Dl. II, pag 117.]

Ziedaar, Beheerscher der geloovigen! de openhartige bekentenis, welke

uwe majesteit van mij begeerd heeft. Gij kent thans mijne misdaad in al

hare bijzonderheden, en ziet tot welke gruweldaden de jaloezij een' man

vervoeren kan. Ik bid u zeer nederig thans mijn vonnis uit te spreken;

hoe gestreng dat ook zijn moge, ik zal er mij niet over beklagen, en het

zal altoos te ligt zijn voor mijne misdaad.”

De kalif was nu ten hoogste verwonderd over hetgeen de jonge man

hem mededeelde. Maar met zijn ongeluk bewogen, vond hij hem meer

beklagenswaardig dan misdadig. „De daad van dezen jongen man,” zeide

hij, „is vergevenswaardig bij God en bij de menschen. De boosaardige

slaaf is de eenige oorzaak van dezen moord; hij alleen moet gestraft

worden. Daarom,” vervolgde hij, zich tot den groot-vizier wendende,

„geef ik u drie dagen om dien misdadiger op te zoeken. Indien gij hem

binnen dien tijd niet voor mijn' troon brengt, zal ik u in zijne plaats

doen sterven.”

De ongelukkige Giafar, die zich reeds buiten gevaar waande, was zeer ter

neêrgeslagen over dit nieuwe bevel van den kalif, doch daar hij dien

vorst, wiens karakter hij kende, niet durfde tegenspreken, verliet hij

het paleis, en begaf zich schreijende naar zijn huis, overtuigd, dat

hij niet meer dan drie dagen te leven had. Hij was er zoo zeker van den

slaaf niet te zullen vinden, dat hij niet de minste moeite deed, om naar

hem te zoeken. „Het is niet mogelijk,” zeide hij, „in eene stad als

Bagdad, waar een oneindig aantal zwarte slaven zijn, den regten man uit

te vinden. Indien niet Allah mij hem doet kennen, gelijk hij mij reeds

den moordenaar heeft ontdekt, kan niets mij redden.”

Hij bragt de eerste twee dagen in droefheid door met zijne familie,

welke met hem treurde, en klaagde over de onregtvaardige gestrengheid

van den kalif. Toen de derde dag aanbrak, bereidde de vizier zich voor

om kloekmoedig te sterven, gelijk het een' staatsdienaar betaamt, die

zich niets te verwijten heeft. Hij deed den kadi met zijne getuigen

komen, en maakte zijn testament, dat zij in zijne tegenwoordigheid

onderteekenden. Daarna omhelsde hij zijne vrouw en kinderen, en

nam afscheid van hen. Allen smolten weg in tranen. Nooit zag men

aandoenlijker schouwspel. Eindelijk kwam er een geregtsdienaar van het

paleis, die hem zeide, dat de kalif ongeduldig werd om iets van hem

of van den zwarten slaaf, dien hij hem bevolen had op te zoeken, te

vernemen. „Ik heb last,” vervolgde hij, „u onmiddelijk voor den troon

van zijne majesteit te brengen.” De bedroefde vizier maakte zich gereed

om den geregtsdienaar te volgen; maar op het oogenblik van heengaan,

bragt men hem zijne jongste dochter, een kind van tusschen de vijf en

zes jaar. De vrouwen, met hare verzorging belast, gaven de kleine aan

haren vader over, opdat hij haar voor het laatst zou omhelzen.

Daar de vizier voor dit kind eene bijzondere genegenheid had, verzocht

hij den bode des kalifs hem een oogenblik tijd te geven. Nu nam hij het

kind op den arm en kuste het bij herhaling. Terwijl hij het meisje dus

omhelsde, bemerkte hij, dat zij eene dikte voor hare borst had. „Mijne

lieve kleine,” vraagde hij, „wat hebt gij daar in uwen boezem?” „Beste

vader,” antwoordde het kind, „dat is een appel, waarop de naam van

den kalif is uitgesneden. Rihan, onze slaaf, heeft hem mij voor twee

sequinen verkocht.”

Op de woorden van appel en slaaf, gaf de vizier een' kreet van

verbazing en vreugde, en de hand in den boezem van zijn dochtertje

stekende, haalde hij den appel te voorschijn. Hij liet den slaaf, die

niet ver van daar was, roepen, en zoodra deze voor hem verscheen, zeide

hij: „Schelm, waar hebt gij dien appel gestolen?” „Heer!” antwoordde de

slaaf, „ik zweer u, dat ik hem niet ontvreemd heb, noch bij u, noch uit

den tuin van den Beheerscher der geloovigen. Vóór eenige dagen over

straat gaande, trof ik daar drie spelende kinderen aan; een van hen had

dezen appel in de hand. Ik ontrukte ze hem en nam ze mede. Het kind liep

mij na, en vertelde mij, dat de appel niet van hem, maar van zijne zieke

moeder was, en dat zijn vader eene lange reis had gedaan, om haar te

bevredigen, en drie appels had medegebragt, waarvan deze er een was,

dien hij had weggenomen, zonder dat zijne moeder het wist. Hoe hij ook

daarom smeekte, ik gaf hem den appel niet terug. Te huis komende sneed

ik den naam van den kalif op den appel, en verkocht hem aan uwe kleine

dochter voor twee sequinen. Meer kan ik er u niet van zeggen.”

Giafar nam den slaaf, wiens guitenstreek oorzaak was geweest van den

dood eener onschuldige vrouw, en ook hem bijna het leven had gekost,

met zich, en toen hij voor den kalif kwam, gaf hij aan dien vorst een

naauwkeurig verslag van hetgeen de slaaf hem gezegd had en van het

toeval, waardoor hij met zijne misdaad bekend was geworden. Na het

aanhooren dezer mededeeling, zeide de verwonderde kalif tot den vizier,

dat deze slaaf, die tot eene zoo treurige dwaling aanleiding had

gegeven, ook eene voorbeeldige straf verdiende. „Ik kan dat niet

ontkennen, Sire!” antwoordde de vizier, „maar zijn misdrijf is eenigzins

te verschoonen. Ik ken eene nog veel vreemdere geschiedenis van een'

vizier te Caïro, Noureddin Ali genaamd, en van Bedreddin Hassan van

Balsora. Daar uwe majesteit vermaak schept in het aanhooren van

dergelijke geschiedenissen, zoo ben ik bereid ze u te verhalen, op

voorwaarde dat indien gij ze wonderlijker vindt dan deze, gij mijn'

slaaf genade zult verleenen.” „Dat neem ik aan,” hernam de kalif,

die thans in eene goede luim was, „maar gij neemt eene zware taak

op u, en ik geloof niet, dat gij uw' slaaf zult kunnen redden; want

de geschiedenis van de drie appels is al hoogst zonderling.”

Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Tweede deel · 第 18 / 22 题