DE DRIE APPELEN.

Op zekeren dag gelastte Haroun-al-Raschid den groot-vizier Giafar, dat

hij zich tegen den nacht aan zijn paleis moest bevinden. „Vizier!” zeide

hij tot hem, „ik wil eene wandeling doen door mijne stad Bagdad, om

met eigen oogen en ooren te vernemen, wat men van mij zegt, en in het

bijzonder, of men tevreden is over mijne regters. Indien er onder zijn,

over wie men regt heeft zich te beklagen, zullen wij hen afzetten en

anderen in hunne plaats aanstellen, die zich beter van hun' pligt

kwijten. Zijn er integendeel onder, over wie men met lof spreekt,

zoo zullen wij dezen in waarde houden naarmate zij het verdienen.”

De groot-vizier was op het bepaalde uur bij zijnen vorst, en toen hij en

de kalif met Masrour, den opperste der gesnedenen, zich verkleed hadden,

ten einde niet herkend te worden, verlieten zij door eene geheime deur

het paleis. Nadat zij eenige straten waren doorgegaan, ontmoetten zij

in eene enge steeg een' langen grijsaard met een' witten baard. Hij

droeg een groot vischnet op het hoofd, en had eene mand van gevlochten

palmbladen aan den eenen arm, en een' stok in de hand. Toen de kalif

dezen grijsaard zag, zeide hij: „Die man is zeker niet rijk, laat ons

hem staande houden en naar zijne omstandigheden vragen.”

„Goede vriend,” zeide de vizier, hem aansprekende, „wie zijt gij en wat

is uw beroep?” „Mijnheer,” antwoordde de grijsaard, „ik ben visscher,

maar voorzeker de armste en ellendigste van alle visschers. Reeds op

den middag ben ik van huis gegaan en nog heb ik geen' enkelen visch

gevangen. Ik heb eene vrouw en kleine kinderen en niets om hen te

voeden.” De kalif, hierdoor bewogen, nam nu het woord en zeide tot den

visscher: „Zoudt gij den moed hebben uwe netten nog eene enkele maal

uit te werpen? Wij zullen u honderd sequinen geven voor hetgeen gij

ophaalt.” Op dit voorstel vergat de arme visscher zijne vermoeijenis,

hield den kalif bij zijn woord, en keerde naar den Tigris terug, gevolgd

door de drie anderen, terwijl hij bij zich zelven zeide: „Die heeren

komen mij te fatsoenlijk voor, dan dat zij mij niet voor mijne moeite

zouden betalen, en al gaven zij mij ook slechts het honderdste deel van

hetgeen zij mij beloofd hebben, het zal voor mij altoos nog veel zijn.”

Zoo kwamen zij aan den oever van den Tigris. De visscher wierp zijne

netten uit, en toen hij deze daarna weder optrok, haalde hij een'

groot, welgesloten en zeer zwaar koffer op. De kalif liet door zijn'

groot-vizier den visscher onmiddelijk honderd sequinen toetellen, en

zond hem daarmee weg. Masrour nam op bevel van zijn' meester den koffer

op zijn' schouder, en daar de kalif zeer ongeduldig was, om met den

inhoud bekend te worden, keerden zij dadelijk naar het paleis terug.

Toen het koffer geopend was, vond men er eene baal van palmbladen in,

die met een' rooden draad was toegenaaid. Om aan het ongeduld van den

kalif te voldoen gunde men zich den tijd niet, den draad los te maken,

maar sneed dien met een mes door, en nu vond men in de baal een pak, in

een oud stuk tapijt gewikkeld, dat met touwen omwonden was. Nadat het

touw losgemaakt en het pak geopend was, zag men daarin met afgrijzen

het aan stukken gesneden ligchaam van eene jonge vrouw, zoo blank als

sneeuw.

Groot was, op dit gezigt, de verwondering van den kalif; maar deze

verbazing ging weldra in toorn over, en een' woedenden blik op zijn'

vizier werpende, riep hij uit: „Ha! ongelukkige, waakt gij op deze wijze

voor de veiligheid van mijne onderdanen! Straffeloos vermoordt men onder

uw beheer mijne onderhoorigen, tot zelfs binnen mijne hoofdstad, en men

werpt hunne lijken in den Tigris, opdat zij wraak tegen mij zouden

roepen op den dag des oordeels! Indien gij den dood van deze vrouw

niet spoedig wreekt, door haren moordenaar te straffen, zoo zweer ik

u, bij Allah en bij den grooten Profeet, dat ik u en veertig van uwe

bloedverwanten zal doen ophangen.” „Beheerscher der geloovigen,”

sprak de vizier, „ik smeek uwe majesteit mij tijd te vergunnen om den

misdadiger op te sporen?” „Ik geef u daartoe niet meer dan drie dagen,”

hernam de kalif, „denk daaraan.”

Hevig ontsteld over dit onredelijke bevel, keerde de vizier Giafar

naar zijne woning terug. „Helaas!” zeide hij, „hoe zal ik in eene zoo

groote en volkrijke stad als Bagdad, den bedrijver van dit gruwelstuk

ontdekken, die deze misdaad waarschijnlijk zonder ooggetuigen gepleegd,

en zich misschien reeds uit de stad verwijderd heeft. Een ander, in

mijne plaats, zou misschien een' ongelukkige uit de gevangenis halen, en

dezen doen sterven, om alzoo den kalif te misleiden en te bevredigen,

maar ik wil mijn geweten met zulk eene bloedschuld niet bezwaren: liever

den dood, dan mijn leven op zulk eene wijze redden!”

Hij gaf last aan alle onder hem staande beambten, om een naauwkeurig

onderzoek naar den misdadiger te doen instellen. Deze zonden hunne

geregtsdienaars uit, en waren ook zelven werkzaam, daar zij meenden

bij deze zaak bijna even veel belang te hebben, als de vizier. Maar al

hunne pogingen waren vruchteloos; er was van den moordenaar geen spoor

te ontdekken, en de vizier begreep, dat het, zonder tusschenkomst des

hemels, met zijn leven gedaan was.

Inderdaad, op den derden dag kwam een bode des kalifs bij den

ongelukkigen staatsdienaar, en gelastte hem om te volgen. De vizier

gehoorzaamde. Zoodra hij voor den kalif verscheen was diens eerste

vraag: „Hebt gij den moordenaar?” „Beheerscher der geloovigen,”

antwoordde de vizier met tranen in de oogen, „niemand heeft mij eenige

aanwijzing omtrent hem kunnen geven.” De kalif werd woedend, deed hem

scherpe verwijten, en gaf bevel, dat men hem en veertig der Barmeciden

voor de poort van het paleis zoude ophangen.

Terwijl men bezig was de galgen op te rigten, en de veertig Barmeciden

uit hunne woningen werden gehaald, riep op bevel van den kalif, een

omroeper op alle pleinen en aan alle hoeken der straten: „Wie lust heeft

den groot-vizier Giafar en veertig Barmeciden van zijn bloedverwanten te

zien ophangen, die kome op het plein voor het paleis.” Toen alles gereed

was, werden de groot-vizier en veertig zijner bloedverwanten door den

regter en door geregtsdienaren van het paleis naar buiten gebragt, en

onder de voor hen bestemde galgen geplaatst. Men deed hun den strop om

den hals, waaraan zij moesten worden opgetrokken. Het volk, dat het

geheele plein vervulde, kon dit treurige schouwspel niet met drooge

oogen aanzien, want de groot-vizier Giafar en de Barmeciden waren bemind

en geacht om hunne regtschapenheid, eerlijkheid en belangeloosheid, niet

alleen te Bagdad, maar door het geheele rijk.

Men was gereed, om het onherroepelijke bevel van den te gestrengen vorst

ten uitvoer te brengen, en men stond op het punt van een en veertig der

braafste mannen van Bagdad het leven te benemen, toen een welgekleed

jongman, van een zeer gunstig voorkomen, zich een' weg door de menigte

baande, tot bij den groot-vizier doordrong, hem de hand kuste en zeide:

„Oppermagtige vizier, hoofd der emirs van dit hof, toevlugt der armen!

gij zult niet sterven voor de misdaad van een ander. Ga van hier, en

laat mij boeten voor den dood der dame, die ik in den Tigris heb

geworpen. Ik ben haar moordenaar, en verdien daarvoor de straf te

dragen.”

Ofschoon deze bekentenis den vizier eene groote blijdschap veroorzaakte,

kon hij echter niet nalaten medelijden te gevoelen met den jongeling,

wiens uitzigt, in plaats van terugstootend te zijn, iets aantrekkelijks

had. Hij wilde hem antwoorden toen een lange man van reeds gevorderden

leeftijd insgelijks door de menigte heen drong, voor den vizier trad, en

tot hem zeide: „Heer! geloof niet, wat deze jongeling u zegt; niemand

anders dan ik, heeft de jonge vrouw, welke men in den koffer vond,

gedood.” „Bij Allah, ik bezweer U, Heer!” riep de jonge man op zijne

beurt, „straf den onschuldige niet voor den schuldige. Ik betuig u, en

wil het met een' eed bevestigen, dat _ik_ alleen deze slechte daad heb

begaan, en daarbij niemand tot medepligtige heb gehad.” „Mijn zoon!”

viel de grijsaard in, „het is de wanhoop, die u hier heen heeft gevoerd,

en gij wilt uw noodlot vooruit loopen; wat mij betreft, ik ben reeds

lang genoeg op deze wereld. Sta mij toe, mijn leven voor u op te

offeren. Heer!” vervolgde hij, zich tot den vizier wendende, „ik herhaal

het u, ik ben de moordenaar; doe mij sterven en draal niet.”

De tegenstrijdige verklaringen van den grijsaard en den jongeling

verpligtten den vizier hen, met verlof van den regter, voor den kalif

te brengen. Toen hij in tegenwoordigheid van den monarch verscheen,

boog hij tot zeven malen het hoofd ter aarde, en sprak op deze wijze:

„Beheerscher der geloovigen! Ik breng hier vóór u dezen grijsaard en

dezen jongen man, die elk voor zich beweren de moordenaar van de jonge

vrouw te zijn.” De kalif vraagde nu met een gestreng gelaat aan de

beschuldigden, wie van hen die dame op eene zoo barbaarsche wijze had

omgebragt en in den Tigris geworpen. De jongeling verzekerde, dat hij

het was; doch de grijsaard hield het tegendeel staande. „Ga!” beval de

kalif aan den groot-vizier, „doe hen beiden ophangen.” „Maar, sire,”

hernam Giafar, „indien slechts een van hen schuldig is, zoo zou het niet

regtvaardig zijn, ook den andere te doen sterven.”

Toen nam de jongeling het woord, en zeide, zijne vingers opstekende:

„Ik zweer, ten aanhoore van den Schepper van hemel en aarde, dat _ik_

het ben, die de dame gedood, aan vier stukken gesneden, en nu vóór vier

dagen in den Tigris heb geworpen. Ik mag geen deel hebben aan den dag

des oordeels, indien, hetgeen ik zeg, niet waarachtig is, daarom ben

_ik_ het, die gestraft moet worden.” De kalif was verbaasd over dezen

ongevergden en duren eed, en sloeg er geloof aan, vooral, omdat de

grijsaard daar niets tegen inbragt. Om die reden wendde hij zich tot den

jongen man, en zeide: „Ongelukkige! waarom hebt gij deze afschuwelijke

misdaad begaan, en wat kon u bewegen u zelven over te leveren?”

„Beheerscher der geloovigen!” antwoordde hij, „indien alles beschreven

werd, wat tusschen deze dame en mij is voorgevallen, het zou eene

geschiedenis zijn, leerzaam voor vele menschen.” „Verhaal ze ons dan,”

hernam de kalif, „ik beveel het u.” De jonge man gehoorzaamde, en begon

zijn verhaal op de volgende wijze.

GESCHIEDENIS VAN DE VERMOORDE DAME EN VAN DEN JONGEN MAN, HAAR

ECHTGENOOT.

„Beheerscher der geloovigen! uwe majesteit moet weten, dat de vermoorde

jonge dame mijne vrouw en de dochter van dezen grijsaard was, welke

laatste mijn oom van vaders zijde is. Zij was naauwelijks twaalf jaar,

toen hij haar aan mij ten huwelijk gaf, en sedert dien tijd zijn er nu

bijna elf jaren verloopen. Onze drie kinderen zijn allen nog in leven.

Ook moet ik mijne vrouw het regt laten wedervaren, dat zij mij nooit

de minste reden tot ongenoegen heeft gegeven. Zij was deugdzaam, van

eene zachte inborst, en zij stelde er hare hoogste vreugde in, om mij

genoegen te doen. Van mijne zijde beminde ik haar opregt, en ik voorkwam

al hare wenschen.

Het zal nu omstreeks twee maanden geleden zijn, dat zij ziek werd. Ik

droeg alle mogelijke zorg voor haar, en spaarde niets, wat tot hare

genezing strekken kon. Na verloop van eene maand werd zij iets beter

en wenschte op zekeren dag naar het bad te gaan. Vóór dat zij echter

van huis ging, zeide zij tot mij: „Lieve neef (zoo noemde zij mij uit

gemeenzaamheid), ik ben zeer belust op appels; gij zult mij een genoegen

doen, indien gij mij er eenigen bezorgt. Reeds lang heb ik daarnaar

verlangd, en ik mag voor u niet ontveinzen, dat dit verlangen zoo

toeneemt, dat ik voor kwade gevolgen vrees, indien daaraan niet spoedig

voldaan wordt.” „Van harte gaarne,” antwoordde ik, „ik zal mijn uiterste

best doen, ze u te bezorgen.”

Ik ging dadelijk om appels bij alle fruitverkoopers, doch, ofschoon

ik eene sequin voor het stuk bood, ik kon ze in de geheele stad niet

bekomen. Wat mijne vrouw aangaat, toen zij uit het bad terugkwam en de

appels niet zag, werd zij zoo verdrietig, dat zij den ganschen nacht

niet kon slapen. Ik stond met het krieken van den dag op, ging bij

alle tuinlieden rond, maar slaagde niet beter dan den vorigen dag.

Eindelijk ontmoette ik een' ouden tuinman, die mij verzekerde, dat ik

mij vergeefsche moeite gaf, en ze nergens zou vinden dan in den tuin

van uwe majesteit te Balsora.

Daar ik mijne vrouw hartstogtelijk lief had, en ik het verwijt niet

op mij wilde laden, iets verzuimd te hebben om haar genoegen te geven,

trok ik een ander kleed aan, en na haar mijn plan medegedeeld te

hebben, vertrok ik naar Balsora. Ik maakte zoo veel spoed, dat ik binnen

veertien dagen weder te Bagdad was, en drie appelen medebragt, die mij

eene sequin het stuk kosten. In den geheelen tuin waren er geene meer te

vinden, en de tuinman wilde ze mij daarom voor niet minder afstaan. Bij

mijne tehuiskomst ging ik terstond naar de slaapkamer van mijne vrouw,

en met een hart vol vreugde bood ik haar de appelen aan, maar haar

verlangen daarna had intusschen opgehouden; zij nam ze met blijkbare

onverschilligheid aan, en legde ze bij zich neer. Inmiddels was zij nog

altoos ziek, en ik wist niet meer, welk middel ik tegen hare kwaal zou

aanwenden.

Twee dagen na mijne reis bevond ik mij in mijn' winkel op de openbare

markt, toen ik een' zwarte slaaf, groot van gestalte en breed

geschouderd, maar van een slecht uitzigt, zag voorbijgaan met een'

appel in de hand, welke ik dadelijk herkende voor een' van die, welke

ik uit Balsora had medegebragt. Ik kon mij hierin niet vergissen, daar

ik wist, dat er noch in Bagdad noch in de tuinen, om de stad gelegen,

appelen te krijgen waren. Ik riep den slaaf. „Goede vriend,” zeide ik,

„verpligt mij, door te zeggen van waar gij dien appel hebt gekregen.”

„Het is,” antwoordde hij, al lagchende, „een geschenk van mijne beminde.

Ik heb haar heden een bezoek gebragt, en vond haar een weinig ongesteld.

Ik zag drie appelen bij haar liggen, en vraagde haar, van waar zij die

had, daar die vrucht thans in geheel Bagdad niet te vinden is. Zij gaf

mij ten antwoord, dat haar goede sukkel van een' man er eene reis van

veertien dagen voor gedaan had, om ze haar te bezorgen. Wij hebben een'

kouden maaltijd gedaan, en toen ik haar verliet, heb ik den appel, dien

gij hier ziet, medegenomen!” Dit verhaal bragt mij buiten mij zelven. Ik

stond van mijne plaats op, en na mijnen winkel gesloten te hebben, ijlde

ik naar huis, en ging terstond naar de kamer van mijne vrouw. Dadelijk

wierp ik een' blik op de plaats, waar de appels hadden gelegen, en

ziende, dat er slechts twee waren, vraagde ik waar de derde gebleven

was. Mijne vrouw wendde even het hoofd om naar de plaats, waar zij de

appels gelegd had, en er ook slechts twee ontwarende, zeide zij op

onverschilligen toon: „Neef! ik weet niet, wat er van dien derden appel

geworden is, ik zie alleen, dat hij weg is.” Op dit antwoord twijfelde

ik niet meer, of hetgeen de slaaf mij gezegd had, was overeenkomstig de

waarheid. Op het zelfde oogenblik aan eene vlaag van woedende jaloezij

gehoor gevende, trok ik het mes, dat in mijn' gordel stak, en stiet het

in de borst van deze trouwelooze. Vervolgens sneed ik haar het hoofd af,

en het ligchaam in vier stukken. Ik maakte hiervan een pak, hetwelk ik

in eene baal van palmbladen verborg, en waarvan ik de opening met een'

rooden draad toenaaide. Eindelijk sloot ik dit in een' koffer, en zoodra

het donker werd, nam ik dien op mijne schouders, om hem in den Tigris te

werpen.

Mijne beide jongste kinderen waren reeds te bed en in slaap; de derde

was nog op. Toen ik terugkwam, vond ik hem bitter schreijende voor de

deur zitten. Ik vraagde hem naar de reden van zijne tranen. „Vader,”

zeide hij snikkende, „ik heb dezen morgen van moeder, zonder dat zij

er iets van merkte, een der drie appelen, die gij voor haar hebt

medegebragt, weggenomen. Ik heb dien lang bewaard en speelde er op

straat met mijne broertjes mede, toen een leelijke zwarte slaaf hem mij

uit de hand greep en er mede wegliep. Ik liep hem na en vroeg den appel

terug; maar of ik al zeide, dat hij van mijne zieke moeder was, en dat

gij eene reis van veertien dagen gedaan had, om ze voor haar te halen,

niets mogt helpen, hij wilde hem mij niet teruggeven. Ik volgde hem al

schreeuwende, doch nu keerde hij zich om, sloeg mij, en liep vervolgens

weg, zoodat ik hem eindelijk uit het gezigt verloor. Toen ben ik zoo

lang buiten de poort gaan wandelen, tot de tijd daar was, dat gij te

huis komt; en nu wacht ik u hier, lieve vader, om u te verzoeken, dat

gij er niets van aan moeder zegt, uit vrees dat zij dan van verdriet nog

zieker zal worden.” Bij het eindigen dezer woorden, begon het kind op

nieuw te weenen.

Hetgeen mijn zoon mij verhaald had, ontroerde mij vreeselijk. Ik zag

de grootte van mijne misdaad in, en het berouwde mij, maar helaas te

laat, dat ik geloof had geslagen aan de bedriegelijke woorden van een'

ellendigen slaaf, die, van hetgeen hij van mijn' zoon vernam, de fabel

had verzonnen, die ik voor waarheid had gehouden. Inmiddels kwam mijn

oom, thans hier tegenwoordig, om zijne dochter te bezoeken, maar in

plaats van haar in leven te vinden, vernam hij uit mijn' mond, dat zij

niet meer was. Ik verborg niets voor hem, en zonder af te wachten,

dat hij mij veroordeelde verklaarde ik mij zelven voor den misdadigste

van alle mannen. Niettemin, in plaats van mij met regtmatige verwijten

te overstelpen, mengde hij zijne tranen met de mijnen. Hij beweende,

drie dagen lang, het verlies van eene geliefde dochter, en ik, dat van

eene vrouw, welke ik beminde, en van wie ik mij op zulk eene gruwelijke

wijze beroofd had, door ligtvaardig gehoor te geven aan een'

leugenachtigen slaaf.

[Illustratie: Noureddin Ali en Bedreddin Hassan.

Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Tweede deel · 第 17 / 22 题