[206] MANNHARDT, l. l., pp. 542, 543.
[207] MANNHARDT, l. l., p. 540.
Uit dusdanige feiten trekt Mannhardt het besluit[208], "dass Glocke und
Schelle zur ursprünglichen Darstellung des Wachstumsgeistes gehörten und
eine notwendige Seite seines Wesens andeuten sollten". Kon de huisgeest
als _geest_ zich anderszins kenbaar maken, zoo b. v. door te suisen,
te sissen, te fluiten, te rammelen met ketens, of door het homerische
[Grieks: trizein]--de taal der geesten in het algemeen--bel en klok zijn
hem wel als daemon der vruchtbaarheid eigen.
[208] L. L., p. 327.
[Decoratieve illustratie]
* * * * *
Ein Schatten schleichet um das Haus,
Und horch, welch Kettengeklirre!
Fürwahr das ist Sanct Nicolaus,
Das Ruthen-Männlein von Myra.
(SCHNELL, l. l., I, p. 15).
Een enkel woord ook over de roede of gard. Sinterklaas, St. Maarten,
Ruprecht en diens varianten, alle die persoonlijkheden, welke geschenken
uitdeelen, zijn ook gewapend met het bewuste tuchtmiddel, waarvoor men
de kinderwereld zulk een heilzaam ontzag weet in te boezemen. Gewoonlijk
is dezer roede van _berkenhout_; in Tirol vindt men de hazelaarsgard,
met welke de Butzemann, behoorlijk in erwtenstroo gewikkeld, alwie hij
op zijn weg ontmoet onmeedoogend kastijdt[209]. In Zwitserland draagt de
H. Nikolaas plaatselijk een opgesmukt boompje, in Hamburg voorheen een
groene twijg[210]. Hiermee komt de z. g. _Martinsgerte_ overeen, die de
Beiersche herder den 10den November zijn meester ter hand stelt: achter
krib of staldeur gestoken schut zij gedurende den winter het vee tegen
alle onheil, en in de lente drijft men er de koeien mee naar de weide.
Hierbij bedient men zich in Etzendorf (Beieren) van de volgende spreuk:
Kommt der heilig St. Märten (Mirte)
Mit seiner Gerten;
_Soviel Kranewitbeeren,
Soviel Ochsen und Stiere.
Soviel Zweige, soviel Fuder Heu!_
Steckt sie hinter den Kühbarn,
So wird auf's Jahr keine Kuh verloren,
Und steckt sie hinter die Stalltür,
Treibt sie auf's Jahr mit Freuden herfür.
[209] MANNHARDT, l. l., p. 269.
[210] TILLE, l. l., pp. 130, 131.
En in Beneden-Oostenrijk:
Kommt der Sanct Mirt mit seiner Ruten;
_Soviel als die Rute Zweige hat,
Soviel soll auch der Bauer Vieh haben._
Nehmt ihr die Ruten in eure Hand,
Steckt ihr 's wol auf ober der Wand,
Wol hinter das Dach,
Am Sankt Gregoriustag
Treibt das arme Vieh aus,
Durch alle Engeln aus[211].
[211] MANNHARDT, l. l., pp. 273, 274; vgl. MEYER, l. l., p. 254.
Blijkbaar staat deze twijg met de vruchtbaarheid in verband, en is
haar elke verhouding tot eene tuchtroede vreemd. Hetzelfde kan gezegd
worden van de zweepen der Perchteln[212] en der boerenknapen, die te
Mähren (Oostenrijk) op den vooravond van Sinterklaas door de velden
trekken[213]. Zou dus de meening van Tille[214] het ware treffen,
volgens welke de levens- en vruchtbaarbeidsroede van Sinterklaas door
het Protestantisme tot ware slagroede, tot strafinstrument, tot plak
hervormd is? Dan waren de bordjes verhangen, en zou men den juisten
toestand nog b. v. in de Orlagau aantreffen, waar de kinderen op den
derden Kerstdag hunne ouders en peetooms met rozemarijnstengels slaan,
terwijl ze roepen:
_Frisches Grün! Langes Leben!_
Ihr sollt mir 'n blanken Taler (Nüsse u. s. w.) geben[215].
[212] Zie p. 41.
[213] VERNALEKEN, l. l., pp. 285, 286.
[214] L. L., p. 195 et passim.
[215] MANNHARDT, l. l., p. 265; TILLE, l. l., p. 196. Mannhardt vooral
heeft over dit onderwerp in zijn _Baumkultus_ onder den
titel van: "Der Schlag mit der Lebensrute" eene meesterlijk
gedachte en keurig uitgewerkte verhandeling geleverd. Dat de
daar besproken gebruiken met de gard van Sinterklaas zouden
samenhangen is eene _zuivere hypothese_, en we geven ze dan
ook slechts als zoodanig. Men vergelijke nog een feestgebruik
der _Lupercalia_, te Rome den 15den Februari gevierd. Naar
den schijn te oordeelen was het slaan met riemen, dat de
_Luperci_ zich tegenover de Romeinsche vrouwen veroorloofden,
eene tuchtiging; en toch stond dit gebruik veeleer met de
vruchtbaarheid in verband (JORDAN-PRELLER, l. l., p. 390),
zoodat de vrouwen den _Lupercis_ zelfs den weg versperden, om
zich in de vlakke hand te doen treffen. Vgl. JUV., _Sat._ II,
v. 4:
_Nec prodest agili palmas præbere luperco._
En het baat niet den vluggen Lupercus de vlakke hand te
bieden.
De feestdag der Onnoozele Kinderen heet in Zwaben _Pfeffertag_, wijl
dan de kinderen met roeden of groene twijgen door de straten trekken, de
voorbijgangers slagen toedienen en de huizen binnendringen, om appelen,
noten en peperkoek te eischen. Bij Lichtefels (Beieren) slaan de jongens
de meisjes met rozemarijnstengels, al zeggend:
Da komme ich her getreten
mit meiner frischen Gerten,
mit meinem frischen Mut.
Schmeckt der Pfeffertag gut?[216]
[216] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., p. 467.
Wat hiervan zijn moge, het blijft onze innigste wensch, dat de
afstraffing, door Dr. Brom aan Joës a Leydis met de roede van
Sinterklaas toegediend, een "slag met de levensroede" moge geweest zijn!
[Decoratieve illustratie]
* * * * *
En nu de gevolgtrekking: dat de oorsprong van het Sinterklaasfeest
uitsluitend in het heidendom te zoeken is? Geen haar op mijn hoofd, dat
er aan denkt. Trouwens, noch Dr. Brom, noch andere "mannen van naam en
groote kennis", die men "helaas ook in ons eigen vaderland" dezelfde
meening vindt toegedaan, hebben ooit iets dergelijks beweerd. Dit echter
meen ik uit het bijgebrachte materiaal te mogen besluiten:
De zuiver wetenschappelijke, IN CASU Folkloristische stelling, dat
sommige volksvoorstellingen en volksgebruiken, die heden ten dage
met de feestviering van den H. Nikolaas in verband staan, door het
volk van heidenschen op kristelijken bodem zijn overgebracht, kan
door eene menigte van feiten worden gestaafd.
Niet dat ik deze meening aan iemand zou willen opdringen, aan een Joës
a Leydis het allerminst; maar men verkettere dan ook niet hen, die haar
mochten zijn toegedaan, men betitele hen niet als napraters van Renan en
Faustus den Manicheër! De eer der Kerk zal evenzeer gehandhaafd blijven,
ook al mochten knecht en paard en gard den Heiligen Nikolaas definitief
worden ontzegd! En wat de grootheid van Myra's bisschop betreft--op
zuiver historische gronden niet genoegzaam gewaarborgd, straalt zij
ons schitterend tegen van de hooge eereplaats af, die de verheven
kindervriend in het Folklore inneemt. Zijne attributen mogen van
kristelijken of van heidenschen oorsprong zijn, dit ééne staat vast:
de H. Nikolaas zou de groote rol, die hij in de volksvereering speelt,
niet hebben verworven, zou het aureool van populariteit niet om zijne
slapen gevlochten hebben, ware hij niet werkelijk groot geweest in de
oogen van het kristelijke volk.
Blijven aldus de eer van Gods Kerk, de grootheid Zijns lieven Heiligen
ongerept, zou het dan niet verkieslijker zijn, in vrije geschillen als
dit den moker te laten rusten, opdat het vertrouwen in den kampioen niet
geschokt worde, wanneer ter verdediging van 's Heeren _ware_ glorie, ter
bestrijding van _wezenlijke_ dwaalbegrippen het slagzwaard dient te
worden opgevat?
[Decoratieve illustratie]
INHOUD.
Pagina.
VOORREDE 3
I. HET VRUCHTBAARHEIDSTIJDPERK 7
II. SCHOORSTEEN EN SCHOEN 17
III. DE SCHIMMELRIJDER 25
IV. VORMVERANDERINGEN 32
V. BEL EN ROEDE 39
BESLUIT 44
[Decoratieve illustratie]
+-----------------------------------------------+
| |
| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
| |
| De volgende correcties zijn in de tekst |
| aangebracht: |
| |
| Bron (B:) -- Correctie (C:) |
| |
| B: de Katholieken Fokloristen gevonden, |
| C: de Katholieken Folkloristen gevonden, |
| B: zich dit bijgeoof vooral |
| C: zich dit bijgeloof vooral |
| B: dichste stof der archieven |
| C: dichtste stof der archieven |
| B: speelden dan slecht eene ondergeschikte |
| C: speelden dan slechts eene ondergeschikte |
| B: "Joelfeest daar in Januari |
| C: "Joelfeest" daar in Januari |
| B: [16] JACOR GRIMM, _Deutsche |
| C: [16] JACOB GRIMM, _Deutsche |
| B: kinderen en volwassen op St. |
| C: kinderen en volwassenen op St. |
| B: Rijn: "Neujahrskränzchen) en de |
| C: Rijn: "Neujahrskränzchen") en de |
| B: II. p. 252); tot dit doeleinde |
| C: II. p. 232); tot dit doeleinde |
| B: [41] L. L., p. 157, |
| C: [41] L. L., p. 157. |
| B: in de Altmark gezonden: |
| C: in de Altmark gezongen: |
| B: VERNALEKEN, l. l., p. 62. Zie p. 117. |
| C: VERNALEKEN, l. l., p. 62. Zie p. 11. |
| B: [46] V, REINSBERG-DÜRINGSFELD, |
| C: [46] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, |
| B: zijn overgebleven, Beslister dan |
| C: zijn overgebleven. Beslister dan |
| B: "Mog dan ook het geven |
| C: "Mogt dan ook het geven |
| B: er krachtig toen hebben bijgedragen, |
| C: er krachtig toe hebben bijgedragen, |
| B: Berlin, 1891. Pp, 179, |
| C: Berlin, 1891. Pp. 179, |
| B: [80] REINSBERG-DÜRINGSFELD, |
| C: [80] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, |
| B: seinen Gewährsmann auführt, aber |
| C: seinen Gewährsmann anführt, aber |
| B: _Overblijfselen_, l. l, p. 24 |
| C: _Overblijfselen_, l. l, p. 24. |
| B: [99] BARTSCH, i. l., |
| C: [99] BARTSCH, l. l., |
| B: [109] VERN ALEKEN, l. l., |
| C: [109] VERNALEKEN, l. l., |
| B: Staffordhire noemt men nog |
| C: Staffordshire noemt men nog |
| B: 1850. P. 23; SCHNELL, l. l, pp. |
| C: 1850. P. 23; SCHNELL, l. l., pp. |
| B: lên mi dîn pêrd"[120] |
| C: lên mi dîn pêrd"[120]. |
| B: [131] EELCO VERWIJS, l. l., p. 77. |
| C: [131] EELCOO VERWIJS, l. l., p. 77. |
| B: het _Arab-Perz._ nârandj. |
| C: het _Arab.-Perz._ nârandj. |
| B: REINSBERG DÜRINGSFELD, l. l., p. 483. |
| C: REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., p. 483. |
| B: verschijnsel voor, dat attribubuten van |
| C: verschijnsel voor, dat attributen van |
| B: [144] Zie p. 129. Dat de indruk |
| C: [144] Zie p. 23. Dat de indruk |
| B: Sinterklaas _Klaubautag_[152] |
| C: Sinterklaas _Klaubautag_[152]. |
| B: [150] Zie p. 3. |
| C: [150] Zie p. 13. |
| B: [155] KUHN, l. l., p 346. |
| C: [155] KUHN, l. l., p. 346. |
| B: Ruprecht als kwaad aardige elf, |
| C: Ruprecht als kwaadaardige elf, |
| B: [164] KUHN, l. l, p. 345. |
| C: [164] KUHN, l. l., p. 345. |
| B: [170] SCHNELL, l. l, I, p. 21. |
| C: [170] SCHNELL, l. l., I, p. 21. |
| B: p. 140. |
| C: p. 34. |
| B: l. l., p. 29. Vgl. boven p. 133. |
| C: l. l., p. 29. Vgl. boven p. 27. |
| B: der vensterruiten[184]. Aldus |
| C: den vensterruiten[184]. Aldus |
| B: [186] L. L, p. 29. |
| C: [186] L. L., p. 29. |
| B: daart hoort men: |
| C: daar hoort men: |
| B: op blz. 142 sprake was--Ruprecht, |
| C: op blz. 35 sprake was--Ruprecht, |
| B: in Meckenburg heet de Schimmelrijder |
| C: in Mecklenburg heet de Schimmelrijder |
| B: [201] VAN DEN GHEYN, l. l, |
| C: [201] VAN DEN GHEYN, l. l., |
| B: 265; TILLE, l. l, p. 196. |
| C: 265; TILLE, l. l., p. 196. |
| B: treffen. Vgl. JUV. _Sat._ II, |
| C: treffen. Vgl. JUV., _Sat._ II, |
| B: rozemarijnstengels, al zeggen: |
| C: rozemarijnstengels, al zeggend: |
| |
+-----------------------------------------------+