VIERDE REIS VAN SINDBAD DEN ZEEMAN.

„De genoegens, die ik na mijne derde reis in ruime mate mogt smaken,

hadden toch voor mij zoo veel bekoorlijks niet, dat daardoor mijne

lust, om verre landen te bezoeken en vreemde dingen te zien, kon worden

uitgebluscht. Ik stelde dus orde op mijne zaken, voorzag mij van een'

goeden voorraad van allerlei kostbare koopwaren, en vertrok. Ditmaal

voegde ik mij bij eene karavaan, die naar Perzië ging. Ik doorreisde

verscheidene provinciën van dat uitgestrekte rijk, totdat ik eene

zeehaven bereikte, waar ik mij inscheepte. Wij gingen onder zeil, en

reeds hadden wij verscheidene havens aan het vasteland en eenige

eilanden in de Indische zee bezocht, toen wij door een' orkaan werden

overvallen, zoodat de kapitein zich verpligt zag de zeilen te strijken,

en maatregelen te nemen om het gevaar af te wenden, waarmede wij

bedreigd werden. Al onze voorzorgen waren echter vruchteloos; de bevelen

van den kapitein werden niet goed of te langzaam uitgevoerd, de zeilen

vlogen los en aan stukken, het roer werd weggeslagen en het nu niet

meer te besturen schip stiet op een rif en berstte. Vele passagiers

verdronken, en de lading ging geheel verloren. Eenige der kooplieden

en matrozen,” vervolgde Sindbad, „en ik, wij hadden het geluk, ons aan

planken of andere drijvende overblijfselen van het uiteengeslagen schip

vast te klemmen, en wij werden door den vloed, die zeer sterk was, op de

kust geworpen van het eiland, dat voor ons lag. Wij vonden daar vruchten

en eene bron van zoet water, wat ons zeer te stade kwam om onze krachten

te herstellen. Wij bragten den nacht door op de plaats, waar de zee ons

had aangespoeld, zonder nog te hebben nagedacht over hetgeen ons verder

te doen stond. Onze verslagenheid over de ramp, die ons getroffen had,

was daartoe te groot.

Den volgenden dag echter, zoodra de zon opkwam, verwijderden wij ons

van het strand, en het eiland dieper ingaande, zagen wij spoedig eenige

woningen, waarheen wij nu haastig onze schreden rigtten. Bij onze komst

in het gehucht, dat uit een twintigtal hutten bestond, kwamen vele

zwarten naar ons toeloopen. Zij omringden ons, maakten zich van onze

goederen meester, en na die onder elkander verdeeld te hebben, bragten

zij ons naar hunne woningen.

Met vijf van mijne kameraden kwam ik in het zelfde huis. Men deed ons

nederzitten, diende ons een zeker kruid voor, en noodigde ons door

teekenen uit om daarvan te eten. Het geregt zag er niet onsmakelijk uit

en had een' aangenamen geur. Mijne makkers hierdoor verlokt, en alleen

hunne hongerige magen raadplegende, vielen dadelijk aan, zonder op te

merken, dat zij, die het ons voorzetten, er zelven niet van aten. Wat

mij aangaat, door een voorgevoel gedreven, dat er welligt achter deze

gastvrijheid der zwarten iets anders mogt schuilen, ik nam den schijn

aan van te eten, maar zette er den mond niet aan. Ik bevond er mij wel

bij, want weldra bleek het, dat mijne kameraden geheel buiten zinnen

waren, en niet meer wisten wat zij zeiden.

Vervolgens diende men ons rijst voor, toebereid met kokosolie, en mijne

van hun verstand beroofde makkers aten er duchtig van. Ik gebruikte

slechts zeer weinig, naauwelijks genoeg om mijn' honger te stillen.

En raadt nu eens, mijne heeren!” vervolgde Sindbad, „waarom die lieve

zwarten ons eerst dat kruid toedienden, en ons vervolgens op rijst

onthaalden? Het eigenbelang speelde hier de hoofdrol, de gastvrijheid

kwam niet in aanmerking; het waren menscheneters. Het bedwelmende kruid

moest dienen, om ons het bewustzijn te benemen van het lot, dat ons te

wachten stond (want te veel verdriet vermagert), en zij gaven ons rijst

om ons vet te maken. Met mijne makkers hadden zij hun doel bereikt: zij

hadden geen besef van hunnen toestand, aten zooveel zij maar konden en

werden dagelijks dikker en vetter. Wat mij betreft, ik werd, in plaats

van vet, nog magerder dan ik ooit geweest was.

De vrees voor zulk een' afgrijselijken dood, waardoor ik onophoudelijk

gekweld werd, benam mij niet alleen den eetlust, maar deed de weinige

spijzen, die ik gebruikte, in vergift veranderen. Ik kwijnde weg, en

tot mijn geluk; want toen de zwarten mijne makkers geslagt en opgegeten

hadden, lieten zij het daarbij niet blijven. Omdat zij zagen, dat ik

mager, ontvleescht en ziek was, verschoven zij mijn' dood.

Intusschen genoot ik veel vrijheid, en men sloeg zoo weinig acht op

mijne handelingen, dat dit mij in de gelegenheid stelde de woonplaats

van mijne zwarte vrienden te verlaten. Een grijsaard, die mij zag gaan,

en mijn voornemen giste, schreeuwde mij luidkeels na, dat ik terug moest

komen. Maar wie zoo gek was, Sindbad de zeeman niet! Ik liep er slechts

te sneller om, en was weldra buiten zijn gezigt. Die grijsaard was op

dat tijdstip mijn eenige gevangenbewaarder, want al de anderen waren van

huis en werden eerst tegen den avond terug verwacht: iets dat meermalen

plaats had. Zij zouden dus bij hunne terugkomst het vogeltje gevlogen en

de kooi ledig vinden, zonder veel kans te hebben mij te achterhalen;

en daarop had ik gerekend. Men moet echter zijn' vijand niet te ligt

achten; die zwarten kunnen loopen als windhonden en hebben een' scherpen

reuk. Ik gebruikte dan de meest mogelijke voorzorg om uit hunne handen

te blijven, want hiervan was ik zeker, vet of mager, zij zouden mij

thans niet meer sparen. Ik liep den geheelen dag door; eerst des avonds

gunde ik mij een weinig rust, en versterkte mij door eenige spijs te

nemen van den kleinen voorraad, dien ik bij mijne vlugt had medegenomen.

Gelukkig scheen de maan en flikkerden de sterren helder aan den blaauwen

hemel, zoodat ik ook 's nachts kon voortgaan. Zoo liep ik zeven dagen

lang, vermeed alle bewoonde plaatsen, en leefde, toen de voorraad

verteerd was, van kokosnoten, wier kern mij tot spijs en wier melk mij

tot drank verstrekte. Op den achtsten dag bereikte ik het strand;

eensklaps bevond ik mij nu onder blanken, die peper plukten, welke op

dat eiland in menigte groeit. Zoodra die lieden mij zagen, kwamen zij

naar mij toe. Zij vraagden mij in het Arabisch wie ik was en van waar

ik kwam. Verblijd dat ik mijne moedertaal hoorde spreken, voldeed

ik bereidwillig aan hunne nieuwsgierigheid en verhaalde hun, hoe ik

schipbreuk geleden had en op dat eiland was gekomen, waar wij in handen

van wilden waren gevallen. „Maar die zwarten,” zeiden zij, „zijn

menscheneters. Door welk wonder zijt gij aan hunne wreedheid ontkomen?”

Ik deelde hun mede, wat u reeds bekend is, en zij waren ten hoogste

verwonderd, dat ik, na het doorstaan van zoo vele gevaren en

vermoeijenissen, nog in leven was.

Ik bleef bij hen totdat zij eene genoegzame hoeveelheid peper hadden

ingezameld, waarna ik mij met hen inscheepte op het vaartuig, dat hen

hier had gebragt, en waarmede zij nu naar het eiland terugkeerden. Zij

stelden mij voor aan hun' koning, die een zeer menschlievend vorst was.

Hij luisterde geduldig naar het verhaal van mijne rampen, en beklaagde

mij. Hij deed mij kleederen geven, en beval, dat men mij in alles

verzorgen zou.

Zijn eiland was sterk bevolkt en rijk aan allerlei voortbrengselen,

waarmede de inwoners een' grooten handel dreven. Dit aangename oord en

de goedheid van den edelmoedigen vorst troostten mij eenigzins over mijn

ongeluk. Daar ik bij den koning in gunst stond, beijverde bijna een

ieder zich om mij genoegen te doen, en beschouwde men mij niet langer

als vreemdeling, maar als inboorling van het eiland.

Ik merkte inmiddels iets op, dat mij zeer vreemd voorkwam. Als de koning

of een zijner onderdanen te paard reed, gebruikte hij noch zadel, noch

toom of stijgbeugels. Dit deed mij de vrijheid nemen zijne majesteit

te vragen, waarom men zich bij het paardrijden niet van deze gemakken

bediende. Hij antwoordde mij, dat ik hem daar over dingen sprak waarvan

het gebruik, ja zelfs de naam, in zijn rijk onbekend was.

Dadelijk ging ik nu naar een' bekwamen werkman, en liet hem van hout

een' zadel maken, naar het model, dat ik hem gaf. Deze gereed zijnde

omkleedde ik hem met leder, vulde dit op met haar en versierde hem met

gouden passementwerk. Daarop vervoegde ik mij bij een' slotenmaker, die

mij, volgens mijne opgave, een gebit en stijgbeugels maakte.

Toen alles gereed was, bood ik den koning mijn werk aan, en legde den

zadel op het paard, dat hij had laten voorbrengen, om een' rid te maken.

De vorst steeg, terwijl ik den stijgbeugel vasthield, volgens mijne

aanwijzing op, en zette zich in den zadel. Hij was over mijne uitvinding

zeer voldaan, en deed mij dit door een rijk geschenk blijken. Ik moest

nu ook voor zijne staatsdienaren, en de voornaamste officieren van zijn

hof zadels maken, waarvoor zij mij geschenken gaven, die mij in korten

tijd tot een rijk man maakten. Ook de aanzienlijkste inwoners der

stad, kwamen er mij om vragen, en behalve ruime betaling, verwierf ik

bovendien eene groote vermaardheid en genoot ik de algemeene achting.

Ik bleef inmiddels den koning getrouw bezoeken. Eens zeide hij tot mij:

„Sindbad! ik heb u lief, en ik weet, dat gij bij al mijne onderdanen

bemind zijt. Ik heb eene bede en ik wilde gaarne, dat gij mij die

toestondt.” „Sire,” antwoordde ik, „ik ben bereid alles te doen om uwe

majesteit mijne gehoorzaamheid te bewijzen; haar minste wensch zal voor

mij steeds een bevel zijn.” „Ik wil u uithuwelijken,” hernam de koning,

„opdat gij, door dien echt aan dit land verbonden, moogt vergeten ooit

een ander vaderland gehad te hebben.” Daar ik mij tegen den bepaalden

wil van den vorst niet durfde verzetten, kreeg ik eene zijner hofdames

van voorname geboorte, schoon, deugdzaam en rijk, tot echtgenoot. Na de

voltrekking van ons huwelijk nam ik mijn' intrek bij mijne vrouw, met

welke ik eenigen tijd in volkomen eendragt, leefde. Evenwel was ik met

mijn' toestand niet erg tevreden, ik kon mijn' geboortegrond, ik kon

Bagdad niet vergeten, een onweêrstaanbaar verlangen naar mijn vaderland

en mijne achtergelaten betrekkingen en vrienden liet mij dag noch nacht

rust, en ik besloot, zoodra zich de gelegenheid aanbood, in stilte te

vertrekken.

Met dit denkbeeld was ik bezield, toen de vrouw van een' mijner beste

vrienden ziek werd en stierf. Toen ik mijn' vriend een woord van troost

wilde toespreken, vond ik hem radeloos bedroefd. „Allah zij u genadig!”

sprak ik binnentredende, „en Hij schenke u troost en een lang leven!”

„Helaas!” antwoordde hij, „wat wenscht gij mij toe? Ik leef geen uur

meer.” „Kom!” hernam ik, „haal u zulk eene treurige gedachte niet voor

den geest; men sterft zelden van verdriet, en de tijd zal ook uwe

wonde wel weêr heelen. Vergeet niet, dat gij een' vriend hebt, die in

uw ongeluk deelneemt, en nog jaren zich in uwe vriendschap hoopt te

verblijden.” „Ik wensch u een lang leven,” hernam hij, „doch wat mij

betreft, het is met mij op deze wereld gedaan, want nog heden zal

men mij met mijne vrouw begraven. Dit gebruik, door onze voorouders

ingesteld, is steeds ongeschonden bewaard gebleven. De levende man wordt

met zijne doode vrouw, de levende vrouw met haren dooden man begraven.

Niets kan mij redden; wij zijn allen aan deze wet onderworpen.”

Terwijl mijn vriend mij met deze barbaarsche gewoonte bekend maakte, en

dit nieuws mij eene rilling aanjoeg, kwamen de bloedverwanten, vrienden

en buren om de begrafenis bij te wonen. Het lijk der vrouw werd, als

ging zij ter bruiloft, met hare kostbaarste kleederen omhuld, en men

versierde het met alles, wat zij ooit bij haar leven aan goud, zilver,

paarlen en diamanten had gedragen. Toen werd het lijk in eene doodkist

zonder deksel, als op een praalbed, gelegd, en de stoet stelde zich in

beweging. De man ging achter de lijkbaar, aan het hoofd der lijkstatie.

Men sloeg den weg in naar een' hoogen berg. Daar aangekomen, werd eene

zware zerk afgewenteld, die op de opening van een' diepen put lag.

Hierin liet men nu de kist neder met het lijk, zonder dit van zijn' tooi

te ontdoen. De man omhelsde zijne bloedverwanten en vrienden, en liet

zich zonder tegenstand te bieden in eene doodkist leggen, met eene kruik

water en zeven kleine brooden bij zich. Men liet hem op dezelfde wijze

neder als zijne doode vrouw. Daarna werd den steen weder op den put

gelegd en de begrafenis was afgeloopen. Ik was bij dit alles zeer

treurig gestemd, en mogten ook de anderen weinig aandoening verraden,

omdat hun gevoel door de kracht der gewoonte verstompt was, mij werd het

benaauwd om het hart. Bij mijne terugkomst sprak ik met den koning over

dit gebruik. „Sire,” zeide ik, „ik kan mij niet genoeg verwonderen over

de vreemde gewoonte, die in uw rijk plaats heeft, om de levenden met de

dooden te begraven. Ik heb veel gereisd, vele volkeren bezocht, doch

nooit heb ik van eene zoo wreede wet hooren gewagen.” „Wat zoudt gij dan

willen, Sindbad!” antwoordde de koning, „het is eene algemeene wet,

waaraan ook ik, zoo wel als ieder mijner onderdanen, onderworpen ben.

Indien de koningin vóór mij komt te sterven, zal ik levend met haar

worden begraven.” „Maar, Sire,” hervatte ik, „veroorloof mij aan uwe

majesteit te vragen, of ook de vreemdelingen hieraan onderworpen zijn.”

„Wel zeker,” hernam de koning met een' spotachtigen lach (want hij

raadde mijne bedoeling), „zij zijn daarvan niet vrijgesteld, zoodra zij

hier een huwelijk hebben aangegaan.” Met dit antwoord keerde ik, alles

behalve opgeruimd, naar mijne woning terug. De vrees, dat mijne vrouw

eerst mogt sterven, en dat men mij dan levend met haar zou begraven,

maakte mij zeer treurig. Maar wat was er aan te doen? Ik moest geduld

hebben en afwachten wat Allah over mij besloten had. Evenwel was

er, sedert ik met die barbaarsche wet bekend werd, geen bezorgder

echtgenoot, dan Sindbad de zeeman. Als mijne vrouw maar eene verkoudheid

had gevat, als ik haar maar hoorde kugchen, werd het mij reeds bang om

het hart, en hadde ik vleugelen gehad, de koning zelfs, al hadde hij mij

tot zijn' eersten staatsdienaar willen maken, zou mij geen uur langer op

zijn eiland hebben gezien. Zonder een' traan te storten of een' zucht

te laten, zou ik van mijne lieve vrouw zijn weggevlogen. Ik had mij

voorgenomen te ontvlugten, maar de dood voorkwam zulks. Hij was vlugger

dan ik; mijne vrouw werd ziek, en was binnen weinige dagen een lijk.

Levend begraven te worden, leek mij niet minder vreeselijk toe, dan

het lot mijner makkers bij de menscheneters. Ik moest mij evenwel

onderwerpen. De koning, van zijn geheele hof vergezeld, wilde mijne

uitvaart met zijne hooge tegenwoordigheid vereeren; en al de

aanzienlijke ingezetenen der stad woonden mijne begrafenis bij.

Toen alles tot de plegtigheid gereed was, legde men het lijk van mijne

vrouw, getooid met al hare juweelen en met hare kostbaarste kleederen,

in de kist. De optogt nam een' aanvang. Ik, als de tweede hoofdpersoon

in dit treurspel, was de eerste achter de lijkbaar. Ik stortte vele

tranen en beklaagde mijn ongelukkig lot. Vóór wij den berg bereikt

hadden, wilde ik nog eene poging aanwenden om het gemoed der

toeschouwers te treffen. In de eerste plaats rigtte ik mij tot den

koning, en vervolgens tot allen, die mij omgaven, en met het hoofd ter

aarde gebogen, den zoom hunner kleederen kussende, smeekte ik hun,

medelijden met mij te hebben. „Neemt toch in aanmerking,” zeide ik, „dat

ik een vreemdeling ben, die aan deze gestrenge wet niet onderworpen

behoort te zijn, en dat ik in mijn vaderland eene andere vrouw en

kinderen heb.” Ik mogt deze woorden op een' smeekenden toon uitspreken,

niemand werd er door getroffen, integendeel, men haastte zich het lijk

van mijne vrouw in den put neder te laten, en een oogenblik daarna liet

men ook mij af in eene opene doodkist, met eene kruik water en zeven

brooden. Naauwelijks had de kist den grond bereikt, of men trok de

touwen op, en sloot de opening van den put, door er den steen weder op

te leggen, zonder dat men zich aan mijne wanhopige kreten stoorde.

In het afdalen kon ik, bij het weinige licht, dat van boven door de

opening viel, mij eenig begrip maken van de plaats, die mij tot een

levend graf moest verstrekken. Het was eene grot van grooten omvang in

eene rots van wel vijftig ellebogen hoogte. De onverdragelijke reuk der

half verteerde lijken, die ik regts en links van mij op den grond zag

liggen, deed mij walgen, en ik meende nog de laatste zucht te hooren van

sommigen, die kort geleden levend in dit hol waren neêrgelaten. Zoodra

ik beneden was, verliet ik de kist, en de neus digt houdende verwijderde

ik mij van deze plaats zoo ver mogelijk, niet zonder nu en dan over een

lijk of over eene geraamte te struikelen. Ik wierp mij wanhopig op den

killen grond, ik schreide en zuchtte, en duizenden gedachten dwarrelden

mij door het hoofd. Daarna meer geregeld over mijn rampzalig lot

nadenkende, zeide ik tot mij zelven: „Het is waar, dat Allah over ons

beschikt volgens de besluiten zijner Voorzienigheid; maar, arme Sindbad,

hebt gij het niet aan u zelven te wijten, dat gij zulk een' ellendigen

dood moet sterven? Ach, mogt het Gode behaagd hebben, dat gij bij de

vele schipbreuken, waaraan gij ontkomen zijt, uw graf in de golven

haddet gevonden! Gij zoudt dan niet gedoemd zijn tot zulk een' langzamen

en in alle opzigten verschrikkelijken dood. Maar gij zelf hebt u dien op

den hals gehaald door uwe verwenschte hebzucht. Ach! ongelukkige waarom

zijt gij niet gebleven in uw land, waar gij het goed hadt, en waar gij

in rust de vruchten van uwen arbeid hadt kunnen genieten!”

Van deze nuttelooze klagten deed ik de grot weêrgalmen, gaf mij aan

de wanhopigste gedachten over, en sloeg mij, als een razende, met de

vuisten voor het hoofd en op de borst. Evenwel, hoe rampzalig ik mij ook

gevoelde, de liefde tot het leven deed hare stem in mij hooren; ik was

er dus op bedacht dat zoo lang mogelijk te rekken. Ik sloop, den neus

digt houdende, en als een blinde rondtastende naar de plaats waar mijne

kist stond, om mijn brood en water te halen. Hoe groot ook de duisternis

was, die in de grot heerschte, zoo zelfs dat men den dag niet van den

nacht kon onderscheiden, vond ik echter mijne kist terug; en het scheen

mij nu toe, dat de grot nog veel grooter was, en meer lijken bevatte,

dan ik aanvankelijk dacht. Ik leefde eenige dagen van mijn' brood en

water maar eindelijk niet meer over hebbende, bereidde ik mij voor om te

sterven.

Ik verwachtte ook niet anders dan den dood, want reeds werd ik op eene

vreeselijke wijze door den honger en door den dorst gekweld, toen ik den

steen van den put hoorde afnemen. Men liet een doode en eene levende af.

De doode was een man. Het is niet onnatuurlijk, dat men op uiterste

redmiddelen bedacht is, als men in zulk een' toestand verkeert als de

mijne. Terwijl men de vrouw liet zakken, naderde ik de plek, waar de

kist moest nederkomen, en zoodra ik bemerkte dat men den steen weder op

den put legde, bragt ik de ongelukkige twee of drie zware slagen op het

hoofd toe met een groot doodsbeen, dat ik had opgeraapt. Zij bleef

ogenblikkelijk dood. Ik nam vervolgens de kruik met water en het brood

uit hare kist, en kon mij nu daarmede weder eenige dagen voeden. Na

verloop daarvan liet men weder een lijk af, ditmaal eene vrouw; de

levende man volgde, die ik op gelijke wijze doodde. Tot mijn geluk

heerschte er toen in de stad eene buitengewone sterfte. Ik nam steeds

tot het zelfde middel mijne toevlugt, en had bij gevolg geen gebrek aan

levensmiddelen. Eens, toen ik weder eene vrouw gedood had, hoorde ik in

mijne nabijheid blazen en loopen. Ik ging naar den kant van waar het

gerucht kwam, dat bij mijne nadering verdubbelde. Het kwam mij voor,

als of ik iets zag vlugten. Ik volgde deze soort van schim, die nu en

dan stil stond, doch als ik naderde, al blazende verder liep. Na lang

geloopen te hebben, schemerde mij een licht als eene ster in de oogen.

Op dat licht ging ik nu af; meermalen verloor ik het uit het oog, doch

telkens zag ik het terug. Eindelijk naderde ik eene opening in de rots,

ruim genoeg om mij een uitgang te verschaffen.

Bij deze ontdekking was ik zoo aangedaan, dat ik eenige oogenblikken

roerloos bleef staan. Daarop liep ik snel naar de rotsspleet, wrong er

mij door, en bevond mij in de vrije lucht aan het strand der zee. Mijne

vreugde was zoo groot, dat ik bijna mijne oogen niet geloofde, en meende

dat het slechts een droom was. Eindelijk kwam ik tot de overtuiging

dat het geen spel mijner verbeelding, maar werkelijkheid was, en dat

ik waarschijnlijk mijne vrijheid te danken had aan het een of ander

zeedier, dat door de rotsspleet in de grot kwam, om zich aan de lijken

te vergasten. Ik onderzocht nu den berg, en bevond dat deze gelegen was

tusschen de zee en de stad. Het strand was aan de landzijde geheel door

steile rotswanden afgesloten, en lag alleen open aan den zeekant. Ik

wierp mij met het gelaat ter aarde, om Allah te danken voor de genade,

die hij mij had bewezen. Na dit dankgebed keerde ik naar de grot terug

om van daar brood te halen, waarmede ik in de vrije lucht mijn' maaltijd

deed, met een' eetlust, zoo als ik dien sedert mijne begrafenis in dit

doodshol niet gekend had.

Ik ging vervolgens nogmaals in de grot, en nam uit de doodkisten al de

juweelen, al het goud en al de kostbare kleederen, die ik in handen

kreeg. Ik bragt dit alles aan het strand, maakte er balen van, en

bediende mij daartoe van de touwen, die bij het aflaten der doodkisten

gebruikt werden, en dus in groote menigte voorhanden waren. Ik liet

mijne goederen aan het strand, tot dat zich, gelijk ik hoopte, een schip

zou vertoonen en mij aan boord nemen; want ik behoefde niet bang te

zijn, dat mijne waren door den regen bederven zouden, daar het den tijd

van den droogen mousson was.

Na verloop van twee of drie dagen zag ik werkelijk een schip, dat zoo

even de haven had verlaten en het strand, waar ik mij bevond, op niet

grooten afstand voorbij zeilde. Ik maakte het linnen van mijnen tulband

los, waaide daarmede, en schreeuwde uit alle magt om mij te doen hooren.

Men had mij spoedig opgemerkt, en de sloep werd uitgezet om mij af te

halen. Op de vraag der matrozen door welk ongeluk ik mij op die eenzame

plaats bevond, gaf ik ten antwoord, dat ik voor vier dagen op deze kust

schipbreuk had geleden, en dat ik met mijne goederen, die aangespoeld

waren, hier moest blijven, omdat ik niet over de steile rotsen kon

komen. Gelukkig voor mij, stelden deze eenvoudige lieden zich hiermede

tevreden, en namen mij, zonder eenig onderzoek te doen, met mijne balen

in hunne sloep op.

De kapitein, die het druk had met zijne bevelen uit te deelen, nam mij

aan boord, zonder mij met vragen lastig te vallen, die mij in groote

verlegenheid hadden kunnen brengen. Hij betuigde mij alleen zijne

blijdschap, dat hij aan een' schipbreukeling eene dienst had kunnen

bewijzen, en hij was onbaatzuchtig genoeg, om de juweelen, welke ik hem

voor mijne reiskosten aanbood, niet aan te nemen.

Wij zeilden voorbij verscheidene eilanden en ankerden onder anderen bij

het Klokken-eiland, gelegen omstreeks tien dagreizen van Serendib en zes

dagreizen van het eiland Kela. Op dit eiland vindt men loodmijnen en

uitmuntende kamfer.

De koning van het eiland Kela is zeer rijk en magtig; hij is tevens

gebieder van het geheele Klokken-eiland, dat eene uitgestrektheid, heeft

van twee dagreizen, en welker bewoners nog zoo barbaarsch zijn, dat zij

menschenvleesch eten. Wij dreven daar echter een' aanzienlijken handel,

gingen toen weder onder zeil en deden nog verscheidene andere havens

aan. Eindelijk kwam ik behouden te Bagdad in het bezit van onschatbare

rijkdommen, te veel om hier op te sommen. Ten einde Allah mijn' dank te

betuigen, dat hij mij uit zoo vele doodsgevaren gered, en behouden in

mijn vaderland en bij mijne betrekkingen had terug gebragt, deelde ik

groote giften uit, zooveel aan de moskeeën als aan de armen. Ik wijdde

mij nu geheel en al aan mijne bloedverwanten en vrienden, vermaakte mij

met hen en maakte goede sier.”

Met deze woorden besloot Sindbad het verhaal van zijne vierde reis,

dat de verbazing van zijne hoorders in nog hoogere mate opwekte, dan

dat zijner drie voorgaande reizen. Hij deed aan Hindbad op nieuw een

geschenk van honderd sequinen uitreiken, en noodigde hem uit den

volgenden dag terug te komen om bij hem te eten, en het verhaal van

zijne vijfde reis aan te hooren. Toen het gezelschap den dag daaraan

zich weder ten zijnen huize bevond en de maaltijd was afgeloopen, ving

Sindbad aldus aan:

Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Tweede deel · 第 12 / 22 题