Nikolaas. Zoo in de XVde en XVIde eeuw de Aartsengel Gabriël; in
Staffordshire noemt men nog heden de Wilde Jacht "Gabriel Hounds", en te
Lembeck in Westfalen "de Engelske Jagd", d. i. de Jacht des Engels[116].
Zoo ook St. Hubertus, "la chasse St. Hubert" (door ontleening); zoo
vooral St. Martinus. Hiermee bedoel ik niet de gewone ikonografische
voorstelling van dezen Heilige die, te paard gezeten, zijn mantel
in tweeën deelt; maar de volksvoorstelling van Sint Maarten (Limb.:
_Sintermerte_), van _Junker Marten_, volgens welke deze, door zijn
knecht begeleid, door het luchtruim raast. De Wilde Jacht op Sint
Maartensavond draagt in Duitschland den naam van _Martinsgestämpf_[117].
[116] MANNHARDT, l. l., p. 251.
[117] MEYER, l. l., pp. 132, 237. Of ook St. Kristoforus ooit als
voorrijder der Wilde Jacht heeft dienst gedaan? Enkele voorstellingen,
zooals die, bedoeld door Prof. V. D. VLIET, _Tweemaandelijksch
Tijdschrift_, IV, 2, Nov. 1897, p. 191 Aanm., laten de zaak in alle
geval zeer twijfelachtig. En wat het verband tusschen dezen Heilige en
Sint Nikolaas betreft, dit kan m. i. bepaald _niet_ worden afgeleid uit
het feit, dat Myra's bisschop patroon der schippers was. (Zie b. v.
SIMROCK, _Rheinsagen_. Bonn, 1850. P. 23; SCHNELL, l. l., pp. 22, 23,
56, 65.) Dit attribuut kan zeer goed zijn ontstaan te danken hebben
aan het bekende verhaal der zeevaart, al mag de echtheid van dit en
soortgelijke verhalen met recht worden betwijfeld.
De opgenoemde persoonlijkheden zijn toch niet allen Middeleeuwsche
bisschoppen geweest; wel is het aantal der heilige Middeleeuwsche
bisschoppen, bij welke geen spoor van paard te bekennen valt, _legio_.
Veeleer was de schimmel van Wôdan na de overwinning van het Kristendom
in de IXde en Xde eeuw, toen het _werkelijk_ geloof aan een Wôdan was
verloren gegaan, eene _res derelicta primi occupantis_, nog slechts
bereden door eene half goddelijke, half demonische schim, die zich
nog hier of daar in het Folklore vertoont[118], maar welke het niet
moeielijk viel voor edeler, meer reëele figuren te doen wijken. Op
dien schimmel heeft het volk in den loop der tijden aan allen, die het
hoog hield, omdat zij eene groote rol in kerkelijke- of staatkundige
geschiedenis of sage hadden gespeeld--Heiligen, koningen, legerhoofden
en anderen--eene eereplaats gegund; en zoo heeft Wôdan's Sleipnir ook
"als _substratum_ gediend voor de vereering van Sint Nicolaas"[119].
[118] Zie p. 26.
[119] BROM, l. l., p. 161. Zie over dit onderwerp ook de belangrijke
studie van den Bollandist J. VAN DEN GHEYN, getiteld: _Le
Personnage d'Arlequin_, in zijne _Essais de Mythologie et de
Philologie comparée_. Bruxelles-Paris, 1885. Pp. 107-131.
Nog eene opmerking. Niet slechts _dat er sprake is_ van het paard des
Heiligen; aan dit paard wordt als het ware _een zekere kultus gebracht_,
die slechts dan te verklaren is, wanneer men denkt aan den hoogen rang,
dien Sleipnir in de vereering der oude Germanen bekleedde: _daar_
had die vereering ook beteekenis, wijl Wôdan met zijn paard, beiden
verpersoonlijkingen van den wind, als vereenzelvigd gedacht werden.
Beiden werden in één adem genoemd; "Oden und sein Pferd", "Wôdan und
sein Pferd" is nog thans eene in vele Zweedsche en Duitsche sagen,
zegenspreuken en gebruiken gangbare uitdrukking. Vergelijk ook de bede,
die in het Lubecksche z. g. _Schwerttanzspiel_ (stedelijke en landelijke
tooneelvertooning) _Starkader_ in den mond wordt gelegd: "Heilige Wode,
nû lên mi dîn pêrd"[120].
[120] _Zeitschr. für deutsches Altertum_, XX, p. 13. De
_Schwerttanzspiele_ waren van de XVde tot XVIIde eeuw over
heel Duitschland verspreid.
Vorm en kleur van het bewuste paard hebben hier en daar eenige
wijzigingen ondergaan. Oorspronkelijk is het achtbeenig en wit; in
het moderne Folklore verschijnt het niet zelden drie- of tweebeenig
en zwart[121]. In Oostenrijk duikt nog een schimmel met acht pooten
op[122].
[121] VERNALEKEN, l. l., pp. 34, 35, 50.
[122] VERNALEKEN, l. l., p. 83.
Het paard is voor den Heilige het onmisbare vervoermiddel op zijn verre
tochten. Soms is hij gedwongen, de reis te onderbreken en zijn paard te
laten beslaan; de smid wordt rijkelijk beloond[123]; aldus ook Wôdan en
de Wilde Jager[124]. Het paard van Sinterklaas laat ook niet zelden een
hoefindruk achter, evenals de schimmel van _Karel Quinte_, als deze uit
den _Gudinsberg_ (_Wuodenesberg_) komt[125]. Van een Sinterklaas_wagen_
spreken onze volksrijmpjes, en het Oostenrijksche Folklore[126]; van een
wagen bedienen zich ook de Wilde Jager[127], St. Thomas en het
Kerstkind[128]. De Wôdanswagen is genoegzaam bekend[129].
[123] _Overblijfselen_, l. l., p. 14.
[124] VERNALEKEN, l. l., p. 46.
[125] MEYER, l. l., p. 242.
[126] VERNALEKEN, l. l., p. 286.
[127] VERNALEKEN, l. l., p. 55.
[128] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., pp. 436, 453.
[129] _Overblijfselen_, l. l., pp. 18, 19.
Aan verre tochten te paard of in zijn wagen is de H. Bisschop gewend,
evenals Wôdan, die den bijnaam draagt van _vegtamr_ "aan verre tochten
gewend". Sinterklaas komt van verre, en wel van het land van licht en
zonneschijn, vanwaar hij appelen, kastanjes enz. medebrengt. Dit rijk
schijnt voorheen _Engeland_, de _Insula pomorum_[130], geweest te
zijn[131]; in onze Sinterklaasliedjes is het meestal _Spanje_, dan ook
_Condé_:
Drie appelkens van _Condé_
Breng mijn broerkens ook wat mee.
(West-Vlaanderen).
Om appelkens van _Condé_
Breng er mij een g'heel schootjen (schuitjen?) mee.
(Oost-Vlaanderen)[132].
[130] Het Appeleneiland.
[131] EELCOO VERWIJS, l. l., p. 77.
[132] Ons "appeltjes van Oranje" is aan het Fransch ontleend. Bij
KILIAEN vindt men "aranienappel", vgl. het _Ital._ arancio uit
het _Arab.-Perz._ nârandj.
Te Venloo keert Sinterklaas weer terug naar _Picardië_:
Gank ût rije,
No 't lendje van _Picardië_[133].
[133] MEYER, l. l., p. 256.
Na hetgeen boven over het everzwijn gezegd is[134] zal het niemand
verwonderen, dat de Schimmelrijder somwijlen den naam van _Ebermann_
draagt. Dan beschouwt men hem vooral als den "gever van goed
geluk", en deelt hij, op een schimmel gezeten, zijne gaven uit. De
Schimmelrijder verschijnt in die hoedanigheid onder den vorm van zeer
verschillende persoonlijkheden, waarover in het volgende hoofdstuk, en
op verschillende dagen. In Silezië is het met St. Maarten, te Kranowitz
en Ratibor met _St. Nikel_[135], te Osnabrück o. a. met Kerstmis en
Nieuwjaar: de schimmel heet dan de "Spaansche hengst"[136]. Zoo ook
in Mecklenburg[137]; te Schorau (Preussen) daarentegen slechts op
Kerstavond[138], evenals in Engeland. Zou het volgende nog op een
samenhang van Sinterklaas met de Wilde Jacht kunnen wijzen? "Auf der
Schelfe [Mecklenburg] umreitet in der Neujahrsnacht ein Reiter auf
weissem Schimmel dreimal die Kirche. An der stelle derselben stand eine
schon vor 1211 erbaute Kapelle des heiligen Nikolaus". (BARTSCH, l. l.,
I, p. 16).
[134] Zie p. 12.
[135] SCHNELL, l. l., I, pp. 65, 66.
[136] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., p. 448.
[137] BARTSCH, l. l., II, pp. 224, 233, 234.
[138] SCHNELL, l. l., I, p. 50.
[Decoratieve illustratie]
IV.
VORMVERANDERINGEN.
Wie stout is of boos,
Sint Niklaas hoort alles,
Hij luistert altoos!
Hem kan men niet foppen,
Geloof mij oprecht,
Wat hij niet gezien heeft,
Vertelt hem zijn knecht.
(Uit SCHENKMAN'S prentenboek).
Om het in dit hoofdstuk te behandelen Folkloristische materiaal
eenigermate te kunnen ontwarren, zullen wij enkele beginselen
vooropstellen. De lezer moge dan naderhand zelf oordeelen, of de
gevolgtrekking juist was.
Gedurende het tijdperk van vruchtbaarheid treden in het Folklore
verschillende persoonlijkheden op den voorgrond; zoo voornamelijk:
I. VAN HEIDENSCHEN OORSPRONG.
1º _Wôdan_, windgod, voorrijder der Wilde Jacht, god der vruchtbaarheid.
2º _Hruodperaht_, een bekende huisgeest, kobold of kabouter, die meestal
onder den naam van Ruprecht verschijnt. Hij neemt deel aan de Wilde
Jacht--gedurende den Joeltijd drijven immers de geesten hun spel--en is,
evenals zijn kollega's, nu eens vrijgevig en goedig, dan weer boosaardig
en streng. Deze figuur ontmoeten wij slechts op Germaanschen bodem.
3º _Perchta_ of _Bertha_[139], eene godin, die in karakter het meest met
de godin Holda[140] overeenkomt. Als "die wilde Bertha" vaart zij door
de lucht, en verleent vruchtbaarheid aan de akkers[141]. Haar heilig
was de _Perchtenabend_, aan het einde der Twaalf Nachten. In een langen,
witten sluier is zij gehuld[142]. Nog heden laat men in Tirol eten voor
haar staan.
[139] Zie p. 8.
[140] Zie over deze godin KNAPPERT, l. l., pp. 123 vlg.
[141] MOGK, l. l., pp. 1107, 1108.
[142] Van haar en Holda stammen onze "Witte Juffers". Somtijds
vertoont zij zich echter, onder den vorm van _Berchtel_,
in zwarte lompen gehuld en met een roetgezicht. Vgl. V.
REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., p. 483.
II. VAN KRISTELIJKEN OORSPRONG.
1º De _H. Nikolaas_, de vrijgevige kindervriend, de groote bisschop van
Myra.
2º De _H. Martinus_, bisschop van Tours, volksheilige.
3º Het _Kerstkind_, dat de wereld door Zijne geboorte verblijdt.
4º De _H. Driekoningen_, die hunne offergaven aan de kribbe des
Verlossers nederlegden.
5º De _H. Lucia_, Maagd en Martelares.
Nu doet zich niet alleen het verschijnsel voor, dat attributen van
heidensche figuren op kristelijke zijn overgegaan, maar ook, dat
kristelijke dragers derzelfde attributen, volgens plaatselijke
omstandigheden, wezenlijk van elkaar verschillen; en eindelijk, dat
men, door onderlinge ontleening van verschillende Folkloristische
_centra_, personen, namen en attributen op de meest grillige wijze
heeft gekombineerd.
1º Sint Maarten verschijnt in het Limburgsche Folklore, te paard door
de lucht rijdend, begeleid door zijn knecht. Als Wilde Jager heet hij
_Junker Marten_[143]. In Zwaben noemt men hem _Pelzmärte_, vroeger
in Beieren _Pelzmartle_. Deze samenstellingen met _Pelz-_ zijn niet
zeldzaam; ik vermoed, dat zij hun oorsprong te danken hebben aan eene
vermomming door middel van vellen van een den god der vruchtbaarheid
heilig dier: eene vermomming van dien aard treft men aan in den
Joelbok.--
[143] Zie p. 27.
Ook Sint Maarten ontvangt hooi voor zijn paard[144]. In gezelschap van
St. Nikolaas begeleidde hij eertijds het Kerstkind op Kerstavond, zooals
blijkt uit een edikt van Gustaaf Adolf van 25 Nov. 1682[145]. In het
Freudenthal (Oostenr. Silezië) brengt hij op een schimmel gezeten
allerlei geschenken aan grooten en kleinen[146]. In de Rijnprovincie,
IJperen en het kanton Aalst speelt hij de rol van Sinterklaas[147].
[144] Zie p. 23. Dat de indruk van zijn voet in een steen zou zijn
blijven staan, evenals die van den hoef van het Wôdanros, zooals
MEYER, l. l., p. 257 beweert, berust op eene dwaling. WOLF toch
spreekt t. a. p. (_Niederländische Sagen_. Leipzig, 1843. P.
435) uitdrukkelijk van "Martin, ein Sohn des Grafen von Namur,
der siebente Bischof von Tongern".
[145] BARTSCH, l. l., II, p. 222.
[146] Zie p. 11.
[147] Zie p. 14.
2º Sint Nikolaas is in Nederland meestal bekend onder den vorm van een
eerbiedwaardig bisschop. In Oost-Friesland treedt hij op, niet als
bisschop gekleed, maar als een grijsaard met witten baard en in een
pelsmantel gehuld[148]. Te Quedlinburg waarschuwt men de kinderen voor
den _Nikelmann_; ieder jaar haalt deze zich een offer[149]. Dergelijke
sombere eigenschappen dankt de Heilige óf aan Ruprecht, in diens
hoedanigheid van boosaardigen huisgeest, óf aan het feit, dat Wôdan
vaak met den duivel op ééne lijn werd gesteld[150]. Duidelijk blijken
althans zijne elfische attributen uit eene legende van het kanton
Wallis, volgens welke hij--evenals de berggeesten--uit de rotsspelonken
te voorschijn komt[151]. In Beieren en in de Rijnpalts noemt men hem
_Pelznikel_ (ook wel _Nikel_ of _St. Nikel_). In Tirol heet de vooravond
van Sinterklaas _Klaubautag_[152].
[148] BROM, l. l., p. 155.
[149] SCHNELL, l. l., I, p. 29.
[150] Zie p. 13.
[151] SCHNELL, l. l., I, p. 73.
[152] = _Klaubauftag_. _Klaubauf_ is de naam van den kobold.
3º In Duitschland rijdt het Kerstkind rond op een schimmel[153], evenals
Father Christmas in Engeland, die daar ook een bosje hooi en een wortel
vindt voor zijn paard[154]. In het graafschap Rupin verschijnt een
naamlooze ruiter op een schimmel, terwijl eene in het wit gekleede
figuur een grooten zak draagt, en de _Christmann_ of _Christpuppe_
heet[155].
[153] MEYER, l. l., p. 257.
[154] POL DE MONT, _Dietsche Warande_, X, 1, 1897. P. 30.
[155] KUHN, l. l., p. 346.
4º Buiten zijn eigen attributen ook nog met die van Sinterklaas of van
het Kerstkind voorzien, treedt _Hruodparaht_ op, óf zelfstandig, óf
aan één van beiden dienstbaar. In ons land heet hij Pieterman, in de
Rijnprovincie _Hans Muff_, in den Elzas _Hans Trapp_, anders elders.
De benaming _Ruprecht_ heeft als wisselvorm _Rupel_[156]; ook de Wilde
Jager heet Ruprecht[157]. Op den _Hutberg_ bij Herrnhut huizen twee
Wilde Jagers: _Ulrich Ruprecht_ en _Bernhard Dietrich_[158]. Het
uiterlijk dezer persoonlijkheid is min of meer gedrochtelijk: verschijnt
Ruprecht als kwaadaardige elf, dan is hij trouw gewapend met zak en
roedachtig dan is zijn gezicht zwart _van het roet_. Ook de zak op
zijn rug is een roetzak: _Schmutzbartel_ heet hij om zijn roetachtig
uitzicht. Ook de _Perchteln_ d. i. vermomde gestalten, die op
_Perchtenabend_[159] rondloopen, de _Pfingstlümmel_ in het Ansbachsche,
de pijpers in het gevolg van den Pingstkoning, treden op met een
roetig gezicht[160]. Dit zwart maken, zegt Mannhardt, is "keineswegs
bedeutungslos und zwar scheint sie [die Schwärzung] mir in roher Weise
ausdrücken zu wollen, dass der dargestellte Dämon[161] ein nicht
sichtbares, für menschliche Augen dunkles unheimliches Wesen, ein
Schatten, ein Gespenst sei"[162].
[156] GRIMM, l. l., I, p. 417.
[157] MEYER, l. l., p. 237.
[158] MEYER, l. l., p. 242.
[159] Zie p. 33.
[160] MANNHARDT, l. l., pp. 162, 314, 321, 365, 548.
[161] Als het Grieksche [Grieks: daimôn], half goddelijk, half
menschelijk wezen, op te vatten.
[162] L. L. p. 322.
In Noord-Duitschland verschijnt op Kerstavond eene baardige, in pels en
erwtenstroo gehulde figuur, die appelen, noten, enz. onder de jeugd
ronddeelt. Deze heet in de Middel-Mark _der hele Christ_, _Ruprecht_
of _Hans Ruprecht_; in Mecklenburg _der ru Clas_ of _Ruklas_ in de
Oud-Mark, Brunswijk, Hannover en Oost-Friesland _Clas_, _Glas Bur_, of
_Buller Clas_. In Beieren kent men een goeden en kwaden _Klas_[163]. In
de Oud-Mark trekt eenige dagen vóór Kerstmis de afschuwelijke gedaante
van _Klas Bur_ met de lieflijke figuur van het Kerstkind rond,
ondervraagt de kinderen, laat ze bidden, en geeft hun naar verdienste
loon of straf[164]. In Mecklenburg heet _Rug-klas_ "des heiligen
Christ Vorposten"; hij rijdt op een schimmel en is met aschzak en roede
voorzien[165]. Te Lucern rammelt hij met kettingen en draagt den naam
van _Schmutzli_[166]. In een pelsmantel gehuld, het gezicht met roet
bedekt, treedt hij in Luxemburg op onder den naam van _Huosecker_[167],
in Tirol onder dien van de _Wauwe_[168]. Omstreeks het jaar 1850
verscheen deze figuur in talrijke plaatsen rondom Bamberg als
_Hel-Niclas_, in erwtenstroo gehuld en rammelend met hare ketens[169].
Nog draagt zij in Hohenzollern de namen: _Sparmundi_, _Pelzebub_,
_Pelznikel_, _Butzemann_[170]. Dit _Butzemann_, waarmee men ons
"boezeman" of "boeman" kan vergelijken, is eene benaming van
den huisgeest[171]. _Pelzoppel_ heet hij in Hessen-Nassau. In
Beneden-Oostenrijk wordt de taak van knecht waargenomen door eene vrouw,
_Berchtel_, _Buzebergt_ of _Eiserne Bertha_ genaamd; _Berchtel_ en
_--bergt_ staan blijkbaar in betrekking tot den naam Perchta, evenals
_--bartel_. In Oberhausen zei men eertijds: "Heut kommt der Klas, morgen
de Buzebercht"[172]. In het Bohemerwoud verschijnt den 12den December
's avonds de H. Lucia, die aan de brave kinderen ooft uitdeelt, maar de
ondeugende dreigt, hun den buik open te rijten. Gewoonlijk vertoont zij
zich onder den vorm eener geit, waarover een bedlaken hangt, en is zij
door een soort _Nikolo_ begeleid. "Da der Name der heiligen Lucia", zegt
v. Reinsberg-Düringsfeld[173], "welcher aus _lux_, Licht, entstanden
sein soll, dem der heidnischen Perchta, Lichte, entspricht, so ist
es natürlich, dass die Heilige im Volksglauben viele Züge der alten
Göttin angenommen hat." Ook door _Wode_ wordt niet zelden de rol
van Ruprecht gespeeld, zoo te Mecklenburg[174]; in de Thuringsche
kerstsage van de 17de eeuw doet dit "der treue Eckhart"[175]. Ook wordt
Ruprecht veelal door den _Julbuk_ of _Julbock_ vervangen, d. i., een
knecht in boksgedaante; te Leipzig noemt men soortgelijke gestalte
_Klapperbock_[176]. In erwtenstroo gewikkeld gaat hij de laatste dagen
vóór Kerstmis rond. Over den bok als symbool der vruchtbaarheid is
reeds gesproken; over den ever insgelijks[177], zoodat het ons niet
moeilijk zal vallen den omgang met den beer of tammen ever, meestal in
erwtenstroo gehuld (_Erbsenbär_), die gedurende het Joeltijdperk plaats
heeft, te verklaren. Dit gebruik is bijna over heel Duitschland en Tirol
verspreid; hieraan dankt de uitdrukking: "Jemand einen Bären aufbinden"
haar ontstaan. De beer wordt door Klas of Ruprecht geleid. Te Breslau is
_Nicolo_ vergezeld van _Bartel_, tot wien de kinderen roepen:
Bartel, Bartel, wilder Bär,
Leg mir ein, was i beger, enz.[178]
Bartel wordt ook _Strohbartel_ genoemd; hier en daar draagt Ruprecht
het epitheton _Strohbart_[179], als hij zich nl. in stroo gewikkeld
vertoont.
[163] SCHNELL, l. l., I, p. 22.
[164] KUHN, l. l., p. 345.
[165] Zou tot deze verschijning wellicht _Klas Rugebart_ in betrekking
staan, die in het Lubecksche _Schwerttanzspiel_ voorkomt? Zie
_Zeitschr. für deutsches Altertum_, XX, p. 10.
[166] SCHNELL, l. l., I, p. 73.
[167] SCHNELL, l. l., V, p. 59.
[168] VERNALEKEN, l. l., p. 62.
[169] TILLE, l. l., p. 49.
[170] SCHNELL, l. l., I, p. 21.
[171] MOGK, l. l., p. 1034. Vergelijk ook den naam _Klaubauf_, boven
p. 34.
[172] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., p. 433.
[173] L. L. p. 434.
[174] GRIMM, l. l., II, pp. 781, 782.
[175] TILLE, l. l., p. 29. Vgl. boven p. 27.
[176] SCHNELL, l. l., I, p. 62.
[177] Ib. De ever speelt ook eene voorname rol in de Wilde Jacht. Zie
MEYER, l. l., p. 244.
[178] SCHNELL, l. l., I, p. 63.
[179] GRIMM, l. l., III, p. 149.
De beteekenis van het stroo moet hierin gezocht worden, dat
het _erwten_stroo is. Onder de vruchten is vooral de erwt
vruchtbaarheidssymbool[180]. Om veel ooft te krijgen worden gedurende
het tijdperk der Twaalf Nachten de ooftboomen met erwtenstroo omwonden;
gedurende dit tijdperk mogen geen erwten gegeten worden[181]; op
Silvesteravond worden de hoenders met erwten gevoerd: zooveel erwten
eene kip eet, zooveel eieren zal ze 't volgend jaar leggen[182].
In het Bohemerwoud werpt het Kerstkind een handvol erwten door
de kamerdeur[183]; gedurende de z. g. _Knöpflinsnächte_ (de
Donderdagnachten vóór Kerstmis) trekken in Zuid-Duitschland
volwassenen en kinderen van huis tot huis en werpen erwten tegen
den vensterruiten[184]. Aldus zal het mogelijk zijn eene vreemde
bijzonderheid te verklaren in het bericht van Eelcoo Verwijs: "In Zug
in Zwitserland werd de Kinderbisschop eerst in 1797 op hooger bevel
afgeschaft. Telkens verscheen den 6den December een scholier als
bisschop gekleed, voorafgegaan door een bisschop met zijn staf, en
gevolgd door een nar, die insgelijks met een staf was gewapend, waaraan
eene _blaas met erwten_[185] was bevestigd"[186].
[180] MEYER, l. l., p. 103.
[181] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., p. 464.
[182] BARTSCH, l. l., II, p. 233.
[183] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., p. 453.
[184] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., pp. 424, 425.
[185] Wij kursiveeren.
[186] L. L., p. 29.
Of zouden ook de erwten soms eene specifiek kristelijke beteekenis
hebben?
[Decoratieve illustratie]
V.
BEL EN ROEDE.
St. Niklasawen,
denn geit wi nâ baben,
_denn klingelt de klokken_,
denn danzen de poppen.
(MANNHARDT, l. l., p. 327 Aanm. 2).
Zoo zingt men te Friedrichstadt a/d Eider. De komst van Sinterklaas
wordt door belgeklingel aangekondigd. Knapen doen dit reeds eene week te
voren in het kanton Bern[187]; in Hohenzollern trekken op den vooravond
van het feest, mannen en vrouwen, z. g. _Niclause_, onder ketting- en
belgerinkel door de straten[188]; in het kanton Unterwalden gaat eenige
dagen te voren een als hanstworst gekleed man _Samichlausen-Geiggel_
genaamd, met bellen van huis tot huis[189].
[187] SCHNELL, l. l., I, p. 95.
[188] SCHNELL, l. l., I, p. 22.
[189] SCHNELL, l. l., I, p. 73.
Dat de bel den Heilige ook in ons land niet vreemd is, blijk uit het
volgende rijmpje:
Sint Niclaes Bisschop, goed heylich man,
Wil je wat in mijn schoentje geven, God loont u dan,
Geefftemen een beurs _met bellen_[190],
Soo sal ickje niet meer quellen,
So langhe als het God geliefft,
Heb ik Sinte Niclaesje lieff[191].
[190] Wij kursiveeren.
[191] EELCOO VERWIJS, l. l., p. 73.
Maar in den Dantziger Werder is de bel een attribuut van den Zaligmaker;
daar hoort men:
Heilige Krist du gôde mann,
trek dîn besten tabbert an[192],
komm veer onse deer,
_klinger ons wat veer_[193].
Vandaar dat het Kerstkind ook de benaming van _Klinggeest_[194] en
_Klingjes_[195] draagt. Ook in den Elzas en in het Bohemerwoud kondigt
het Kerstkind Zijne komst door het luiden eener zilveren klok aan[196].
Maar het is toch vooral de in pels en erwtenstroo gehuldigde gedaante,
waarvan op blz. 35 sprake was--Ruprecht, Clas of anders geheeten--die
met bellen en ketenen behangen optreedt. Te St. Vith (Rijnprovincie)
is Hans Muff van bellen voorzien[197]; in Mecklenburg heet de
Schimmelrijder _Klingklas_[198]; klokjes en belletjes draagt ook
_Aschenklas_[199]. In het Noorden treden de Joelbokken met schelletjes
op[200].
[192] Volgens J. A. LEYDIS stelt de tabberd het pallium voor!
[193] MANNHARDT, l. l., p. 327 Aanm. 2.
[194] MANNHARDT, l. l., p. 326.
[195] BARTSCH, l. l., II, p. 224.
[196] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., pp. 446, 453.
[197] SCHNELL, l. l., I, p. 61.
[198] BARTSCH, l. l., II, p. 324.
[199] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., p. 448.
[200] MEYER, l. l., p. 218.
Mijns inziens is de bel evenals het roetgezicht den _huisgeest_ eigen;
niet van Wôdan maar van den kant der elfen gewerd Sinterklaas dit
attribuut; Wôdan is trouwens de _Elfenkönig_ of _Ellenkönig_[201]. Een
_Pück_ (kobold), zoo verhaalt Ern. Joach. Westphal[202], diende dertig
volle jaren bij de monniken van een klooster in Mecklenburg, in keuken,
stal en elders. Tot loon bedong hij: _tunicam de diversis coloribus et
tintinnabulis plenam_[203]. In Schotland huisde eertijds een kobold, die
den naam van _Shellycoat_ droeg; ook de dwergen der Middeleeuwen hielden
veel van bellen; de bellen aan het pak van den hofnar pleiten voor zijn
verwantschap met den lustigen huisgeest[204].
[201] VAN DEN GHEYN, l. l., p. 115 vlg.
[202] Bij GRIMM, l. l., I, pp. 423, 424.
[203] Een veelkleurig kleed vol bellen.
[204] GRIMM, l. l., I, pp. 385, 424; III, p. 148.
Ook de op verschillende tijden en onder verschillende benamingen
zich voordoende vertegenwoordiger van den woudgeest--_Grüner Georg_,
_Pfingstl_, _Pfigstbutz_, enz.--vertoont een roetgezicht en rinkelt met
eene koeschel[205]. Gedurende de _Rauchnächte_ loopen de Perchteln met
_koeschellen_ en _lange zweepen_ rond; op Kerstavond loopen op vele
plaatsen van Duitschland knapen met riemen vol koeschellen door het
dorp; op Donderdag vóór Vastenavond bestaat plaatselijk de vermomming
hoofdzakelijk uit een bedlaken, eene hanenveder, en een riem met
paardenschellen[206]. De bel schijnt dus tevens met de vruchtbaarheid
in verband te staan, wat verder nog o. a. hieruit blijkt, dat in
het Beneden-Inndal de jongelieden bij het begin der lente "das Gras
ausläuten", d. i. met bellen het veld doorkruisen, om den groei van het
gras te bevorderen; en in de Vingstau den 22sten Februari de jeugd, met
groote bellen en koeklokken omhangen, van huis tot huis gaat: dit noemt
men "den Langas (lente) wecken"[207].