DERDE REIS VAN SINDBAD DEN ZEEMAN.

„Bij het rustige en genoegelijke leven, dat ik na mijne terugkomst te

Bagdad leidde, had ik de vreeselijke gevaren en de ongemakken, welke ik

op mijne beide vorige reizen had doorgestaan, weldra vergeten. Ik was in

de kracht mijns levens; het verveelde mij niets om handen te hebben, en

zonder veel te denken aan de nieuwe gevaren, welke ik ging trotseren,

vertrok ik uit Bagdad met de kostbaarste koopwaren van het land, die

ik naar Balsora liet vervoeren. Daar scheepte ik mij met eenige andere

kooplieden in. Wij deden eene lange reis, en legden in verscheidene

havens aan, alwaar wij een' belangrijken handel dreven.

Op zekeren dag in volle zee zijnde, werden wij door een'

verschrikkelijken storm overvallen, waardoor wij uit den koers

geraakten. De storm hield vele dagen aan en dreef ons naar de haven

van een eiland, dat onze kapitein gaarne zou hebben vermeden, maar het

schip was zoo ontredderd, dat wij wel gedwongen waren het anker te laten

vallen. Toen men de zeilen had geborgen, kwam de kapitein naar ons toe,

en zeide: „Mijne heeren, tot mijn leedwezen moet ik u zeggen, dat dit

eiland en eenige andere in de nabijheid bewoond worden door eene soort

van ruigharige wilden, die niet zullen nalaten ons aan te vallen.

Hoewel het slechts dwergen zijn, is er toch, helaas! voor ons aan geen'

wederstand te denken, want dit volk is nog talrijker dan de sprinkhanen;

en indien het mogt gebeuren, dat wij een van hen dooden, zoo kunt gij

zeker zijn, dat zij allen te zamen ons aanvallen en vermoorden zullen.”

Deze woorden van den kapitein bragten eene groote ontsteltenis te weeg

onder al de schepelingen, en wij ondervonden welhaast dat, hetgeen hij

ons gezegd had, maar al te waar was. Wij zagen weldra eene ontelbare

menigte afzigtelijke wilden van alle kanten te voorschijn komen. Hunne

lengte ging de twee voet niet te boven; hun ligchaam was geheel met

rosachtig en stoppelig haar begroeid, en in plaats van een' neus hadden

zij eene soort van snavel, waarboven een paar groene diep in het hoofd

liggende oogen glinsterden, zoodat hun gelaat veel geleek op dat van den

katuil.

Zij gingen bij menigte te water en zwommen naar ons schip, dat zij

weldra omringden. Zij riepen ons toe, maar het was ons niet mogelijk een

enkel woord te verstaan; want hunne spraak had meer van het gesnater

van een troep ganzen, dan van eene menschelijke stem. Zij wachtten

echter niet, tot wij hun verlof gaven om aan boord te komen, maar zij

klauterden als katten en apen tegen de touwen en planken van het schip

op, zoodat het scheen, alsof zij geene plaats noodig hadden om de voeten

te zetten, en dit alles met eene vlugheid, die ons versteld deed staan.

Weldra wemelde het dek van dit kleine gespuis, en zij waren er volkomen

meester, zonder dat wij den moed hadden er ons tegen te verzetten. Zij

ontplooiden de zeilen, en zonder zich moeite te geven om het anker op te

winden, kapten zij het ankertouw. Na eene korte vaart zetten zij het

schip aan land, en dwongen ons door teekenen en door bedreigingen om aan

wal te gaan. Nu alleen meester van het schip, vertrokken zij daarmede

naar een ander eiland.

Het eiland, waar zij ons achterlieten, was zeer gevaarlijk, ja doodelijk

voor allen, die het ongeluk hadden, door schipbreuk op die kust te

worden geworpen, gelijk gij weldra zult hooren.

Wij verlieten het strand, en het eiland dieper indringende, vonden wij

eenige vruchten en kruiden, waarmede wij een sober maal deden, om ons

leven zoo lang mogelijk te rekken, want wij allen wachtten niet anders

dan een' zekeren dood. Verder voortgaande, zagen wij in de verte een

groot gebouw, waarheen wij onze schreden rigtten. Het was een paleis,

dat er vrij goed uitzag, en dat voorzien was van eene zeer hooge poort

met vleugeldeuren van ebbenhout. Daar deze niet gesloten waren, was de

toegang voor ons vrij. Wij waagden het naar binnen te gaan, kwamen eerst

in een zeer ruim voorhof en vervolgens in een groot vertrek. Wij zagen

hier weinig huisraad, doch in plaats daarvan lag aan de eene zijde een

hoop doodsbeenderen, en aan den anderen kant in de nabijheid van den

schoorsteen hing tegen den muur een rek met braadspeten. Op dit gezigt

voer ons eene koude rilling door de leden, doch wij waren zoo afgemat

van het gaan, dat de beenen ons onder het lijf knikten, en door een'

doodelijken schrik getroffen, vielen wij als bedwelmd op den grond. Zoo

bleven wij een' geruimen tijd bewegingloos liggen. De zon ging onder,

toen wij van onze bedwelming bijkwamen, maar op het zelfde oogenblik

werd de deur van het vertrek, waarin wij ons bevonden, met groot

gedruisch open gestooten, en hetgeen wij nu zagen was niet geschikt om

ons gerust te stellen. Vóór ons stond een zwarte reus van een vreeselijk

voorkomen en zoo lang als een palmboom. Hij had slechts één oog, dat in

het midden van zijn breed voorhoofd stond, en als eene kool vuurs scheen

te branden; zijne voortanden, die zeer lang en puntig waren, staken

hem, even als de slagtanden van een wild zwijn, buiten den mond, die

veel geleek op den muil van het zeepaard. Zijn onderlip hing hem tot

de borst. Zijne ooren waren die van een' olifant en bedekten zijne

schouders. De nagels zijner vingers waren lang en puntig, gelijk de

klaauwen van een' roofvogel. Op het gezigt van dezen verschrikkelijken

reus, vielen wij op nieuw in zwijm en bleven voor dood liggen.

Toen wij weder bijkwamen, zagen wij den reus bij den schoorsteen zitten,

waaronder hij een groot vuur had aangelegd. Zijn oog was alleen op ons

gerigt. Nadat hij ons naauwkeurig bezigtigd had, stond hij op, en nader

tredende strekte hij de hand naar mij uit, greep mij in den nek, ligtte

mij van den grond en bekeek en betastte mij aan alle kanten, even als

een slagter een vet schaap doet. Daar ik echter zeer mager was, en hij

niets dan vel en been aan mij vond, liet hij mij weder los, en nu kwam

een ander aan de beurt; die het zelfde onderzoek moest ondergaan. De

kapitein werd het laatst gegrepen, maar tot zijn ongeluk was hij van ons

allen de vetste. De reus scheen goed verstand van vet menschenvleesch te

hebben, want zonder zich lang te bedenken, nam hij een' braadspit van

het rek en reeg hem daaraan. Wij slaakten een' kreet van ontzetting,

weinig minder pijnlijk dan het gegil van onzen armen kapitein, want was

het heden zijn lot aan het spit te worden gebraden, morgen zou de beurt

aan een ander van ons komen, tot dat ook de laatste zijn graf in den

maag van den reus zou hebben gevonden. Dat was ons vooruitzigt.

Gij kunt u dus voorstellen, mijne heeren!” vervolgde Sindbad, „hoe wij

te moede waren, toen de reus zijn menschengebraad toebereidde en er

zijn avondmaal van deed; het kille doodzweet brak ons uit. Toen hij het

laatste beentje schoon afgekloven had, grabbelde de reus de overgebleven

beenderen van onzen gewezen kapitein bijeen, en wierp ze bij den hoop,

waarvan ik reeds melding heb gemaakt. Alleen het bekkeneel zonderde hij

af, en plaatste het op den schoorsteenmantel, waarmede, zoo als ik tot

mijne ontzetting tellen kon, het derde dozijn juist voltallig werd.

Waarschijnlijk waren deze bekkeneelen bestemd tot drinkschalen, als hij

met zijne reuzenvrienden een feestmaal hield. Na zijn' afschuwelijken

maaltijd verliet de reus het vertrek, begaf zich naar het voorhof en

legde zich voor de poort neder, zoodat, al hadden wij daartoe lust

gevoeld, wij het paleis niet zouden hebben kunnen verlaten zonder over

zijn ligchaam te gaan. Kort daarop hoorden wij hem ronken, en wel zoo

hard, dat wij in den aanvang dachten, dat het begon te donderen. Het

was ons niet mogelijk een oog te sluiten; wij bragten den nacht in de

vreeselijkste ongerustheid door. Met het aanbreken van den dag ontwaakte

de reus; wij hoorden hem hoesten en rogchelen, en wij dachten niet

anders of hij zou komen, om een' van ons tot zijn ontbijt uit te kiezen.

Ditmaal echter kwamen wij met den angst vrij, want kort daarop ging hij

uit en liet ons alleen in het paleis achter.

Zoodra wij konden denken, dat hij ver genoeg verwijderd was, om ons niet

te kunnen hooren, verbraken wij het stilzwijgen, dat wij den geheelen

nacht bewaard hadden. Wij klaagden elkander onzen nood en deden het

paleis van onze weeklagten weêrgalmen. Hoewel wij sterk genoeg in getal

waren en slechts met een' enkelen vijand te doen hadden, kwam het ons

niet in de gedachten ons van hem te ontslaan. En toch, al mogt dit ook

eene gevaarlijke onderneming zijn, het was het eenige natuurlijke

redmiddel, dat ons overbleef te beproeven.

Maar wij waren te neêrslagtig om een kloek besluit te nemen, en al onze

beraadslagingen liepen op niets uit. Daar de reus het niet noodig achtte

ons op te sluiten, ja zelfs de poort had opengelaten, haastten wij ons

echter dit doodelijke verblijf zoo spoedig mogelijk te verlaten. Wij

bragten den dag door met op het eiland rond te loopen en stilden,

even als den voorgaanden dag, onzen honger en dorst met de vruchten

en kruiden die wij vonden. Te vergeefs echter zochten wij naar een

onderkomen; berghol noch grot boden ons eene schuilplaats aan tegen de

slangen, leeuwen, tijgers en andere bloeddorstige dieren, wier sporen

wij ontdekt hadden. Wilden wij dus niet allen eene prooi worden van

deze verscheurende dieren, die, zoodra het donker begon te worden, een

vreeselijk gehuil aanhieven, zoo bleef ons niets anders over dan naar

het paleis van den reus terug te keeren. En het schijnt dat hij hierop

had gerekend, toen hij ons de vrijheid liet om te gaan, waar wij wilden.

De reus bleef niet in gebreke om terug te komen en met een' van ons

zijn avondmaal te doen, waarna hij zich te slapen legde en snurkte tot

de dag aanbrak. Weder ging hij toen uit en liet ons achter, gelijk daags

te voren. Onze toestand was zoo verschrikkelijk, dat sommigen onzer het

wanhopige voorstel deden om in zee te springen, daar zij een' spoedigen

en zachten dood verkieselijker achtten, dan den een na den ander aan

den reus tot spijs te verstrekken, na alvorens aan een spit gestoken

en gebraden te zijn. Doch een van ons nam nu het woord op. „Het is ons

verboden,” zeide hij, „de hand aan ons eigen leven te slaan; maar al

hadden wij daartoe vrijheid, is het dan nog niet verstandiger, dat wij

bedacht zijn op een middel, om ons te ontslaan van dezen barbaar, die

ons voor zulk een vreeselijk lot heeft bestemd?”

Na eenig nadenken kwam mij een middel voor den geest, dat, mijns

inziens, uitvoerbaar was. Ik maakte er mijne lotgenooten mede bekend, en

allen hechtten er hunne goedkeuring aan. „Broeders!” zeide ik vervolgens

tot hen, „gij zult gezien hebben, dat er aan het strand veel hout ligt,

dat de zee heeft aangespoeld. Wilt gij nu mijn' raad volgen, zoo laat

ons eenige vlotten maken, voldoende in getal om ons allen te kunnen

dragen, ten einde daarvan gebruik te maken, zoodra wij zulks dienstig

zullen achten. Inmiddels kunnen wij het plan, dat ik heb voorgesteld om

ons van den reus te ontslaan, beproeven; slaagt dit, zoo zullen wij met

geduld kunnen afwachten tot een of ander voorbij zeilend schip ons van

dit noodlottige eiland afhaalt; mist integendeel onze aanslag, zoo

kunnen wij ons naar onze vlotten begeven en daarmede in zee steken. Ik

kan niet ontkennen dat wij, door ons met deze zwakke vaartuigen aan de

golven prijs te geven, ons leven in groot gevaar zullen brengen, maar

indien wij toch den dood niet ontgaan kunnen, is het dan niet altoos

verkieselijker, dat wij ons graf in de diepte der zee vinden, dan in

de ingewanden van dit monster, dat reeds twee van onze makkers heeft

verslonden?” Mijn voorstel droeg de algemeene goedkeuring weg, en wij

maakten nog dien eigen dag onderscheidene vlotten, die ieder drie

personen konden dragen.

Met den avond keerden wij naar het paleis terug, en kort na ons

verscheen de reus. Wij moesten nogmaals een van onze kameraden zien

braden. Maar hoor nu op welke wijze wij wraak namen over de wreedheid

van den reus. Na zijn verfoeijelijk maal legde hij zich op den rug en

sliep in. Zoodra wij hem, volgens zijne gewoonte, hoorden snurken, namen

ik en nog negen van de stoutmoedigsten onder ons, elk een braadspit.

Wij legden onze speten met de punt in het vuur, en toen deze gloeijend

waren, staken wij die allen te gelijk in het oog van den reus en rukten

het hem uit.

De smart deed den reus met een' vreeselijken kreet ontwaken. Hij sprong

eensklaps overeind, en de armen uitbreidende, tastte hij naar alle

kanten rond om een van ons te vatten en aan zijne woede op te offeren;

maar wij hadden den tijd ons buiten zijn bereik te begeven, en wij

gingen op den grond liggen, ter plaatse waar wij geen gevaar liepen

onder zijne voeten vertrapt te worden. Na ons te vergeefs gezocht te

hebben, vond hij, met zijne handen langs den muur tastende, ten laatste

de poort en verwijderde zich onder een verschrikkelijk gebrul.

Ook wij verlieten het paleis en begaven ons naar het strand, ter plaatse

waar wij onze vlotten hadden. Wij bragten die terstond te water om

dadelijk in zee te kunnen steken, als de reus, geleid door een' gids

van zijn ras, ons mogt vervolgen. Evenwel besloten wij den dag af te

wachten, in de hoop dat, indien hij zich vóór dien tijd niet liet zien,

en wij zijn gebrul, dat nog altoos aanhield, niet meer hoorden, zulks

een teeken zou zijn, dat hij aan zijne wond was gestorven, in welk geval

wij besloten op het eiland te blijven, tot dat wij een veiliger middel

zouden vinden om het te verlaten. Doch naauwelijks begon het licht te

worden, of wij zagen onzen wreeden vijand aankomen, geleid door twee

andere reuzen, die bijna zijne lengte hadden, en voorafgegaan door een

aantal andere, die uit alle magt liepen.

Toen aarzelden wij niet langer om ons op de vlotten te begeven, en wij

roeiden met alle kracht ten einde ons van het strand te verwijderen.

Doch de reuzen, die ons reeds hadden ontdekt, raapten zware steenklompen

op, liepen naar het strand en ter halve lijf in de zee, van waar zij

ons met steenworpen begroetten. De meesten troffen zoo juist, en de

steenklompen waren zoo zwaar, dat al de vlotten, behalve dat, waarop ik

mij bevond, verbrijzeld werden, zoodat allen, die er op waren, hun graf

in de golven vonden. Wat mij en mijne twee makkers betrof, wij hadden

ons behoud alleen te danken aan het snelle roeijen, waardoor wij ons

reeds verder in zee en buiten bereik van de steenworpen bevonden.

Toen wij in volle zee kwamen, konden wij echter ons vlot niet meer

besturen, en wij waren genoodzaakt het aan wind en golven prijs te

geven, die ons dan hier, dan herwaarts heen stuwden. Gedurende dien

dag en den daarop volgenden nacht verkeerden wij in de vreeselijkste

onzekerheid omtrent ons lot. Toen de dag weder aanbrak, hadden wij het

geluk tegen een eiland aan te drijven, en waren ten hoogste verblijd,

dat wij het strand weder onder onze voeten hadden. Wij vonden op dit

eiland heerlijke vruchten, die ons goed te pas kwamen om onze verloren

krachten te herstellen.

Met den avond legden wij ons aan het strand te slapen, maar wij werden

daarin gestoord door het geratel van eene slang, zoo lang en zoo dik als

een palmboom, die met hare geschubde huid over het zand schuifelde. De

slang was reeds zoo nabij, dat zij, toen wij het gevaar, waarin wij ons

bevonden, ontdekten, reeds een' van mijne beide makkers gevat had, en

niettegenstaande zijn gegil en zijne wanhopige pogingen om zich van het

monster te ontslaan, zich om zijn lijf kronkelde, hem drukte dat de

ribben kraakten, en eindigde met hem in te slokken. Mijn makker en ik

namen ijlings de vlugt, en hoewel wij ons reeds op een' vrij grooten

afstand bevonden, hoorden wij na eenigen tijd een geluid, waaruit wij

opmaakten, dat de slang de beenderen van den ongelukkige, welke zij

verslonden had, weder uitwierp. En inderdaad, toen wij den volgenden

morgen die plaats bezochten, zagen wij met afschuw, dat wij ons niet

vergist hadden. „O Allah!” riep ik toen uit, „wat lot hebt gij ons

beschoren! Gisteren verblijden wij ons ontkomen te zijn aan de wreedheid

van een' reus en aan de woede der golven, en nu verkeeren wij in een

niet minder groot gevaar.” Dien dag bespeurden wij echter bij onze

rondwandeling een' dikken en zeer hoogen boom. Wij namen ons voor er den

nacht op door te brengen, ten einde ons tegen de slang in veiligheid

te stellen. Wij deden, gelijk den vorigen dag, onzen maaltijd met de

vruchten, die op dit eiland in grooten overvloed voorhanden waren, en

toen het avond werd beklommen wij onzen boom. Het duurde niet lang, of

wij hoorden de slang, die ons reeds geroken had, al blazende om den

voet des booms, waarop wij ons bevonden, rondkruipen. Wij dachten in

veiligheid te zijn, maar eensklaps rigtte zich de slang, op haren staart

leunende, tegen den stam op, en mijn' makker die lager zat dan ik, eerst

ontmoetende, opende zij haar' wijden muil, slokte hem in een' hap op, en

trok zich terug.

Ik bleef op den boom totdat de dag aanbrak, en verliet toen meer dood

dan levend mijne schuilplaats. In waarheid, ik kon geen ander lot

verwachten, dan hetgeen mijnen beiden makkers was te beurt gevallen,

en dit denkbeeld deed mij ijzen. De haren rezen mij te berge. Ik deed

eenige schreden voorwaarts, met het voornemen om mij met het hoofd

voorover in zee te storten; maar daar het leven zoet is, weêrstond ik

aan deze ingeving mijner wanhoop, en onderwierp mij aan den wil van

Allah, die naar zijn welbehagen over ons leven beschikt.

Ik deed echter wat in mijn vermogen was om mijn leven te beschermen. Ik

verzamelde eene groote menigte kleine houten en doorntakken, en maakte

daarvan verscheidene takkebossen, die ik stevig in elkander werkte en

als eene verschansing om den boom optrok. Hier legde ik eenige lange

bossen dwars over heen, teneinde een dak boven mijn hoofd te hebben.

Zoodra het avond werd, begaf ik mij in mijne schuilplaats, met den

treurigen troost, dat ik niets verzuimd had, wat zou kunnen strekken,

om mij te vrijwaren voor het droevige lot, dat mij dreigde. De slang

verzuimde niet terug te komen en om den boom rond te kruipen, zoekende

hoe zij mij het best zou bereiken en verslinden; maar zij kon door de

verschansing, die ik gemaakt had, haar doel niet bereiken. Eindelijk

brak de dag aan en de slang verwijderde zich. Ik had intusschen den moed

niet mijne wijkplaats te verlaten, vóór dat de zon hoog aan den hemel

stond.

Ik was zoo afgemat door de slapeloosheid, waarin de slang mij gedurende

den ganschen nacht had gehouden; ik had zoo veel te lijden gehad van

haren verpestenden adem, dat de dood mij verkieselijk scheen boven

al deze verschrikkingen. Mijne onderworpenheid van den vorigen dag

vergetende, verwijderde ik mij van den boom en liep naar het strand, met

het voornemen om mij in zee te storten.

De hemel echter,” vervolgde Sindbad, „werd bewogen met mijne wanhoop.

Op den oogenblik dat ik gereed stond in zee te springen, bespeurde ik

in de verte een schip. Ik riep uit al mijne magt, teneinde mij te doen

hooren, en ik ontrolde het linnen van mijn' tulband, en zwaaide zooveel

mogelijk daarmede, in de hoop dat men mij zou opmerken. Dit laatste

middel had het gewenschte gevolg; eenige der matrozen hadden mij gezien,

en de kapitein liet de sloep uitzetten om mij af te halen. Zoodra ik aan

boord was, zag ik mij omringd door kooplieden en schepelingen, die zeer

nieuwsgierig waren te vernemen, door welk toeval ik op dat woeste eiland

was gekomen. Ik voldeed aan hun verlangen door het verhaal van mijne

lotgevallen. Allen betuigden mij hunne vreugde, dat ik aan zulke

vreeselijke gevaren was ontkomen, en beijverden zich, niet twijfelende

of ik zou wel eetlust hebben, mij te onthalen op het beste, wat zij

hadden. De kapitein, bemerkende dat mijne kleeding zeer gehavend was,

had de edelmoedigheid, mij eenige zijner eigene kleederen te geven, die

nog zoo goed als nieuw waren.

Wij zetten onze reis voort, zeilden voorbij verscheidene eilanden, en

kwamen eindelijk aan het eiland Salahad, beroemd door het sandelhout,

dat daar in menigte groeit en in de geneeskunde veel wordt gebruikt. Wij

liepen de haven binnen en lieten het anker vallen. De kooplieden maakten

een begin met hunne handelswaren te ontschepen en die te verkoopen, of

tegen de voortbrengselen van dat land te verruilen. Inmiddels liet de

kapitein mij bij zich komen en zeide tot mij: „Broeder, ik heb eenige

handelswaren onder mijne berusting, welke toebehooren aan een' koopman,

die kort geleden op mijn schip heeft gevaren. Daar deze man voor

eenigen tijd overleden is, wil ik die goederen te gelden maken, en bij

gelegenheid daarvan aan zijne erfgenamen verantwoording doen.” Hij

toonde mij de balen, die reeds op het dek stonden, en vervolgde: „Zie

hier de waren, waarvan ik spreek; gij zoudt mij eene dienst bewijzen,

indien gij u wildet belasten daarmede, tegen eene behoorlijke belooning,

handel te drijven.” Ik stemde hierin toe, en bedankte hem, dat hij mij

in de gelegenheid stelde, mijn' tijd nuttig te kunnen besteden. De

scheepsschrijver, die aanteekening hield van al de waren, die van boord

gingen, en van de namen der kooplieden, wien zij toebehoorden, vraagde

de kapitein op wiens naam hij de balen moest te boek stellen, die mij

ter verkoop werden opgedragen. „Schrijft die,” antwoordde hij, „op naam

van Sindbad den zeeman.” Ik was niet weinig verwonderd mijn' eigen naam

te horen noemen, en den kapitein strak aanziende, herkende ik hem voor

degene, die mij, op mijne tweede reis, achter liet op het eiland, waar

ik bij de beek in slaap was gevallen, en die onder zeil ging zonder op

mij te wachten, of naar mij te laten zoeken. Ik had hem in het eerst

niet herkend, daar hij, sedert ik bij hem aan boord was, zeer verouderd

en veranderd was.

Dat hij _mij_ niet herkend had, was eerder te begrijpen, daar hij in de

stellige overtuiging verkeerde, dat ik mij reeds lang in het rijk der

dooden bevond. „Kapitein,” zeide ik, „is het zeker, dat de koopman, wien

deze balen toebehooren, Sindbad heette?” „Ja,” antwoordde hij, „zoo

noemde hij zich; hij was van Bagdad, en heeft zich te Balsora op mijn

vaartuig ingescheept. Eens, dat wij aan een eiland aanlegden, om water

en eenige ververschingen in te nemen, en hij zich met andere kooplieden

aan wal begaf, is hij achtergebleven, en wij misten hem niet, vóór

dat wij reeds eenige uren onder zeil waren. De wind maakte het ons

onmogelijk den steven te wenden en hem af te halen.” „En gij meent dat

hij dood is?” hernam ik. „Daarvan ben ik zoo goed als zeker,” antwoordde

hij. „Welnu! kapitein,” ging ik voort, „open dan uwe oogen eens goed. Ik

ben die Sindbad, welken gij op dat onbewoonde eiland hebt achtergelaten.

Ik had mij bij eene beek nedergezet en was in slaap gevallen. Bij mijn

ontwaken zag ik niemand meer van hen, die met mij aan land waren

gegaan.” Nadat ik dit gezegd had, zag de kapitein mij sterk aan.

Hij bleef eenigen tijd in die houding staan, en hield zijne oogen

onafgewend op mij. Eindelijk echter scheen hij zich mijne gelaatstrekken

te herinneren, en tot de overtuiging te komen, dat ik werkelijk die

Sindbad was, dien hij voor dood had gehouden. „Allah zij geprezen,”

riep hij uit, viel mij om den hals, „ik ben opgetogen van vreugde, dat

ik door mijn' misslag niet schuldig ben aan uw' dood. Zie hier uwe

goederen; zij zijn niet verminderd, maar vermeerderd, daar ik er een'

gelukkigen handel mede heb gedreven, opdat uw kapitaal niet renteloos op

uwe erfgenamen zou overgaan. Ik geef u alles met de daarop verkregen

winst terug.”

Van het eiland Salahad vertrokken wij naar een ander, waar ik eene goede

lading kruidnagelen, kaneel en andere specerijen insloeg. Op onze

terugreis zagen wij een' haai van twintig ellebogen lengte; alsmede een'

anderen visch die veel op eene koe geleek. Zijne huid is zoo dik en

hard, dat men er schilden van maakt, waardoor geen pijl kan dringen.

Eindelijk liepen wij, na eene lange reis, te Balsora binnen. Van daar

keerde ik naar Bagdad met een' grooten rijkdom aan geld en goederen

terug. Wederom schonk ik daarvan een aanzienlijk deel aan de armen, en

kocht nog verscheidene nieuwe landgoederen.”

Aldus eindigde Sindbad het verhaal van zijne derde reis. Hij deed

Hindbad weder honderd sequinen geven en noodigde hem tegen den volgenden

dag op het middagmaal, om het verhaal van zijne vierde reis aan te

hooren. Zoodra de maaltijd op den volgenden dag afgeloopen was, nam

Sindbad het woord, en zette aldus het verhaal van zijne hoogst

zonderlinge lotgevallen voort.

Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Tweede deel · 第 11 / 22 题