Er kwam een glimlach op haar gezicht bij de gedachte aan Krelis en

zijne grappige plagerijen en met een zucht deed zij het wollen kapje

af en liep naar de groote, wit porceleinen kachel om hare handen te

warmen. Het liep tegen halfvijf en begon hoe langer hoe donkerder te

worden in de kamer en hoe langer hoe somberder ook, vond Elsje. Zij

liep naar het raam toe en zag een binnenplaats, waarvan men een

gedeelte een vroolijker aanzien had trachten te geven door er eenige

_evergreens_ in groene kuipen neer te zetten. Elsje kon maar een klein,

klein stukje zien van de helderblauwe winterlucht--het zwaarmoedige

uitzicht benauwde haar en met een lichte huivering keerde zij zich van

het raam af en trachtte om zich heen te zien in de duistere kamer. Heel

veel vroolijker zag het er daar, nu althans, niet uit. Tegenover

het raam, tegen den muur, stond een groot eikenhouten ledikant met

een sierlijke sprei van witte kant, gevoerd met rose zijde, die Elsje

werkelijk prachtig vond. Naast den zwart marmeren schoorsteen stond een

zware, breede waschtafel ook van eikenhout en voorzien van een fraai,

marmeren blad en een reusachtig waschstel van Fransch porselein, met

takken chrysantemums beschilderd. Aan den eenen kant van het raam

prijkte een eikenhouten kleerenkast met een langwerpigen spiegel,

waarin Elsje zichzelf levensgroot zag weerkaatst; aan den anderen

kant stond een toilettafel, ook alweer voorzien van een spiegel en

van candelabres, flacons, toiletkussens, doellooze flaconkleedjes,

enz. Donkergroene overgordijnen en een donkergroen kleed droegen

er juist niet toe bij om het vertrek een blijmoediger aanzien te

geven, terwijl het eentonige, doffe getik der marmeren pendule op den

schoorsteen, op sombere wijze de doodsche stilte verbrak. Elsje had

groote moeite niet te veel onder den indruk te komen der naargeestige

omgeving om zich heen. In geduldige houding stond ze bij de kachel af

te wachten, wanneer het haar tante zou believen tot haar te komen--maar

heel geduldig en gedwee zag het er niet uit in haar hart. Er kwam een

diepe zucht over hare lippen, toen de deur eindelijk geopend werd en

mevrouw d'Ablong binnentrad, gevolgd door een dienstmeisje met eenige

kleeren over den arm.

Hoofdstuk IV.

"Elsje" of "Lizzie."

"Maar kind, waarom heb je niet even gescheld om het licht te laten

aansteken?" zei Elsje's tante. "Hoe kom je er bij om hier zoo in het

donker te blijven staan! Steek even de kaarsen aan op het toilet,

Keetje, en leg die kleeren maar op het bed. De jongejuffrouw zal zich

vandaag wel alleen kleeden."

Keetje gehoorzaamde en terwijl ze nieuwsgierig keek naar de

"jongejuffrouw," die er--zooals zij later in de keuken vertelde, "niets

jongedamesachtig uitzag met hare dikke, roode wangen,"--vroeg ze:

"Wilt u het gas niet aan hebben, mevrouw?"

"Jawel, dat is goed en vraag dan aan juffrouw Cécile of ze ook even

hier komen wil."

"Ja mevrouw."

Keetje stak de gaspitten aan, deed de overgordijnen dicht, stookte

het vuur wat op en verdween. Het zag er nu vroolijker uit in de kamer,

vond Elsje en haar tante keek ook heusch wat vriendelijker. Dit deed

haar moed scheppen om te vragen:

"Zou ik mijn eigen jurk niet mogen aanhouden, tante?"

"Neen, Elsje, dat gaat heelemaal niet. Ik wil volstrekt niet dat

Miss Piper je ziet in die verschrikkelijke jurk en buitendien zouden

Cécile en ik ook onmogelijk den heelen avond naar dat leelijke toilet

kunnen kijken. Kom, trek je jurk maar gauw uit. Ik heb geen lust,

hier lang bij je te zitten en ik moet er natuurlijk vandaag bij zijn,

terwijl je je verkleedt; anders weet je zeker niet, hoe je doen moet."

Elsje voelde wel dat tegenstribbelen niet zou baten, en begon langzaam,

met een bedroefd gezicht, haar jurk los te maken. Terwijl zij hiermee

bezig was, werd er aan de deur geklopt en riep de stem van Cécile:

"Mag ik binnen komen, mama?"

"Zeker snoesje, kom maar gauw hier."

Elsje's vingers trilden. Als Cécile er nu ook nog bijkwam, was het

heelemaal niet meer om uit te houden.--O, kon zij toch maar wegloopen;

het was verschrikkelijk! Het schreien stond haar nader dan het lachen

en met een klagende stem zei ze:

"Ik kan dat haakje niet los krijgen."

"Help haar maar eens even, Cilly," zei mevrouw d'Ablong ongeduldig. "Ze

treuzelt zoo verbazend."

Cécile gehoorzaamde, maakte het weerbarstige haakje los, trok Elsje

met een ruk de geliefde, roode jurk van de schouders en zei spottend:

"O, o, wat een dikke, roode armen! En die handen! Echte

werkmeide-handen! En o mama, kijk toch eens, wat vreeselijk grof

vel! Dat wordt bepaald nooit beter; de stumper is er mee geboren."

"Ik kan wel alleen," zei Elsje, knorrig Cécile op zijde duwend.

"Hè, wat geeft ze me daar een stomp!" riep Cécile uit, zich boos over

den arm wrijvend. "Ik bedank er voor om haar te helpen, mama."

"Ik heb je hulp ook heelemaal niet noodig," zei de arme Elsje, buiten

zichzelf van ergernis.

"Bedaard wat meisje, bedaard wat!" zei hare tante berispend, "bedenk

een klein beetje wie je voor hebt, als 't je blieft. Kom maar hier

bij mij zitten, Cilly lieverd, dan kan ze zien, hoe ze alleen klaar

komt. Leg die leelijke jurk nu maar eens eindelijk neer, Elsje,

en trek je laarzen uit. Er staan lage schoentjes voor je bij het bed."

Elsje deed wat haar gezegd werd, terwijl ze uit alle macht slikte om

hare tranen in te houden.

"Trek nu die zijden kousen aan," gebood mevrouw d'Ablong.

De zijden kousen pasten gelukkig en de mooie pantoffeltjes ook,

zoodat het eerste gedeelte van Elsje's toilet spoedig klaar was.

"Ziezoo, wasch je nu eerst maar eens flink."

Elsje schonk voorzichtig water uit de lampetkan in de groote kom,

nam een handdoek en doopte den tip ervan in het water. Zij was op

het punt om den natten handdoek naar haar gezicht te brengen, toen

Cécile in lachen uitbarstte en riep:

"Maar mama, kijk toch eens! Ze wascht zich met de punt van den handdoek

in plaats van met een spons! En hemeltje, wat boent ze zich!" Want

Elsje begon in haar drift met den handdoektip stijf en snel over haar

gezicht te wrijven.

"Lach haar nu niet _al_ te veel uit, Cilly, zij moet natuurlijk nog

allerlei leeren. Er ligt een spons in dat bakje, Elsje; gebruik die

een volgenden keer. Kijk, op de toilettafel liggen een kam en schuier;

doe nu eerst je haar, voordat je je handen wascht."

"Mijn haar doen, tante?"

"Ja, dacht je dat je er dat stijve vlechtje in zoudt mogen houden? Maak

het maar gauw los en kam het haar goed uit."

"Een _verschrikkelijk_ leelijke kleur van haar," merkte Cécile

op. "En wat is het akelig glad en sluik! Echt melkboerenhondehaar,

vindt u niet, mama?"

"Maar snoesje, hoe kom je aan _die_ uitdrukking?"

"Och, zoo noemen ze zulk haar altijd. Wist u dat niet? Maar mama,"

vervolgde ze fluisterend, "wat is ze vreeselijk leelijk, vindt u

niet? Hoe is het toch mogelijk, dat _zij_ familie van u is! En dan

zoo allernaarst burgerlijk! Ze moet er heel wat anders uitzien,

eer ze onze kennissen onder de oogen kan komen!"

"Niet _iedereen_ ziet er even snoeperig uit!" zei mevrouw d'Ablong,

terwijl ze Cécile in de kin kneep en een kus gaf. Cilly streek met

een tevreden lachje haar krullend haar naar achteren.

"Strik nu dat fluweelen lint netjes om je haar, Elsje," zei hare tante.

"Noem haar toch als 't je blieft Lizzie, moedertje," vleide

Cécile. "Dat klinkt heusch zooveel beter."

"Ik zal het probeeren, lieveling."

Elsje zweeg. Niets kon haar op dit oogenblik meer schelen. Zij voelde

zich zoo ongelukkig dat het haar nauwelijks een vermeerdering van

haar leed toescheen, niet bij haar eigen naam te worden genoemd.

"Kind, kind, wat gaat dat onhandig!" zei hare tante. "Heb je dan nog

nooit een strik gemaakt? Kom maar eens hier."

Elsje gehoorzaamde. Mevrouw d'Ablong kamde het "akelig sluike"

haar naar achteren en strikte het zwart fluweelen lint om Elsje's

hoofd. Toen probeerde ze een kuif te maken, maar het haar viel

weerbarstig neer, glad en slap, zonder eenige elasticiteit.

"Ik moet morgen dadelijk maar eens met je naar den kapper,

Els... Lizzie," zei hare tante. "Misschien kan hij je wat ponyhaar

knippen, dat je er een beetje meer presentabel uitziet. We moeten het

nu vandaag maar zoo laten. Probeer nu eens of die lichtgroene jurk je

past; ja die, met dat teere resedakleurtje. Wat stond jou die altijd

beelderig, Cilly; het is eigenlijk jammer dat je dat japonnetje nooit

meer draagt."

"Die kleur wordt nu al weer zoo ouderwetsch," zei Cécile.

De lichtgroene jurk paste Elsje niet. Hare armen gleden gemakkelijk

door de ruim neerhangende mouwen heen, maar de rok was te lang en

het lijfje veel te nauw. Met geen mogelijkheid kon de zijden veter,

waarmede de jurk dichtgesnoerd behoorde te worden, zoo strak door

de vetergaatjes worden getrokken, dat de beide kanten tegen elkaar

kwamen en om het middel was het kleedje in het geheel niet vast te

krijgen. "Trek toch maar niet meer, mama; zij _barst_ er letterlijk

uit," riep Cécile, schaterend van het lachen.

"Ja, het gaat niet," zuchtte haar moeder. "Wat moet ze dan in

vredesnaam aan! Deze blauwe jurk is niets wijder. Weet jij ook wat?"

"Misschien kan ze die flanellen blouse aan van me! U weet wel, die

lichtgele; ik draag haar weinig meer. Mij was ze altijd veel te wijd."

"O ja, dat kunnen we wel eens probeeren. Och, schel even, lieveling."

Cécile trok aan het schelkoord en Keetje verscheen weer.

"Haal eens even die crème flanellen blouse van juffrouw Cécile en

den blauw-serge rok, die in de kast hangt op haar kamer en ook het

zijden ceintuur; dat ligt zeker op je toilettafel, Cilly?"

"Ja, mama."

De lichte blouse pastte Elsje beter, maar scheen hare roode wangen nog

rooder en haar middel nog dikker te maken, door al de ruime rimpelingen

en plooitjes, waarmee de stof gegarneerd was. Toch zag zij er niet

onaardig uit in haar nieuwe kleedij. De donkere rok werd door Keetje

voorzien van een opnaaisel, hing toen netjes en stond, zooals Cécile

beweerde, "nog het minst gek." Het breede ceintuur werd om het middel

vastgestrikt en de lange einden beletten te zien, hoe het split van

den rok met spelden vast was gestoken; de boord was Elsje veel te nauw.

"Ziezoo, eindelijk klaar," zei mevrouw d'Ablong met een zucht. "Ga

nu eens even daar staan, kind--onder het gas, dat ik goed kan zien

hoe alles zit."

Met een akelig ongemakkelijk gevoel, alsof al hare kleeren van haar

af moesten zakken en alsof heur haar heel slordig zat--net of ze pas

uit bed kwam en het heerlijk stevige vlechtje nog maken moest--liep

Elsje naar het midden der kamer.

Cécile ging naast haar moeder staan en beiden beschouwden haar nichtje

met een kritisch oog.

Elsje's trots kwam boven. Met verhoogde kleur en schitterende oogen,

hief ze het hoofd op en keek hare beide kwelgeesten strak aan. De

verlegene uitdrukking verdween en hare fiere houding, de glinsterende

sterretjes in de blauwe oogen en het werkelijk aardige toiletje misten

hunne uitwerking niet.

"Als er nu nog een aanmerking komt, doe ik terstond mijn eigen jurk

weer aan," besloot ze bij zichzelf.

"Ze ziet er werkelijk iets beter uit," zei mevrouw d'Ablong tot Cécile,

"vindt je ook niet?"

Cécile antwoordde niet dadelijk, maar bekeek Elsje nog eens, met

tergende langzaamheid. Toen zei ze:

"Ja, wel _iets_."

"Kom Elsje, ga dan nu maar mee...."

"Toe mama, neem haar nu toch wezenlijk liever Lizzie. Iedereen zal

denken dat u de meid roept als u Elsje zegt."

"En toch _blijf_ ik zoo heeten," zei Elsje, zeer gedecideerd.

Cécile keek haar spottend aan.

"Och kind, stel je niet zoo aan, als 't je belieft, he!" zei ze op

minachtenden toon. "Kom mama, zullen we nu eindelijk naar beneden

gaan? Missy is al zoo lang alleen."

Zij opende de deur voor mevrouw d'Ablong, volgde haar en keek niet

meer naar Elsje om.

"Kom Lizzie!" riep hare tante, toen ze op het portaal bemerkte dat

Elsje in de kamer was achtergebleven.

Stokstijf bleef het kind staan, waar zij stond. "Tante roept mij

niet!" mompelde ze boos.

"Lizzie, Lizzie, kom dan toch!" klonk het weer. "Ga nu gauw mee

naar beneden!"

Elsje verroerde zich niet. Zij werd hoe langer hoe koppiger. "Alles

wil ik verdragen," dacht ze met een hart vol bitterheid, "maar mijn

eigen naam zullen ze me niet ontnemen."

"Ga jij maar vast naar de zaal, Cilly," hoorde zij mevrouw d'Ablong

zeggen. "Ik kom dadelijk."

Elsje's hart begon sneller te kloppen, toen ze haar tante weer binnen

zag komen.

"Wat beduidt dat, dat je me te vergeefs laat roepen?" vroeg ze streng.

Geen antwoord. Het meisje stond nog steeds op dezelfde plek,

onbewegelijk als een beeld.

"Kom, antwoord me," hernam mevrouw d'Ablong driftig. "Waarom kwam je

niet, toen ik je riep?"

"U hebt mij niet geroepen."

"Heb ik jou niet geroepen?" En Elsje's tante keek verbaasd. "Wie

anders?"

Elsje haalde met een verlegen lachje de schouders op.

"Lizzie," zei ze.

"En wist je dan niet dat jij daarmee bedoeld werdt, mal kind? Ben je

nog zóó dom?"

"U weet heel goed dat ik Elsje heet naar mijn lieve, lieve

grootmoeder," zei ze, in tranen uitbarstend. De gedachte aan haar

grootmoeder was haar te machtig.

Mevrouw d'Ablong zweeg. Weer gleed, evenals daareven in het rijtuig,

een flauw blosje over hare wangen, maar er kwam nu tevens een zachtere,

teedere uitdrukking in hare oogen, die haar gezicht onuitsprekelijk

aantrekkelijk maakte. Zij sloeg den arm om het snikkende meisje heen

en haar naar zich toetrekkend, zei ze:

"Je hebt gelijk kind, je heet Elsje en anders niet en ik zal je ook

zoo blijven noemen. Kom, schrei nu maar niet meer. Kijk mij eens aan

en laat me eens zien, dat je ook vroolijk kijken kunt."

Elsje sloeg de betraande oogen op en de ongewoon zachte uitdrukking

op het gezicht van mevrouw d'Ablong ziende, vroeg ze zacht:

"Mag ik u een kus geven?"

Tot eenig antwoord trok haar tante haar dichter naar zich toe en

kuste haar. Toen liet ze haar los en zei:

"Zullen we dan nu naar beneden gaan, Elsje?"

"Ja," knikte het kind. "En.... en.... ik zal heusch mijn best doen,

tante."

"Dàt hoop ik. Je moet maar goed opletten hoe Cilly zich gedraagt;

zij heeft zulke bizonder elegante manieren."

Elsje zweeg. Waarom moest hare tante nu ook dadelijk weer Cécile

er bij halen? Maar het was waar--zij zag er erg deftig uit en alles

ging haar zoo gemakkelijk en natuurlijk af! Dát had Elsje dadelijk

wel gevoeld, dat er een groot verschil bestond tusschen haar nichtje

en haar, niet alleen omdat Cécile donker haar en donkerbruine oogen

had en zoo beelderig mooi gekleed was, maar vooral ook omdat ze zulke

lieve, bevallige manieren had, zoo netjes liep en zoo rechtop en met

kleine, aardige pasjes en omdat ze duizend kleinigheden geleerd had,

waarvan Elsje niets afwist en ook, och zoo bitter gaarne, niets weten

_wilde_. Ze voelde zich vandaag zoo akelig linksch en lomp en ze had

zulke nare, gloeiende wangen! Al die vreemde kleeren zaten haar ook

zoo ongemakkelijk en ze had net een gevoel, alsof het lint om heur

haar afzakte,--wat hing dat ook vervelend los in haar nek, zoo warm

en slordig. Had zij haar stijf, glad vlechtje nu tenminste ook maar

mogen behouden!

Ze streek onhandig een weerbarstig lokje weg, toen mevrouw d'Ablong

de deur der zaal opende en zei:

"Dit is mijn nichtje, Missy. Gij kunt u met haar in het Hollandsch

spreken oefenen, Engelsch moet zij nog leeren."

Cécile's gouvernante, Miss Piper, stond langzaam op van haren stoel

bij den haard en bleef bedaard staan wachten, tot Elsje bij haar zou

komen om haar een hand te geven.

Cécile zat aan den anderen kant van het vuur op een lage, sierlijk

gedrapeerde tabouret en keek met een spottend lachje op, toen hare

moeder met Elsje binnen kwam.

Bedremmeld bleef het kind bij de deur staan, totdat mevrouw d'Ablong

haar bij de hand nam en naar Miss Piper toebracht.

"Mijn nichtje, Miss Piper," herhaalde Elsje's tante. "Gij zult gauw

goede vrienden met haar worden, hoop ik. Zij kan nog heel veel van

u leeren. Kom Elsje, geef Missy een hand."

"_Call her Lizzie, please,_" viel Cécile in, op beslisten toon.

"Welkom hier, Lizzie!" zei de gouvernante, Elsje's hand even in de

hare houdend. "Ik hoop, wij zullen gauw zijn vrienden."

Met een dankbaren blik keek Elsje op naar de slanke, geheel in 't

zwart gekleede gestalte en het vriendelijke gezicht met de beschaafde,

fijn besneden trekken. Er lag een zachte glans in de grijze oogen,

die op haar neerzagen en hoewel zij veel te bedeesd was om iets te

antwoorden op het gebroken Hollandsch der Engelsche, dat zoo goed

gemeend was, voelde zij zich toch dadelijk tot haar aangetrokken en

iets moediger gestemd.

"Ga maar naast Cilly zitten, kind," zei mevrouw d'Ablong, "wij gaan

zoo meteen dineeren; je zult wel trek hebben na de reis. Ja, neem

dien stoel maar. Je behoeft er niet zoo voorzichtig mee te zijn;

hij is stevig genoeg. Och Cilly, help haar eens even; ze weet niet,

hoe ze dien stoel verschuiven moet."

Cécile stond langzaam op, trok den stoel met een ruk naderbei en zei:

"Daar! Ga nu maar zitten!"

"_Cilly darling, how unladylike!_" zei miss Piper met een zachte stem.

"Hè neen Missy, niet zoo'n boos gezicht zetten!" riep Cécile,

terwijl ze naar de gouvernante toeging en haar zachte wang tegen de

hare legde. "Toe, u ziet er veel gezelliger uit, als u zóó kijkt,"

vervolgde ze met haar arm om Missy's hals geslagen en smeekend en

een beetje coquet tot haar opziende.

"Kindje, kindje, wees toch zoo opgewonden niet! Dat deugt niets voor

je!" zei mevrouw d'Ablong bezorgd.

"Maar _mother dear,_ ik _ben_ niet opgewonden. Wacht eens, ik zal

wel maken dat Missy weer in een goed humeur komt." En met vlugge

bevalligheid liep ze naar het andere einde der kamer, ging voor de

piano zitten, sloeg met vaste hand een paar accoorden aan en zong

toen met jubelende stem een couplet van "God save the Queen!"

Toen ze geëindigd had, keek ze met een vroolijk gezicht om.

"_Thank you, darling,_" zei Miss Piper.

Cécile bleef bij de piano zitten spelen.

"Ze ziet vandaag toch niet een beetje bleek? En heeft ze in 't

geheel niet over vermoeidheid geklaagd?" vroeg mevrouw d'Ablong aan

de gouvernante.

"O neen, volstrekt niet. Ik geloof eigenlijk dat Cécile altijd gezond

is, mevrouw."

"Jawel, wel gezond, maar zij moet zich toch een beetje in acht nemen,

vind ik. Ze speelt lief van avond, he?"

"Heel lief."

Het gesprek werd in het Engelsch gehouden en Elsje verstond er

natuurlijk niets van. Dat hinderde haar echter niet erg, want nu

behoefde zij er ook geen deel aan te nemen en kon zij ongestoord

om zich heen kijken en al de pracht van de rijk gemeubileerde kamer

bewonderen. Zij had nog nooit zoo iets gezien; waarheen zij ook keek,

overal was het even mooi, vond ze. Voor de hooge ramen hingen, in ruime

plooien, donkerroode gordijnen van zacht, zwaar pluche. Een donkerrood,

mollig smyrnaasch kleed bedekte den grond, terwijl hier en daar een

geelbruin vossevel, of een langharige tijgervacht mooi bij het rood

van het tapijt afstak. De makkelijke stoelen, de portière voor de deur,

het pluche tafelkleed en de smaakvolle, met goud doorstikte draperieën,

over de kleine tafeltjes en boven den spiegel aangebracht, alles was

in harmonie met elkaar en met de warme, teere kleuren van de vazen

en beeldjes, de kostbare snuisterijen en de teergele en rose zijde

der lampekappen, waardoor het licht gedempt en helder tevens heen

scheen. Hoeveel groote en kleine lampen waren er wel? Dat moest ze toch

eens even tellen! Dan kon ze het morgen aan grootmoeder schrijven. Daar

in dien hoek, naast die hooge, fraaibewerkte étagère met boeken, stond

een echte reuzenlamp, vond Elsje. Wat was daar een lange, koperen stang

aan, net een heel dunne, erg uitgerekte steel! En was die neerhangende,

gele kap van echte zijde? Zij had zoo'n fraaien glans en wat hing de

breede, doorschijnende kant er prachtig over heen! Als zij gedurfd had,

zou ze even opgestaan zijn om die lamp eens van naderbij te bekijken,

maar zij was blij dat ze zat en zou voor geen geld de heele kamer

door zijn geloopen naar dien verren hoek! Wat viel het licht van

dat porseleinen lampje op het tafeltje bij de piano mooi op Cécile's

goudbruin kleedje en op haar krullend haar! En wat speelde zij mooi! En

o, wat stond daar in dien anderen hoek een prachtig, wit beeld! Zou

dat nu van marmer zijn en zou het heel koud aanvoelen, als ze het

met hare vingers betastte? En waarom zou dat vrouwebeeld den vinger

zoo waarschuwend tegen den mond houden, alsof het zeggen wou: "Stil,

niet spreken, geen leven maken!" Naast dat beeld stond ook al weer

zoo'n mooie lamp op een standaard en wat werd die groote schilderij

aardig verlicht door het grappige, kleine lampje op een tafeltje,

dat Elsje voor een soort van nieuwerwetsche latafel aanzag en dat een

sierlijk schrijfbureautje van hare tante was! Van de schilderij kon

zij hare oogen niet afhouden. Deze stelde een lichte, opene plek voor

in het bosch en het was Elsje, als zag ze in werkelijkheid de teere,

groene tinten der wilgen en de zonnestralen, die door de takken

speelden. Hé, wat moest het op die plek heerlijk zijn! Zij vergat

heelemaal om voort te gaan met het tellen der lampen, zoo was ze in

de aanschouwing der schilderij verdiept en ze keek verschrikt op,

toen Cécile opeens haar pianospel staakte en vlak aan haar oor zei:

"We moeten eten, Lizzie; ga gauw mee."

Mevrouw d'Ablong en Miss Piper waren de kamer reeds uit. Elsje sprong

snel op.

"Och Cécile, noem mij nu niet weer Lizzie," zei ze dringend. "Tante

heeft zelf gezegd, dat zij mij nooit anders dan Elsje noemen zou."

"Zoo? Nu, dat moet mama weten, maar ik vind Lizzie oneindig mooier en

deftiger en je zult er dus maar aan moeten wennen dat je bij mij Lizzie

heet. Zeur nu niet langer en kijk ook niet zoo knorrig. Ik zal je den

weg wijzen naar de eetkamer; mama zal niet begrijpen, waar we blijven."

Elsje volgde haar met een zucht. Zij vond Cécile naar en onhartelijk,

maar ze wou toch moedig blijven.

De enkele vriendelijke woorden harer tante en van Miss Piper hadden

haar goed gedaan en zij streed dapper tegen het verlangen, om terstond

haar eigene kleeding weer aan te trekken en met den allervlugsten trein

naar haar grootmoeder terug te keeren. Ze keek verrast op, toen ze met

Cécile de ruime eetkamer binnentrad, die aan den tuin gelegen en in

het benedengedeelte van het huis was. Stevige, eikenhouten meubelen,

een langwerpige tafel met gedraaide pooten en stoelen met hooge, rechte

ruggen en groenlederen zittingen, gaven aan het vertrek een geheel

ander aanzien dan het salon boven vertoonde. Bruin beschilderde witte

tegels in eikenhouten lijsten en enkele blauw-porseleinen borden hingen

tegen het goudbruine behang en van een rijke gaskroon viel het licht

tintelend en flonkerend in de fijn geslepen wijnglazen, de kristallen

messenleggers en zoutvaatjes en het zware zilver op de tafel.

"Komt meisjes, wij zitten te wachten," zei mevrouw d'Ablong

ongeduldig. "Hier moet je zitten, Elsje, naast mij."

Elsje haastte zich plaats te nemen en Cécile ging tegenover haar

zitten naast Miss Piper. Een net dienstmeisje stond bij den stoel

van mevrouw d'Ablong en gaf de borden rond, terwijl hare meesteres

de soep opschepte. Elsje vond het haast jammer dat de aardige, losse

bloemschilderingen van het porselein bijna geheel door de dampende

soep werden bedekt, maar zij had ergen trek en begon dadelijk te eten,

toen het bord voor haar stond.

"Je kunt wel heengaan tot ik schel, Dina," zei mevrouw d'Ablong.

Dina verdween.

"Mama," zei Cécile fluisterend, terwijl ze zich over de tafel heen

naar haar moeder toe boog, om niet door de gouvernante verstaan te

worden,--"zeg toch eens dat ze niet zoo afschuwelijk hoorbaar slikt

en die dikke, roode handen wat minder laat kijken."

Zij had luid genoeg gesproken om door Elsje verstaan te worden. Het

arme kind kreeg een kleur, maar zij hield zich goed en at stil door,

met hare oogen naar beneden geslagen.

Juist toen ze weer een lepel vol soep aan den mond bracht, legde hare

tante hare linkerhand op de hare.

"Let er op, hoe Cilly eet," zei ze zacht.

Met al te groote haast slikte Elsje de soep door, om te antwoorden

en toen ze wat zeggen wou, kreeg ze zulk een hevige hoestbui dat zij

er akelig benauwd van werd en de tranen haar over de wangen rolden.

"Hè, wat een vervelend geluid!" zei Cécile. "Je kunt best ophouden,

als je maar wilt, Lizzie."

"_Take some water, do,_" raadde Miss Piper aan.

"Ja, drink eens, Elsje," zei mevrouw d'Ablong ongeduldig. Dat het

kind zich nu ook juist verslikken moest en aldoor die roode handen

aan den mond bracht, terwijl Miss Piper over haar zat!

Elsje schonk met bevende hand en al kuchend een glas water in uit een

klein, elegant karafje dat voor haar bord stond. Haar hand schudde en

het water viel zoo hortend en stootend in het glas, dat dit overliep

en zich een smal stroompje op het tafellaken vormde.

"Kind, wat ben je ook onhandig!" fluisterde mevrouw d'Ablong

wrevelig. "Bel eens even, Cilly, als 't je blieft."

Cécile drukte op het knopje der zilveren tafelschel en Dina kwam

binnen.

"Maak dat eens even een beetje schoon," zei mevrouw d'Ablong met

een blik naar het drijvende stroompje, dat hoe langer hoe breeder

werd. "Je kunt meteen de borden wel wegnemen."

Dina gehoorzaamde handig en vlug, terwijl Elsje met een kleur van

agitatie weer aan haar soep begon. De anderen hadden de borden reeds

leeg; zij vond het verschrikkelijk alleen te zitten eten, met de

spottende oogen van Cécile strak op zich gevestigd.

Het dienstmeisje bleef aarzelend wachten; zij zag dat hare meesteres

ongeduldig werd en durfde toch het bord niet weg te nemen, terwijl

Elsje nog at. Het arme kind zou met plezier de rest van haar soep

onaangeroerd hebben gelaten, als zij maar gedurfd had.

Eindelijk was zij bijna klaar en hield het bord schuin om het met den

lepel goed schoon te kunnen maken. Maar hare tante, die haar ergenis

onmogelijk langer kon bedwingen, kwam driftig tusschenbeide.

"Leg nu je lepel neer, Elsje," zei ze kortaf. "Neem dat bord weg,

Dina; ik begrijp niet, waarom je van middag zoo langzaam bent."

"Maar ik heb het nog niet heelemaal op, tante," zei Elsje, om het

dienstmeisje te verontschuldigen.

"Neem dat bord weg," herhaalde mevrouw d'Ablong streng tot Dina,

"en geef de jongejuffrouw een ander mes en een andere vork--je hadt

moeten zien dat deze geheel nat zijn."

Elsje · 第 3 / 17 段