EERSTE REIS VAN SINDBAD DEN ZEEMAN.

„Ik had van mijne familie een aanzienlijk vermogen geërfd; doch in

mijne jeugd bragt ik daarvan het grootste gedeelte op eene onbezonnen

wijze door. Eindelijk echter kwam ik van mijne verblinding terug en

begon in te zien, dat ook de grootste rijkdom niet onuitputtelijk is,

en dat alzoo bij mijne verkwistende levenswijze mijn erfdeel weldra

verteerd zou zijn. Ik overwoog ook, hoe dwaas het was den kostbaren

tijd, die nimmer terugkeert, in ijdelheid en in een ongeregeld leven

door te brengen, in plaats van die te besteden tot mijn eigen heil

en tot nut van mijne medemenschen. Nog kwam het mij als een dreigend

spookbeeld voor den geest, dat er geene grootere ellende op deze aarde

is, dan arm te zijn in den dag des ouderdoms. Ik herinnerde mij daarbij

de woorden van den wijzen Salomo, die ik van mijn' vader meermalen

gehoord had: „Het is beter in het graf te zijn dan in armoede.”

Al deze overwegingen maakten een' diepen indruk op mij, en ik besloot

het overschot van mijn erfdeel bijeen te verzamelen en daarmede mijn

voordeel te doen. Ik liet al mijne kostbare meubelen in het openbaar aan

de meestbiedenden verkoopen. Ik vereenigde mij met eenige kooplieden,

die op zee handel dreven, en vraagde raad aan verstandige lieden, die

met den handel goed bekend waren. Ik besteedde het weinige dat mij van

mijn kapitaal overbleef, om er die waren voor in te koopen, waarop,

volgens hun zeggen, eene goede winst te verwachten was. Ik liet die naar

Balsora overbrengen, alwaar wij ons inscheepten op een groot schip, dat

wij voor gezamentlijke rekening hadden aangekocht en uitgerust.

Wij gingen onder zeil en zetten koers naar Oost-Indië door den

Perzischen zeeboezem, die ten Westen begrensd wordt door de kust van

Gelukkig Arabië en ten Oosten door die van Perzië, wiens grootste

breedte naar het algemeen gevoelen, slechts zeventig zeemijlen bedraagt.

Van daar kwamen wij in de Indische zee, welken ten Westen wordt begrensd

door de kusten van Abyssinië, en eene lengte heeft van vier duizend een

honderd mijlen tot de eilanden van Vakvak.

Wij deden op onze reis verschillende eilanden aan, waar wij onze

koopwaren met voordeel verkochten of tegen andere inruilden. Op zekeren

dag werden wij door windstilte overvallen, zoodat het schip bijna niet

verder kwam en de zeilen en winpels slap bij de masten hingen. Wij

bevonden ons toen op de hoogte van een klein eiland, dat bijna met het

water gelijk was, en zich aan ons door zijne groene kleur als eene in

de zee drijvende weide vertoonde. De kapitein liet zeilen reven, en wij

passagiers kregen verlof ons aan wal te begeven. Ik bevond mij onder

hen, die dit eiland gingen bezoeken.

Wij hadden in onze sloep al het noodige voor een landelijk maal

medegenomen, en legden een vuur aan van eene ledige teerton; de matrozen

kookten onze spijs, wij maakten goede sier, en dronken op onze gelukkige

landing. Eensklaps begon het eiland te schudden en wij voelden

onderscheidene schokken als die van eene aardbeving.

Ook op het schip had men deze schudding van het eiland waargenomen,

en men riep ons met den scheepsroeper toe, dat, indien wij niet allen

wilden vergaan, wij ons moesten haasten aan boord te komen, daar,

hetgeen wij voor een eiland hadden aangezien, niet anders was dan de

bovenwater uitstekende rug van een' zeer grooten walvisch, die zich in

de zon koesterde en zijn middagslaapje hield. De vlugsten van ons redden

zich in de sloep, anderen sprongen in zee en trachten zich door zwemmen

te redden. Wat mij betreft, ik bevond mij nog op het eiland, of liever

op den walvisch, toen het monster naar de diepte ging, zoodat ik slechts

tijd had om mij op een groot stuk hout te plaatsen, dat wij hadden

medegebragt, om er het vuur mede aan te stoken. De lieden uit de

sloep kwamen behouden aan boord, en eenige der rondzwemmenden werden

opgevischt; terwijl andere in de diepte wegzonken en verdronken. Op mij,

hoe luid ik ook riep, scheen men geen acht te slaan, en daar de wind

inmiddels opstak, zag ik tot mijn' schrik, dat de kapitein, die mij

zeker voor verloren hield, de zeilen liet hijschen en wegvoer, zoodat

mij alle hoop benomen werd, om het schip te bereiken. Ik bleef dus

alleen achter, overgelaten aan de willekeur der golven, welke mij dan

hier dan herwaarts slingerden. Ik betwistte haar echter mijn leven

gedurende dien ganschen dag en den daarop volgenden nacht. Met het

aanbreken van den dag waren mijne krachten geheel uitgeput, en reeds

zag ik den dood voor oogen, toen ik eensklaps door eene groote golf

opgenomen en tegen een eiland geworpen werd.

Het strand was hoog en steil, doch de doodsangst gaf vleugelen aan mijne

voeten, en met behulp van eenige vooruitstekende boomwortels, die tot

mijn behoud daar bewaard schenen te zijn, bevond ik mij weldra op het

drooge en meer dan honderd voet boven de oppervlakte der zee. Ik strekte

mij op den met gras bedekten bodem uit, en bleef voor half dood liggen,

tot dat de zon met hare koesterende stralen mij uit mijne sluimering

wekte.

Hoewel ik mij zeer zwak gevoelde door de vermoeijenissen welke ik, op

zee drijvende, had uitgestaan, stond ik echter, door den honger gekweld

op, en sleepte mijn uitgeput ligchaam voort, om eenige kruiden of

vruchten te zoeken. Ik had het geluk weldra te vinden wat ik zocht, en

tevens ontdekte ik eene bron met zoet water, dat niet weinig tot mijne

verkwikking toebragt. Zoodra mijne krachten eenigzins hersteld waren,

ging ik het eiland dieper in, zonder te weten waarheen ik mijne schreden

moest rigten. Eindelijk kwam ik in eene grasrijke vallei, en in de verte

bespeurde ik een paard, dat liep te grazen. Ik werd op dit gezigt door

vrees en hoop geslingerd, want ik was in het onzekere of ik mijn' dood

te gemoet ging, door in de handen van wreede wilden te vallen, dan of ik

op redding kon hopen. Intusschen ging ik steeds voort, en naderbij

komende werd ik gewaar, dat het eene schoone merrie was, welke met een

lang touw aan een' staak was vastgebonden. Terwijl ik het paard bezag,

hoorde ik onder mij spreken. Niet lang daarna kwam er een man als voor

mijne voeten uit den grond op, die mij vraagde, wat ik daar te doen had,

en wie ik was. Daar hij in eene mij bekende taal sprak, stelde ik mij

gerust, en deelde hem mijne lotgevallen mede. Hij stak mij de hand toe,

en bragt mij in eene grot, waar zich verscheidene mannen bevonden, die

niet minder verwonderd waren _mij_ daar te zien, dan _ik_ het was er hen

aan te treffen.

Ik gebruikte een weinig van de spijzen, die zij mij voorzetten, en

vraagde hun op mijne beurt met welk doel zij zich op deze plaats

bevonden, die mij toescheen niet anders dan eene wildernis te zijn. Zij

antwoordden mij, dat zij stalknechten waren van den koning Mihradhan,

onder wiens heerschappij dit eiland stond. Dat zij elk jaar omtrent den

zelfden tijd naar deze vlakte kwamen, ter verkrijging van paarden voor

's konings stal, hetwelk echter met veel moeite gepaard ging, door dat

zich in de nabijheid een zeepaard bevond, die hunne paarden zocht te

verslinden. Ook deelden zij mij nog mede, dat zij den volgenden morgen

weder vertrokken en dat, ware ik slechts één dag later gekomen, het zeer

slecht met mij zou zijn afgeloopen, daar de bewoonde zijde van het

eiland zeer ver van hier was, en ik daar zonder gids nimmer zou zijn

gekomen.

Terwijl zij dus met mij spraken, steeg, zoo als zij mij gezegd hadden,

het zeepaard uit de zee op, wierp zich op de merrie, en wilde haar

verslinden, doch verschrikt door het geschreeuw dat de stalknechten

maakten, liet het zijne prooi los, en stortte zich weder in zee.

Den volgenden morgen namen zij met de merriën de terugreis aan naar de

hoofdstad van het eiland, en welwillend namen zij mij in hun gezelschap

op. Bij onze aankomst werd ik aan den koning Mihradhan voorgesteld, hij

vraagde mij door welk toeval ik mij in zijne staten bevond. Zoodra ik

zijne nieuwsgierigheid door het verhaal van mijne lotgevallen bevredigd

had, betuigde hij mij, dat hij zeer veel deel in mijn ongeluk nam.

Te gelijker tijd gaf hij last, dat men de grootste zorg voor mij zou

dragen en mij van alles, wat ik noodig mogt hebben, voorzien. Dit bevel

werd op zulk eene wijze nagekomen, dat ik alle reden had over zijne

edelmoedigheid en over den ijver van zijne dienaren tevreden te zijn.

Daar ik koopman was, zocht ik de lieden van mijn vak op, doch

hoofdzakelijk de vreemde kooplieden, ten eerste om eenig nieuws uit

Bagdad te vernemen, en ten tweede om naar gelegenheid uit te zien, onder

hen iemand aan te treffen, met wien ik naar mijn geboorteland zou kunnen

terugkeeren, want de hoofdstad van den koning Mihradhan ligt aan de

zee, en heeft eene zeer schoone haven, waar dagelijks uit verschillende

oorden der wereld schepen binnen loopen. Ook zocht ik het gezelschap

der Indische wijzen, en vond er vermaak in hen te hooren redekavelen.

Bij dit alles verzuimde ik echter niet geregeld aan het hof te komen,

om mij met 's konings landvoogden en met de koningen, welke aan hem

schatplichtig waren en die zich aan zijn hof ophielden, te onderhouden.

Zij deden mij duizenden vragen over mijn geboorteland, terwijl ik van

mijn' kant er naar streefde, mij met de zeden en wetten in hunne staten

bekend te maken, om dusdoende mijne kennis te vermeerderen.

Onder de heerschappij van den koning Mihradhan bevond zich nog een ander

eiland, Cassal genaamd. Dit eiland was onbewoond, en werd alleen door de

schepelingen bezocht, om zich van versch water te voorzien of kokosnoten

in te laden, die daar in overvloed te vinden waren. Men verzekerde mij,

dat zich op dat eiland iederen nacht het geluid van keteltrommen liet

hooren, hetgeen den matrozen deed denken, dat aldaar een demon zijn

verblijf hield, die zij Deggial noemden. De lust bekroop mij van dit

wonder oorgetuige te zijn. Op mijne reis derwaarts zag ik visschen, die

eene lengte van honderd tot twee honderd ellen hadden. Deze waren zoo

vreesachtig, dat men slechts op eene plank behoefde te kloppen om ze te

verjagen. Ik zag nog andere visschen van slechts eene elleboogslengte,

maar wier koppen veel overeenkomst hadden met die van nachtuilen.

Toen ik bij mijne terugkomst, aan de haven op en neêr wandelde, liep er

een schip binnen. Zoodra dit voor anker lag, werd er een begin gemaakt

met het lossen der koopwaren, en de kooplieden, aan wie deze goederen

behoorden, lieten ze in de pakhuizen aan het havenhoofd opslaan. Terwijl

ik hierover mijne oogen liet gaan, meende ik op eenige balen mijn merk

te zien. Bij een naauwkeurig onderzoek bleef mij geen twijfel over; het

waren de zelfde balen, welke ik te Balsora had ingeladen. Ik herkende

ook den kapitein, doch overtuigd, dat men mij voor verdronken hield,

sprak ik hem aan zonder mij dadelijk bekend te maken, en vraagde hem,

aan wie de balen, welke ik met den vinger aanwees, toebehoorden. „Ik

had,” antwoordde hij, „bij mij aan boord een' koopman van Bagdad,

Sindbad genaamd. Op zekeren dag, dat wij ons in de nabijheid van een ons

zoo toeschijnend klein eiland bevonden, liet hij zich met meer andere

passagiers aan wal zetten. Dit gewaande eiland was evenwel niets anders

dan een walvisch van schrikbarende grootte, die met den rug even boven

de oppervlakte der zee lag te slapen. Het monster voelde echter niet

zoodra de hitte van het vuur, dat men op zijn' rug had aangelegd, om de

spijs toe te bereiden voor het middagmaal, of het begon zich te bewegen

en verdween in de diepte der zee. Velen van hen, die zich op den rug van

den visch bevonden, zijn verdronken, en onder deze ongelukkigen was ook

Sindbad. Deze balen behooren hem, en ik heb besloten daarmede handel

te drijven, totdat ik iemand van zijne familie aantref, aan wien ik

rekening en verantwoording kan doen.” „Kapitein,” zeide ik nu tot hem,

„ik ben die Sindbad, welke gij meent dat dood is; deze koopmansgoederen

zijn mijn regtmatig eigendom.” „Bij Allah,” riep de kapitein, toen hij

mij aldus hoorde spreken, „in wien zal men tegenwoordig nog vertrouwen

stellen? De goede trouw onder de menschen bestaat niet meer! Ik heb met

eigen oogen dezen Sindbad zien omkomen; de passagiers zijn daar ook

getuige van geweest, en gij zegt, dat gij die Sindbad zijt? Welk eene

vermetelheid! Op het eerste gezigt, meende ik een eerlijk man voor mij

te hebben; maar gij schroomt niet u van eene verfoeijelijke leugen

te bedienen, om in het bezit te geraken van goederen, die u niet

toebehooren.” „Heb slechts een weinig geduld,” hernam ik, „en bewijs mij

de gunst om aan te hooren, wat ik u te zeggen heb.” „Welaan!” luidde het

korte antwoord van den kapitein, „ik luister, wat hebt gij te zeggen?”

Ik verhaalde hem nu op welke wijze ik aan het mij dreigende doodsgevaar

was ontkomen, en mijne ontmoeting met de stalknechten des konings

Mihradhan, die mij aan zijn hof hadden gebragt.

De kapitein wist nu niet meer wat hij zou gelooven; doch weldra werd hij

overtuigd, dat ik geen bedrieger was, door de komst van een drietal

kooplieden, met wien ik aan boord zeer gemeenzaam had omgegaan, en die

mij, niettegenstaande mijne gehavende kleeding, terstond herkenden, en

hunne vreugde betuigden mij levend terug te zien. Ten laatste herkende

ook de kapitein mij en zich om mijn' hals werpende, riep hij uit:

„Geloofd zij Allah! dat hij u uit zulk een groot gevaar gered heeft. Ik

kan u niet zeggen hoeveel genoegen mij dit doet. Zie hier uwe goederen;

neem en handel er mede naar uw welgevallen.” Ik bedankte hem, prees

zijne eerlijkheid en tot een bewijs van mijne dankbaarheid verzocht ik

hem eenige balen, die ik hem aanwees, van mij ten geschenke te willen

aannemen, maar hij weigerde en ik kon hem er niet toe overhalen.

Ik nam nu het kostbaarste uit mijne balen, dat ik den koning Mihradhan

als geschenk aanbood. Daar deze vorst met mijn ongeluk bekend was,

vraagde hij mij niet zonder eenige verbazing, hoe ik aan die fraaije en

kostbare zeldzaamheden kwam. Ik verhaalde hem nu door welk geluk ik

mijne goederen had terug gekregen. Hij had de goedheid, mij daarover

zijne vreugde te betuigen en mijn geschenk aan te nemen, maar hij deed

dit laatste niet, zonder mij een tegengeschenk te geven, dat het mijne

in waarde verre overtrof. Hierop nam ik afscheid van den grootmoedigen

vorst, en na mijne koopmansgoederen tegen voortbrengselen van dat land

verruild te hebben, liet ik alles aan boord brengen van het zelfde

schip, waarmede ik van Balsora was uitgezeild. Wij gingen weldra onder

zeil, en onze terugreis was zeer voorspoedig. De lading, welke ik had

medegebragt, bestond in aloë- en sandelhout, kamfer, muskaatnoten,

foelie, kruidnagelen, peper en gember, te zamen voor eene waarde van

bijna honderdduizend sequinen. Mijne familie ontving mij met alle

teekenen van toegenegenheid, en ik was van mijn' kant zeer verblijd

allen in welstand weder te zien.

Ik kocht landgoederen, slaven en slavinnen, liet mij een prachtig paleis

bouwen, en maakte goede sier met mijne vrienden. In één woord, ik

besloot de herinnering aan mijne geleden ongemakken door een onbezorgd

en vrolijk leven uit mijn geheugen te verbannen.”

* * * * *

Sindbad brak hier zijn verhaal af, en beval de muzijkanten zich op nieuw

te laten hooren. Men hield aan met eten en drinken tot dat de avond

inviel, en de tijd om te scheiden daar was. Sindbad deed zich nu eene

beurs met honderd sequinen geven, en stelde die aan den drager ter hand.

„Neem dit voor u, Hindbad,” zeide hij, „ga naar uwe woning, en kom

morgen terug om het vervolg van mijne lotgevallen te hooren.” De drager

vertrok zeer verlegen met de eer, die hem was te beurt gevallen, en

verheugd over het geschenk, dat hij ontvangen had. Het verslag, dat hij

bij zijne tehuiskomst van het een en ander aan zijne vrouw en kinderen

deed, stemde de harten dezer arme lieden tot vreugde en tot dankbaarheid

aan de Voorzienigheid, welke hun door tusschenkomst van Sindbad zulk een

onverwacht geluk had geschonken.

Den volgenden dag droeg Hindbad zorg, zich veel zindelijker te kleeden

dan daags te voren, en verzuimde niet zich op het bestemde uur aan het

paleis van den milddadigen reiziger te doen vinden. Sindbad ontving

den drager met een vriendelijk lachje, en bewees hem alle mogelijke

beleefdheid. Zoodra alle genoodigden bijéén waren, werd de tafel

aangerigt, en men bleef ditmaal zeer lang aanzitten. Nadat de maaltijd

was afgeloopen, nam de gastheer het woord en zich tot zijn gezelschap

wendende, zeide hij: „Mijne heeren! ik verzoek u mij uwe aandacht te

schenken bij het verhaal van mijne lotgevallen op mijne tweede reis. Ik

durf u de verzekering geven, dat zij uwe opmerkzaamheid meer waardig

zijn, dan die van mijnen eersten togt.” Er heerschte terstond eene

algemeene stilte, en Sindbad ving aldus aan.

Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Tweede deel · 第 9 / 22 题