De olifanten brengen jaarlijks een groot aantal slaven om het leven, die
wij naar het bosch zenden, om die dieren te dooden, en ons met hunne
tanden te verrijken. Welken raad wij hun ook geven, allen komen vroeg
of laat door de list der olifanten om. Allah heeft u voor hunne woede
beveiligd, eene gunst, die aan niemand vóór u is te beurt gevallen.
Dit is een bewijs, dat Hij u lief heeft, en gij een werktuig zijt
in zijne hand, om wel te doen in deze wereld. Gij brengt mij een
ongeloofelijk voordeel aan; wij konden tot heden geen ivoor bekomen,
zonder het leven van onze slaven in gevaar te stellen, doch door uw
toedoen zal onze geheele stad rijk worden. Geloof niet, dat ik mij zal
te vreden stellen met u de vrijheid te schenken, ik zal daaraan groote
goederen toevoegen. Ik zou de gansche stad kunnen oproepen om u rijk te
maken, en dit zou niet te vergeefs zijn; maar deze eer behoud ik mij
zelven voor; ik wil die met niemand deelen.”
Na deze verpligtende woorden, antwoordde ik, „Meester! Allah spare u
gedurende eene lengte van dagen! Maar de vrijheid, welke gij mij hebt
geschonken, is voldoende om u van de verpligting te kwijten, die gij aan
mij meent te hebben voor het voordeel, dat ik het geluk heb gehad, u
en uwe stad te kunnen bezorgen. Ik vraag u slechts verlof om naar mijn
geboorteland terug te keeren.” „Welnu,” hernam hij, „de mousson, die de
schepen hier aanbrengt, welke ivoor komen laden, zal weldra invallen. Ik
zal u dan eene scheepsgelegenheid verschaffen, en u voorzien van hetgeen
de reis voor u veraangenamen kan.” Ik bedankte hem op nieuw voor de
vrijheid, welke hij mij had geschonken en voor de goede voornemens, die
hij aan den dag legde. Ik bleef in afwachting van den mousson bij hem,
en gedurende dien tijd deden wij zoo vele reizen naar den heuvel, dat al
zijne pakhuizen met ivoor gevuld werden. De andere kooplieden, die in
ivoor handel dreven, deden hetzelfde, want eene zaak van dien aard kon
niet lang geheim blijven.
De schepen kwamen eindelijk aan, en mijn meester zocht zelf een schip
voor mij en bevrachtte dit met ivoor, waarvan de helft voor mij was.
Hij voorzag mij bovendien overvloedig van levensmiddelen, en dwong
mij onderscheidene zeldzaamheden uit dat land, die eene groote waarde
hadden, als een geschenk van hem aan te nemen. Nadat ik hem voor al
zijne weldaden bedankt en een heerlijk afscheid genomen had, scheepte
ik mij in. Wij gingen onder zeil, en gedurende de reis stond mij mijne
ontmoeting met de olifanten gedurig voor den geest; het geval was
daartoe ook wonderlijk genoeg.
Wij deden nog eenige eilanden aan, om ververschingen in te nemen. Doch
zoodra wij eene Indische haven van het vasteland bereikten, besloot ik,
ten einde de gevaren der zee tot aan Balsora te vermijden, daar voet
aan wal te zetten. Ik liet mijn aandeel van het ivoor ontschepen,
waarvoor ik eene groote som gelds maakte. Ik kocht eenige zeldzaamheden
tot geschenken voor mijne bloedverwanten en vrienden, en zoodra ik met
mijne uitrusting gereed was, sloot ik mij bij eene groote karavaan van
kooplieden aan. Wij waren lang onder weg, en ik had veel door te staan;
maar ik verdroeg mijn leed met geduld, bij de overtuiging, dat ik thans
geene stormen of zeeroovers te duchten had.
Eindelijk namen mijne vermoeijenissen een einde, en ik kwam gelukkig te
Bagdad aan. Ik vervoegde mij dadelijk bij den kalif, om hem rekenschap
af te leggen van mijne zending. Deze vorst zeide tot mij, dat mijne
lange afwezigheid hem verontrust had, doch dat de hoop, dat Allah mij
in zijne hoede zou nemen, hem echter nooit had begeven. Toen ik hem
het voorval met de olifanten verhaalde, was hij daarover zeer verbaasd,
en hij zou het voor eene fabel hebben gehouden, indien hij niet van
mijne waarheidsliefde overtuigd was. Hij vond deze geschiedenis en de
anderen, die ik hem verhaald had, echter zoo merkwaardig, dat hij zijn'
geschiedschrijver beval, ze met gouden letters op te schrijven, en ze
in zijne schatkamer te bewaren. Ik ging heen, zeer tevreden over de
genoten eer en de geschenken, die ik van hem ontving. Van dat oogenblik
af wijdde ik mij geheel toe aan mijne familie en aan mijne vrienden.”
Op deze wijze besloot Sindbad het verhaal van zijne zevende en laatste
reis; en zich vervolgens tot Hindbad wendende, zeide hij: „Welnu, mijn
vriend, hebt gij ooit van iemand gehoord, die zoo veel geleden en
doorgestaan heeft als ik, of dat een sterveling zich in zulke dreigende
gevaren heeft bevonden? Is het niet billijk, dat ik na zulk een werkzaam
en woelig leven een' genoegelijken en rustigen ouden dag geniet?” Zoodra
hij deze woorden geëindigd had, stond Hindbad op, trad nader, kuste
hem de hand en zeide: „Men moet toestemmen, heer! dat gij vreeselijke
gevaren hebt doorgestaan, en dat de moeijelijkheden, die ik ondervonden
heb, bij de uwe niet in vergelijking kunnen komen. Indien mijn last mij
somtijds zwaar viel, na volbragten arbeid vond ik troost in mijn gering
loon. Gij verdient niet alleen een rustig leven; ook de schatten, die
gij bezit, zijt gij waardig, omdat gij daarvan een zoo nuttig en
edelmoedig gebruik maakt. Ga dus voort, heer, in vreugde te leven tot
aan het uur van uw' dood.”
Sindbad deed hem nogmaals eene beurs met honderd sequinen geven, nam hem
op onder het getal van zijne vrienden, en zeide tot hem, dat hij van
zijn dragersberoep afzien en dagelijks bij hem ter maaltijd komen moest,
opdat hij reden mogt hebben, zich zijn leven lang Sindbad den zeeman te
herinneren.