Dl. II, pag. 105.]

De olifanten brengen jaarlijks een groot aantal slaven om het leven, die

wij naar het bosch zenden, om die dieren te dooden, en ons met hunne

tanden te verrijken. Welken raad wij hun ook geven, allen komen vroeg

of laat door de list der olifanten om. Allah heeft u voor hunne woede

beveiligd, eene gunst, die aan niemand vóór u is te beurt gevallen.

Dit is een bewijs, dat Hij u lief heeft, en gij een werktuig zijt

in zijne hand, om wel te doen in deze wereld. Gij brengt mij een

ongeloofelijk voordeel aan; wij konden tot heden geen ivoor bekomen,

zonder het leven van onze slaven in gevaar te stellen, doch door uw

toedoen zal onze geheele stad rijk worden. Geloof niet, dat ik mij zal

te vreden stellen met u de vrijheid te schenken, ik zal daaraan groote

goederen toevoegen. Ik zou de gansche stad kunnen oproepen om u rijk te

maken, en dit zou niet te vergeefs zijn; maar deze eer behoud ik mij

zelven voor; ik wil die met niemand deelen.”

Na deze verpligtende woorden, antwoordde ik, „Meester! Allah spare u

gedurende eene lengte van dagen! Maar de vrijheid, welke gij mij hebt

geschonken, is voldoende om u van de verpligting te kwijten, die gij aan

mij meent te hebben voor het voordeel, dat ik het geluk heb gehad, u

en uwe stad te kunnen bezorgen. Ik vraag u slechts verlof om naar mijn

geboorteland terug te keeren.” „Welnu,” hernam hij, „de mousson, die de

schepen hier aanbrengt, welke ivoor komen laden, zal weldra invallen. Ik

zal u dan eene scheepsgelegenheid verschaffen, en u voorzien van hetgeen

de reis voor u veraangenamen kan.” Ik bedankte hem op nieuw voor de

vrijheid, welke hij mij had geschonken en voor de goede voornemens, die

hij aan den dag legde. Ik bleef in afwachting van den mousson bij hem,

en gedurende dien tijd deden wij zoo vele reizen naar den heuvel, dat al

zijne pakhuizen met ivoor gevuld werden. De andere kooplieden, die in

ivoor handel dreven, deden hetzelfde, want eene zaak van dien aard kon

niet lang geheim blijven.

De schepen kwamen eindelijk aan, en mijn meester zocht zelf een schip

voor mij en bevrachtte dit met ivoor, waarvan de helft voor mij was.

Hij voorzag mij bovendien overvloedig van levensmiddelen, en dwong

mij onderscheidene zeldzaamheden uit dat land, die eene groote waarde

hadden, als een geschenk van hem aan te nemen. Nadat ik hem voor al

zijne weldaden bedankt en een heerlijk afscheid genomen had, scheepte

ik mij in. Wij gingen onder zeil, en gedurende de reis stond mij mijne

ontmoeting met de olifanten gedurig voor den geest; het geval was

daartoe ook wonderlijk genoeg.

Wij deden nog eenige eilanden aan, om ververschingen in te nemen. Doch

zoodra wij eene Indische haven van het vasteland bereikten, besloot ik,

ten einde de gevaren der zee tot aan Balsora te vermijden, daar voet

aan wal te zetten. Ik liet mijn aandeel van het ivoor ontschepen,

waarvoor ik eene groote som gelds maakte. Ik kocht eenige zeldzaamheden

tot geschenken voor mijne bloedverwanten en vrienden, en zoodra ik met

mijne uitrusting gereed was, sloot ik mij bij eene groote karavaan van

kooplieden aan. Wij waren lang onder weg, en ik had veel door te staan;

maar ik verdroeg mijn leed met geduld, bij de overtuiging, dat ik thans

geene stormen of zeeroovers te duchten had.

Eindelijk namen mijne vermoeijenissen een einde, en ik kwam gelukkig te

Bagdad aan. Ik vervoegde mij dadelijk bij den kalif, om hem rekenschap

af te leggen van mijne zending. Deze vorst zeide tot mij, dat mijne

lange afwezigheid hem verontrust had, doch dat de hoop, dat Allah mij

in zijne hoede zou nemen, hem echter nooit had begeven. Toen ik hem

het voorval met de olifanten verhaalde, was hij daarover zeer verbaasd,

en hij zou het voor eene fabel hebben gehouden, indien hij niet van

mijne waarheidsliefde overtuigd was. Hij vond deze geschiedenis en de

anderen, die ik hem verhaald had, echter zoo merkwaardig, dat hij zijn'

geschiedschrijver beval, ze met gouden letters op te schrijven, en ze

in zijne schatkamer te bewaren. Ik ging heen, zeer tevreden over de

genoten eer en de geschenken, die ik van hem ontving. Van dat oogenblik

af wijdde ik mij geheel toe aan mijne familie en aan mijne vrienden.”

Op deze wijze besloot Sindbad het verhaal van zijne zevende en laatste

reis; en zich vervolgens tot Hindbad wendende, zeide hij: „Welnu, mijn

vriend, hebt gij ooit van iemand gehoord, die zoo veel geleden en

doorgestaan heeft als ik, of dat een sterveling zich in zulke dreigende

gevaren heeft bevonden? Is het niet billijk, dat ik na zulk een werkzaam

en woelig leven een' genoegelijken en rustigen ouden dag geniet?” Zoodra

hij deze woorden geëindigd had, stond Hindbad op, trad nader, kuste

hem de hand en zeide: „Men moet toestemmen, heer! dat gij vreeselijke

gevaren hebt doorgestaan, en dat de moeijelijkheden, die ik ondervonden

heb, bij de uwe niet in vergelijking kunnen komen. Indien mijn last mij

somtijds zwaar viel, na volbragten arbeid vond ik troost in mijn gering

loon. Gij verdient niet alleen een rustig leven; ook de schatten, die

gij bezit, zijt gij waardig, omdat gij daarvan een zoo nuttig en

edelmoedig gebruik maakt. Ga dus voort, heer, in vreugde te leven tot

aan het uur van uw' dood.”

Sindbad deed hem nogmaals eene beurs met honderd sequinen geven, nam hem

op onder het getal van zijne vrienden, en zeide tot hem, dat hij van

zijn dragersberoep afzien en dagelijks bij hem ter maaltijd komen moest,

opdat hij reden mogt hebben, zich zijn leven lang Sindbad den zeeman te

herinneren.

Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Tweede deel · 第 16 / 22 题