Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
http://www.pgdp.net
+----------------------------------------------------------------+
| |
| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
| |
| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
| moderniseren. |
| |
| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
| einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn |
| hernummerd en verplaatst naar het eind van de alinea met de |
| verwijzing. |
| |
| De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |
| _cursief_. Letters uit het griekse alfabet zijn omgezet en |
| weergeven als [Grieks: woord]. |
| De letter o met macron is als [=o] weergegeven. |
| |
| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
| gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: |
| MEYER/MEIJER. |
| |
| Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
| aangebrachte correcties. |
| |
| De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit |
| e-boek op https://www.gutenberg.org/ |
| |
+----------------------------------------------------------------+
DE H. NIKOLAAS
IN
HET FOLKLORE
DOOR
Dr. JOS. SCHRIJNEN,
_leeraar aan het Bisschoppelijk Kollege te Roermond,
bibliothekaris van het Genootschap "Limburg"._
[Illustratie: Limburgs provinciewapen]
ROERMOND,
J. J. ROMEN EN ZONEN.
1898.
De H. Nicolaas in het Folklore.
"Folk-lore," zegt Prof. Paul Alberdingk Thijm[1], "is op alle gebied de
wapenkreet geworden. Wee dengene, die zich daartegen kant! Hij worstelt
tegen den stroom. Folk-lore in de raadzalen! Folk-lore in de school!
Folk-lore in alle kunstuitingen!" En zoo is het Folklore in engeren zin,
dat wil zeggen, de wetenschappelijke behandeling van gewoonten, zeden en
gebruiken, spreekwijzen en uitdrukkingen, liederen, sprookjes, sagen,
legenden en voorstellingen, die voortleven in den boezem des volks,
niet alleen eene moderne wetenschap, maar tevens eene wetenschap, die
uitdrukking verleent aan den geest, die beantwoordt aan de behoeften des
tijds. Immers: "men wendt zich weder tot de natuur; de volksaard wordt
ondervraagd. Men spoort op waarin die bestaat, omdat men dien bijna
had vergeten; men graaft oude legenden, sagen, spreuken uit het dikste
stof en beoefent een vak, dat men met den nieuwen naam van _Folk-lore_
bestempeld heeft, d. i. _volkskunde, volkswetenschap_."[2] Aan hare
verhouding tot de tijdsomstandigheden dankt de wetenschap van het
Folklore zonder twijfel hare rassche verspreiding. Met koortsigen ijver
zette men zich in alle beschaafde landen aan het werk, om den schat
van overleveringen op te teekenen, te schiften, te groepeeren, en met
verbazende snelheid zag men allerwegen Folkloristische vereenigingen
en bibliotheken verrijzen; en de naam der jonge wetenschap zelf--voor
het eerst door Mr. Thoms, Sekretaris der _Camden Society_ in het
Athenæumnummer van 22 Augustus 1846 gebruikt--had slechts enkele
tientallen van jaren noodig, om zich een onbetwist Europeesch
burgerrecht te verschaffen.
[1] In de _Lettervruchten_ v. h. Taal- en Letterlievend
Studentengenootschap "Met Tijd en Vlijt". Leuven 1892. P. 4.
[2] P. ALBERDINGK THIJM, l. l., ib.
Van meet af betrad deze wetenschap ook reeds den weg, dien hare
zusterwetenschappen--Mythologie, Geschiedenis, Ethnologie en
Linguïstiek--deze eeuw vooral zijn ingeslagen: als _vergelijkende_
wetenschap zag zij het licht. Niet tevreden op beperkt terrein eene
reeks van min of meer samenhangende verschijnselen op een gegeven
oogenblik op het leven te betrappen of ook hooger opwaarts te vervolgen,
zoekt de Folklorist analoge sagen en gebruiken bij verwante stammen op
te sporen; hij ontdoet het aldus verkregen materiaal van alle heterogene
bestanddeelen, vergelijkt, en tracht zoodoende tot hun kern en hunne
oorspronkelijke beteekenis door te dringen.
Deze door elk wetenschappelijk Folklorist te volgen gedragslijn doet
duidelijk zien, hoe juist het verwijt van eenzijdigheid was, door Dr.
G. Brom onlangs tot zeker iemand gericht, die onder het pseudoniem van
Joës a Leydis schuil gaat[3]: "Maar de verschijning van Sint-Nikolaas
als _Bisschop_ pleit toch, zoo men wil, voor den zuiver katholieken
oorsprong en zin van zijn feestviering. Zeker, indien zulk een optreden
_overal_ in gebruik was; maar dat is voornamelijk het geval in ons
eigen vaderland. Hierop alleen acht gevende, zouden wij de berisping
niet ontgaan, welke Tacitus aan de geschiedschrijvers van zijn tijd
toediende: "qui sua tantum mirantur." Op zijn Hollandsch gezegd: die
niet verder zien dan de gezichteinder reikt boven hun eigen onderdeur,
en meenen, dat hun beperkt kringetje de gansche wereld omvat."
[3] In zijne kritiek van een kortelings onder dit pseudoniem bij
Borg, Amsterdam, verschenen werkje, getiteld: _Sint Nikolaas,
zijn Feest en Gebruiken_. Zie _De Katholiek_, Dl. CXIII, p. 154.
En inderdaad, worden er tusschen de Katholieken Folkloristen gevonden,
die beweren in de volksfeestviering van den H. Nikolaas niet-kristelijke
bestanddeelen, te ontdekken, dan is dit
1º omdat zij tusschen volksgebruiken en volksvoorstellingen, die met het
feest in betrekking staan, en andere gebruiken en voorstellingen, hetzij
op eigen bodem, hetzij elders, eene verwantschap meenen te speuren, _die
niet aan ontleening van het St. Nikolaasfeest haar oorsprong kan te
danken hebben_; en
2º omdat geen enkel kerkelijk leerstuk, geen enkele kerkelijke wet hen
verplicht, al wat op het oogenblik met de feestviering van den H.
Nikolaas in verband staat, als van _zuiver_ kristelijken oorsprong te
beschouwen.
Wel zullen zij niet altijd langs den weg eener klemmende bewijsvoering
tot onwraakbare resultaten kunnen geraken,--vaker door de
overtuigingskracht van een voldoend aantal feiten tot eene _moralis
certitudo_ wellicht; in ieder geval zal het hun echter vrijstaan in
den knecht Ruprecht b. v. liever een elfische gedaante te zien, dan
Marmorinus, den zwarten koning der Agareniërs, en wel zonder gevaar,
_het spoor der orthodoxie bijster te raken_.
Hij, die dergelijke beginselen huldigde, zal hierin niet weinig
versterkt zijn geworden door de zooeven geciteerde meesterlijke kritiek
van Dr. Brom in de l.l. Januari en Februarinummers van _De Katholiek_.
Niet slechts de eer der katholieke historiografie, ook die van het
katholieke Folklore is daar van bevoegde zijde op schitterende wijze
gewroken. Het feit en goed recht eener z. g. "verkerstening" zijn er
aangetoond, de banen, die de katholieke geschiedvorscher te volgen
heeft, afgebakend, het blazoen der katholieke Volkskunde is er gezuiverd
van alle smet en blaam. Uitteraard kon de schrijver echter bij de
behandeling van zijn vierde punt niet tot meer bijzonderheden afdalen,
zonder de eenheid van het geheel te schaden;--en toch is de mogelijkheid
niet uitgesloten, dat menig Katholiek naar eene nadere kennismaking met
de zienswijze der Folkloristen in deze verlangt. Ik neem dus de taak
op, door Dr. Brom zelf l. l., p. 152 den Folkloristen overgelaten met
de woorden: "aan hen de taak, zoo mogelijk eene volledige oplossing te
brengen". In de volgende bladzijden stel ik mij voor, een zeker aantal
gegevens tot eenige rubrieken terug te voeren, en deze, meer als
_specimina_ dan als volledige verzameling, het belangstellend publiek
aan te bieden. Niet zelden echter zal ik hierbij gedwongen zijn in
eene herhaling te vallen, van hetgeen reeds in mijne meer algemeene
verhandeling over de "_Overblijfselen van den Wôdankultus in Limburg_",
Vde Jaargang, IIIde Afdeeling van het Genootschap "Limburg" is gezegd.
Ook duide men het mij niet ten kwade, zoo ik voor het meerendeel
gedwongen ben uit ongeloovige of althans niet-katholieke schrijvers te
putten. Gave God, dat ik meer werken van katholieke Folkloristen als
bronnen kon aanhalen!
[Decoratieve illustratie]
I.
HET VRUCHTBAARHEIDSTIJDPERK.
Sinte Klaas, die goede man,
Die ook alles bakken kan,
Suikergoed en taaie man,
Ja, daar krijg ik ook wat van.
(DR. EELCOO VERWIJS, _Sinterklaas_, 's Gravenhage,
1863. P. 74.)
Verreweg de meeste gebruiken en volksvoorstellingen, die met het feest
van den H. Nikolaas in verband staan, behooren m. i. tot de derde groep
in de waarlijk "onmisbare distinctie," door Dr. Brom in zijn eerste
artikel vastgesteld[4]. Zelfs dan, als de Kerk _wilde_ afschaffen,
gelukte het haar bij lange niet volkomen, het ingekankerde heidendom
uit te roeien. Om zich hiervan te overtuigen, behoeft men slechts den
_Indiculus superstitionum et paganiarum_[5] na te gaan, en aldra zal
men tot de ontdekking komen, dat verschillende nummers, zoo b. v. _De
incantationibus_[6] (No 12), en _De divinis vel sortilegis_[7] (No 14)
nog in het huidige bijgeloof voortbestaan. Opmerking verdient het, dat
zich dit bijgeloof vooral aan kristelijke feesten, zoo b. v. Kerstdag
en St. Thomasdag vasthecht;--en aan _deze_ opvattingen en praktijken zal
toch wel niemand een kristelijken oorsprong willen toeschrijven. Ook
vind ik reeds het eerste nummer eener vragenlijst uit de XVde eeuw, ten
behoeve der priesters voor biechtelingen uit de gewone volksklasse, in
het Limburgsche Folklore terug: _Qui exercent supersticiositates cum acu
qua cadaver est consutum_[8].
[4] L. L., p. 83.
[5] Bij MORITZ HEIJNE, _Kleinere altniederdeutsche Denkmäler_.
Paderborn, 1877. Pp. 89, 90.
[6] Over tooverij.
[7] Over zieners en waarzeggers.
[8] Die bijgeloovigheid plegen met eene naald, waarmee een doodshemd
genaaid is. Bij HERMANN USENER, _Christlicher Festbrauch._
Bonn, 1887. P. 84. Dit punt van het bijgeloof is reeds door
mij opgeteekend in mijne studie, getiteld; _De Doode in het
Limburgsche Folklore_, in het Jaarboek van "Limburg". I, p. 192.
Maar wat zeggen van gebruiken als het geven van geschenken, het zetten
van den schoen, van volksfantasieën als het rijden over de daken, het
werpen door den schoorsteen? Zou men niet veilig kunnen aannemen, dat de
Kerk ten opzichte hiervan steeds strikt onpartijdig gebleven is, daar
zij er volstrekt geen gevaar in zag, zoo sommige heidensche attributen
al door het volk op een H. Nikolaas werden overgedragen? Men moge
dan met nog zooveel ijver de oudste dokumenten doorwroeten en het
dichtste stof der archieven doen opdwarrelen, ten sterkste zou ik het
betwijfelen, of men er ooit in zal slagen, eene kerkelijke veroordeeling
van het geloof aan een Sleipnir aan het daglicht te brengen.
Aan Wôdan, de verpersoonlijking der bewogen lucht, den windgod en
bijgevolg den god der vruchtbaarheid, behoorden de Winterfeesten; hem op
de eerste plaats werd dan geofferd; andere chtonische- en windgodheden,
zooals Holda en Perchta, speelden dan slechts eene ondergeschikte rol.
Nu mag men met Grimm aan een driedeeling des jaars en, in verband
hiermee, aan het voormalig bestaan van drie hoofdoffertijden blijven
vasthouden, ofwel--wat waarschijnlijker is--met Weinhold en
Phannenschmid, door Mogk gevolgd[9], het Germaansche jaar in vieren
indeelen,--het bestaan der beide Winterfeesten wordt door niemand
ontkend. Het eerste dezer feesten, hetwelk een geruimen tijd duurde,
begon omstreeks het begin van November; het tweede z. g. Midwinterfeest
of Joelfeest, ontegenzeglijk het hoogste feest der oude Germanen, viel
in de tweede helft van December en in de eerste van Januari. Dit wordt
het tijdperk der "Twaalf Nachten" genoemd; onze oostelijke naburen
spreken van de _Zwölften_, _Unternächte_, _Rauchnächte_ of _Losstage_.
Volgens sommigen moet men door de _Rauchnächte_ de drie Donderdagen vóór
Kerstmis verstaan[10]. De Tirolsche boerenalmanak geeft als zoodanig 6,
25 en 31 December, en 6 Januari aan. Het woord "Joel", afkomstig van
het Oud-Noordsche _jol_ (= _*jul_), hangt waarschijnlijk niet met het
Angel-Saksische _hveol_ = rad, samen, maar komt waarschijnlijk van eene
Indo-Germaansche wortel JEKU, en beteekent "scherts", "vroolijkheid",
zoodat dit feest, naar zijne etymologie te oordeelen, het "jolige" bij
uitstek was[11]. Inderdaad, het karakter der beide Winterfeesten bestond
in eene uitgelaten vroolijkheid, veroorzaakt 1º door het genieten der
offergaven, gedurende dien tijd aan Wôdan c. s. en ook aan de zielen der
afgestorvenen gebracht; en 2º--reden van oekonomischen aard--door de
twee groote slachttijden, die met de winterfeestviering samenvielen,
wanneer deze niet, zooals Tille beweert[12], zelfs de hoofdaanleiding
tot de winterfeestviering gegeven hebben.
[9] _Grundr. d. Germ. Philol._, her. v. H. PAUL. I, p. 1125.
[10] WILHELM MANNHARDT, _Der Baumkultus der Germanen und ihrer
Nachbarstämme_. Berlin, 1875. P. 542.
[11] Vgl. ELARD HUGO MEIJER, _Germanische Mythologie_. Berlin, 1891.
P. 197.
[12] ALEXANDER TILLE, _Die Geschichte der Deutschen Weihnacht_.
Leipzig, 1893. P. 6 vlg.
Anders was het in het Noorden. De Oost-Germanen vierden hun hoofdfeest,
het _Góiblót_, in Februari, "til gródhrar" voor den wasdom, terwijl het
"Joelfeest" daar in Januari viel, "til árs" voor den oogst[13].
[13] MOGK, l. l., p. 1126; MEIJER, l. l., p. 196.
Gegeven dus, dat het eerste Winterfeest eene vrij groote rij van
dagen in beslag nam; dat het Joelfeest meestal tusschen Kerstmis en
Driekoningen, plaatselijk echter ook vroeger of later kon vallen; dat
beide Winterfeesten hoofdzakelijk Wôdan, den god der vruchtbaarheid
golden; dat eindelijk, gedurende heel den tijd, als de natuur schijnt
uitgestorven en de winden het vaakst ontketend zijn, volgens de
voorstellingen der oude Germanen de Wilde Jacht, met Wôdan als
voorrijder, door het luchtruim joeg[14], dan krijgen wij een bijna
aaneengesloten feesttijdperk, den god der goede gaven ter eere, dat
zich ongeveer van het begin van November tot het midden van Januari
uitstrekte. Wij bevinden nu, dat vele volksgebruiken en volksverhalen,
welke met kristelijke feesten gedurende dit tijdperk samenhangen,--St.
Martinus (11 November), St. Clemens (23 November), St. Andreas (30
November), vooral St. Andreas_nacht_, St. Barbara (4 December),
St. Nikolaas (6 December), St. Lucia (13 December), St. Thomas
(21 December), Kerstmis (25 December), St. Stefanus (26 December),
het feest der Onnoozele Kinderen (28 December), Driekoningen (6
Januari)--veel overeenkomst blijken te bezitten met de gebruiken
van het Winterfeesttijdperk en met de attributen van den god, die
alsdan de hoofdrol vervulde. Zien wij dan anderdeels, dat zij in hun
huidigen toestand eene groote objectieve verscheidenheid vertoonen en
bedenken wij, dat in de feestkringen van andere tijdperken dergelijke
overeenkomst vergeefs wordt gezocht, dan dunkt mij is de gevolgtrekking,
zoo niet strikt bewijsbaar, dan toch alleszins te rechtvaardigen, dat
het hier attributen geldt, van hun oorspronkelijk subjekt losgerukt, en
door de volksfantasie, het eene vóór, het andere na, aan kristelijke
instellingen en persoonlijkheden vastgehecht.
[14] _Overblijfselen_, p. 10.
Heidensche offers gingen steeds van offermaaltijden vergezeld. Wat
hiervan in ons hedendaagsch Folklore kan zijn overgebleven? "In unserem
Volksglauben", zegt Mogk[15] "sind in algemeinen die Opfer vergessen;
gewisse Gerichte, die man in jenen Tagen isst, scheinen nur noch schwach
daran zu erinnern"; en Grimm[16] beschouwt als offerresten vooral "das
reiben der heiligen flamme, laufen durch die brände, werfen von blumen
in das feuer, _backen und austheilen grosser brote oder kuchen_, und der
reihetanz". Zoo ook v. Reinsberg-Düringsfeld: "Der Weihnachtsschmaus
trat an die Stelle der alten Gastereien, die mit den Opfern verbunden
waren, wie uns die verschiedenen Speisen, die noch üblich sind, sowie
die Weihnachtskuchen, welche die Gestalt von Ebern, Pferden und anderen
Tieren haben, deutlich bekunden"[17]. Men mag deze meening zijn
toegedaan of niet, vreemd is het in ieder geval, dat juist gedurende den
Joeltijd (in den meest uitgebreiden, boven aangeduiden zin) de meeste
smulpartijen en gebaksvormen gevonden worden.
[15] L. L., I, p. 1125.
[16] JACOB GRIMM, _Deutsche Mythologie_. Berlin, 1875 (Vierte Ausg.
bes. v. E. H. MEIJER) I. p. 35.
[17] _Das festliche Jahr der Germanischen Völker_. Leipzig, 1898.
P. 4.
Met St. Maarten bakt men bij ons bijzondere koeken, St.
Maartenshoorntjes genaamd; in Duitschland houdt men smulpartijen, Mogk
althans spreekt van _Martinsschmäusen_[18]. In het Freudenthal (Oostenr.
Silezië) krijgen kinderen en volwassenen op St. Maartensvooravond
velerlei geschenken, maar vooral het _Martinshörndl_ mag niet
ontbreken[19]. Met St. Andreas wordt te Reichenberg de _Andreaskranz_
gebakken[20]. In Hohenzollern begint men acht dagen vóór Sinterklaas
reeds met het bakken van het _Klausenmannle_, een wittebrood in den vorm
van een dansenden man[21]. Met Sinterklaas vergast zich in heel ons land
oud en jong aan peperkoek onder de meest grillige vormen en benamingen.
Te Seekirch (Würtemberg) bakt men alsdan lange, dunne koeken, die den
vorm van pyramiden hebben; in het "Oberambt Ehingen" kleine, ronde
suikerbroodjes, z. g. _Cloosen-Weckle_; te Dieburg (Hessen-Nassau)
_Nicolaus-Lebkuchen_; te Leipzig _Pflaumentoffel_, eene eigenaardige
lekkernij[22]. Dan volgt Kerstmis met zijn in het Limburgsche Folklore
eigenaardige Kerstbroodje van Geleen[23], en tweede Kerstdag, waarop de
kinderen te Neeroeteren (Belg. Limburg) op broodjes onthaald worden[24];
voorheen at men op Stefanusdag in den Eiffel tweeërlei brood, het eene
zuur, het andere zoet, zooals nog thans in de Rijnlanden[25]. Ook zijn
de _Weihnachtsstollen_ bekend. Kerstbrood geldt in Duitschland voor
brandstillend[26]. Tusschen Kerstmis en Nieuwjaar kende men er eertijds
een bijzonder soort brood[27]. Voeg hierbij nog het Nieuwjaarsgebak
("Nieuwjaarsmoppen", aan den Rijn: "Neujahrskränzchen") en de
smulpartijen op Driekoningendag, die o. a. te Laerz (Mecklenburg)
plaats vinden[28], en ge zult tot het besluit komen, dat de gastronomen
gedurende het Joeltijdperk geen reden tot klagen hebben. Bovengemelde
meening omtrent deze gerechten wordt dan ook, bepaaldelijk voor de
Kerstkoeken, aannemelijk geacht, door den inzender van No 1178b der
aangehaalde Bartsch'sche verzameling[29]: "Die gegen Weihnachten
gebackenen sogenannten Kinnerges=Poppen, Has=Poppen, welche nach
jetziger Denkung die Hirten von Bethlehem und deren Heerde darstellen
sollen, _unsprünglieh aber Opfergaben gewesen sein mögen, die am
Julfeste dargebracht wurden_ (Beyer in den Mekl. Jahrb. XX, 150), werden
von manchen Bäckern mit Saffran bestrichen und heissen darum auch:
Saffran=Pöppings". Ook Meyer is deze zienswijze toegedaan[30], met het
oog vooral op het volgende: Buiten den wolf (en den raaf)[31] zijn Wôdan
vooral de bok en de ever heilig; deze dieren vooral werden als _symbolen
der vruchtbaarheid_ in den Joeltijd aan Wôdan den windgod, den god der
vruchtbaarheid geofferd. "Veel wind, veel ooft," zegt een spreekwoord;
wind schenkt vruchtbaarheid en doet het koorn, rijpen[32]. Vandaar 1º
dat Wôdan als god der vruchtbaarheid vooral dan vereerd werd, als de
winden heviger loeiden dan ooit. Het Joelfeest werd dan ook niet ter
eere van den zonnegod, maar van den god der vruchtbaarheid gevierd[33];
en 2º dat om redenen van oekonomischen aard dit feest bij de Germaansche
plattelandbewoners als het hoogste gold. Nu bakt men gedurende het
_heele Joeltijdperk_, niet slechts met Sinterklaas, niet alleen koeken
in den vorm van menschen en paarden, maar vooral van bokken en varkens.
Ook met Kerstmis stellen in Mecklenburg de z. g. _Kinjes-Poppen_ meestal
varkens voor[34]. In Zwaben bakt men met Kerstmis _Springerle_, d. i.
koeken in allerhande soorten van diervormen. Dan ook wordt in het
Noorden de _Julgalt_ gebakken en onder het zaadkoren gemengd; dit gebak
heeft den boks- of zwijnsvorm. Op Nieuwjaarsmorgen brokt de Meklenburger
een _Hörnstöter_ onder het voêr[35]. Ook in het Odenwald mengt men z. g.
_Julkuchen_ onder het zaad; als eigenaardigheid diene echter hierbij te
worden vermeld, dat de boksvorm hier met een hamer versierd is[36]. Dit
mocht ons onverklaarbaar voorkomen, wisten wij niet, dat ook de hamer
een hoofdsymbool der vruchtbaarheid is, wel niet aan Wôdan, maar aan
Donar toegeschreven, die volgens Saxo Grammaticus door een slag van
zijn hamer den bliksem deed geboren worden[37]. Waarschijnlijk hebben
wij hier te doen met No 26 van den _Indiculus superstitionum_:[38] _De
simulacro de consparsa farina_[39]. Ook anderszins nog wordt zulk een
_simulacrum_ vervaardigd. In Oost-Gothland is het een met zwijnshuid
overtrokken blok, _Julbucken_ genoemd; en in Silezië snijdt men schapen
en geiten (niet veeleer bokjes?) uit hout, en overtrekt die met
konijnsvel[40].
[18] L. L., I, p. 1127.
[19] THEODOR VERNALEKEN, _Mythen und Bräuche des Volken in
Oesterreich_. Wien, 1859. P. 62.
[20] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l.l., p. 420.
[21] DR. EUGEN SCHNELL, _Sanct Nicolaus, der heilige Bischof und
Kinderfreund_. Brünn, 1886. I. p. 17.
[22] SCHNELL, l. l., I, pp. 46, 51, 62.
[23] RUSSEL, _De heerlijkheid Geleen_, p. 73.
[24] H. WELTERS, _Feesten, Zeden, Gebruiken en Spreekwoorden in
Limburg_. Venloo, 1877. P. 12.
[25] TILLE, l. l., p. 47.
[26] MEIJER, l. l., p. 218. In Holstein wordt de avond van den 24sten
December _Vulbuuksabend_ genoemd. Zie V. REINSBERG-DÜRINGSFELD,
l.l., p. 464.
[27] TILLE, l. l., ib.
[28] KARL BARTSCH, _Sagen, Märchen und Gebräuche aus Meklenburg_.
Wien, 1879. II, p. 250.
[29] II, p. 227.
[30] L. L., pp. 215, 218.
[31] _Overblijfselen_, p. 15.
[32] _Overblijfselen_, p. 22.
[33] MOGK, l. l., I, pp. 1125, 1126. Op Nieuwjaarsnacht schiet men
in Meklenburg in de boomen, om ze vruchtbaar te maken (BARTSCH,
l.l., II. p. 232); tot dit doeleinde worden in Engeland de
boomen dien nacht met stokken geslagen (MANNHARDT, l. l., p.
279). "Is er wind in de Kerstdagen, dan zullen de boomen veel
vruchten dragen," zegt men in Limburg; zoo ook: "Sneeuw in den
Kerstnacht geeft een goeden hopoogst." En in Mecklenburg: "Als
in de _Zwölften_ de boomen zich bukken, komt er veel ooft."
(BARTSCH, l. l., II, p. 250).
[34] BARTSCH, l. l., II, p. 227.
[35] BARTSCH, l. l., II, p. 241.
[36] MEIJER, l. l., pp. 101, 103, 215, 211.
[37] GRIMM, l. l., II, pp. 835, 1021. Daar de geloofsverkondigers de
afgoden als duivels voorstelden (_Overblijfselen_, pp. 5, 6,
16, 19, 34) werd Hamer tot synoniem van Donar, zoo b. v. in de
verwensching: "Dass dîch der Hammer schlage!" De hamer is ook
het symbool der macht en vernieling.
[38] HEIJNE, l. l., p. 90.
[39] Over den vorm van koekdeeg.
[40] SCHNELL, l. l., I, p. 65.
De Joeltijd is daarenboven het tijdperk, gedurende hetwelk, zooals Dr.
Brom het zoo juist uitdrukt, "gegeven werd en tegenwoordig nog gegeven
wordt"[41].
[41] L. L., p. 157.
Wederom wordt dit tijdperk door St. Maarten geopend. In de provincie
Limburg, te Roermond en te Venloo vooral, wordt op het feest van dezen
Heilige de jeugd op appelen, peren, noten, krakelingen en wat dies meer
zij onthaald; ook in de noordelijke provinciën is dit gebruik niet
heelemaal onbekend, zooals uit de door Schotel verzamelde gegevens
blijkt[42]. Iets dergelijks vindt men in heel Mecklenburg[43], in de
Altmark[44] en in Oostenrijksch Silezië[45]; daar geeft men alsdan ook
aan volwassenen allerlei soort van geschenken. Op sommige plaatsen is
St. Maarten zelfs het hoofdfeest en komt Sinterklaas of Kerstmis op de
tweede plaats, zoo b. v. te Düsseldorf in Erfurt[46], waar men als te
Venloo, te Utrecht[47] en voorheen in Oostfriesland[48] met lantaarns en
lampions op den vooravond door de straten trekt, in de Rijnstreken, te
IJperen, in heel het kanton Aalst[49] en voorheen te Augsburg[50]. Over
de roede van St. Martinus in een volgend hoofdstuk. In Engeland is St.
Clemensdag, te Reichenberg St. Andreasdag schenkingsfeest[51].
[42] _Martinus, Bisschop der Galliërs_, in zijne _Tilburgsche
Avondstonden_. Amsterdam, 1850. Zie ook V.
REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., p. 406.
[43] BARTSCH, II, p. 222.
[44] ADALBERT KUHN, _Märkische Sagen und Märchen_. Berlin, 1843.
P. 344. Als eigenaardigheid deelen we hier het begin van een
St. Maartenslied mee, in de Altmark gezongen:
Märtiin Märtiins Vaegelken
Mett siin vergült Snaevelken!
Geft us watt un lat us gan,
Datt wii hüüt noch wiier kamn; enz.
[45] VERNALEKEN, l. l., p. 62. Zie p. 11.
[46] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., pp. 406, 408.
[47] SCHOTEL, l. l., p. 55.
[48] SCHNELL, l. l., I, p. 36.
[49] BROM, l. l., p. 156.
[50] TILLE, l. l., p. 28.
[51] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., pp. 412, 414, 420.
Te Keulen is de H. Barbara (4 Dec.) met hare geschenken de voorloopster
van Sinterklaas[52]. De gebruiken van 6 December zijn overbekend;
in ons land is Sinterklaas het hoofdschenkingsfeest, evenals in
Opper-Oostenrijk, waar het Kerstfeest weinig bekend is. Ooft en
lekkers voor de kinderen schenkt Sinterklaas o. a. in Beieren en in
de Zwitsersche kantons Luzern en Schwytz[53]. In Tirol speelt Lucia
voor de meisjes de rol van Sinterklaas[54].
[52] BROM, l. l., ib.
[53] SCHNELL, l. l., I., pp. 22, 73, 78.
[54] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., p. 434.
Dan volgt het Kerstfeest dat, behoudens den Kerstboom en
eenige gebruiken van ondergeschikten aard, volkomen ons
Sinterklaasfeest slacht; een verdienstelijk historisch overzicht
der _Weihnachtsbescherung_ is door Tille geleverd[55]. In de
Provincie Limburg worden dien dag aan de kinderen op hun geroep
"heio" te Merkelbeek, Brunssum en Oirsbeek appelen toegeworpen. Te
Echt gebeurt dit op Silvester-, te Roosteren, Buggenum en Nunhem op
Nieuwjaarsdag[56]. In Mecklenburg schenkt de Schimmelrijder op 1 Januari
appelen, noten en peperkoek[57]. Eindelijk, met Driekoningen, gaan op
verschillende plaatsen van Limburg, zoo b. v. te Weert en omstreken, de
kinderen om geschenken bedelen, en sluiten aldus het Joeltijdperk[58].
[55] L. L. pp. 189-219.
[56] WELTERS, l. l., pp. 12, 13.
[57] BARTSCH, l. l., p. 234.
[58] Enkele soortgelijke gebruiken, die buiten dit tijdperk vallen,
zoo b. v. het "rijden" der Engelen op Palmzondag, staan
waarschijnlijk met het Lentefeest in verband.
Laten wij hier de opmerking maken, dat dit geven van geschenken in
enge verhouding staat tot het rijden door de lucht, eene verhouding,
die door het verband tusschen "wind" en "vruchtbaarheid" in een helder
daglicht treedt[59], en in de synonimie der termen "rijden" en "ten
geschenke geven" hare uitdrukking vindt. Reden waarom ik meen, dat ook
het in den grond der zaak éénvormige geven van geschenken gedurende het
Joeltijdperk niet volstrekt van den persoon des voorrijders der Wilde
Jacht, des "gevers der goede gaven", mag gescheiden worden. Iets meer
dan de bloote namen van _Joel_tijd, _Joel_gebak, _Joel_bok, _Joel_knots,
_Joel_stroo, _Joel_licht, _Joel_blok, enz. moet van het vóórkristelijke
vruchtbaarheidstijdperk zijn overgebleven. Beslister dan ooit blijf
ik dus de stelling handhaven, die ik in mijne _Overblijfselen_
neerschreef[60]: "Mogt dan ook het geven van geschenken op
Sinterklaasdag voor een groot deel op de bekende liefdadigheid van
den Heilige berusten, zeer waarschijnlijk is het toch, dat de op
Germaanschen bodem bestaande Midwinterfeesten een niet onbeduidenden
invloed op dit gebruik hebben uitgeoefend".
[59] Zie pp. 12, 13.
[60] P. 28.
Zelfs eene andere oorzaak nog moet er krachtig toe hebben bijgedragen,
het Sinterklaasfeest den vorm te geven, dien het thans bezit. In bijna
alle Germaansche volksfeesten zijn drie bestanddeelen: het Kristelijke,
het Germaansche en het Romaansche innig versmolten; en zoo zal Rome's
invloed ook op het Germaansche Winterfeest niet zonder uitwerking
gebleven zijn. Uit het Romeinsche alfabet ontleenden onze voorouders
in de eerste eeuwen na Kristus hun Runen-alfabet[61]; in navolging der
Romeinen gaven zij namen van godheden aan de verschillende dagen der
week; uit de Romeinsche Mythologie drong menig goden-attribuut in het
Germaansche pantheon, werd het geloof aan de geestwerende kracht der
_bivia_ en _trivia_ op onzen bodem overgeplant[62]. Met alle reden
mogen wij dus aannemen, dat in het geven van geschenken gedurende het
Joeltijdperk ook een overblijfsel der Romeinsche Kalendenviering is
bewaard gebleven. Aldus wordt de god Janus "der dritte im Bunde", wien
ter eere op 1 Januari allen elkander gelukwenschten en passende
geschenken vereerden[63].
[61] E. SIEVERS, _Grundr. d. Germ. Philol._, I, p. 246.
[62] _De Doode_, enz., l. l., I, p. 191.
[63] JORDAN-PRELLER, _Römische Mythologie_. Berlin, 1891. Pp. 179,
180. Vgl. Ov., _Fast._, I, 71 vlg.
[Decoratieve illustratie]
II.
SCHOORSTEEN EN SCHOEN.
Sint Niklaas, dou goede bloed!
Geefme een zakje vol suikergoed:
Niet te veel en niet te min.
Smijt het maar tot de schoorsteen in.
(EELCOO VERWIJS, l. l., p. 74).
Sinterklaas werpt veelal zijne gaven, "rijdt" door den schoorsteen. Niet
alleen hij echter, ook St. Maarten, ook de Wilde Jager, al zijn diens
gaven niet altijd even begeerenswaardig.
Eens, toen de Wilde Jacht voorbijreed, riep een vermetel timmerman
in den Harz den voorrijder het bekende "hoho" achterna. Daar valt
plotseling een zwarte klomp _door den schoorsteen_, dat de vonken er van
opstuiven[64].
[64] GRIMM, l. l., II, p. 774.
In een dorp aan de Elbe woonde eens een man, die zich verstoutte, toen
de Wilde Jager in den Kerstnacht door de lucht stormde, zijne deur te
openen, en hem spottend om eene kerstgave te vragen. Hierop liet de
Jager een zijner honden achter, die _door den schoorsteen_ op den haard
viel[65].
[65] BARTSCH, l. l., I, p. 17.
Meermalen echter schenkt de nachtelijke ruiter ook goud[66], evenals
zijne gemalin Frija, onder de benaming van _Fru Gor_[67].
[66] GRIMM, l. l., II, p. 770 vlg.; _Overblijfselen_, pp. 27, 28;
DR. L. KNAPPERT, _Folklore_. Amsterdam, 1887. P. 167 Aanm.;
VERNALEKEN, l. l., pp. 25, 38, 46. Goud als geschenk van
woudgeesten: MANNHARDT, l. l., pp. 142, 152.
[67] BARTSCH, l. l., II, pp. 242, 243.
Inderdaad, de schoorsteen is de verbindingsweg tusschen de geestenwereld
en de gewone stervelingen,--de ruime, ouderwetsche schoorsteen,
zooals die nog thans op het platte land wordt aangetroffen. Is het dan
wonder, dat hij eene groote rol in de tooverwereld speelt? Dat men op
Silvesteravond, in het hartje van den Joeltijd, het toovertijdperk
bij uitnemendheid, in den schoorsteen ziet, om de toekomst te
doorgronden[68]? Dat toovermiddelen veelal in den schoorsteen worden
opgehangen? Vooral de huisgeesten dalen door den schoorsteen tot den
haard, het middelpunt des huisgezins, af[69].
[68] BARTSCH, l. l., p. 237.
[69] Niet slechts door den schoorsteen, ook door het _sleutelgat_
komt Sinterklaas binnen. Het sleutelgat immers speelt in
Folklore eene niet onbeduidende rol: om b.v. van ziekte genezen
te worden, moet men driemaal door het sleutelgat blazen.
(BARTSCH, l. l., II, p. 103).
Nu is het in zich genomen wel niet onmogelijk, dat het volk aan "den
overwinnaar van den duivel, den overwinnaar van het heidendom, den
overwinnaar van Diana" bij diens komst door den schoorsteen, een groote
geestes-schoonmaak toeschrijft of althans toeschreef.....
[Decoratieve illustratie]
* * * * *
Heiliger Sanct Nicolaus
Wir stell'n dir unsere Schuh' hinaus,
Leg uns doch was schönes ein,
Wir woll'n recht fromm und fleissig sein,
zoo zong eertijds de jeugd te Weenen, en in dien geest zingt nog heden
onze Nederlandsche _spes patriæ_. Onder den schoorsteen wordt de
_schoen_ gezet: "een schoen bij iemand zetten" is synoniem van "iemand
iets afbedelen". Nu bestond er in Italië aan de hoven van sommige
vorsten eene plechtigheid, naar een Spaansch woord, dat schoen
beteekent, _Zopata_ genoemd[70]. Dat ons dit gebruik uit Spanje is
overgewaaid, acht SCHNELL bepaald onmogelijk; dan moest, zegt hij, ook
ons geschenk dien naam dragen[71]. Daarenboven is Spanje een dier
landen, waar de viering van het St. Nikolaasfeest het minst populair
was. Laten we hier opmerken, dat men tot verklaring dezer bijzonderheid
geene nadere verhouding van Nederland tot Spanje kan doen gelden; den
schoen toch vindt men ook in het Duitsche en Oostenrijksche Folklore, en
eene ontleening aan Nederland zou in dit geval hard te betwijfelen zijn.
[70] BRANDT bij EELCOO VERWIJS, l. l., p. 19.
[71] L. L., V, p. 42.
Maar de schoen kan van Italiaanschen oorsprong zijn. Toegegeven; doch al
kon men dit bewijzen, dan was hierdoor de oplossing van het vraagstuk
nog slechts verplaatst. Van waar dan de schoen in Italië? Hij "zal wel
op niets anders doelen dan op de legende der drie maagden", zegt Eelcoo
Verwijs[72]; de reden, dat nl. bedoelde maagden "bij het ontwaken
telkens den schat onder hare kleederen, _als 't ware_[73] in de
schoenen, vonden", komt ons echter meer grappig dan juist voor. Ook is
in dit geval de verruiling van schoen en schotel, zooals wij die te
Salzburg[74], in Tirol en in Vorarlberg vinden, vrij onverklaarbaar[75].
[72] L. L., p. 19.
[73] Wij kursiveeren.
[74] SCHNELL, l. l., p. 10.
[75] SCHNELL, l. l., III, p. 60.
De schoen van Sinterklaas staat niet alleen in het Germaansche Folklore.
Ook de Wilde Jager, deze getransformeerde Wôdan, vult schoenen en
laarzen met goud. Op zijn bevel trekt de boer in het Grimm'sche
verhaal[76] zijne laarzen uit, en vult die met het bloed van een pas
geschoten hert. Bij zijne tehuiskomst blijkt het bloed in goud veranderd
te zijn. Ook in een Hessisch sprookje komt het vullen van laarzen met
goud voor[77].
[76] L. L., II, pp. 770 vlg.
[77] _Overblijfselen_, p. 28.
Legt in Mecklenburg de bruid vóór de huwelijksplechtigheid in elken
schoen een stuk geld, dan heeft ze later nooit geldgebrek; een
slangentong in elken schoen gelegd maakt onkwetsbaar; wie 's nachts
ruggelings drie stroohalmen uit het dak trekt en in zijn schoen legt,
wordt niet door den hond aangeblaft[78]. Op Kerst- en Silvesteravond
werpen zich in Oostenrijk en Mecklenburg jongens en meisjes een schoen
of pantoffel over het hoofd, om te zien, of hun geluk of ongeluk is
weggelegd[79]. Ook op St. Thomasavond komt het gebruik van schoenwerpen
zeer veel voor[80].
[78] BARTSCH, l. l., II, 61, 349, 449.
[79] VERNALEKEN, l. l., pp. 349, 350; BARTSCH, l. l., 236.
[80] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., p. 438.
Maar er is meer: de schoen van Sinterklaas dient op de eerste plaats _om
het voeder te bevatten "voor Sinterklaas zijn paard"_. In heel Limburg
en op verschillende plaatsen van onze noordelijke provinciën wordt haver
en hooi voor het beestje gereed gezet. Zoo ook in de Rijnprovincie,
Tirol en Vorarlberg[81]. Vergelijkt men nu hiermee het op vele plaatsen
van Duitschland en Skandinavië heerschende oogstgebruik, eenige halmen
op den akker te laten staan, zooals het uitdrukkelijk heet, _"voor
W[=o]dan en zijn paard"_, dan dunkt me, dat de oorsprong van bedoeld
Sinterklaasgebruik naar het land verlegd moet worden. En zijn dan meer
aanknoopingspunten te vinden tusschen den met hooi of haver gevulden
schoen en het oogstoffer, dan tusschen dienzelfden schoen en de legende
der drie maagden, te meer daar wij weten, dat het Joeltijdperk het
tijdperk der vruchtbaarheid is. In dit hooi toch zou ik een schamele,
overigens onschuldige, rest willen zien van een voormalig offer aan den
god, of liever aan het paard van den god der vruchtbaarheid, en wel een
offer van hooi, dat immers reeds in de Edda "Sleipnis verdr"[82] genoemd
wordt[83]. Dit hooi legt men soms op een bord, bij voorkeur echter in
een schoen, wegens diens betrekking tot de tooverwereld.
[81] SCHNELL, l. l., p. 60.
[82] Sleipnir's spijs.
[83] _Overblijfselen_, l. l., p. 24.
Maar laten we eenige feiten aangeven.
In Schonen en Blekingen bleef het lang gebruik, dat de maaiers op
den akker eene gave "für Odens pferde" achterlieten[84]; in Beieren,
in den omtrek van Beilngries, is de korenschoof voor den _Waudlgaul_
bestemd; daarenboven zet men bier, melk en brood op den akker voor de
_Waudlhunde_, die den derden nacht komen en de gaven verslinden[85].
Wat voorheen en thans in Mecklenburg geschiedde en geschiedt wordt ons
het best en volledigst door Bartsch[86] meegedeeld, reden, waarom wij
het stuk hier in zijn geheel laten volgen:
[84] GRIMM, l. l., I, p. 128.
[85] Overblijfselen, l. l., p. 24.
[86] L. L. l. l., pp. 307, 308.
"Früher allgemein und theilweise noch jetzt liess man beim Abmähen des
Winterkorns auf jedem Felde einen Haufen stehn, und weihte ihn feierlich
dem Wode. Das älteste Zeugniss für diesen merkwürdigen Gebrauch enthält
der ausführliche Bericht des Rostocker Predigers Nicolaus Gryse aus dem
Ende des 16. Jahrhunderts. ""Im Heidendome,"" erzählt derselbe, ""hebben
tor tydt der Arne de Meyers dem Affgade Woden umme gudt Korn angeropen,
denn wenn de Roggenarne geendet, hefft man up den lesten Platz eins
ydern Veldes einen kleinen ordt unde Humpel Korns unafgemeyet stan
laten, dat sulwe baven an den Aren drevoldigen thosamende geschörtet
unde besprenget, alle Meyers syn darumme hergetreden, ere Höde vom Koppe
genamen und ere Seyse na dersulven Wode unde geschrenckedem Kornbusche
upgerichtet, unde hebben den Wodendövel dremal semplick lud averall also
angeropen unde gebeden:
Wode,
Hale dinem Rosse nu Voder,
Nu Distel und Dorn,
Thom andren Jhar beter Korn!
Welcker affgodischer gebruck im Pavestdom gebleven, darher denn ock noch
an dessen orden, dar Heyden gewanet, by etlycken Ackerlüden solcher
avergelovischer gebruck in der anropinge des Woden tor tydt der Arne
gespöret wert"".
Diese Erzählung wird vollkommen bestätigt durch einen gleichzeitigen
Bericht über den auf dem Lande herrschenden Aberglauben, wovon leider
nur ein Bruchstück im Schweriner Archive enthalten ist. Darin heisst es
""Wan nemblich die Roggen-Ernte geendiget, lassen die Meyer auf dem
letzten Humpel roggen stehen. Densulven unafgemeyten Roggen Stücke
Ackers ein klein Plätzlein oder, wie mans nennet, schurtzen sie oben
an den arndten dreyfach zusammen und besprengen ihn mit Wasser. Wan
das geschehen, stellen sie sich mit gebloszeten Heuptern in einen
beschlossenen Circul oder Kreyss herumb, richten ihre Seicheln auffwerts
gegen den geschrenkten Kornbusch, rufen und schreyen uber laut:
Ho Wode, Ho Wode, du goder,
Hale dinem Rosse nu voder,
Hale nu Disteln und Dorn,
Thom andern Jar beter Korn!""
Eben dieses Gebrauches erwähnt auch der Präpositus Frank zu Sternberg
in der Mitte des vorigen Jahrhunderts, wobei er allerdings den Nicolaus
Gryse als seinen Gewährsmann anführt, aber zugleich versichert, dass
er selbst alte Leute gesprochen, welche sich dieser Feldlust aus ihrer
Jugend erinnert hätten. Auch gibt er den Weihspruch etwas abweichend so
an:
Wode, Wode,
Hahl dinem Rosse nu Voder,
Nu Distel und Dorn,
Aechter Jahr bäter Korn!
Zu Franck's Zeit war also das eigentliche Wodensopfer schon ausser
Gebrauch, aber gleichwohl haben sich noch bis auf den heutigen Tag
unzweifelhafte Spuren desselben erhalten. Noch jetzt nämlich sind die
angeführten Verse in den Dörfern der Umgegend von Rostock bekannt, wenn
auch nur in dem Munde der Kinder, und noch jetzt ist es eben dort Sitte,
am Ende des Feldes einen Büschel Korn stehen zu lassen, wenn man ihn
auch nicht mehr in feierlichem Gesange und Tanze dem Gotte weihet."
In Oldenburg laat men een stuk halmen staan, waarom heen gedanst
wordt[87]; volgens Schaumburgsche zede werd bij deze gelegenheid een
rijmpje gezongen, dat aanhief met de woorden:
"Wôld, Wôld, Wôld[88]!"
[87] GRIMM, l. l., I, p. 128.
[88] _Overblijfselen_, l. l, p. 24.
Ook Wôdan's gemalin Frija werd een haveroffer gebracht. Nog in 1712
verzamelde men zich in Neder-Saksen om de laatste halmen, onder
het roepen van: "Fru Gaue, haltet (_of_ halet) ju fauer[89]!" Te
Kerstlingerode, in het Göttingsche, laat men den laatsten armvol aren
ongemaaid staan "vor Fru Holle[90]"; in den omtrek van het voormalige
klooster Diesdorf droeg deze schoof den naam van _Vergodendeelstruss_.
Sommigen verklaren dit woord als "vergelding voor zwaren arbeid",
anderen, met Kuhn[91], als "Frô Goden Deel Struuss". In deze laatste
schoof schuilen ook de wolf en de bok, dieren, over wier Folkloristische
beteekenis boven gesproken is[92].
[89] Neem uw voêr in ontvangst (_of_ haal uw voêr). Zie MEIJER,
l. l., p. 291.
[90] KNAPPERT, l. l., p. 173.
[91] L. L., p. VI en pp. 337 vlg.; zie verder over dit gebruik
MANNHARDT, l. l., pp. 190, 213, 393, 396; GRIMM, l. l., I,
p. 209.
[92] Zie p. 12.
Te Hagenow (Mecklenburg) liet men vroeger eenige halmen staan "damit",
zooals men zeide, "de Waur Futter für sin Pferd finde". Vergelijken wij
nu hiermee het ook in Duitschland gebezigde: "Sankt Martin muss noch ein
Heu für sein Rössl finden[93]". De synonimie springt in het oog, schoon
het in deze laatste uitdrukking niet _Waur_, noch Sinterklaas, maar St.
Maarten geldt. Immers, het hooioffer strekt zich buiten het oogstfeest
en de Sinterklaasviering uit. Te Müggelsheim (Altmark) gelooven de
kinderen, dat Kristus op een ezel komt gereden, en werpen het dier hooi
voor de huisdeur[94]. Op Silvesternacht steekt men in een dorp bij
Stavenhagen eene schoof op buurmans grondgebied; stilzwijgend wordt de
schoof weer ingehaald en aan het vee gevoerd. Hierdoor gaat op het vee
de zegen van 's nabuurs vee over[95]. In Oostenrijksch Silezië wordt op
Kerstavond het vee met weit en erwten gevoerd[96]; ook in Mecklenburg
werd dien nacht eertijds _Haferloses_ (losse haver) als veevoeder op
tafel gelegd[97]. Eindelijk, bij het haver _zaaien_ laten de boeren op
den Hesterberg (Sleeswijk) des nachts een zak vol haver staan voor het
paard van koning Abel[98].
[93] TILLE, l. l., p. 23.
[94] KUHN, l. l., pp. 345, 346.
[95] BARTSCH, l. l., II, p. 233.
[96] MANNHARDT, l. l., p. 232. Over de erwten als symbool der
vruchtbaarheid in een volgend hoofdstuk.
[97] BARTSCH, l. l., II, p. 227.
[98] MEIJER, l. l., p. 256. Over de verhouding van koning Abel tot de
Wilde Jacht in het volgende hoofdstuk.
Nader moge het verband tusschen het Joel- en Oogstfeest nog blijken
uit het feit, dat te Pölitz (Mecklenburg) het nabootsen van een
schimmel door middel van een bedlaken, een gebruik dat men elders op
Silvesteravond aantreft, gedurende den oogsttijd heerschende is[99]; dat
het everzwijn bij beide feesten eene hoofdrol speelt, men denke aan den
z. g. _Roggenbär_[100]; en eindelijk, dat men op beide tijden bijna
algemeen de bekende stroopoppen (of stroovermommingen) ontmoet, die doen
denken aan de _simulacra de pannis facta_[101], en aan het _simulacrun
quod per campos portant_[102], resp. No 27 en 28 van den _Indiculus
superstitionum_[103].
[99] BARTSCH, l. l., II, p. 306.
[100] MEIJER, l. l., p. 102; MANNHARDT, l. l., p. 421.
[101] Poppen uit lompen.
[102] Pop, die men door het veld draagt.
[103] HEIJNE, l. l., p. 90.
[Decoratieve illustratie]
III.
DE SCHIMMELRIJDER.[104]
[104] Bijnaam van Sinterklaas in Tirol en Vorarlberg (SCHNELL, l. l.,
II, p. 60).
Sinter Klaas, die goede heer,
Hij komt alle jaren weer,
Met zijn paardje voor den wagen,
Daar komt Sinte Klaas aan jagen.
(EELCOO VERWIJS, l. l., p. 74).
Een groote, krachtige figuur te paard, den staf in de hand, den mijter
op het hoofd[105], een ruimgeplooiden bisschopsmantel om de schouders
geslagen[106], die aan weerskanten statig langs het paard naar beneden
hangt,--zoo stelt zich de kinderwereld den heiligen bisschop van Myra
voor.
[105] Sinterclaes bisschop,
Settie _hooghe mutse_ op!
(Amsterdam.)
[106] Sinterklôs Gods (good?) heilig man,
Trek dînen besten _tabberd_ aan.
(Venloo.)
Sint Niklaes, o heilige man,
Met uw _gespikkelden talfaerd_ aen.
(Oost-Vlaanderen.)
Een persoon van hooge gestalte, met langen, witten baard, den
breedgeranden hoed diep in de oogen gedrukt, de wonderlans _Gûngnir_
in de hand, het rijzige lichaam in een wijden, donkeren mantel gehuld,
waarin hij zijne beschermelingen door de lucht draagt, en gezeten op
zijn trouwen schimmel _Sleipnir_,--ziedaar het portret van Wôdan-Odhin,
ons in de hoofdtrekken door Saxo Grammaticus geteekend.
Maar dit geeft u nog geen recht een parallel te trekken tusschen den
Germaanschen hoofdgod en den geliefkoosden volksheilige.--Volkomen
juist, wanneer deze trekken de eenige gemeenschappelijke waren, en de
Wodanstype slechts in Sinterklaas hare uitdrukking vond. Maar wanneer
zulke overeenkomst zich in meer dan één opzicht vertoont, en vooral,
wanneer men, behoudens eenige afwijkingen van minder belang, die slechts
op lokale verhoudingen berusten, de Wodansvoorstelling in tal van
bekende persoonlijkheden buiten den H. Nikolaas, bij name in die des
Wilden Jagers, wedervindt? Wanneer er van den anderen kant heel wat
goede wil, laat ik zeggen _esprit de système_ vereischt wordt, om
de volksvoorstelling van den H. Nikolaas zelfs met de overgeleverde
legenden van dezen Heilige in overeenstemming te brengen? Zou het dan
ongeoorloofd zijn, naar de zijde der Oud-Germaansche overlevering over
te hellen? Ter zake dus.
Gedurende heel het Joeltijdperk met zijn gure, woeste buien en
huilende windvlagen reed de Germaansche windgod op zijn Sleipnir
door de lucht, door een talloos heer van geesten gevolgd. Deze stoet
vormt het Wôdansheer of de z. g. "Wilde Jacht", die nog heden bij alle
Germaansche stammen in de volksfantasie voortleeft. Zelfs de naam is op
verschillende plaatsen, min of meer verbasterd, behouden gebleven. In
den Eiffel heet deze Jacht het _Wudes-_ of _Wodesheer_; in Zwaben het
_Wutes-_ of _Mutesheer_; in den Elzas het _Wütenheer_ (men vergete niet,
dat de naam _Wôdan_ van dezelfde Germaansche wortel afkomstig is als het
Oud-Hoogduitsche _wuot_, wat "woede" en "verstand" beteekent); in Zweden
het _Odens här_. Daar zegt men, als het stormt, uitdrukkelijk: "Oden far
förbi"[107].
[107] Odhin vaart voorbij.
De voorrijder, met of zonder stoet, draagt in Beneden-Duitschland den
naam van _Wode_, _Jaue_, _Goi_ of _Joe_, in Mecklenburg _Waur_, in
Beieren _Wotn_, _Wutan_, _Wut_ of _Wode_[108]. In Zwaben worden hem,
buiten de algemeene betiteling van _Schimmelreiter_, dezelfde bijnamen
gegeven, waarmee men eertijds Wôdan placht aan te duiden: _Breithut_,
_Langhut_, _Schlapphut_. In Oostenrijk is hij in een langen mantel
gehuld en draagt een hoed met breeden rand[109]. Het zou echter eene
dwaling zijn te meenen, dat het volk aan Wôdan het monopolie, den
bewusten schimmel te berijden, zou hebben afgestaan. Over heel
Duitschland is de sage van een vervloekten jager verspreid, die wegens
het schenden van den Zondag gedoemd werd, door zijne honden gevolgd,
door het luchtruim te jagen tot den jongsten dag. Hij draagt den naam
Hackelberg[110], uit _hackel bärend_ "mantel dragend" verbasterd.
Het Limburgsche Folklore kent deze figuur onder de benaming van
"Hänske met de hond"[111]. In Hessen is het de _Schnellertsgeist_[112].
Veelal ook zijn het _historische persoonlijkheden_: In den Harz en
in de Lausnitz _Dietrich von Bern_ (Theodorik de Groote) ook wel
_Berndietrich_ genoemd; in Oostenrijk dezelfde koning onder den naam
van _Banadietrich_[113]; te Eisleben _Eckhart_[114]; in Engeland
koning Artur, in Skandinavië koning Waldemar, in Sleeswijk koning Abel.
Frankrijk heeft de Germaansche voorstelling overgenomen en op Karel den
Grooten en Karel V toegepast; volgens een Bourgondisch gedicht uit de
XVIIde eeuw rijdt Charlemagne aan de spits van het geestenheer, terwijl
Roland het vaandel draagt[115].
[108] MEYER, l. l., pp. 236, 237.
[109] VERNALEKEN, l. l., pp. 25, 26, 30, 31, 47.
[110] KUHN, l. l., pp. 19, 25, 101, 187.
[111] _Overblijfselen_, l. l., p. 12.
[112] J. W. WOLF, _Hessische Sagen_. Göttingen-Leipzig, 1853. P. 21.
[113] VERNALEKEN, l. l., p. 41.
[114] "Der treue Eckhart" of "Eckhart mit dem weissen Stab". GRIMM,
l. l., II, pp. 779, 780.
[115] GRIMM, l. l., II, pp. 779-788.