„Mijne Heeren!” zeide hij, „gij zult moeijelijk kunnen begrijpen hoe ik,
na het doorstaan van zoo vele rampen, en na vijf malen schipbreuk te
hebben geleden, kon besluiten nieuwe gevaren te gaan zoeken. Als ik
er wel over nadenk, ben ik zelf verwonderd over mijne dwaasheid, maar
mijn noodlot dwong er mij voorzeker toe. Hoe dit zij, na een jaar rust,
maakte ik aanstalten om eene zesde reis te ondernemen. Wat ook mijne
bloedverwanten en vrienden mogten zeggen, om mij van mijn voornemen af
te brengen, het was te vergeefs!
Wederom nam ik mijn' weg door Perzië en Indië, tot dat ik eene zeehaven
bereikte. Hier ging ik scheep met een' kapitein, die voornemens was
eene zeer lange reis te doen. Zij was in waarheid lang, maar tevens zoo
ongelukkig, dat de kapitein en de stuurman van den koers afdwaalden, en
volstrekt niet meer wisten, op wat lengte of breedte wij ons bevonden.
Toen zij dit eindelijk ontdekten, was het waarlijk voor ons geene
aangename zaak. Verbeeldt u onzen schrik, toen wij den kapitein
eensklaps zijn' post zagen verlaten, terwijl hij in wanhoopskreten
uitbarstte. Hij was als zinneloos, wierp zijn' tulband op het dek, rukte
zich den baard uit, en sloeg zich met de vuisten voor het hoofd. Wij
vraagden wat hem zoo wanhopig maakte. „Ik moet u zeggen,” antwoordde
hij, „dat wij ons op de gevaarlijkste plaats der zee bevinden. Een
zeer sterke stroom voert het schip mede, en eer een kwartier verloopen
is, zijn wij misschien allen kinderen des doods. Bidt Allah, dat hij
medelijden met ons hebbe, en ons uit dit gevaar redde, of wij zijn
verloren.” Te gelijk beval hij alle zeilen bij te zetten, maar ook dit
mogt niet baten; de stroom sleepte het schip met onweerstaanbare kracht
mede naar eene ongenaakbare rots, waar tegen het aan stukken stiet.
Wij hadden echter den tijd, niet alleen ons leven, maar tevens onzen
voorraad en onze kostbaarste goederen te bergen, alvorens het schip
uiteensloeg. Nu dachten wij het gewonnen te hebben, maar de kapitein
zeide: „Wat verblijdt gij u! Wij bevinden ons hier op eene rots, van
waar nog nooit een schipbreukeling levend is afgekomen. Zijn wij al
niet in de golven omgekomen, er blijft ons niets over dan hier onze
graven te maken en te sterven.” Deze woorden van den kapitein stortten
ons in eene diepe droefheid; wij omhelsden elkander met tranen in
de oogen en betreurden ons ongelukkig lot, dat ons aan een zoo
onherbergzaam strand had geworpen.
De rots, aan wier voet wij waren, bevond zich aan de kust van een
uitgestrekt eiland, maar zij was zoo hoog en zoo steil, dat er geene
mogelijkheid bestond, haar te beklimmen, en had een onzer hieraan nog
getwijfeld, de geraamten en de beenderen der schepelingen, die vóór ons
hier aan het strand waren geworpen en er hun' dood hadden gevonden,
zouden er hem het overtuigendste bewijs van hebben gegeven. De geheele
kust lag als bezaaid met wrakken van schepen. Ongeloofelijk groot was
de rijkdom aan koopmansgoederen, die hier aangespoeld waren. Dit alles
strekte echter slechts om onze wanhoop te vergrooten. Wat toch baten
alle schatten der aarde, indien men er geen gebruik van kan maken, en
een zekere dood ons voor oogen staat! Ik ontdekte nu ook, waardoor de
schepen naar deze noodlottige kust werden gedreven. In de rots, die uit
kristal, robijnen en andere edelgesteenten bestond, was eene breede
grot, waarin zich de zee met geweld als in een' afgrond nederstortte;
hierdoor ontstond die sterke stroom. Van de rots stroomde in de zee eene
bron, wier water zwart van kleur was en geheele stukken pek of jodenlijm
met zich voerde, die door de visschen ingeslikt en als stukken barnsteen
uitgeworpen, door de golven aan strand werden gespoeld. Eindelijk vonden
wij er ook aloëhout, niet minder deugdzaam dan dat, hetwelk op het
eiland Camara groeit. Maar iets, om ons leven mede te rekken, zooals
vruchten, eetbare wortels, schildpadden of schelpdieren ontbraken er
geheel. Waren alzoo onze levensmiddelen, die wij geborgen hadden,
opgeteerd, dan stond ons de hongerdood met al zijne ijsselijkheden voor
oogen. Dit maakte ons half zinneloos; en dagen lang zaten wij elkander
zwijgend en wanhopig aan te staren.
Reeds in den aanvang hadden wij onzen voorraad onder elkander verdeeld,
en zoo bezweek ook de eene vroeger dan de andere, naar mate hij een zwak
of sterk gestel had, of van zijn' voorraad met meerdere of mindere
spaarzaamheid had gebruik gemaakt. Die het eerst stierven, werden
door de nog levenden begraven. Ik bewees die laatste eer aan al mijne
lotgenooten.
Dit, mijne vrienden, moet u niet bevreemden. Ik was met den mij
toegedeelden voorraad zeer zuinig geweest. Bovendien had ik mij aan
boord nog van het een en ander voorzien, en hiervan liet ik mijnen
makkers niets blijken. Dit moge onbarmhartig schijnen, maar wat
beteekende dat weinige voor ons allen! Ik wil evenwel niet ontkennen,
dat de wensch om mijn leven zoo lang mogelijk te rekken, mij zelfzuchtig
maakte. En toch toen ik den laatsten mijner medgezellen ter aarde had
besteld, bleef mij zoo weinig voorraad over, dat ik er aan begon te
denken ook mijn eigen graf te graven, met het doel om mij daarin te
werpen, als ik den dood voelde naderen. Bij dezen treurigen arbeid dacht
ik er onwillekeurig aan, dat ik zelf de schuld van mijn ongeluk was,
door niet naar den raad van mijne vrienden te hebben geluisterd. Het
berouwde mij nu, dat ik mijne zesde reis ondernomen had. Ik trok mij de
haren uit het hoofd, en liep als een waanzinnige naar de grot, om mij in
den stroom te storten, en zoo een einde aan mijn leven te maken. Maar
Allah had anders over mij besloten; hij deed mij op eene gedachte komen,
die mij weder hoop gaf. „Deze rivier,” dacht ik, „die onder de rots
doorloopt en zich in de zee uitstort, moet een begin hebben. Indien ik
nu eens een vlot maak en mij aan den loop van dit water overgeef, zal ik
mogelijk een bewoond land bereiken. Kom ik hierbij om, het zal slechts
eene andere soort van dood zijn, dan die mij hier te wachten staat.
Blijf ik integendeel behouden, dan zal ik niet alleen het treurige lot
van mijne makkers ontgaan, maar welligt op nieuw in de gelegenheid komen
om mij te verrijken. Wie weet, of het geluk mij niet wacht aan de andere
zijde van deze noodlottige plaats, om mij mijne schipbreuk met woeker te
vergoeden.”
Dit was met regt kasteelen in de lucht bouwen, maar ik was reeds zoo
dikwijls aan niet minder groote gevaren ontkomen, dat ik, als 't ware,
op mijn geluk steunde. Ik ging met ijver aan het werk, en daar het mij
niet aan materialen ontbrak (want planken en touwwerk had ik maar voor
het uitkiezen) maakte ik in korten tijd een stevig vlot, en een paar
riemen. Toen een en ander gereed was, belaadde ik het met balen
robijnen, smaragden, rotskristal, amber en andere kostbare stoffen.
Vervolgens maakte ik mijn vlot los, en de hulp van Allah inroepende,
gaf ik mij aan den stroom over.
Zoodra ik onder het gewelf van de grot kwam, was ik door een' donkeren
nacht omgeven, en het water voerde mij mede, zonder dat ik van mijne
riemen behoefde gebruik te maken. Ik dreef eenige dagen in deze
duisternis voort. Op één punt was het gewelf zoo laag, dat ik bijna mijn
hoofd gestooten en gewond zou hebben. Van mijn' voorraad gebruikte ik
niet meer dan noodig was om in leven te blijven, maar hoe zuinig ik
het ook aanlegde, eindelijk had ik het laatste stukje scheepsbeschuit
gebruikt. Toen overviel mij de slaap, zonder dat ik mij daartegen kon
verzetten. Hoe lang mijn slaap geduurd heeft, kan ik u niet zeggen,
maar bij mijn ontwaken bevond ik mij in het vrije veld aan den oever
eener rivier, terwijl mijn vlot was vastgemaakt. Eene menigte zwarten
omringden mij. Zoodra ik hen zag, rigtte ik mij op en groette hen. Zij
spraken mij aan, maar ik verstond hunne taal niet.
Ik was zoo verheugd, dat ik in het eerst niet wist, of ik waakte of
droomde. Maar eindelijk overtuigd, dat ik niet sliep, riep ik in het
Arabisch uit: „Roep den Allerhoogste aan, Hij zal u ter hulpe komen, en
gij hebt niet te vreezen. Sluit uwe oogen, en in den slaap zal Hij het
kwade van u afwenden en u het goede geven.”
Een der zwarten, die het Arabisch verstond, en mij dus hoorde spreken,
naderde mij en zeide: „Broeder, wees niet verwonderd ons te zien. Wij
wonen in deze landstreek en zijn hier gekomen, ten einde het water van
deze rivier door kleine kanalen af te leiden, om onze rijstvelden te
besproeijen. Wij bemerkten, dat er iets op het water dreef, en toen
wij nader kwamen, zagen wij dat het een vlot was met goederen beladen.
Een van ons heeft zich toen te water begeven en het vlot naar den
wal gestuurd, waar wij het, zoo als gij ziet, hebben vastgelegd, in
afwachting dat gij zoudt ontwaken. Wij verzoeken u ons uwe geschiedenis
te verhalen, die hoogst zonderling moet zijn. Zeg ons, hoe gij u met
zulk een zwak vaartuig op dezen stroom hebt durven begeven, en van waar
gij komt.” Ik antwoordde, dat zij mij eerst wat eten moesten geven, en
dat ik daarna hunne nieuwsgierigheid zou bevredigen.
Zij verschaften mij onderscheidene soorten van spijzen, en zoodra ik
mijn' honger gestild had, deed ik hun een getrouw verhaal van hetgeen
mij was overkomen. Zij luisterden met verbazing naar mij, en toen ik
met spreken ophield, zeide de zwarte, die het Arabisch verstond, en
mijne woorden vertolkt had, uit aller naam tot mij: „Dit is eene hoogst
wonderlijke geschiedenis. Het is noodig, dat wij u bij onzen koning
brengen, want uwe lotgevallen zijn te merkwaardig, om ze uit een'
anderen mond dan den uwe te vernemen.” Ik verklaarde bereid te zijn
om alles te doen, wat zij van mij verlangden.
De zwarten zonden nu iemand uit hun midden om een paard te halen, en
zoodra dit er was, verzochten zij mij op te stijgen. De togt ving
dadelijk aan. Eenigen der zwarten liepen voor mij uit, terwijl anderen
mijn vlot, zoo beladen als het was, op hunne schouders namen, en
volgden. Aldus gingen wij voort tot aan de stad Serendib (dit was ook de
naam van het eiland, waarop ik mij bevond). De zwarten stelden mij aan
hun' koning voor. Ik naderde den troon, waarop hij zat, en wierp mij
ter aarde naar de wijze, waarop men gewoon is de Indische koningen te
begroeten. De vorst beval mij op te staan, en ontving mij op eene zeer
heusche wijze. Hij wenkte mij nader te komen, deed mij aan zijne zijde
plaats nemen, en vraagde mij naar mijn' naam. Ik zeide hem, dat ik
Sindbad de zeeman werd geheeten, om de vele zeereizen, die ik gedaan
had, en dat ik in Bagdad geboren was. „En door welk toeval,” vervolgde
hij, „zijt gij in mijne staten gekomen, want dit eiland is alleen aan
deze zijde der kust genaakbaar.”
Ik verborg niets voor den koning, en verhaalde hem mijne zonderlinge
lotgevallen. Hij was hierover zoo verwonderd en verrukt, dat hij beval
mijne ontmoetingen met gouden letteren op te schrijven, om als eene
bijzonderheid in de archieven van zijn rijk bewaard te worden. Inmiddels
bragt men ook het vlot, en men opende de zich daarop bevindende balen in
zijne tegenwoordigheid. De koning was verbaasd over den grooten rijkdom,
welke zich aan zijne oogen vertoonde, zoo van aloëhout als van amber
en kostbare zijden stoffen; maar bovenal bragten de smaragden hem in
verrukking, daar hij in zijne schatkamer niet een' enkelen had, die
daarbij was te vergelijken.
Toen ik bemerkte, dat de koning mijne edelgesteenten met vermaak
aanschouwde, en hij zelfs eenige der schoonste, stuk voor stuk in handen
nam om ze met meer naauwkeurigheid te bezien, wierp ik mij voor zijne
voeten, en zeide: „Sire! niet alleen mijn persoon is ten dienste van uwe
majesteit maar ook de schatten, welke mijn vlot bevat; ik verzoek u,
daarover als uw regtmatig eigendom te willen beschikken.” „Sindbad,”
antwoordde de vorst lagchende, „ik zal mij wel wachten u iets te
ontnemen, van hetgeen Allah u gegeven heeft. In plaats van uwe
rijkdommen te verminderen, door daaraan eene hebzuchtige hand te slaan,
zal ik trachten die te vermeerderen, en ik wil niet, dat gij mijne
staten zult verlaten, zonder de blijken van mijne mildheid met u te
dragen.” Ik antwoordde hierop alleen door zijne edelmoedigheid te
prijzen en met de bede, dat het een zoo grootmoedig vorst steeds wel
mogt gaan. Hij belastte een' zijner officieren zorg voor mij te dragen,
en gaf mij eenige van zijne lieden om mij op zijne kosten te bedienen.
Zij kwamen de bevelen van hun meester getrouw na, bezorgden mij eene
voortreffelijke woning, waar ik op kosten des konings heerlijk werd
onthaald. Ook mijne balen werden aldaar bezorgd, zonder dat er iets aan
ontbrak.
Ik ging dagelijks op vastgestelde uren naar het hof, en den tijd,
die mij overbleef, besteedde ik om de stad te bezigtigen, en alles
te beschouwen, wat mijne aandacht waardig was. Het eiland Serendib
ligt onder de evennachtslijn, en is tachtig mijlen lang en breed. De
hoofdstad is aan het einde van eene schoone vallei, aan den voet van
een' hoogen berg gelegen. Deze berg is zoo hoog, dat men hem drie
dagreizen ver in zee zien kan. Hij bevat vele robijnen, smaragden en
andere edelgesteenten en metalen. Op het eiland groeijen vele kostbare
boomsoorten, onder andere de kokosboom; in de valleijen treft men
diamanten aan, en op de kusten zijn parelvisscherijen.
Toen ik van mijn' togt door het eiland in de stad terug kwam, verzocht
ik den koning naar mijn vaderland te mogen terugkeeren, hetgeen hij mij
op de beleefdste wijze toestond. Hij dwong mij zelfs een rijk geschenk
uit zijne schatkamer aan te nemen. Als ik afscheid van hem nam, gaf
hij mij nog andere geschenken met een' brief voor den Beheerscher der
geloovigen, onzen heer en meester, en zeide: „Sindbad! gij zult mij
verpligten deze geschenken en dezen brief den kalif Haroun-al-Raschid
ter hand te stellen, en hem de verzekering te geven van mijne
hoogachting en van mijne vriendschap.” Ik nam het geschenk en den brief,
en beloofde zijne majesteit de bevelen, waarmede het haar behaagde
mij te vereeren, met stiptheid te zullen nakomen. Vóór dat ik mij
inscheepte, ontbood de vorst den kapitein en de kooplieden, met wie
ik de reis zou doen, bij zich, en beval hun mij met de meeste
onderscheiding te bejegenen.
De brief des konings was geschreven op het vel van een om zijne
zeldzaamheid zeer kostbaar dier. De letters hadden eene hemelsblaauwe
kleur, en de inhoud, in de Indische taal geschreven, luidde aldus:
_„De koning van Indië, vóór wien duizend olifanten uitgaan,
die in een paleis woont, waarvan het dak schittert
van den glans van honderd duizenden robijnen;
en die in zijne schatkamer heeft twintig
duizend kroonen, verrijkt met
diamanten, aan den Kalif
Haroun-al-Raschid._
_Hoewel de geschenken, die wij u zenden, van geringe waarde zijn,
zoo hopen wij echter, dat gij die, als een broeder en vriend van onze
hand zult aannemen, uit hoofde van de vriendschap, welke ons hart u
toedraagt, en waarvan wij verheugd zijn u een bewijs te kunnen geven.
Wij vragen van u eene gelijke vriendschap, omdat wij meenen, die waardig
te zijn, daar wij met u in rang gelijk staan. Wij noodigen u daartoe uit
in naam van onze broederschap. Wees gegroet.”_
De geschenken bestonden ten eerste in een' beker, vervaardigd uit een'
enkelen robijn, een halve voet hoog en een duim dik, en gevuld met fijne
ronde paarlen, die door elkander een halve drachme wogen; ten tweede, in
een slangenvel met schubben, zoo groot als een gewoon goudstuk, dat de
eigenschap bezat, om hen, die daarop sliepen, voor ziekten te vrijwaren,
ten derde, in aloëhout ter waarde van vijftig duizend drachmen, benevens
dertig greinen kamfer van de grootte van eene pimpernoot, en eindelijk
in eene slavin van verblindende schoonheid, wier kleeding met
edelgesteenten als bezaaid was.
Het schip ging onder zeil, en na eene lange doch gelukkige reis kwamen
wij te Balsora aan, van waar ik mij onmiddelijk naar Bagdad begaf. Bij
mijn aankomst aldaar was mijn eerste werk, mij te kwijten van den mij
opgedragen last.
Ik nam den brief van den koning van Serendib, en begaf mij naar de
poort van het paleis van den Beheerscher der geloovigen, gevolgd door de
schoone slavin, en door alle leden van mijne familie, die de geschenken
droegen. Zoodra ik de deurwachters, met de reden van mijne komst bekend
had gemaakt, bragt men mij voor den troon van den kalif. Ik wierp mij
aan den voet des troons neder, en na eene zeer korte aanspraak, bood ik
den kalif den brief en de geschenken aan. Nadat hij den brief gelezen
had, vroeg hij mij, of de koning van Serendib inderdaad zoo rijk en
magtig was, als hij in dit geschrift te kennen gaf. Ik wierp mij
andermaal voor den troon en na mij te hebben opgerigt, antwoordde ik:
„Beheerscher der geloovigen! Ik kan uwe majesteit de verzekering geven,
dat de koning niet te hoog opgeeft van zijne grootheid en van zijn'
rijkdom; ik ben er getuige van geweest. Niets is bewonderenswaardiger,
dan de pracht van zijn paleis. Wanneer deze vorst zich in het openbaar
vertoont, plaatst men een' gouden troon op een' witten olifant, waarop
hij zich nederzet; terwijl hij aan weêrszijden omgeven wordt door twee
rijen staatsdienaren en hovelingen, allen op olifanten gezeten. Vóór
hem, op den zelfden olifant, houdt een officier eene gouden lans in de
hand; achter den troon staat een ander, die een' gouden staf draagt, aan
welks boveneinde een smaragd is, bijna een halve voet lang en een duim
dik. Vóór hem uit, gaat eene garde van duizend man, gekleed in goudlaken
en zijde, en gezeten op rijk geharnaste olifanten. Gedurende den togt
des konings, roept de officier vóór op den olifant, van tijd tot tijd
met luider stem:
„Zie hier den grooten monarch, den magtigen en gevreesden sultan van
Indië wiens paleis bedekt is met honderd duizenden robijnen, en die
twintig duizend diamanten kroonen bezit! Zie hier den gekroonden
monarch, grooter dan ooit Soliman en de groote Mihrage waren!”
Daarna roept de officier achter den troon op zijne beurt:
„Deze zoo groote en magtige monarch moet sterven, moet sterven, moet
sterven!”
De voorste officier neemt dan weder het woord en roept uit:
„Lof zij hem, die leeft en niet sterft!”
Overigens is de koning van Serendib zoo regtvaardig, dat hij geene
regters in zijne hoofdstad en in zijne staten heeft; zijn wil is
voor zijne volken de eenige wet. Zij hebben, even als hun vorst, de
regtvaardigheid lief, en wijken nooit van hun' pligt af.” De kalif was
over mijne woorden zeer voldaan. „De wijsheid van dien koning,” zeide
hij, „blijkt reeds uit zijn' brief, en, na hetgeen gij mij daarvan
gezegd hebt moet men toestemmen, dat zijne wijsheid zulke onderdanen
waardig is, en dat zijne onderdanen waardig zijn zulk een' vorst te
bezitten.” Met deze woorden gaf hij mij mijn afscheid, en liet mij met
een rijk geschenk vertrekken.”
Hiermede eindigde Sindbad zijn verhaal, en zijne gasten vertrokken, ook
Hindbad, nadat hij zijne honderd sequinen had ontvangen. Toen zij den
volgenden dag terug kwamen, verhaalde Sindbad hun zijne zevende en
laatste reis.