ZEVENDE EN LAATSTE REIS VAN SINDBAD DEN ZEEMAN.

„Na mijne zesde reis kwam het niet in mijne gedachten op, weder eene

nieuwe te ondernemen. Behalve dat ik op mijn' leeftijd naar rust

verlangde, had ik stellig voorgenomen mij niet weder aan gevaren bloot

te stellen. Ik had het besluit genomen, mijne overige dagen in rust

door te brengen. Toen ik eens een groot aantal mijner vrienden bij mij

ten eten had en wij ons vrolijk maakten, kwam een mijner bedienden mij

zeggen, dat een officier van den kalif mij verlangde te spreken. Ik

stond van tafel op, en ging naar hem toe. „De kalif,” zeide hij, „heeft

mij gelast u mede te deelen, dat hij u begeert te spreken.” Ik ging met

den officier naar het paleis, hij bragt mij onmiddelijk bij den vorst.

Ik wierp mij aan zijne voeten, doch hij deed mij opstaan. „Sindbad!”

zeide hij, „gij moet mij eene dienst bewijzen. Ik heb besloten de

beleefdheid des konings van Serendib te beantwoorden, en gij moet mijn'

brief en mijne geschenken aan hem overbrengen.” Dit bevel van den kalif

klonk mij als een donderslag in de ooren. „Beheerscher der geloovigen!”

zeide ik, „ik ben bereid te doen, wat uwe majesteit mij bevelen zal,

maar ik bid haar zeer nederig te bedenken, dat ik een oud man ben, en

nog gebukt ga onder de vermoeijenissen, die ik op mijne vele reizen heb

doorgestaan. Ik heb zelfs eene gelofte gedaan Bagdad niet weder te

verlaten.” Vervolgens nam ik hieruit aanleiding, hem een breedvoerig

verhaal van al mijne lotgevallen te doen, en hij had het geduld mij ten

einde toe aan te hooren!

Doch naauwelijks had ik uitgesproken, of hij zeide: „Ik stem toe,

dat dit zeer buitengewone ontmoetingen zijn; maar zulks moet u niet

terughouden om, uit genegenheid voor mij, de reis welke ik u voorstel te

ondernemen. Het geldt hier alleen eene reis naar het eiland Serendib, om

u van den door mij aan u opgedragen last te kwijten. Daarna zal het u

vrij staan, onmiddelijk de terugreis aan te nemen.

Maar gij moet gaan, want gij zult inzien, dat het niet met de

welvoegelijkheid en met mijne waardigheid overeenkomt, iets aan den

koning van dat eiland schuldig te blijven.” Toen ik nu zag, dat het de

volstrekte begeerte van den kalif was, betuigde ik bereid te zijn hem

te gehoorzamen. Hij was hiermede zeer ingenomen, en liet mij duizend

sequinen geven, om de kosten van de reis te bestrijden.

Binnen weinige dagen was ik gereed, om te vertrekken. Zoodra ik de

geschenken en een' eigenhandigen brief van den kalif aan den koning van

Indië had ontvangen, vertrok ik naar Balsora, waar ik scheep ging. De

reis was zeer voorspoedig, en zonder eenige bijzondere ontmoeting kwam

ik in de hoofdstad van het eiland Serendib aan. Ik vervoegde mij aan

het hof, en verzocht, dat men mij dadelijk gehoor bij den vorst zou

verschaffen. Men bragt mij onder veel eerbetoon naar het paleis, en ik

begroette den koning door mij, volgens gebruik, voor hem neder te

werpen.

De koning herkende mij terstond, en was zeer verheugd, toen hij mij

weder zag. „Ha, Sindbad!” zeide hij, „wees welkom! Ik verzeker, dat ik,

na uw vertrek, nog menigmaal aan u gedacht heb. Gezegend zij deze dag,

waarop wij elkander wederzien.” Ik boog mij ter aarde, bedankte hem voor

zijne goedheid, en bood hem den brief en de geschenken van den kalif

aan.

De kalif zond hem een rustbed met toebehooren van goudlaken, ter

waarde van duizend sequinen, vijftig opperkleederen van zeer rijke

stof, honderd andere van het fijnste witte linnen van Caïro, Suëz en

Alexandrië, nog eene andere sofa van karmozijn, eene agaten vaas, ter

dikte van een vinger en minder diep dan wijd, op welker bodem men in

bas-relief een jager zag, die een' boog en een' pijl in de hand hield,

en gereed was om op een' leeuw te schieten. Ook zond hij hem nog eene

zeer prachtige tafel, die, volgens overlevering, van den grooten Salomo

afkomstig was. De brief van den kalif was van dezen inhoud;

_„Gegroet, in naam van den alleen regtvaardigen Opperheer,

van den magtigen en gelukkigen Sultan, van

Abdala Haroun-al-Raschid, dien God tot

de hoogste eereplaats heeft verheven

na zijne voorvaderen._

_Wij hebben uw' brief met vreugde ontvangen, en wij zenden u dezen,

voorzien met het zegel van onze verhevene Poort, den bloemhof der hooge

geesten. Wij hopen dat gij, daarop de oogen slaande, van onze goede

meening overtuigd zult zijn; en deze u aangenaam zal wezen. Wees

gegroet.”_

Het verheugde den koning van Serendib zeer, dat de kalif aan zijn

verzoek voldaan had. Kort na dit gehoor, verzocht ik, om naar Bagdad te

mogen terugkeeren, hetgeen mij slechts met veel moeite werd toegestaan.

Eindelijk liet de koning mij gaan, en gaf mij bij het afscheid een zeer

aanzienlijk geschenk. Ik scheepte mij nu dadelijk in, om regelregt naar

Bagdad te zeilen, maar Allah had anders over mij beschikt. Op den derden

dag van ons vertrek werden wij door zeerovers aangevallen, en daar ons

schip niet tot verdediging in staat was, viel het den zeeroovers niet

moeijelijk het te nemen. Sommigen van het scheepsvolk stelden zich te

weêr, wat hun het leven kostte. Ik en anderen, die zoo voorzigtig waren

geweest ons niet tegen onze overweldigers te verzetten, werden tot

slaven gemaakt. Nadat de roovers ons van alles beroofd hadden, bragten

zij ons naar een groot eiland, waar wij allen verkocht werden.

Ik werd het eigendom van een' rijken koopman, die mij medenam naar

zijne woning, waar hij mij goed eten voorzette, als slaaf kleedde,

en vraagde, of ik ook eenig handwerk verstond. Zonder hem met mijn'

naam en stand bekend te maken, gaf ik alleen te kennen, dat ik geen

handwerksman, maar een koopman was, en dat de zeeroovers mij van alles

hadden beroofd, wat ik op de wereld bezat. „Maar,” hernam hij, „kunt

gij niet met pijl en boog omgaan?” Ik antwoordde hem, dat ik dit reeds

in mijne jeugd had geleerd. Toen gaf hij mij boog en pijlen, en deed

mij achter zich op een' olifant stijgen. Bij bragt mij eenige uren

ver buiten de stad in een groot bosch. Hier hield hij stil, liet mij

afstijgen, en wees mij een' grooten boom aan. „Klim,” zeide hij, „in

dezen boom, en schiet op de olifanten, welke hier voorbij zullen

trekken, want dit bosch is zeer uitgestrekt en er zijn hier vele van die

dieren. Als er een olifant gevallen is, kom het mij dan zeggen.” Daarna

gaf hij mij eenige levensmiddelen en keerde naar de stad terug, terwijl

ik gedurende dien dag en den ganschen nacht in mijn' boom op den uitkijk

zat, zonder een' enkelen olifant te vernemen. Den volgenden morgen, bij

het opgaan der zon, zag ik echter een groot getal van die dieren met

statigen tred aankomen. Zij trokken vlak onder mijn' boom heen, en ik

schoot verscheidene pijlen op hen af. Eindelijk zag ik er een, doodelijk

getroffen, nedervallen. De anderen vervolgden hun' weg, zoodat ik gerust

naar de stad kon terugkeeren, om mijn' meester den goeden uitslag mijner

pogingen mede te deelen. Toen ik dit gedaan had, onthaalde hij mij op

eene voortreffelijke wijze, prees mijne handigheid en overlaadde mij

met loftuitingen. Daarna begaven wij ons naar het bosch, waar wij

een' grooten kuil maakten en den gedooden olifant begroeven, met het

voornemen om terug te komen, als het dier verteerd zou zijn, en het dan

de tanden te ontnemen.

Ik zette deze jagt gedurende twee maanden voort, en er ging geen dag

voorbij, waarop ik niet een' olifant doodde. Ik plaatste mij niet altoos

op den zelfden boom, maar nu op den eenen, dan op den anderen. Op een'

morgen, dat ik op de komst der olifanten zat te wachten, zag ik tot

mijne groote verwondering, dat zij in veel grooteren getale aankwamen,

en, in plaats van mij als naar gewoonte voorbij te trekken stil hielden,

terwijl zij zulk een verschrikkelijk gedruisch maakten, dat de grond

onder hunne pooten beefde. Zij naderden den boom, waarop ik mij bevond,

omringden dien met uitgestrekte tromp, en hielden de oogen op mij

gerigt. Op dit dreigend schouwspel, bleef ik bewegingloos zitten, en de

schrik beving mij zoodanig, dat boog en pijlen mij uit de handen vielen.

Mijne vrees was niet ongegrond. Toen de olifanten mij eenigen tijd

hadden aangestaard, als of zij mij met hunne dreigende ogen uit den boom

wilden kijken, sloeg een der grootste zijn' slurf om den stam, en spande

zich zoo in, dat hij hem met de wortels uit den grond rukte en ter aarde

wierp. Ik viel met den boom mede; het dier omvatte mij met zijn' snuit

en plaatste mij op zijn' rug. Meer dood dan levend, zette ik mij zoo

veel mogelijk vast, met mijn' pijlkoker op den schouder. De olifant

stelde zich nu aan het hoofd van den troep, legde een groot eind weegs

af, zette mij toen op den grond, en vertrok met zijne makkers zonder

mij eenig leed te doen. Verbeeldt u mijne verbazing. Ik meende eerst te

droomen, doch geene olifanten meer bespeurende, stond ik op, en zag, dat

ik mij op een' heuvel bevond van aanzienlijken omvang, en geheel bedekt

met beenderen en olifantstanden. Dit gaf mij veel stof tot nadenken. Ik

twijfelde of het was de algemeene begraafplaats der olifanten, en zij

hadden mij hier heen gebragt, om mij die aan te wijzen; opdat ik mogt

ophouden, hen om hunne tanden langer te vervolgen. Ik hield mij op den

heuvel niet op; maar keerde naar de stad terug, waar ik, na een' dag en

nacht geloopen te hebben, half uitgehongerd bij mijn' meester aankwam.

Ik had op mijn' weg geen' enkelen olifant ontmoet, hetgeen mij deed

denken, dat zij zich dieper in het bosch hadden begeven, om mij den weg

naar den heuvel vrij te laten, en nog bewonder ik het instinkt van deze

dieren, dat aan menschelijk verstand schijnt te grenzen.

Zoodra mijn meester mij zag, liep hij verblijd naar mij toe. „Ach!

Sindbad,” riep hij uit, „ik was zoo ongerust over u. Ik ben naar het

bosch geweest, vond daar een kortelings ontwortelden boom en uw' boog

en pijlen op den grond liggen. Ik heb u geroepen en gezocht, en ten

laatste ben ik, zonder hoop u immer te zullen wederzien, naar huis terug

gekeerd. Verhaal mij toch, als ik u bidden mag, wat u is overkomen.”

Ik voldeed aan zijn verlangen; en toen wij ons den volgenden dag naar

den heuvel begaven, zag hij tot zijne groote blijdschap, dat ik hem de

waarheid gezegd had. Wij belaadden den olifant, waarmede wij gekomen

waren, met zoo vele tanden, als hij dragen konde, en keerden vrolijk

naar de stad terug. „Broeder!” zeide nu mijn meester, „(want als

zoodanig wil ik u beschouwen, en niet meer als slaaf, na de dienst, die

gij mij hebt bewezen, door eene ontdekking, die mij tot een schatrijk

man zal maken), dat Allah u met goederen overlade, en u voorspoed geve

op al uwe wegen! Ik verklaar u ten Zijnen aanhooren, dat gij van dit

oogenblik af een vrij man zijt. Ik heb voor u verborgen gehouden,

hetgeen gij nu van mij zult vernemen.

[Illustratie: De drie Appelen.

Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Tweede deel · 第 15 / 22 题