Ziedaar, Beheerscher der geloovigen! de openhartige bekentenis, welke
uwe majesteit van mij begeerd heeft. Gij kent thans mijne misdaad in al
hare bijzonderheden, en ziet tot welke gruweldaden de jaloezij een' man
vervoeren kan. Ik bid u zeer nederig thans mijn vonnis uit te spreken;
hoe gestreng dat ook zijn moge, ik zal er mij niet over beklagen, en het
zal altoos te ligt zijn voor mijne misdaad.”
De kalif was nu ten hoogste verwonderd over hetgeen de jonge man
hem mededeelde. Maar met zijn ongeluk bewogen, vond hij hem meer
beklagenswaardig dan misdadig. „De daad van dezen jongen man,” zeide
hij, „is vergevenswaardig bij God en bij de menschen. De boosaardige
slaaf is de eenige oorzaak van dezen moord; hij alleen moet gestraft
worden. Daarom,” vervolgde hij, zich tot den groot-vizier wendende,
„geef ik u drie dagen om dien misdadiger op te zoeken. Indien gij hem
binnen dien tijd niet voor mijn' troon brengt, zal ik u in zijne plaats
doen sterven.”
De ongelukkige Giafar, die zich reeds buiten gevaar waande, was zeer ter
neêrgeslagen over dit nieuwe bevel van den kalif, doch daar hij dien
vorst, wiens karakter hij kende, niet durfde tegenspreken, verliet hij
het paleis, en begaf zich schreijende naar zijn huis, overtuigd, dat
hij niet meer dan drie dagen te leven had. Hij was er zoo zeker van den
slaaf niet te zullen vinden, dat hij niet de minste moeite deed, om naar
hem te zoeken. „Het is niet mogelijk,” zeide hij, „in eene stad als
Bagdad, waar een oneindig aantal zwarte slaven zijn, den regten man uit
te vinden. Indien niet Allah mij hem doet kennen, gelijk hij mij reeds
den moordenaar heeft ontdekt, kan niets mij redden.”
Hij bragt de eerste twee dagen in droefheid door met zijne familie,
welke met hem treurde, en klaagde over de onregtvaardige gestrengheid
van den kalif. Toen de derde dag aanbrak, bereidde de vizier zich voor
om kloekmoedig te sterven, gelijk het een' staatsdienaar betaamt, die
zich niets te verwijten heeft. Hij deed den kadi met zijne getuigen
komen, en maakte zijn testament, dat zij in zijne tegenwoordigheid
onderteekenden. Daarna omhelsde hij zijne vrouw en kinderen, en
nam afscheid van hen. Allen smolten weg in tranen. Nooit zag men
aandoenlijker schouwspel. Eindelijk kwam er een geregtsdienaar van het
paleis, die hem zeide, dat de kalif ongeduldig werd om iets van hem
of van den zwarten slaaf, dien hij hem bevolen had op te zoeken, te
vernemen. „Ik heb last,” vervolgde hij, „u onmiddelijk voor den troon
van zijne majesteit te brengen.” De bedroefde vizier maakte zich gereed
om den geregtsdienaar te volgen; maar op het oogenblik van heengaan,
bragt men hem zijne jongste dochter, een kind van tusschen de vijf en
zes jaar. De vrouwen, met hare verzorging belast, gaven de kleine aan
haren vader over, opdat hij haar voor het laatst zou omhelzen.
Daar de vizier voor dit kind eene bijzondere genegenheid had, verzocht
hij den bode des kalifs hem een oogenblik tijd te geven. Nu nam hij het
kind op den arm en kuste het bij herhaling. Terwijl hij het meisje dus
omhelsde, bemerkte hij, dat zij eene dikte voor hare borst had. „Mijne
lieve kleine,” vraagde hij, „wat hebt gij daar in uwen boezem?” „Beste
vader,” antwoordde het kind, „dat is een appel, waarop de naam van
den kalif is uitgesneden. Rihan, onze slaaf, heeft hem mij voor twee
sequinen verkocht.”
Op de woorden van appel en slaaf, gaf de vizier een' kreet van
verbazing en vreugde, en de hand in den boezem van zijn dochtertje
stekende, haalde hij den appel te voorschijn. Hij liet den slaaf, die
niet ver van daar was, roepen, en zoodra deze voor hem verscheen, zeide
hij: „Schelm, waar hebt gij dien appel gestolen?” „Heer!” antwoordde de
slaaf, „ik zweer u, dat ik hem niet ontvreemd heb, noch bij u, noch uit
den tuin van den Beheerscher der geloovigen. Vóór eenige dagen over
straat gaande, trof ik daar drie spelende kinderen aan; een van hen had
dezen appel in de hand. Ik ontrukte ze hem en nam ze mede. Het kind liep
mij na, en vertelde mij, dat de appel niet van hem, maar van zijne zieke
moeder was, en dat zijn vader eene lange reis had gedaan, om haar te
bevredigen, en drie appels had medegebragt, waarvan deze er een was,
dien hij had weggenomen, zonder dat zijne moeder het wist. Hoe hij ook
daarom smeekte, ik gaf hem den appel niet terug. Te huis komende sneed
ik den naam van den kalif op den appel, en verkocht hem aan uwe kleine
dochter voor twee sequinen. Meer kan ik er u niet van zeggen.”
Giafar nam den slaaf, wiens guitenstreek oorzaak was geweest van den
dood eener onschuldige vrouw, en ook hem bijna het leven had gekost,
met zich, en toen hij voor den kalif kwam, gaf hij aan dien vorst een
naauwkeurig verslag van hetgeen de slaaf hem gezegd had en van het
toeval, waardoor hij met zijne misdaad bekend was geworden. Na het
aanhooren dezer mededeeling, zeide de verwonderde kalif tot den vizier,
dat deze slaaf, die tot eene zoo treurige dwaling aanleiding had
gegeven, ook eene voorbeeldige straf verdiende. „Ik kan dat niet
ontkennen, Sire!” antwoordde de vizier, „maar zijn misdrijf is eenigzins
te verschoonen. Ik ken eene nog veel vreemdere geschiedenis van een'
vizier te Caïro, Noureddin Ali genaamd, en van Bedreddin Hassan van
Balsora. Daar uwe majesteit vermaak schept in het aanhooren van
dergelijke geschiedenissen, zoo ben ik bereid ze u te verhalen, op
voorwaarde dat indien gij ze wonderlijker vindt dan deze, gij mijn'
slaaf genade zult verleenen.” „Dat neem ik aan,” hernam de kalif,
die thans in eene goede luim was, „maar gij neemt eene zware taak
op u, en ik geloof niet, dat gij uw' slaaf zult kunnen redden; want
de geschiedenis van de drie appels is al hoogst zonderling.”