„Om uwe majesteit genoegen te geven,” antwoordde de toovergodin, „zal ik
de beide honden hare vorige gestalte hergeven. De dame, door u bedoeld,
zal ik genezen van hare likteekens, zoodat daarvan niet het geringste
spoor zal overblijven, en vervolgens zal ik u ook hem noemen, die haar
dus heeft mishandeld.”
De kalif beval daarop de honden uit Zobeïde's woning te halen. Zijn
bevel werd met den meesten spoed volbragt. De toovergodin vroeg nu eene
kom met water, sprak daarover eene reeks onverstaanbare woorden uit,
en vervolgens eenige droppelen van dit water nemende, wierp zij die
op Amine en op de beide honden. Naauwelijks was dit geschied, of de
laatsten veranderden in twee dames van uitstekende schoonheid, en de
likteekens van Amine waren verdwenen.
Toen zeide de toovergodin tot den kalif: „Beheerscher der geloovigen, er
blijft mij nog over u den onbekenden echtgenoot van deze dame te noemen.
Hij bestaat u van zeer nabij want het is uw oudste zoon, de prins
Amindar. Het gerucht van Amine's schoonheid deed den prins in liefde
voor haar ontsteken; hij wist haar naar zijne woning te lokken, en heeft
haar gehuwd. De mishandeling, welke hij haar heeft doen ondergaan, is
eenigzins te verontschuldigen. Mevrouw zijne echtgenoot had zich te
veel vrijheid veroorloofd, en de verontschuldigingen, die zij inbragt,
droegen het kenmerk der onwaarheid, en moesten hem doen denken, dat zij
zich aan eene veel grootere misdaad had schuldig gemaakt, dan inderdaad
het geval was. Had zij hem hare fout beleden, de zaak zou zoo ver niet
gekomen zijn, maar wie zich door een' leugen zoekt te redden, zal
daarbij nimmer wel varen. Dit is alles, wat ik uwe majesteit te zeggen
heb, om haar verlangen te bevredigen.” Na deze woorden groette zij den
kalif en verdween.
Deze monarch, opgetogen van verwondering, en tevreden ever hetgeen door
zijne tusschenkomst had plaats gehad, deed daden, waarvan de late
nakomelingschap nog met lof zal spreken. Eerst liet hij den prins
Amindar, zijn' zoon, ontbieden, en zeide hem, dat hij met zijn geheim
huwelijk bekend was, terwijl hij hem te gelijk mededeelde, bij welke
gelegenheid Amine de wond aan hare wang had bekomen, en dat alleen
schaamte over hare onbezonnen daad haar had weêrhouden, hem dit te
belijden en zijne vergiffenis af te smeeken.—De prins liet zijnen vader
niet verder voortgaan, hij wachtte niet tot deze er van sprak, van haar
weder in gunst aan te nemen, maar hij deed dit terstond uit eigen
beweging. Vervolgens verklaarde de kalif, dat hij zijn hart en zijne
hand aan Zobeïde schonk. Hare drie zusters bestemde hij voor de drie
calenders, koningszonen, die dit geschenk met vreugde aannamen. Hij wees
aan elk hunner een prachtig paleis in Bagdad tot woning aan, verhief hen
tot de eerste waardigheden in zijn rijk en gaf hun zitting in zijnen
raad. Zoo verwierf zich de beroemde kalif Haroun-al-Raschid duizend
zegeningen, door zoo vele menschen gelukkig te maken, die met
ongeloofelijke rampspoeden hadden te worstelen gehad.