„Het genoegelijke leven, dat ik met mijne vrienden leidde, wischte
weldra de vermoeijenissen en rampen, die ik had doorgestaan, uit mijn
geheugen, zoodat ik na eenigen tijd reeds weder lust gevoelde om nieuwe
reizen te doen. Ik kocht alzoo weder eene menigte koopwaren, die ik in
balen pakte en op wagens liet laden, en waarmede ik mij naar de naaste
zeehaven begaf. Om niet van den kapitein afhankelijk te zijn, liet ik
op eigen kosten een schip dusdanig bouwen en uitrusten, als ik dit
verlangde. Zoodra het schip gereed was, deed ik mijne goederen daarin
laden en begaf mij aan boord, eenige kooplieden met hunne waren
medenemende.
Met den eersten gunstigen wind ligtten wij het anker, en bevonden ons
weldra in de ruime zee. Wij waren reeds eenige weken onder zeil geweest,
toen wij gebrek aan drinkwater kregen, en voor een onbewoond eiland het
anker lieten vallen om onze watervaten te vullen. Hier vonden wij een ei
van gelijke grootte en omvang als dat, wat ik u vroeger heb beschreven.
Het bevatte een' jonge rok, die spoedig zou uitkomen, en waarvan de bek
reeds zigtbaar was. De kooplieden, die zich aan boord van mijn schip
bevonden, en met mij aan land waren gegaan, hakten met een' bijl in
het ei en maakten daarin eene opening, waardoor zij den jongen rok bij
gedeelten te voorschijn haalden, en dien zij daarna lieten braden. Ik
had hen ernstig gewaarschuwd, dat zij het ei onaangeroerd zouden laten,
maar zij wilden naar mijn' raad niet hooren.
Naauwelijks hadden zij hunnen maaltijd geëindigd, of er vertoonden
zich in de lucht op een' vrij grooten afstand twee donkere wolken.
De kapitein, dien ik gehuurd had om mijn schip te besturen, bij
ondervinding wetende, wat dit te beduiden had, zeide dat het de vader
en de moeder van den jongen rok waren. Hij drong er op aan, dat wij
terstond aan boord moesten gaan om, zoo mogelijk, het ongeluk, dat hij
voorzag, te voorkomen. Wij volgden zijn' raad en gingen dadelijk onder
zeil.
Intusschen naderden de twee rokken met een groot geschreeuw, dat nog
verdubbelde toen zij bemerkten in welken toestand zich het ei bevond.
Daarop vlogen zij weder weg naar den kant, van waar zij gekomen waren.
Wij verloren hen voor een' korten tijd uit het oog, en de kapitein liet
alle zeilen bijzetten, ten einde het gevaar te ontkomen, dat ons
bedreigde.
De beide vogels kwamen terug, en wij bemerkten, dat elke rok een stuk
rots, zoo groot als een' kleinen berg, in zijne klaauwen medebragt. Toen
zij vlak boven mijn schip waren, staakten zij hunne vlugt, en op hunne
wieken drijvende, liet de eene zijn stuk vallen, doch door de handigheid
van den stuurman, die het roer omwierp en het schip deed zwenken, viel
het in zee. Het water week, zoodat wij bijna den grond konden zien. Tot
ons ongeluk liet echter de andere rok zijn stuk rots zoo juist op het
midden van het schip vallen, dat het aan duizend stukken werd geslagen.
De matrozen en de kooplieden werden allen door de rots verpletterd en
zonken in de diepte der zee. Ook ik zonk eenige vademen diep, doch hield
mijn' adem in, kwam weder boven, en had het geluk mij vast te klemmen
aan een in mijne nabijheid drijvend stuk van het wrak. Mij nu eens met
de eene, dan weder met de andere hand vasthoudende, werd ik, daar wind
en stroom mij gunstig waren, eindelijk op een eiland geworpen. De kust
was hoog en steil, doch ook deze zwarigheid kwam ik te boven. Ik zette
mij in het gras om een weinig van mijne vermoeijenis te bekomen; en
zoodra ik mij sterk genoeg gevoelde, stond ik weder op en ging dieper
landwaarts in, om het eiland te verkennen. Dit viel mij mede; want
overal bevond ik mij te midden van een' lusthof, vol van de schoonste
vruchtboomen, allen beladen met rijp en half rijp ooft, de grond
geleek een bloemtapijt, waardoor zich beekjes van het helderste water
kronkelden. Ik plukte en at van de heerlijke vruchten, dronk van het
heldere water, en ik gevoelde mij, zelfs in mijn ongeluk, gelukkig.
Toen ik mij aldus verkwikt had en mijne wandeling verder voortzette,
zag ik aan den oever van ene beek een' grijsaard zitten, die mij
toescheen zeer gebrekkig te zijn. Ik dacht in het eerst dat hij, gelijk
ik, hier schipbreuk had geleden. Ik ging naar hem toe, en groette hem,
waarop hij alleen met eene hoofdbuiging antwoordde. Ik vraagde hem
vervolgens, wat hij daar deed, doch in plaats van te antwoorden, gaf hij
mij een teeken, dat ik hem op mijne schouders nemen en door de beek zou
dragen, ten einde aan de overzijde, zoo als hij verder te verstaan gaf,
eenige vruchten te gaan plukken.
Ik meende, dat hij er werkelijk behoefte aan had, dat ik hem deze dienst
bewees, en daarom nam ik hem zonder dralen op mijnen rug, en waadde met
hem door de beek, die zeer ondiep was. „Klim af,” zeide ik nu, en kromde
mij om hem het afstijgen gemakkelijk te maken. Doch in plaats van zich
te laten afglijden (ik moet nog lagchen zoo dikwijls ik er aan denk),
sloeg deze verduivelde grijsaard, dien ik voor gebrekkig had aangezien,
zijne beide beenen met vlugheid om mijn' hals, en ik zag nu, dat het vel
daarvan veel geleek op eene gedroogde koehuid. Terwijl ik deze opmerking
maakte, zette hij zich op mijne schouders, gelijk een schoenmaker op
zijn' driestal, en wrong mij de keel zoo digt, dat ik niet anders dacht,
of hij verworgde mij. Een plotselinge schrik beving mij, en ik viel in
zwijm. De lastige grijsaard bleef altoos aan mijn' hals hangen; alleen
ontsloot hij zijne beenen een weinig, ten einde mij gelegenheid te
geven om weder tot mij zelven te komen. Toen drukte hij den eenen voet
krachtig tegen mijne maag, en schopte mij met den anderen zoo lang in
de lenden dat ik, mijns ondanks, verpligt was op te staan. Zoodra ik
weder overeind was, dwong hij mij voort te gaan en vruchten voor hem te
plukken. Hij verliet dien geheelen dag mijne schouders niet, en toen ik
mij des nachts ter ruste wilde begeven, legde hij zich met mij op den
grond neder, zonder mijn' armen hals een oogenblik los te laten. Elken
morgen wekte hij mij, door mij met de hielen in de lenden te schoppen,
en dwong mij dan, door mij den hals bijna toe te knijpen, om op te
staan, en hem te dragen, waarheen hij wezen wilde. Stelt u mijn'
toestand voor, mijne heeren! dag en nacht zulk een' last te moeten
dragen, zonder er mij van te kunnen ontslaan.
Eens vond ik op mijn' weg verscheidene drooge pompoenen, die van een'
boom waren gevallen; ik zocht er eene der grootste uit, die ik mede nam.
Na hem goed gereinigd te hebben, perste ik eenige druiven uit, liet het
sap in mijne soort van flesch loopen, en vulde ze tot aan den hals. Ik
verborg nu mijne met druivensap gevulde kalebas, en wist het zoo aan te
leggen, dat wij na eenige dagen weder langs die plaats kwamen. Nu nam
ik mijne kalebas, bragt die aan den mond, en dronk een' overheerlijken
wijn, die mij zoo opwekte, dat ik bijna mijn treurig lot vergat. Ik
gevoelde mij zoo opgeruimd, dat ik begon te zingen, en met mijne vracht
op den rug meer danste dan liep.
Toen de grijsaard bemerkte, dat die drank mij vrolijk maakte, en ik
hem met veel meer gemak en lust droeg dan gewoonlijk, gaf hij mij door
teekenen te verstaan, dat ik ook hem moest laten drinken. Ik reikte
hem mijne kalebas toe, hij nam die, en daar mijn wijn hem zeer lekker
smaakte, dronk hij haar tot den laatsten droppel ledig. Er was nog
genoeg in om hem dronken te maken, en hij werd het ook. Terwijl de
dampen van den wijn hem meer en meer naar het hoofd stegen, ving ook hij
aan op zijne wijze te zingen, en op mijne schouders eene soort van dans
uit te voeren. Door dit hotsen gaf zijne maag terug, wat hij te gulzig
had gedronken, en werden zijne beenen allengskens losser. Zoodra ik dit
bemerkte, wierp ik hem met een' duchtigen schok van mijne schouders in
het zand, waar hij bedwelmd bleef liggen. Ik nam nu een' grooten steen
op en verpletterde hem de hersenpan. Mijne blijdschap was zeer groot,
toen ik mij van dezen verwenschten grijsaard had verlost. Ik ging naar
het strand, en tot mijne niet minder groote vreugde ontmoette ik eenige
matrozen, die daar met hun schip voor anker lagen, om versch water in
te nemen. Zij waren zeer verwonderd, toen zij mij zagen, en nog meer,
toen zij mijne lotgevallen vernamen, waarmede ik hen in weinige woorden
bekend maakte. „Gij waart,” zeiden zij, „in handen gevallen van den
grijsaard van de zee, en gij zijt de eerste, dien hij niet heeft
verworgd; nooit heeft hij den ongelukkige, van wien hij zich had meester
gemaakt, weder losgelaten, dan na hem gestikt te hebben. Hij heeft dit
eiland berucht gemaakt door het groote aantal lieden, die hij gedood
heeft; en de vrees, die hij aan alle zeevarenden inboezemt, is zoo
groot, dat matrozen en kooplieden, alleen in groot gezelschap, voet
aan land durven zetten.”
Toen zij mij dit gezegd hadden, namen zij mij mede aan boord van hun
schip. De kapitein ontving mij zeer vriendelijk; en als hij vernam, wat
mij was overkomen, betuigde hij mij, verheugd te zijn, dat ik aan zulke
gevaren ontsnapt was. Hij ging weder onder zeil, en na eenige dagen
lieten wij het anker vallen voor eene groote stad met steenen huizen,
die anders gewoonlijk slechts van hout of van bamboes zijn gemaakt.
Een der kooplieden van het schip, die zich mijner in vriendschap had
aangetrokken, nam mij met zich naar de stad en bragt mij in een huis,
ingerigt om schipbreukelingen of vreemde kooplieden zonder vermogen op
te nemen. Hij gaf mij vervolgens een' grooten zak, en beval mij aan in
de bescherming van eenige lieden, die allen van dergelijke zakken
voorzien waren; hij verzocht hun, dat zij mij zouden medenemen om
kokosnoten in te zamelen. „Ga,” zeide hij nu tegen mij, „met deze
lieden; doe, gelijk gij hen zult zien doen, en draag zorg u niet van hen
te verwijderen, gij zoudt anders uw leven in gevaar brengen.” Hij gaf
mij ook levensmiddelen voor dien dag, en ik vertrok met die menschen.
Wij kwamen in een groot bosch van regt opgaande en hemelhooge boomen,
wier stammen zoo glad waren, dat er voor den besten klimmer geene
mogelijkheid bestond, zelfs de onderste takken, waaraan zich de vruchten
bevonden, te bereiken. Het waren allen kokosboomen, met wier noten wij
onze zakken wenschten te vullen. De apen, waarvan wij eene groote
menigte zagen, waren echter betere klimmers dan wij, want zoodra deze
dieren ons vernamen, vlugtten zij in de boomen, en klauterden met eene
verwonderlijke vlugheid tegen de gladde stammen op.
De lieden, die bij mij waren, namen steenen op en wierpen die uit
alle magt naar te toppen der boomen en naar de apen, die daar hunne
wijkplaats hadden genomen. Ik deed gelijk de anderen, en nu bemerkte ik,
dat de apen ons goede diensten bewezen, want in hunnen toorn gingen zij
met verbazende vlugheid aan het plukken, en wierpen ons de noten toe,
die wij nu maar hadden op te rapen en in onze zakken te doen. Nu en dan
wierpen wij weder met steenen om de apen aan het werk te houden, en door
deze list vulden wij spoedig onze zakken met vruchten, wat ons anders
onmogelijk zou zijn geweest. Toen een ieder onzer zijn' zak gevuld had,
keerden wij naar de stad terug, en de koopman, die mij naar het bosch
had gezonden, betaalde mij de waarde voor de kokosnoten, die ik had
medegebragt.
„Ga,” zeide hij, „elken dag naar het bosch tot dat gij genoeg verdiend
zult hebben, om de kosten voor de terugreis naar uw vaderland te kunnen
betalen.” Ik bedankte hem voor zijn' goeden raad, en verzamelde zoo vele
kokosnoten, dat ik eene aanzienlijke som kon opleggen. Ik wachtte nu
slechts op eene gunstige gelegenheid om naar mijn geboorteland terug te
keeren, en zoodra deze zich opdeed, liet ik mijne kokosnoten aan boord
brengen. Vervolgens nam ik afscheid van den koopman, aan wien ik zoo
veel verpligting had, en ging scheep.
Daar de wind gunstig was, gingen wij dadelijk onder zeil, en zetten
koers naar een eiland, waar de peper in grooten overvloed groeit. Van
daar gingen wij naar Comara, waar de beste aloé wordt gevonden. Bij de
bewoners dier eilanden is het eene wet, zich van wijn en van alle
uitspattingen te onthouden.
Hier verruilde ik mijne kokosnoten tegen peper en aloéhout. Ook ondernam
ik met andere kooplieden de parelvisscherij. Ik nam eenige duikers aan,
die eene menigte groote en zeer schoone parelen voor mij opvischten.
Verheugd over zulk eene rijke vangst, scheepte ik mij in op een schip,
dat regelregt naar Balsora zeilde, waar ik behouden aankwam. Van daar
vertrok ik onmiddelijk naar Bagdad, en verkocht er mijne peper, mijn
aloéhout en mijne parelen zeer duur. Het tiende deel van mijne winst
deelde ik uit aan aalmoezen en zocht mijne doorgestane vermoeijenissen
in een genoegelijk leven te vergeten.”
Bij het eindigen van deze woorden deed Sindbad weder honderd sequinen
aan Hindbad geven. Den volgenden dag kwamen de zelfde gasten nogmaals
bij den rijken Sindbad ter maaltijd, en na hen even als de vorige dagen
heerlijk onthaald te hebben, begon hij het verhaal van zijne zesde reis.