Dina haastte zich haar verzuim te herstellen en Elsje zweeg

bedrukt. Toen het dienstmeisje heengegaan en teruggekomen was,

het vleesch en de groenten had rondgediend en weer kon verdwijnen,

tot ze gebeld werd om het dessert op tafel te zetten--was Elsje weer

tamelijk op haar gemak gekomen en hoewel ze niet veel at, uit vrees

van de anderen op haar te laten wachten, smaakten de keurig toebereide

spijzen haar toch goed. Zij deed al haar best, zoo netjes mogelijk te

eten en keek nu en dan tersluiks naar Cécile om te zien hoe deze mes

en vork hanteerde. Elsje vond het vreemd, dat zij haar mes bijna even

ijverig gebruikte als haar vork en het was haar heel ongemakkelijk, de

vork niet vlak bij de tanden vast te houden--maar zij deed wat ze kon

en slaakte een zucht van verlichting, toen ze haar bord had leeggegeten

zonder een aanmerking van mevrouw d'Ablong te hebben gehoord.

Het dessert werd opgezet en Dina plaatste naast ieder bord een fraai

kommetje van doorschijnend, rood glas, met water gevuld.

Elsje keek er nieuwsgierig naar. Waarvoor zouden die moeten dienen? Wat

zag dat water er helder uit en hoe verleidelijk scheen het haar toe

er even een klein slokje van te drinken! Ze had zoo'n dorst en het

karafje weer ter hand nemen durfde ze niet goed na het ongeluk van

daareven. Die mooie kommetjes gebruikten rijke menschen zeker veel in

plaats van glazen. Ze liet het stukje witten podding met roode vla

nog onaangeroerd op haar bord liggen; ze moest wezenlijk eerst eens

even drinken--ze had zoo'n verbazenden dorst! Voorzichtig nam ze het

bewuste kommetje in hare beide handen en zette het aan den mond. He,

het water was lauw, hoe vreemd en wat smaakte dat naar! Juist wou ze

het sierlijke, glazen bakje weer neerzetten, toen Cécile haar aanzag

en boos zei:

"Ze kan niet met ons aan tafel eten, mama. Kijk nu toch eens even."

Elsje schrikte, meende dat ze gemorst had op haar jurk of iets heel

onbehoorlijks gedaan en liet in hare verwarring het kommetje uit hare

handen glippen. Groote en kleine roode scherven vielen op haar bord,

op de tafel en op den grond en met een angstig gezicht keek ze hare

tante aan.

"Ik zou maar naar boven gaan, Elsje. Ik vind het heel verdrietig dat

je je nog zoo weinig weet te gedragen," zei mevrouw d'Ablong.

Elsje stond op, waarbij eenige scherven van haar jurk afvielen op

den grond. Zij raapte ze snel op.

"Ga nu terstond kind, en laat die dingen liggen."

Met een bedroefd gezicht en met een haastigen, teleurgestelden blik

naar den podding, dien ze nu in 't geheel niet zou proeven, ging

Elsje de kamer uit.

Hoofdstuk V.

Van Top tot Teen herschapen.

Toen mevrouw d'Ablong een kwartier later in het salon kwam, vond ze

daar haar nichtje niet, zooals ze verwacht had. "Dan zal ze zeker

maar naar haar kamer gegaan zijn," dacht ze en liep met een zucht de

trap op. Nu reeds voelde ze eenig berouw dat ze Elsje te logeeren had

gevraagd--er zouden zooveel van die kleine, lastige onaangenaamheden

komen en het beviel haar volstrekt niet, haar gemakkelijk leven door

allerlei moeielijkheden met Elsje bedreigd te zien. Maar, zij had het

verzoek harer moeder toch niet kunnen weigeren--ze was nu eenmaal

dezen weg ingeslagen en ze moest er op voortgaan, daaraan was geen

twijfel. Ze moest het kind dan maar flink onder handen nemen van

tijd tot tijd, zoolang ze hier was en... misschien was het wel niet

noodig, dat Elsje later voor goed bij haar in huis kwam. Zoo oud was

de grootmoeder toch ook nog niet en zoo heel ziek scheen ze eigenlijk

ook niet te zijn en het was dus heel wel mogelijk dat Elsje volwassen

was en ergens een werkkring had gevonden, voordat haar grootmoeder

stierf. Dan zou zij heel makkelijk wat voortgeholpen kunnen worden

met geld en kleeren nu en dan; hare tante zou haar dan niet uit het

oog verliezen en goed voor haar zijn... uit de verte. Als alles zóó

ging, zou mevrouw d'Ablong zelf ook heel tevreden wezen.

Maar, terwijl het kind bij haar in huis was, moest ze zich beter

gedragen, dat sprak van zelf.

"Ik kom eens even met je spreken, Elsje," zei ze, de deur openend

van de logeerkamer, waar Elsje de eenzaamheid had gezocht. "Waarom

ben je niet naar de zaal gegaan, toen ik je wegstuurde?"

"Ik wou veel liever hier blijven, tante," zei Elsje met iets angstigs

in hare stem.

"Waarom?"

Zij antwoordde niet dadelijk, maar wreef zenuwachtig hare handen

over elkaar.

"Ik doe toch alles verkeerd," zei ze eindelijk op koppigen toon.

"Hoor eens Elsje, als wij goede vrienden zullen blijven, moet je je

zooveel mogelijk voornemen, om _niet_ alles verkeerd te doen. Want

wat je daar zegt, is waar, je _doet_ bijna alles verkeerd. Maar als

je wezenlijk wilt, als je heel goed op Cilly let en haar navolgt in

alles, als je probeert om zooveel als het kan natuurlijk, op haar te

gelijken, dan...."

"Ik verlang er niets naar om op Cécile te lijken," zei Elsje,

heel driftig.

Het was er uit, voordat ze het wist en terstond, _toen_ het er uit

was, had ze berouw. Maar alles, wat zij dien dag had doorgemaakt, het

droevige gevoel van verlatenheid, dat haar weer overvallen was na het

ongeluk aan tafel en vooral het wreede, hatelijke gedrag van Cécile,

hadden haar in zulk een bittere stemming gebracht dat het haar was,

als leefde ze in een bangen droom en als was zij plotseling van de

vroolijke, levenslustige Elsje veranderd in een arme verschoppelinge,

door niemand begeerd en door niemand bemind. Als hare tante Cécile

buiten het gesprek had gelaten, zou Elsje haar drift hebben kunnen

bedwingen, maar nu liep de maat van haar geduld over en met fonkelende

oogen, snel en bijna woest, bracht ze er de noodlottige woorden uit.

"Wil je wel eens dadelijk zeggen dat je dat niet meent, ondeugend,

brutaal kind?" riep mevrouw d'Ablong, haar bij de schouders

vattend. "Kom, kijk mij aan en zeg dat je het niet meent."

Elsje barstte in tranen uit.

"Laat mij weer naar huis gaan!" snikte ze. "Och, laat mij toch weer

naar grootmoeder gaan! Ik vind het hier vreeselijk, vreeselijk! En

ik wil veel liever nooit, nooit weer hier komen! Ik doe toch niets

zooals ik moet en ik vind het hier vreeselijk, vreeselijk!"

Zij had hare tante van zich afgestooten en schreide bitter, met de

handen voor het gezicht geslagen.

Met een strenge uitdrukking in hare oogen, bleef mevrouw d'Ablong

zwijgend bij haar staan. Er was niets met het meisje te beginnen,

zoolang ze zich zoo aanstelde, oordeelde zij, maar dergelijke dwaze

buien moesten in het vervolg vermeden worden, dat stond vast.

Eindelijk bedaarde het snikken wat.

"Mag ik als 't je blieft morgen weer terug naar huis?" vroeg het

kind met een smeekenden blik. "Ik durf best alleen te reizen en... en

grootmoeder zal het geld wel weerom geven."

"Dat is natuurlijk te dwaas om van te praten, Elsje. Ik zou die

kinderachtigheid nu maar uit mijn hoofd zetten. Je bent oud genoeg om

te begrijpen, dat je het bij mij aan huis volstrekt niet 'vreeselijk'

behoeft te hebben, als je je verstandig gedraagt. Ik ben ernstig

boos op je om die leelijke, afgunstige woorden, die je zooeven hebt

gezegd. Je bent jaloersch op Cécile en dat had ik van jou allerminst

verwacht. Ik reken er op dat je die ongepaste jaloezie zult trachten te

overwinnen en _nooit_ zult toonen. Begrijp mij goed en doe wat ik zeg,

anders zullen we maatregelen nemen, die je heelemaal niet aanstaan,

juffertje. Je bent moe en alles is ongewoon voor je natuurlijk en

ik zal je voor ditmaal dus vergeven. Ga straks naar bed en kom niet

meer beneden. Keetje zal je een kop thee brengen en als je nog iets

noodig hebt, kun je het haar zeggen."

En zonder het bedroefde kind verder met een blik te verwaardigen,

ging mevrouw d'Ablong de kamer uit.

Niet lang daarna kwam Keetje boven met een nachtjapon van Cécile en

verdere toiletbenoodigdheden voor Elsje.

"Mevrouw dacht dat het goed voor u zijn zou om nu maar naar bed

te gaan, jongejuffrouw," zei ze. "Zal ik u even helpen met het

uitkleeden? Dan kan ik u een kopje thee brengen, als u in bed bent."

Elsje stond langzaam op van den stoel, waarop ze in moedeloos gepeins

was verzonken geweest.

"Ja, ik zal naar bed gaan," zei ze, "maar je behoeft me niet te

helpen. Ik kleed me altijd alleen uit."

"Maar misschien gaat het een beetje gauwer, als ik u help met dien

vastgespelden rok," zei Keetje goedhartig. Elsje zag er zoo bedroefd

en terneergeslagen uit, dat het dienstmeisje medelijden met haar

kreeg. Dina had natuurlijk in de keuken verteld wat er aan tafel

met Elsje was gebeurd en hoe boos mevrouw d'Ablong had gekeken en nu

Keetje het jonge gezichtje van het "dorpskind" zoo bitter bedrukt zag,

kwam haar goed hart boven.

"Kom," zei ze, "ik zal wel maken dat u gauw rustig en wel te bed ligt,

jongejuffrouw. En wie weet, hoe lekker u dan slaapt."

"Ik hoop het," zei Elsje zacht. "Maar wil je me Elsje noemen, als

't je blieft, dat zou ik veel prettiger vinden."

"Ik geloof niet dat mevrouw dat zou willen hebben," lachte Keetje

vroolijk. "Ziezoo, daar is de blauwe rok al uit. Straks zal ik

alles wel netjes opvouwen. Die nachtjapon zal wel een beetje te lang

zijn. Kijk, heb ik geen mooie voor u uitgezocht? Dat is allemaal echt

Fransch borduursel."

Elsje voelde niet heel veel belangstelling voor het "echt Fransche

borduursel", maar Keetje's vriendelijkheid deed haar toch goed en

met een half ingehouden snik vroeg ze:

"Woont jouw moeder ook buiten?"

"Neen, hier in de stad. Wilt u nu in dien lagen leuningstoel gaan

zitten, dan zal ik uw haar uitschuieren. Pas op dat u niet over de

nachtjapon struikelt."

Het was toch wel prettig om zich zoo'n beetje te laten bedienen, nu

ze zoo erg moe was, dacht Elsje, terwijl ze makkelijk leunde tegen

den rug van haar stoel. En wat was het een heerlijk gevoel, die zachte

aanraking van Keetje's hand aan heur haar en de gelijkmatige beweging

van den schuier over haar hoofd!

"Nu bent u klaar en nu ga ik gauw een lekker warm kopje thee voor u

halen," zei het dienstmeisje eindelijk. "Is dat goed?"

"Ja, als 't je blieft."

Keetje ging heen en Elsje stond op om in bed te gaan. Eerst moest

ze nog even kijken hoe het er buiten uitzag. Ze schoof het gordijn

op zij, drukte haar gezicht tegen het raam en keek op naar het

kleine stukje lucht, dat vanuit haar kamer zichtbaar was. Hè,

wat fonkelden de sterren mooi--wat zou het prachtig, prachtig zijn

op de heide, dicht bij het huisje harer grootmoeder! Als zij maar

eens even bij haar kon zijn, even de armen om haar hals kon slaan

en haar een nachtkus geven, dan zou haar moed wel weer terugkomen,

dacht ze. Maar ze moest zich dapper houden, ze moest haar best doen,

niet weer flauw zijn en driftig tegen tante; ze had het grootmoeder

beloofd! Ze liet het gordijn los en slikte even. Ze wou nu niet meer

schreien. Ze was wezenlijk kinderachtig geweest, daar had tante wel

gelijk in. Morgen zou alles zeker wel beter gaan en met het optimisme

van een kind, begon zij zich voor te stellen, hoeveel gelukkiger dan

nu, zij zich morgenavond als zij naar bed ging, misschien voelen

zou. Tante zou dan ook wel niet meer boos zijn. Kom, ze moest nu

maar rustig gaan slapen. Zou ze ... zou ze nog eens even in dien

grooten spiegel kijken hoe die prachtige nachtpon haar stond met al

die breede strooken? Verlegen, alsof er iemand in de kamer was, die

haar uit kon lachen, ging ze voor den langen spiegel staan en keek

nieuwsgierig naar de meisjesgestalte in het lange, witte, bijna den

grond rakende gewaad. Was zij dat heusch? Ze vond eigenlijk wel dat

ze er heel deftig uitzag met die geborduurde kanten om de mouwen en

dat lange, breede borduursel van voren. Zoo moest grootmoeder haar

eens even kunnen zien! Als zij zoo eens plotseling voor haar staan

kon en haar goeden nacht zeggen! Wat zag haar gezicht er beschreid

uit en wat werd zij koud, zoo dicht bij het raam! Vlug liep ze naar

het ledikant, trok de dekens over zich heen en genoot de zachte,

mollige warmte van het veeren bed. Ze was zoo moe, zóó moe; Keetje

moest nu maar gauw komen met de thee, dan kon ze het licht meteen

uitdraaien. Daar schoot haar plotseling te binnen, dat ze grootmoeder

van avond nog een briefkaart had willen sturen met het bericht dat

ze goed was overgekomen. Hoe was het mogelijk dat ze dat had kunnen

vergeten! Misschien zou Keetje nog raad weten te schaffen.

Daar was ze juist met een grooten kop thee in de hand. Elsje kwam

dadelijk met haar vraag voor den dag. "Mevrouw is juist bezig een

briefkaart te schrijven," zei Keetje, "en ze zou uwe groeten doen,

zei mevrouw. Drink nu maar gauw deze warme thee op, dat zal u goed

doen. Ziezoo, zal ik u nu nog eens instoppen?"

"Ja, heel graag."

Keetje streek het laken glad, schudde de kussens op, trok de

dekens dichter om Elsje heen en zag er daarbij zoo vriendelijk en

aantrekkelijk uit in haar helder katoenen japonnetje, met den keurigen

witten boezelaar en het nette geplooide mutsje, dat Elsje het prettig

vond om naar haar te kijken en met een dankbaren blik zei:

"Dankje wel, hè, dankje wel."

"Kan ik nu nog iets voor u doen?" vroeg Keetje eindelijk. "Zal ik

het licht maar uitdraaien?"

"Ja, als 't je blieft."

Het dienstmeisje deed het gas uit en verliet de kamer met een

vriendelijk "goeden nacht." Elsje was op het punt haar terug te

roepen en nog iets te vragen, maar zij durfde niet goed, zei zacht

bij zichzelf: "Het is te flauw" en deed toen hare oogen dicht, vast

besloten, dadelijk te gaan slapen.

Zij deed ze echter terstond weer open, toen tot hare verwondering

de deur der kamer geopend werd en Keetje weer binnen kwam met een

brandend nachtlichtje in de hand. Heel zacht zette zij dit op de

tafel neer om Elsje niet te storen en juist wilde ze weer weggaan,

toen een zacht stemmetje zei:

"Ben je daar nog, Keetje?"

"Jawel, jongejuffrouw."

"Wil je.... wil je even bij me komen?"

Keetje kwam terstond bij het bed.

"Ik.... ik.... wil jij me een nachtzoen geven? Dat doet grootmoeder

altijd."

Het dienstmeisje dacht er niet aan op dit oogenblik, of "mevrouw"

een dergelijke familiariteit wel zou goedkeuren, boog zich over Elsje

heen en kuste haar op het voorhoofd.

"Slaap lekker," zei ze.

"Dank je wel," zei Elsje. "Dank je wel voor al je

vriendelijkheid. Nacht Keetje."

"Nacht jongejuffrouw. Zult u nu gauw gaan slapen?"

"Ja wezenlijk."

En met de gedachte aan grootmoeder en aan den brief dien zij haar

morgen zou schrijven, viel Elsje in slaap.

Om elf uur kwam haar tante even naar haar kijken.

"Ze slaapt gelukkig rustig," dacht ze, "we moeten nu in vredesnaam

maar hopen dat alles morgen beter gaat."

Den volgenden ochtend om half acht bracht Keetje Elsje een warme,

wollen ochtendjurk en voelde deze zich zeer verkwikt en bemoedigd

door de lange nachtrust, die ze had gehad. Aan het ontbijt liep

alles tamelijk goed voor haar af. Cécile was stil en een beetje

uit haar humeur, maar bemoeide zich weinig met haar en Miss Piper

was vriendelijk en beleefd evenals gisteren, terwijl mevrouw

d'Ablong blijkbaar haar best deed, om haar meer op haar gemak te

zetten. Dadelijk na het ontbijt bracht zij haar naar een aardige,

vroolijke kamer, die nog altijd de "kinderkamer" werd genoemd en op den

tuin uitzag. Er stond een groote tafel met een groen lakensch kleed

en tegen den muur waren boekenkasten geplaatst, waarvan de planken

met geschupte, groenlederen randen waren versierd. Elsje had nog nooit

zooveel boeken bij elkaar gezien en keek nieuwsgierig naar al de roode,

groene, zwarte, gele en bruine banden in de hooge eikenhouten kasten.

"Hier neemt Cécile hare lessen altijd," zei mevrouw d'Ablong. "Je weet

immers dat ze niet meer school gaat? Vandaag is ze wat moe en moet ze

maar eens vacantie nemen: jij kunt hier dus van ochtend rustig gaan

zitten schrijven. Kijk, hier staat een inktkoker en in dat vloeiboek

zijn wel postpapier en couverts. Als je met je brief klaar bent, moet

je maar even op dit knopje drukken. Dat is een electrische schel en

als je hierop drukt, komt Dina terstond bij je en zal zij je brief

naar de post brengen. We moeten maar wat vroeg koffiedrinken vandaag;

dat ga ik van middag met je naar den kapper en de naaister en zoo

verder. Denk er aan dat je de groeten van mij doet aan grootmoeder en

haar vraagt, of ze ons eens gauw bericht stuurt hoe het met haar is."

Een paar minuten later zat Elsje met een hoogroode kleur en een heel

ernstig gezicht haar brief te schrijven. Het was behagelijk warm

in de kamer en heel rustig om haar heen, maar het viel haar toch

allesbehalve gemakkelijk, den brief precies zóó te krijgen, als zij

dien hebben wou. Grootmoeder moest vooral niet den indruk ontvangen

dat zij ongelukkig was en telkens naar huis verlangde, maar Elsje

vond het heel moeielijk een opgewekten brief te schrijven, vooral

ook omdat het schrijven zelf al een heel ding voor haar was. Toen

het postvelletje vol was, streek ze met een zucht de hand over het

voorhoofd en las het geschrevene over met een gezicht, dat duidelijk

toonde dat ze er weinig mee ingenomen was. Zij had het ook zoo warm

en dat vervelende losse haar gaf haar telkens een gevoel, alsof ze

haar _eigen_ hoofd niet had vandaag. Keetje had wel getracht het

haar geheel op te maken naar Elsje's zin, maar dit was haar maar half

gelukt--het zat zoo akelig weinig stevig, vond Elsje.

Met een uitdrukking van ontevredenheid in de oogen, zat ze naar de

dikke, groote letters op het papier te kijken, toen mevrouw d'Ablong

binnen kwam.

"Ben je _nog_ niet klaar, kind?" vroeg ze. "Het is al elf uur."

"Ja, tante, mijn brief is af," zei Elsje, haastig opstaande.

"Goed, ga dan gauw mee naar beneden. Wij hebben nog zooveel te doen

vandaag. Hè, wat staat die jurk je akelig! Wij zullen wat nette,

nieuwe kleeren voor je laten maken. Vindt je het niet heerlijk,

dat je dat allemaal zoo maar van me krijgt?"

"Het is heel vriendelijk van u tante, maar.... maar mijn roode jurk

zit me zoo erg gemakkelijk, die heb ik het liefst aan."

"O, maar als een goede naaister jurken voor je maakt, zullen die je

nog prettiger zitten natuurlijk. Kom, treuzel nu niet langer."

Niet lang daarna reed Elsje in gezelschap harer tante de drukke straten

door naar een der deftigstige modemagazijnen der stad. Men had haar een

winterhoed opgezet, dien Cécile niet meer droeg en een kort lakensch

manteltje aangetrokken, dat haar te nauw was, zoodat zij zich niet heel

behagelijk voelde "Wacht maar, we zullen wel gauw een jonge dame van

je maken," zei mevrouw d'Ablong, toen het rijtuig stilstond voor een

grooten winkel met spiegelruiten, waarachter zooveel fraaie stoffen in

donkere en lichte tinten en zooveel kostbare kant, zijde, fluweel en

wit dons lagen uitgestald dat Elsje groote oogen opzette. Zij volgde

hare tante schuchter, toen een bediende in livrei met een beleefde

buiging het portier en de glazen deuren van den winkel opende.

Mevrouw d'Ablong liep tusschen de toonbanken aan beide zijden door,

terwijl haar nichtje zeer bedeesd achteraan kwam. Het was haar alsof

al die dames en heeren achter de toonbanken haar nazagen en alsof de

deftige mevrouwen, die hier hare inkoopen deden, haar aankeken met

oogen, die duidelijk zeiden: "Jij behoort hier niet, kind!" Ze was

blij, toen hare tante de trap opging, die toegang verleende tot een

zaal, waar slechts twee jonge meisjes aanwezig waren en waar stapels

fijn linnengoed in de winkelkasten tegen den muur waren geborgen. Er

heerschte een aangename warmte en Elsje vond dat de winkeljuffrouw,

die hare tante aansprak, een vriendelijk gezicht had.

"Wat is er van uw dienst, mevrouw?"

"Ik zou graag eens meisjeskorsetten van u willen zien," zei mevrouw

d'Ablong. "Het is voor dit meisje. Zij komt van buiten en ik moet

allerlei ondergoed voor haar hebben. De korsetten kunnen hier immers

gepast worden, niet waar?"

"O ja zeker mevrouw, als u zoo goed wilt zijn mij even te volgen."

Zij ging de zaal door naar een klein zijvertrekje, waar de zon

vroolijk naar binnen scheen en men door een hoog boogvenster een

levendig uitzicht had op de drukke straat, die er vroolijk uitzag in

het heldere, vriezende weer.

"O tante, wat is het hier aardig!" riep Elsje, naar het raam

toeloopende en terstond daarop een kleur krijgende over hare

vermetelheid.

Mevrouw d'Ablong keek haar ontevreden aan; zij vond het in 't

geheel niet noodig dat de winkeljuffrouw wist dat Elsje haar nichtje

was. Het kind was eerst zoo dwaas verlegen geweest hier en nu opeens

die uitroep!

"Jawel, het uitzicht is hier niet onaardig," zei ze kortaf. "Maar

kleed je nu maar gauw uit; wij hebben nog zooveel te doen. Zoudt u

meteen eens onderlijfjes willen laten zien, juffrouw?"

"Gaarne." En het meisje ging heen.

"Komaan, Elsje, haast je wat," zei hare tante ongeduldig. "De juffrouw

komt dadelijk terug met de korsetten."

"Maar ... maar tante, moet ik me dan hier heelemaal uitkleeden?" vroeg

het kind met een angstig gezicht.

"Natuurlijk. Als wij alles eerst nog thuis laten sturen, duurt het

weer langer, eer je er een beetje presentabel uitziet."

"Maar ik wil veel liever niet zoo'n stijf korset aan hebben,"

klaagde Elsje.

"Geen woord meer. Je doet nu dadelijk, wat ik je zeg," klonk het

gebiedend.

Met een zucht kleedde Elsje zich uit en liet zich door de geduldige

winkeljuffrouw het eene korset na het andere aanpassen. O, wat

verveelde het haar en wat werden hare beenen moe en stijf van dat

lange staan! En hoe ongemakkelijk zaten haar al die nare, rare

machines met ontelbare baleinen en wat was het verschrikkelijk om

telkens weer de juffrouw te hooren zeggen: "Ziet u mevrouw, van boven

past dit heel goed, maar de jongejuffrouw is wat heel breed om het

middel en de heupen." De arme "jongejuffrouw" had op het laatst een

gevoel alsof ze een mismaakt schepsel was! En al was het warm in de

kamer, toch werden hare armen en haar hals zoo koud en kreeg ze zulk

akelig kippenvel! Hoe was het toch mogelijk dat het hare tante niet

verveelde naar dat verschrikkelijke passen te kijken en dat zij maar

steeds met dezelfde nauwkeurigheid haar oordeel ten beste gaf!

"U kunt dien veter nog wel wat meer aantrekken," zei ze, toen Elsje

eindelijk een korset aan had, dat tamelijk goed paste. De juffrouw

voldeed aan het bevel en Elsje kreeg een gewaarwording alsof ze in

een soort van harnas vastgesnoerd zat.

"Het zit me nauw," waagde ze te zeggen.

"Nauw jongejuffrouw?" vroeg het meisje verbaasd. "Dat is toch een heel

wijd nummer. Het zal u nog wat ongemakkelijk zijn omdat het nieuw is,

maar ik geloof dat u er heel spoedig aan zult wennen."

"Zij moet dit maar aanhouden," zei mevrouw d'Ablong beslist. "Nu de

onderlijfjes, juffrouw."

Elsje begreep dat tegenstribbelen niets zou baten en onderwierp zich

aan haar lot met de kalmte der wanhoop.

Met een onderlijfje kwam men gelukkig sneller klaar en eindelijk namen

zij afscheid van het onderkleeren-departement en bracht de onvermoeide

mevrouw d'Ablong haar nichtje in een geheel ander gedeelte van het

"modemagazijn", dat in Elsje's oogen een reusachtigen omvang had.

Zij bevonden zich nu in een ruim vertrek, waar de japonstoffen werden

verkocht. Elsje's tante koos een paar donkere stoffen voor jurken uit

en begaf zich toen naar een kamer, waar Elsje de maat genomen werd

en een zeer elegant gekleede dame met mevrouw d'Ablong overlegde, hoe

de jurken gemaakt moesten worden. Hiermee was men veel gauwer gereed

dan Elsje had durven hopen en hoewel het akelig korset haar knelde en

zij zich niet heel opgewekt voelde, verheugde zij zich toch over het

feit, dat ze zich niet _weer_ zoo lang behoefde te laten passen. Juist

wilde hare tante zich met haar naar de mantelzaal begeven, toen haar

nog iets scheen in te vallen en ze tot de elegante dame zei:

"O ja juffrouw, u hebt zeker nieuwe stoffen ontvangen voor

baltoiletjes? Waar kan ik die zien?"

"Gaat u even zitten mevrouw en de jongejuffrouw ook, dan kan ik ze

wel dadelijk hier laten brengen."

Ze drukte op een knopje en een jongen verscheen om even later terug

te keeren met het verlangde.

"Vindt u dit niet bizonder lief, mevrouw?" zei de juffrouw, een

lichtrose stof vertoonend, die zacht en wollig aanvoelde en toch dun

en fijn was. "Dat zou deze jongejuffrouw heel goed staan."

"Jawel, maar wat hebt u daar? Is dat lichtgeel of wit, die kantachtige

stof met die fijne, blauwe bloemetjes?"

"Dit bedoelt u? Dat is heel zacht crème, mevrouw, iets beelderigs

voor een brunette, vindt u niet? Voor uwe eigene dochter

misschien.... u.... neemt u me niet kwalijk, maar u bent immers

mevrouw d'Ablong?"

"Ja, en ik wou juist een baljaponnetje hebben voor mijn

dochtertje. Stuurt u me dit maar eens op zicht, als 't je

blieft. En.... ja, doet u er dat rose dan ook maar eens bij; het kon

zijn dat ik voor dit meisje ook een baltoiletje noodig had."

"Als 't u belieft, mevrouw."

Elsje · 第 4 / 17 段