, "dat kan ik heusch niet
dragen. Wat vind ik dat toch een allersnoeperigst portret van
je, dat geschilderde! En wat hadt je _toen_ toch een allerliefst
gezichtje! Jammer dat je zoo erg veranderd bent na dien tijd."
"Cato, wees toch niet zoo laf," zei Cécile, toch nogal gevleid door
het bedekte compliment.
"Ja, ik zou wel eens willen weten, of _sommige_ menschen dat portret
wel eens gezien hebben," zei Emma met een geheimzinnig lachje.
"Wat meen je daarmee?" vroeg Cécile, terwijl ze met neergeslagen
oogen water in het trekpotje schonk.
"He ja, wat zou ze daarmee meenen? Of liever, wien zou ze daarmee
meenen?" zei Louise lachend en op half fluisterenden toon.
"Ik vind dat dat portret waard is dat iedereen het ziet, die je kent,
Cilly," zei Cato beslist. "Bent u dat niet met mij eens, juffrouw
Lizzie?"
"Och Cato, wees toch niet zoo dwaas!" zei Cécile. "Noem haar toch
Lizzie, ze is pas veertien jaar."
"Met heel veel genoegen. Nu Lizzie, ben je het niet met me eens?"
"Ja," zei Elsje met een onbestemd gevoel dat men haar voor den
gek hield.
"Ben je al eens eerder hier gelogeerd geweest?" vroeg Emma, met een
goedhartige poging om Elsje aan het praten te krijgen.
"Neen."
"En houdt je veel van het buitenleven?"
"Ja."
"Cécile heeft zeker ook al eens bij jou gelogeerd?"
"Neen."
"Het lijkt wel het spelletje van ja en neen," zei Louise zacht
tot Cato.
"O, het is zoo'n vervelend kind," fluisterde Cécile terug. "Ik begrijp
heusch niet waarom mama haar hier gevraagd heeft."
Met een gloeiend gezicht, warme handen en een benauwd, stijf gevoel
door het korset niet alleen, maar ook door de ongemakkelijke houding,
waarin ze zat, op het puntje van het lage vouwstoeltje--achterover
leunen wist ze niet of voor haar "welgemanierd" was--beantwoordde Elsje
de vragen, die haar werden gedaan. Weer was het haar alsof zij iemand
anders was, niet hetzelfde meisje als de vroolijke, levenslustige,
werkzame Elsje, die blij en moedig haar taak verrichtte en gelukkig
was in het kleine huisje bij grootmoeder.
En toen de meisjes haar met rust lieten, in de overtuiging dat er met
dat "stille burgerkind" niets te beginnen was, keek zij verlangend
naar de heldere zonnestralen, die in de kamer vielen en zag zij het
alles duidelijk voor zich: de lange, rustige dorpsstraat met de roode
en grijze gevels der huizen en de groen-en-roode luiken beschenen door
de zon, den breeden straatweg met de schilderachtige dennengroepjes,
de ruime velden met de korte struiken langs den kant, de kale takken
goudbruin en geel getint door het warme licht,--en eindelijk het
vriendelijke huisje met grootmoeders gezicht voor het raam, haar
toeknikkend met een welkomstgroet in de oude oogen.
Emma moest tweemaal de vraag herhalen, die ze tot Elsje had gericht,
zoozeer was deze in gedachten verzonken.
"Ben je nog hier met Cécile's partij?" vroeg ze.
"Dat denk ik niet," zei Cécile haastig. "En in ieder geval kan _zij_
natuurlijk niet meespelen. Dan moeten we liever een ander zien te
vinden voor die rol. Lizzie heeft stellig nooit comedie gespeeld;
zij kan onmogelijk meedoen."
"Nu, _wij_ weten dan ten minste al vast, wat we te leeren hebben,"
zei Louise. "Voor die rol van Grietje moet dan nog iemand gevonden
worden. Zeg Cilly, je hebt zeker weer een snoeperig toiletje?"
"Ik weet nog niet precies wat ik aan zal doen," zei Cécile. "Misschien
geeft mama me weer iets nieuws."
"Toe Cato, sta nu op, we moeten heusch weg," zei Emma. "Je gaat immers
zoo ver met me mee?"
"Ja zeker. O, daar is je mama, Cilly. Dag mevrouw, hoe maakt u het? Hoe
heerlijk, dat Cilly's partij al zoo gauw is!"
"Dag meisjes," zei mevrouw d'Ablong, die binnen gekomen was met twee
brieven in de hand. "Hier is een brief van grootmama, Cilly. Zij komt
hier gauw een poosje logeeren, dus zij zal er waarschijnlijk ook zijn
met de partij."
"O, dat is gezellig," zei Cécile. "Jij kent grootmama wel, he Emma?"
"Ja zeker, die aardige dame met dat prachtige grijze haar, die hier
ook was op je verjaardag. Zij is immers uw moeder, niet waar mevrouw?"
"Neen, de moeder van mijn man," zei mevrouw d'Ablong. "Ze woont op
een buiten in de buurt van Arnhem. Cécile logeert er dolgraag."
"O ja, dat wist ik wel, maar ik dacht dat zij uw moeder was. Hoe
aardig dat zij juist hier is met de partij, Cilly. Maar nu moeten we
heusch weg."
"Hier is ook een brief voor jou, Elsje," zei hare tante zacht. "Van
grootmoeder, daar ben je zeker heel blij mee."
"O ja, hoe heerlijk!" zei Elsje, blij opspringend. "Mag ik weggaan,
tante, en hem boven lezen op mijn kamer?"
"Ja, maar groet de meisjes dan eerst."
Elsje gehoorzaamde haastig en Emma zei vriendelijk:
"Dag Lizzie, ik hoop dat je me eens op komt zoeken met Cécile."
Toen snelde Elsje naar boven naar haar kamer, met den kostbaren brief
stijf in haar hand gedrukt. De tranen sprongen haar in de oogen,
toen ze het welbekende, beverige schrift zag op het adres en met
haastige, trillende vingers scheurde zij het couvert open en begon
te lezen. Lang was de brief niet, maar Elsje las dien herhaaldelijk
over, als wilde zij de hartelijke, bemoedigende woorden uit het hoofd
leeren. Grootmoeder had haar brief natuurlijk nog niet ontvangen, maar
zij zag er verlangend naar uit, dat begreep Elsje zeker wel. Het was
erg vreemd dat zij niet thuis was, maar zij moest toch maar denken
dat grootmoeder het heel goed had; Aafje's zuster zorgde best voor
haar. En Krelis was er 's ochtends geweest met een aardig klein poesje
voor Elsje. Hij had er twee van vrouw Rikkers gekregen en dat van
Elsje was pikzwart met een smalle witte streep op het borstje. En
Aafje's zuster was een beetje bang voor het katje, omdat het haar
telkens voor de voeten liep.
Telkens als Elsje dit gedeelte van den brief las, lachte zij hardop,
maar zij las het eerste stukje met grootmoeders hartelijke woorden
vol liefde, nog vaker en eindelijk bracht zij het papier met een
hartstochtelijke beweging aan de lippen en kuste het.
Toen lachte ze om hare opgewondenheid.
"Hoe kom ik toch zoo mal hier!" zei ze bij zichzelf, "grootmoeder
zou mij erg uitlachen, als ze me zoo zag. Kom, ik moet moed houden
en niet zoo flauw zijn."
"Ben je hier, Elsje?" klonk de stem van mevrouw d'Ablong op het
portaal.
"Ja tante."
"Goede berichten van grootmoeder?" vroeg ze, de kamer inkomend. "Voelt
ze zich beter?"
"O ja, dat geloof ik wel; daar schrijft grootmoeder heel weinig over."
"Kom, dat is een goed teeken. Ga nu nog even naar Cécile's kamer,
kind. Cilly heeft je wat te zeggen. Wees vooral lief en bedaard tegen
haar hoor en doe wat zij je zegt."
Elsje zuchtte eens even, maar zij gehoorzaamde toch en een oogenblik
later stond ze weer in Cécile's kamer.
Cilly lag lang-uit op de canapé met een boek in de hand. Zij keek niet
op, toen Elsje binnenkwam, maar zij scheen toch gemerkt te hebben,
dat deze in de kamer was, want met hare oogen op het boek geslagen,
zei ze koel:
"O, ben je daar?"
Toen bleef ze rustig doorlezen, terwijl Elsje ongeduldig afwachtte,
wat ze verder zeggen zou. Zij deed echter precies of ze alleen was,
sloeg een bladzijde om en bleef ijverig in het boek kijken.
Het was eenvoudig niet om uit te staan, vond Elsje.
"Cilly," zei ze.
Cécile keek op. "Och kind, noem mij als 't je blieft maar Cécile, dat
spreek je in ieder geval beter uit dan Cilly. Het is of je tien s's
in het woord brengt, zoo dwaas en ordinair komt het er uit. Wat is er?"
"Dat wou ik jou juist vragen," zei Elsje, al haar best doende niet
driftig te worden. "Tante heeft me naar je toegestuurd, omdat je me
iets te zeggen hadt."
"O ja, dat is ook zoo, maar je kondt toch wel even wachten. Heeft
mama je die pony laten knippen? Ik vind niet dat het je schoonheid
verhoogt."
Elsje antwoordde niet.
"Je schijnt geen heel goed humeur te hebben," hernam Cécile
spottend. "Hoor eens Lizzie, mama wil absoluut dat je hier nog bent
met mijn partij, maar doe dan als 't je blieft je best om een _klein_
beetje meer een _lady_ te zijn. Mama wil ook dat je meespeelt in het
comediestukje dat wij zullen opvoeren. _Ik_ vind het gek, maar het
moet nu natuurlijk toch. Gelukkig is het een kleine rol en je moet
dan voor dienstmeisje spelen, dat komt dus nogal goed uit; voor die
rol ben je nog het meest geschikt. Leer je gemakkelijk uit het hoofd?"
"Op school kon ik altijd best leeren," zei Elsje fier, "maar ik wil
liever niet meedoen in dat tooneelstukje. Ik wil ook wel weer weg vóór
de partij, als jij het zoo verschrikkelijk vindt dat ik er bij ben!"
"Je doet wat mama wil, niet wat je zelf wilt, dat spreekt," zei Cécile
beslist. "Natuurlijk zou het voor mij oneindig prettiger zijn als
je er niet bij waart, maar mama heeft mij zooeven gezegd dat zij er
bepaald op gesteld is omdat het jouw grootmoeder plezier zal doen en
nu gebeurt het natuurlijk."
"Mijn grootmoeder is de jouwe ook, Cécile," zei Elsje met bevende
lippen. "En je moogt wel heel trotsch op haar wezen."
Nu was het Cécile's beurt om een beetje verlegen te kijken. Zij
antwoordde echter niets op Elsje's woorden, maar zei, op het boek
wijzend: "Kom eens even wat dichter bij. Kijk, dit is het stukje. Het
dienstmeisje komt het eerst op en moet vlug en wat bijdehand spelen. Je
rol is klein; in het tweede en derde bedrijf heb je bijna niets te
zeggen. Je kunt van avond wel in de leerkamer gaan zitten en je rol
overschrijven. Weet je hoe je dat doen moet?"
"Ja, ik moet zeker alleen opschrijven wat die Grietje te zeggen heeft."
"En goed opletten, wanneer je invallen moet. De volgende week hebben
we repetitie, maak dat je je rol dan prompt hebt geleerd. Ik zal het
boek wel op de leerkamer leggen, ga nu maar heen."
En 's avonds zat Elsje weer rustig alleen in de leerkamer. Er lag een
groot vel papier voor haar en met een kleur van inspanning schreef
ze vlijtig de rol van "Grietje" over. Als zij zich van avond flink
hield, mocht ze den volgenden ochtend alleen een eindje gaan wandelen,
had hare tante gezegd. Zij moest dan in de buurt blijven natuurlijk,
dan was er geen kans op dat ze verdwalen zou. En met het puntje van
haar tong uit den mond en haar hoofd dicht over het papier gebogen,
schreef ze zonder ophouden voort. Miss Piper kwam haar een kopje thee
brengen en bleef even bij haar om een paar vriendelijke woorden te
zeggen, maar overigens kon zij zich ongestoord aan haar werk wijden,
zoodat ze eindelijk het laatste woord had geschreven. Ze vond dat die
"Grietje" nogal grappige dingen zeide en zij zag er op dit oogenblik
nog niet erg tegen op om voor dienstmeisje te spelen. Het zou wel gaan,
dacht ze; het leek haar niet heel moeielijk. Als zij de meisjes maar
eerst wat beter kende, zou ze zich wel gauw wat meer met haar op haar
gemak voelen.
Den volgenden ochtend gaf mevrouw d'Ablong haar werkelijk verlof om
even uit te gaan. Het sneeuwde een weinig, maar dat hinderde Elsje
niet. Zij beloofde vast dat ze niet te ver van huis zou gaan en niet
te lang wegblijven--toen liep ze vlug naar haar kamer om zich klaar te
maken. Daar viel haar opeens iets in. Als zij nu gauw even haar eigen
roode jurk aantrok en haar kapje opzette! Het was zooveel prettiger
om daarin uit te gaan dan met haar nieuwen hoed en mantel--daar kon
ook zoo licht iets aankomen met die sneeuw! Tante zou er natuurlijk
niets tegen hebben; zij ging nu immers alleen uit en niemand kende
haar in deze groote stad. Zij bedacht zich niet lang, maar deed vlug
de kast open om te zien of haar jurk er nog in hing. Jawel hoor, daar
was ze, die verachte roode! En daar was haar kapje ook! Kom, een,
twee, drie, haar reiscostuum weer aangetrokken, toen vlug de trappen
af en de gang door naar de voordeur. Al maakte ze zichzelf wijs dat
haar tante nu niets op deze kleeding zou aan te merken hebben, toch
vond ze het erg plezierig dat ze niemand tegenkwam op haar tocht naar
beneden. De voordeur ging gelukkig veel gemakkelijker open dan ze
had durven hopen. Daar stond ze op de stoep. Hè, wat was het buiten
heerlijk! Het begon harder te sneeuwen en groote vlokken stoven haar
langs de ooren, op haar kapje, op de jurk en op de oogharen, zoodat
ze die lachend knipte en het vocht van haar gezicht moest vegen. Ze
keek eerst eens goed om zich heen, voordat ze verder ging. Ze moest
den weg vooral onthouden, maar o, wat was het heerlijk, heerlijk om
de frissche lucht weer in te ademen! Zij had een gevoel alsof ze in
geen dagen buiten was geweest. Met volle teugen dronk ze de lucht in
en keek vroolijk rond. Het huis van mevrouw d'Ablong stond op een
stille, deftige gracht. Langzaam liep zij de statige, hooge huizen
langs tot ze bij een breede straat kwam, waar het heel druk was en
zich rij aan rij groote, mooie winkels vertoonden.