Onder de regering van denzelfden Haroun-al-Raschid, leefde er te Bagdad
een arme drager, Hindbad genaamd. Op een' zeer heeten dag moest hij eene
zware vracht dragen van het eene einde der stad naar het andere. Daar
hij door den langen weg, dien hij reeds had afgelegd, zeer vermoeid was,
zocht hij eene schaduwrijke plaats, legde zijne vracht af en ging daarop
zitten, ten einde een weinig uit te rusten. Hij bevond zich tegenover
een prachtig paleis, uit welks openstaande vensters hem eene fraaije
muzijk tegenklonk! Werd hierdoor het gehoor van onzen drager gestreeld,
zijn neus ging niet minder te gast aan den lekkeren reuk van gebak en
gebraad, welke hem uit een der keukenvensters tegenkwam. „Hier geeft
men een feest en leeft men zonder zorgen,” dacht onze arme drager,
„wie zou toch de gelukkige bewoner van dit paleis zijn?” Om zijne
nieuwsgierigheid te bevredigen trad hij naderbij, en vroeg aan een' der
prachtig uitgedoschte lakkeijen, die hij aan de deur zag staan, den naam
van zijn' heer. „Hoe,” zeide de lakkei, op een' toon van verwondering,
„gij zijt een inwoner van Bagdad, en gij weet niet, dat dit de woning is
van Sindbad den zeeman, van den beroemden reiziger, die alle zeeën en
landen, welke door de zon worden beschenen, bezocht heeft!” Onze drager
had van den onmetelijken rijkdom van dezen Sindbad dikwijls hooren
spreken en benijdde een man, die in zijne oogen even zoo gelukkig moest
zijn, als hij zelf te beklagen was. Met deze ontevreden gedachten
bezield, blikte hij ten hemel, en sprak, luide over zijn lot morrende:
„O Allah! Schepper en Bestierder der geloovigen, waartoe toch het
onderscheid tusschen dezen Sindbad en mij? Ik moet dagelijks hard
werken, hitte en koude verduren, om een schamel stukje brood voor mij
en mijn gezin te verdienen, terwijl deze gelukkige zijne schatten in
ledigheid verteert en een vrolijk en weelderig leven leidt. Wat heeft
hij gedaan, dat Gij hem met zulk een gelukkig lot bedeelt? En wat heb ik
misdreven, om zulk een hard leven te moeten leiden?” Bij deze laatste
woorden stampte hij met den voet op den grond, en sloeg zich met de
vuist voor het hoofd.
Nog was de drager in deze wanhopige gedachten verdiept, toen een der
knechten uit het paleis hem naderde, hem bij den arm greep en zeide:
„Haast u en volg mij. Mijnheer Sindbad, mijn meester, wil u spreken.”
Hindbad gevoelde zich bij deze toespraak niet zeer op zijn gemak. Hij
werd bevreesd, dat men zijne voor den heer des huizes niet vleijende
gezegden had gehoord, en dat Sindbad hem nu liet ontbieden, om hem
daarover door te halen of te straffen. Hij verontschuldigde zich dus,
dat hij zijne vracht niet onbewaakt op straat kon laten liggen, maar de
lakkei zeide, dat men daarvoor zorg zou dragen, en drong zoo sterk bij
hem aan, dat de drager, hoewel schoorvoetende, zich naar binnen liet
geleiden.
De lakkei bragt hem in eene groote zaal, waar een aanzienlijk gezelschap
aan tafel zat. Op die tafel stond eene keur der heerlijkste spijzen te
dampen. Aan het boveneinde zat een nog krachtvol grijsaard van een
ernstig en, door zijn' langen witten baard, achtbaar voorkomen. Achter
zijn' prachtigen zetel stonden eene menigte bedienden, die allen zich
beijverden om op zijne wenken te letten. Deze zoo gevierde persoon was
Sindbad.
Het gezigt van zulk een aanzienlijk gezelschap en de pracht, die alom
heerschte, bragten den armen drager zoo van zijn stuk, dat hij als een
misdadiger stond te beven. Sindbad wenkte, dat hij naderbij zou komen,
zette hem aan zijne regterhand, diende hem van het lekkerste dat op
zijne tafel stond, en deed hem inschenken van den fijnen wijn, waarmede
het buffet als overladen was.
Toen nu de drager goed gegeten en gedronken had, en ook de overige
gasten verzadigd waren, nam de gastheer het woord, en zich tot Hindbad
wendende, zeide hij, de zeden der Arabieren volgende, als zij zeer
gemeenzaam met iemand spreken: „Broeder! mag ik uw' naam weten, en ook
welk beroep gij uitoefent?” „Heer,” luidde het antwoord, „ik heet
Hindbad en ben drager van beroep.” „Het verheugt mij u hier te zien,”
hernam Sindbad, „en ik durf u de verzekering geven, dat gij ook mijnen
gasten aangenaam zijt, maar ik wensch uit uw' eigen mond te vernemen,
wat gij daar zoo even op straat gezegd hebt. Voor mijn raam staande, heb
ik eenige woorden daarvan opgevangen, en daarom stel ik er belang in,
hiervan meer te weten.”
Op deze vraag nam de verlegenheid van Hindbad toe; hij sloeg de oogen
neêr, en zeide op een' toon, die zijne ontsteltenis verried: „Mijnheer,
ik moet u ronduit bekennen, dat ik, in de misnoegde stemming, waarin ik
mij bevond, eenige onwelvoegelijke woorden heb geuit, ik smeek u mij dit
te vergeven.” „Stel u gerust, broeder,” hernam Sindbad, „vrees niet,
dat ik daarover geraakt ben. Integendeel ik kan mij zeer goed in uw'
toestand verplaatsen, en in plaats van u over uwe morrende taal eenig
verwijt te doen, beklaag ik u veeleer! Mijne wensch is alleen u uit eene
dwaling te helpen, waarin gij omtrent mij schijnt te verkeeren. Gij
verbeeldt zeker, dat ik het aangename en rustige leven, dat ik thans mag
leiden, zonder moeite of arbeid heb verkregen; hierin tast gij mis. Ik
ben eerst zoo gelukkig geworden na eene reeks van jaren meer gewerkt
en meer doorgestaan te hebben, dan gij of iemand anders zich kan
verbeelden. Ja, mijne heeren!” vervolgde hij, zich thans tot het geheele
gezelschap wendende, „ik kan u verzekeren, dat mijne werkzaamheden en
rampen van zulk een' buitengewonen aard waren, dat zij in staat zouden
zijn den begeerigsten den lust te ontnemen om de schatten, die zij in
hun vaderland niet kunnen vinden, over zee en in verre gewesten te gaan
zoeken. Gij zult waarschijnlijk slechts bij gerucht gehoord hebben van
mijne zonderlinge lotgevallen en van de tallooze gevaren, die ik op
mijne zeven zeereizen heb doorgestaan. Vermits zich daartoe thans de
gelegenheid voordoet, wil ik er u een getrouw verslag van geven. Ik durf
mij zelfs vleijen, dat gij geen berouw zult hebben, mij een aandachtig
oor te hebben verleend.”
Daar Sindbad met het verhaal zijner geschiedenis hoofdzakelijk beoogde,
den drager van zijne dwaling te overtuigen, gaf hij last, dat men zijn
pak binnenshuis halen en bergen zou, ter plaatse waar Hindbad dit mogt
verlangen. Toen ving hij aldus aan: