„Zoo als ik u gisteren mededeelde, had ik na mijne eerste reis het
besluit opgevat, mijne verdere levensdagen te Bagdad en op mijne
landgoederen in rust en in genot door te brengen. Het duurde echter niet
lang, of dit werkelooze leven baarde mij verveling; de lust om ter zee
te reizen en handel te drijven greep mij weder aan. Ik voorzag mij van
die koopwaren, welke mij het geschiktste voorkwamen voor de reis, die ik
mij had voorgesteld, en ik verliet voor de tweede maal mijn geboorteland
met eenige andere kooplieden, wier braafheid ik kende. Wij voeren
ditmaal van eiland tot eiland, en dreven op die wijze een' zeer
voordeeligen handel; daar wij telkens, en steeds met voordeel, onze
waren tegen andere inruilden. Op zekeren dag lieten wij ons aan wal
zetten op een eiland, dat zeer rijk was van vruchtdragende boomen,
maar overigens zoo eenzaam, dat wij er noch menschen, noch eenige
menschelijke woning bespeurden. Wij volgden den loop van eene beek,
die door eene met welig gras en bloemen bedekte vlakte kronkelde.
Terwijl de een zich vermaakte met bloemen, de ander met vruchten te
plukken, zette ik mij onder een' grooten en schaduwrijken boom in het
gras neder, haalde den voorraad, dien ik had medegenomen en die uit
vleesch, brood en wijn bestond, te voorschijn, meenende hier eens een
regt landelijk maal te doen, iets wat voor den zeeman een bijzonder
genot heeft. Ik at dan ook zeer smakelijk en dronk er een' stevigen teug
wijn bij. Of de geest van den wijn mij min of meer had bevangen, weet
ik niet, maar mijne oogleden werden zwaar, en ik lag weldra in een'
gerusten slaap. Hoe lang deze geduurd heeft, is mij onbekend, doch bij
mijn ontwaken, zag ik geen schip meer voor anker liggen.
Ik was hierover zeer verwonderd. Ik stond op en zag naar alle kanten
rond, maar ik ontdekte geen' der kooplieden, die met mij aan land waren
gegaan. Ik zag alleen het schip, maar reeds zoo ver in zee, dat ik het
weldra geheel uit het oog verloor.
Gij kunt u verbeelden, hoe ik te moede was. Ik meende van droefheid
te sterven, schreeuwde vol wanhoop, sloeg mij voor het hoofd en wierp
mij ter aarde, waar ik een' geruimen tijd bleef liggen, bestormd door
gedachten, de eene al treuriger dan de andere. Ik verweet het mij zelven
wel honderd malen, dat ik mij niet had tevreden gesteld met mijne eerste
reis, die mij voor altoos had moeten afschrikken. Maar al dit klagen en
de verwijtingen, die ik mij deed, bragten mij geene hulp aan, en mijn
berouw kwam te laat. Wat baat het den put dempen, als het kalf er reeds
in verdronken is?
Eindelijk koos ik de wijste partij; ik onderwierp mij aan mijn noodlot,
en zonder te weten wat er van mij moest worden, besloot ik al het
mogelijke te beproeven, dat tot mijne redding zou kunnen dienen. Ik klom
in een' hoogen boom en zag naar alle kanten uit om te ontdekken, of ik
niet het een of ander kon bespeuren, dat mij eenige hoop op uitkomst
kon geven. Eerst wendde ik mijne oogen naar den zeekant, maar zag daar
slechts lucht en water; aan de landzijde schitterde echter iets wits
mij in de oogen. Ik klom uit den boom, en de levensmiddelen, die ik had
overgehouden, mede nemende, ging ik op dit witte voorwerp af, hoewel ik
door den grooten afstand niet kon onderscheiden, wat het eigentlijk was.
Eerst toen ik tot op een' kleinen afstand was genaderd, bemerkte ik,
dat het een bijna ronde bal was van verbazende grootte en omvang. Ik
ging echter voort, en op de plaats aangekomen, betastte ik den bal.
Ik liep er om heen om te zien, of er ook ergens eene opening was,
maar ik kon er geene ontdekken, en de bal was zoo glad, en zoo vast
ineengesloten, dat ik geene kans zag om er op te klimmen. Ik vergenoegde
mij dus rondom den bal te loopen, en moest daarvoor vijftig passen doen.
De zon was nog niet ondergegaan, toen eensklaps de lucht verduisterd
werd; het was alsof eene donkere wolk, als een gordijn, voor de zon werd
geschoven. Maar hoe zeer mij deze plotselinge overgang van licht tot
donker verwonderde, nog hooger klom mij de verbazing, toen ik bespeurde,
dat dit verduisteren veroorzaakt werd door een' buitengewoon grooten
vogel, die met uitgespreide vlerken kwam aanvliegen.
Ik herinnerde mij nu dat ik de matrozen dikwijls had hooren spreken van
een' vogel, Rok genaamd, en vermoedde dat de groote bal, dien ik zoo
zeer had bewonderd, het ei van dezen vogel was. En inderdaad de Rok
daalde klapwiekend en langzaam neder, en zette zich zeer voorzigtig op
het ei neder, als wilde hij het uitbroeijen. Toen ik den vogel zag
komen, had ik mij zoo digt mogelijk tegen het ei aangedrongen, zoodat
een zijner pooten, dikker dan een boomstam, voor mij kwam te staan. Ik
nam den linnen doek van mijn' tulband, en bond mij daarmede stevig vast
aan den poot van den Rok, en dit deed ik in de hoop dat, als de vogel
den volgenden morgen zijne vlugt hervatte om voedsel te gaan zoeken, hij
mij met zich voeren en uit dit woeste eiland naar elders overbrengen
zou. Ik zag mij hierin niet teleurgesteld. Den nacht bragt ik in den
treurigsten toestand en geheel niet op mijn gemak door; doch zoodra de
dag aanbrak, spreidde de Rok zijne vlerken uit, en voerde mij zoo hoog
in de lucht, dat ik de aarde niet meer zien kon. Daarop schoot hij met
zulk eene snelheid naar beneden, dat mij hooren en zien vergingen. Toen
de Rok zich nederzette en ik grond voelde, ontknoopte ik schielijk den
doek, om mij van hem te ontslaan. Naauwelijks had ik mij los gemaakt, of
hij viel met zijn' snavel op eene slang van ongehoorde lengte aan. Hij
pakte de slang op, en vloog terstond met zijne prooi weg.
De plaats, waar hij mij achterliet, was eene zeer diepe vallei, geheel
ingesloten door eene keten van bergen, wier kruinen tot in de wolken
reikten. Ik zocht te vergeefs naar een' weg, om uit deze gevangenis
te geraken, want de rotswanden gingen loodregt opwaarts, en nergens
was eene opening te ontdekken of eene vooruitstekende verhevenheid,
waarop ik mijne voeten kon zetten. Dit bragt mij op nieuw in groote
verlegenheid, en mijne tegenwoordige gevangenis met het woeste eiland
vergelijkende, kon ik niet zien, dat ik bij deze plaatsverwisseling iets
gewonnen had.
Toen ik mijn verblijf wat naauwkeuriger onderzocht, bespeurde ik, dat
de bodem van dezen afgrond als bezaaid lag met diamanten, waaronder van
eene verbazende grootte. Ik vermaakte mij eenige oogenblikken met dit
inderdaad prachtige gezigt, doch weldra zag ik iets, waardoor mijn
kortstondig genoegen vergald werd, en dat mij een' hevigen schrik
aanjoeg. Ik bemerkte eene ontelbare menigte slangen, zoo dik en zoo
lang, dat de kleinste met gemak een' olifant zou hebben ingeslokt. Des
daags kropen zij in hare holen en hielden zich schuil, uit vrees voor
haren gevaarlijksten vijand den vogel Rok; doch des nachts kwamen zij
weder te voorschijn.
Ik bragt den dag door met de vallei om te wandelen, waarbij ik echter
van tijd tot tijd eens ging zitten rusten. Intusschen ging de zon onder,
en zoodra het donker begon te worden, begaf ik mij in de grot, welke ik
tot mijn nachtverblijf gekozen had. Om tegen de slangen beveiligd te
zijn, stopte ik den ingang, die zeer lang en eng was, met een' grooten
steen digt, echter zoo, dat er eenig licht binnen kon dringen. Ik deed
mijn avondmaal met een weinig van mijn' nog overgeschoten voorraad,
en legde mij toen neder om te rusten. Hiervan echter kwam niets; het
schuifelen en blazen der slangen, die voor mijne grot kropen, en zich,
hoewel te vergeefs, den toegang zochten te verschaffen om mij te
verslinden, hield den slaap uit mijne oogen, en deed mij beven. Ik
was regt blijde, toen de dag aanbrak, en de slangen naar hunne holen
terugkeerden. Ik waagde mij nu weder naar buiten, maar ik rilde over
mijn geheele ligchaam, en ik kan u verklaren, mijne heeren, dat ik
een' geruimen tijd over een' vloer van diamanten ging, zonder de
minste begeerte daarnaar te hebben. Eindelijk zette ik mij neder, en
niettegenstaande mijne ongerustheid en de gedachte, wat er toch van mij
moest worden, viel ik, na mijn ontbijt te hebben gebruikt, vermoeid van
het nachtwaken in slaap. Naauwelijks was ik ingesluimerd, toen er iets
met groot gedruisch naast mij nederviel en ik verschrikt ontwaakte. Wat
mij deze ontsteltenis had veroorzaakt was een groot stuk versch vleesch;
en terwijl ik er over nadacht van waar dit mogt komen, zag ik, hoe nog
verscheidene stukken aan verschillende kanten van de rotsen kwamen
rollen, en hier en daar in de vallei nederploften.
Ik had het tot dus verre altijd voor een sprookje gehouden, wat de
matrozen en andere lieden mij verteld hadden van de diamant-vallei en
van het kunstje, dat door eenige kooplieden in het werk werd gesteld,
om deze kostbare edelgesteenten uit den afgrond op te halen en in hun
bezit te krijgen. Thans echter moest ik bekennen, dat men mij de zuivere
waarheid gezegd had. Inderdaad, mijne heeren,” vervolgde Sindbad, „deze
kooplieden begeven zich, in den tijd dat de arenden jongen hebben, naar
de rotsen, die de diamant-vallei omgeven. Zij werpen dan groote stukken
vleesch in de vallei. Door den zwaren val, en het geweld, waarmede die
stukken nederploffen, hechten zich de diamanten, vooral die eenigzins
hoekig zijn in het weeke vleesch, en de arenden, die aldaar zeer
menigvuldig en sterker zijn dan ergens elders vallen op dezen stukken
vleesch aan, en voeren ze naar hunne nesten op de toppen der rotsen, om
er hunne jongen mede te spijzigen. Zoodra de kooplieden, die zich in de
nabijheid der nesten schuilhouden, dit zien, loopen zij haastig en met
groot geschreeuw derwaarts om de arenden te verjagen, en maken zich
meester van de diamanten, die in het vleesch zitten. Zij bedienen zich
van deze list, omdat er geen ander middel bestaat om de diamanten uit de
vallei op te halen, daar het voor de menschen volstrekt onmogelijk is in
dien peilloozen afgrond neder te dalen.
Ook ik achtte het voor onmogelijk immer uit dien afgrond te geraken, en
had hem reeds als mijn graf beschouwd, doch hetgeen ik nu zag, deed mij
een middel uitdenken om mijn leven te behouden.
Mijn eerste werk was nu de grootste en schoonste diamanten, die mij
voorkwamen, op te rapen, en daarmede den ledigen zak te vullen, die
gediend had om er mijne mondbehoeften in te bergen. Daarna zocht ik een
der langste stukken vleesch uit, en bond dit om mijne middel met het
linnen van mijn' tulband stevig vast. Den zak met diamanten bevestigde
ik aan mijn' gordel, en wel zoo, dat ik geen gevaar liep, dien te
verliezen. Vervolgens ging ik op mijn' buik liggen, en onthield mij van
elke beweging. Naauwelijks had ik mij aldus nedergelegd, of de arenden
kwamen in grooten getale aanvliegen, en maakten zich ieder van een der
stukken vleesch meester. Een der grootste en sterkste viel op het stuk
aan, dat ik om mijne lendenen had gebonden, sloeg er zijne klaauwen in,
en mij medevoerende, bragt hij mij op den kruin van een' berg, tot in
zijn nest. De kooplieden bleven niet in gebreke door hun geschreeuw de
arenden te verschrikken.—Zoodra zij hen hadden genoodzaakt hunne prooi
te laten varen, liep een van hen naar het nest, waarin ik mij bevond
maar deed, toen hij mij zag, van schrik eene trede achterwaarts.
Zich weldra hersteld hebbende, begon hij, zonder eerst de zaak te
onderzoeken, mij uit te maken en te verwijten dat ik een dief was,
en hem zijn eigendom wilde ontrooven. „Mijn goede vriend!” zeide ik
bedaard, „gij zult spoedig op een' anderen toon spreken, als gij mij
beter hebt leeren kennen. Troost u over uw gewaand verlies, ik heb
diamanten genoeg voor u en voor mij, in grooteren getale en van meer
waarde, dan die van al de andere kooplieden te zamen. Zoo wij ze hebben,
is dit slechts bij geluk, maar ik had ze alleen voor het kiezen en
oprapen op den bodem der vallei, en heb er dezen zak mede gevuld.”
Dit zeggende, toonde ik hem den leêren zak, dien ik van mijn' gordel
losmaakte. Ik had nog niet uitgesproken, toen ook de andere kooplieden
kwamen aanloopen en ons omringden, niet weinig verwonderd iemand te
zien, die niet tot hun gezelschap behoorde. Die verwondering steeg
nog hooger, toen ik hun verhaalde wat er met mij gebeurd was. Zij
bewonderden evenzeer de list, welke ik tot mijne redding had uitgedacht,
als mijne stoutmoedigheid, om er de proef van te nemen.
Zij namen mij mede naar de herberg, waar zij te zamen hun' intrek
hadden genomen, en toen ik daar in hunne tegenwoordigheid mijn' zak
openmaakte en uitstortte, waren zij ten hoogste verbaasd over de grootte
van mijne diamanten, en verklaarden eenparig, aan alle vorstenhoven,
welke zij bezocht hadden, niet een' gezien te hebben, die daarbij was
te vergelijken. Ik verzocht den koopman, aan wien het nest behoorde,
waarin de arend mij gebragt had (want ieder koopman heeft een eigen
nest), er voor zijn aandeel zoo vele uit te kiezen, als hij verkoos.
Hij vergenoegde zich met er slechts één te nemen en niet eens den
grootste. Toen ik er op aandrong, dat hij er nog eenigen zou nemen,
zonder beschroomd te zijn mij daardoor te benadeelen, zeide hij: „Neen,
deze steen heeft waarde genoeg, om mij een bestaan te verzekeren, zoodat
ik geene reizen meer zal behoeven te doen.”
Ik bragt den nacht in het gezelschap van deze kooplieden door, en moest
mijne zonderlinge lotgevallen voor de tweede maal vertellen, om hen te
bevredigen, die bij het eerste verhaal daarvan niet tegenwoordig geweest
waren. Intusschen kende mijne blijdschap geene grenzen, dat ik aan zoo
vele en zoo groote gevaren op eene zoo wonderbare wijze was ontkomen.
Somtijds scheen mij zulks toe slechts een bedriegelijke droom te zijn,
en ik kon mij naauwelijks voorstellen, dat ik thans niets meer had te
vreezen.
Daar de kooplieden zich reeds een' geruimen tijd hier hadden opgehouden,
en ieder hunner tevreden scheen te zijn met de diamanten, die hem ten
deel waren gevallen, vertrokken wij reeds den volgenden morgen. Onze weg
liep aanvankelijk over hooge bergen, waar wij slangen zagen van eene
verbazende lengte, aan wie wij het geluk hadden te ontkomen. Eindelijk
bereikten wij eene havenplaats, van waar wij naar het eiland Rohan
overstaken. Hier groeit de kamferboom, wiens bladrijke takken zich zoo
ver van den stam uitbreiden, dat meer dan honderd menschen onder zijn
looverdak beschutting kunnen vinden tegen het branden der zonnestralen.
Het sap loopt uit eene opening, welke men boven in den boom maakt, en
wordt in eene kan of in een' aarden vat opgevangen, waarin het dan aan
de werking der lucht is blootgesteld. Langzamerhand wordt dit sap dik en
komt dan later onder den naam van kamfer in den handel. De kamferboom,
op deze wijze van zijne beste sappen beroofd, verdort weldra en sterft.
Op dat zelfde eiland vindt men ook den rhinoceros, een dier, een weinig
kleiner dan de olifant, en grooter dan de buffel. Hij heeft op den neus
een' hoorn van bijna twee ellebogen lengte, waarmede hij veel kracht
kan uitoefenen. Men ziet daarop eenige lichte strepen, die te zamen de
gedaante van een gewapend man vrij wel voorstellen. Als de rhinoceros
met den olifant strijdt, tracht hij hem met zijn' neushoorn den buik
te doorboren, ligt hem van den grond op, en draagt hem dan als een
zegeteeken op zijn' kop mede. Als nu het bloed en het vet van den
olifant hem in de oogen loopen en het gezigt benemen, gebeurt het niet
zelden, dat hij met zijne vracht nedervalt, en wat ieder verwonderen
moet, dan worden dikwijls beiden, olifant en rhinoceros, door den vogel
Rok opgenomen, die ze in zijne klaauwen wegvoert om er zijne jongen mede
te voeden.
De verdere bijzonderheden van dit eiland zal ik, om mijn verhaal niet
te rekken, stilzwijgend voorbijgaan. Ik verruilde er eenige van mijne
diamanten voor andere koopwaren. Wij bezochten nog verscheidene
eilanden, totdat wij ten laatste, na ook vele koopsteden op het
vasteland aangedaan te hebben, behouden te Balsora aankwamen. Van daar
spoedde ik mij naar Bagdad. Mijn eerste werk was groote aalmoezen uit
te deelen, en van het overige mijner met zoo vele gevaren verkregen
schatten leidde ik een vrolijk leven.”
Aldus eindigde Sindbad het verhaal van zijne tweede reis. Hij deed
aan Hindbad andermaal honderd sequinen geven en noodigde hem uit den
volgenden dag terug te komen, om het verhaal van zijne derde reis te
hooren.
De gasten gingen eindelijk ook naar huis, en kwamen den volgenden dag op
het gewone uur terug. Zoo deed ook de drager, die zijne vroegere armoede
reeds bijna vergeten scheen te hebben. Men zette zich aan tafel, en
nadat de maaltijd was afgeloopen, vraagde Sindbad eenige oogenblikken
gehoor, en ving het verhaal van zijne derde reis aan.