„Beheerscher der geloovigen!” zoo ving zij haar verhaal aan, „ten
einde uwe majesteit niet te vervelen, door in herhaling te vervallen
omtrent zaken, welke u reeds bekend zijn uit de geschiedenis van mijne
zuster, zal ik u alleen zeggen, dat mijne moeder, voor zich zelve een
afzonderlijk huis betrokken hebbende, waarin zij haren weduwenstaat
wilde doorbrengen, mij uithuwelijkte aan een' der rijkste kooplieden
van deze stad, terwijl zij mij als bruidschat mijn vaderlijk erfdeel
uitkeerde.
Ik was naauwelijks een jaar gehuwd, toen ik weduwe werd en in het volle
bezit kwam der nalatenschap van mijn' man, welke zeer aanzienlijk was
en meer dan negentig duizend sequinen beliep. Alleen de rente van dit
kapitaal was voor mij voldoende, om op een' goeden voet te leven. Zoodra
de eerste zes maanden van mijn' rouw voorbij waren, liet ik mij tien
verschillende kleederdragten maken, zoo prachtig, dat elk kleed mij op
duizend sequinen te staan kwam, en na verloop van een jaar begon ik die
te dragen.
Op zekeren dag, dat ik geen gezelschap had, en mij met eenige
huisselijke zaken onledig hield, kwam men mij zeggen, dat er eene dame
was, die mij verlangde te spreken. Ik gaf last haar binnen te laten.
Het was eene reeds hoog bejaarde vrouw. Zij groette mij door met het
hoofd ter aarde te buigen, en op hare knieën liggende, sprak zij mij
met deze woorden aan: „Mevrouw, ik bid u, mij de vrijheid te vergeven,
die ik neem door u lastig te vallen. Het vertrouwen, dat ik in uwe
edelmoedigheid stel, is alleen in staat, mij zoo stoutmoedig te maken.
Ik moet u dan zeggen, mijne hooggeëerde dame, dat ik eene kleindochter
heb, eene wees, welke heden in het huwelijk zal treden. Wij zijn hier
echter vreemdelingen, en hebben in deze stad volstrekt geene kennissen.
Dit brengt ons in groote verlegenheid, want wij wenschen aan de
aanzienlijke familie, waarmede wij ons verbinden zullen, te doen
gevoelen, dat ook wij hier geene onbekenden zijn en eenige achting
genieten. Het is daarom, mijne edelmoedige dame, dat wij ons ten hoogste
aan u verpligt zouden rekenen, indien gij goed kondet vinden ons op de
bruiloft met uwe hooggeachte tegenwoordigheid te vereeren. Gij zoudt
ons daardoor hoogst gelukkig maken, omdat de familie, met welke wij ons
zullen verbinden, niet anders dan goede gedachten van ons zal kunnen
hebben, zoodra zij zien zal, dat eene dame van uwen rang, het niet
beneden hare waardigheid heeft geacht, ons hare tegenwoordigheid te
schenken. Maar helaas! indien gij onze nederige bede afslaat, welk eene
teleurstelling zal dit voor ons zijn! Wij zouden dan niet weten, tot wie
anders ons te wenden.”
Deze toespraak, welke de goede dame deed vergezeld gaan van hare tranen,
bewoog mij om medelijden met haar te hebben. „Mijne goede moeder,” zeide
ik, „ik wil u het genoegen wel aandoen, waarom gij mij verzoekt; zeg
mij slechts, waar ik moet wezen; ik verlang niet meer tijd, dan noodig
is, om mij daarvoor te kleeden.” De oude dame was door dit antwoord van
vreugde opgetogen, en kuste mijne voeten, eer ik dit kon beletten.
„Mijne edelmoedige dame,” hernam zij, zich weder oprigtende, „Allah zal
u de goedheid vergelden, welke gij voor uwe dienstmaagd hebt, en uw
hart verblijden, gelijk gij het onze verblijdt. Het is echter niet
noodig, dat gij u de moeite geeft naar onze woning te zoeken, of dat
gij u overhaast; het is voldoende, dat gij tegen den avond gereed zijt,
wanneer ik zelve u zal komen afhalen. Ontvang de betuigingen van mijnen
eerbied, Mevrouw,” voegde zij er bij, „ik hoop u weldra weder te zien.”
Zoodra zij mij had verlaten, nam ik uit mijne garderobe dat kleed,
hetwelk ik meende, dat mij het bevalligst stond, benevens een kostbaar
parelsnoer, braceletten, ringen en oorhangers die van diamanten
fonkelden. Het was, als of ik een voorgevoel had van hetgeen mij te
wachten stond.
Reeds begon het avond te worden, toen de oude dame zich liet aanmelden.
De vreugde stond op haar gelaat te lezen. Zij kuste mij de hand en
zeide: „Lieve dame, de bloedverwanten van mijn' aanstaanden schoonzoon
zijn reeds allen in mijne woning bijeengekomen; zij behooren tot de
aanzienlijksten van deze stad, en het zal hun voorzeker eene groote
vreugde zijn, u in hun midden te zien. Mag ik thans de eer hebben u ten
mijnent te geleiden?”
Wij begaven ons zonder verwijl op weg; zij ging vooruit en ik volgde
haar met een groot aantal mijner slavinnen, welke allen sierlijk
uitgedost waren. Wij hielden stil in eene breede straat, voor een
sierlijk gebouw met eene dubbele poort, door eene groote lantaarn
verlicht, bij wier licht het mij niet moeijelijk viel, het met gouden
letters boven de poort geplaatste opschrift te lezen: „_Hier is het
verblijf van eeuwigdurende vreugde en van vermaak._” De oude dame
klopte aan en oogenblikkelijk werden de vleugeldeuren geopend. Men
bragt mij over het binnenhof naar het hoofdgebouw en geleidde mij in
eene prachtige zaal, waar ik werd ontvangen door eene jonge dame van
onvergelijkelijke schoonheid. Zij kwam naar mij toe, omhelsde mij en
deed mij naast zich plaats nemen op eene sofa, onder een' troonhemel van
kostbaar hout en met gouden platen en kostbare edelgesteenten ingelegd.
„Mevrouw!” sprak zij op een' innemenden toon, „men heeft u verzocht hier
te komen, om eene bruiloft bij te wonen, maar ik hoop, dat die bruiloft
van anderen aard zal zijn, dan gij u dit hebt voorgesteld. Ik heb een'
broeder, van wien ik zonder overdrijving durf zeggen, dat hij de
schoonste en welgemaaktste van alle mannen is. Hij is zoo opgetogen door
den lof van uwe schoonheid, dat zijn lot in uwe handen is, en dat hij
zeer ongelukkig zal zijn, zoo gij geen medelijden met hem hebt. De rang,
dien gij in de wereld bekleedt, is hem bekend, en ik kan u verzekeren,
dat de zijne daarbij niet behoeft achter te staan. Indien mijne bede,
mevrouw, iets op u vermag, zoo voeg ik die bij de zijnen, en ik smeek u
het aanbod van zijn hart en van zijne hand, dat hij u door mij laat
doen, niet af te wijzen.”
Sedert den dood van mijn' man, had ik nog aan geen tweede huwelijk
gedacht, maar ik had de kracht niet aan eene zoo schoone en beminnelijke
jonge dame iets te weigeren. Zoodra had ik niet door een veel
beteekenend zwijgen en door het rood, dat mijne wangen kleurde, mijne
toestemming gegeven, of zij klapte in de handen en uit een zijvertrek
trad een jongeling te voorschijn van zulk een belangwekkend voorkomen en
van eene zoo mannelijke schoonheid, dat ik er door getroffen werd. Hij
zette zich bij mij neder, en in het gesprek, dat wij voerden, liet hij
zooveel geest en kennis doorstralen, dat ik de overtuiging bekwam, dat
zijne zuster, zijne verdiensten prijzende, nog verre beneden de waarheid
was gebleven.
Toen de jonge dame zag, dat wij over elkander tevreden waren, klapte
zij andermaal in de handen en een kadi[1] trad binnen. Deze stelde
zonder verwijl ons huwelijks-contract op, teekende het, en liet het ook
teekenen door de vier getuigen, die hij tot dat einde had medegebragt.
De eenige zaak, welke mijn nieuwe echtgenoot van mij begeerde, was dat
ik nimmer met een' anderen man zou spreken, en mijn gelaat alleen voor
hem ontsluijeren. Hij zwoer mij, dat ik, onder die voorwaarden, alle
reden zou hebben over hem tevreden te zijn. Op deze wijze werd ons
huwelijk gesloten en voltrokken, zoodat ik de voornaamste persoon werd
op eene bruiloft, waarop ik alleen als genoodigde dacht te verschijnen.
[1] Een _kadi_ is een Turksche regter of regtsgeleerde.
Eene maand na ons huwelijk verzocht ik aan mijn' man verlof om te mogen
uitgaan, ten einde op de bazar eenige inkoopen te doen. Hij stond mij
dit toe, en tot gezelschap, nam ik de oude dame mede, van wien ik reeds
gesproken heb, en die tot ons huis behoorde, benevens twee van mijne
slavinnen.
Toen wij op de bazar kwamen, zeide de oude dame tot mij: „Mijne
goede meesteres, daar gij naar eene zijden stof zoekt van groote
zeldzaamheid, zal het 't best zijn, dat ik u breng bij een' jongen
koopman, dien ik ken. Zijn magazijn is zeer ruim voorzien van de rijkste
stoffen. Gij zult bij hem, zonder dat gij u de moeite behoeft te geven
van den eenen winkel in den anderen te gaan, zeer zeker vinden, wat gij
zoekt, beter dan ergens anders.” Ik liet mij geleiden, en wij traden
den winkel binnen van een' jongen koopman, die er vrij wel uitzag. Ik
zette mij neder, en liet hem door de oude dame zeggen, dat hij mij
eenige stukken zijde, van de allerfijnste en kostbaarste die hij in
zijnen winkel had, zou laten zien. De oude wilde, dat ik zelve hem deze
vraag zou doen, maar ik weigerde dit, en zeide tot haar, dat eene der
voorwaarden van mijn huwelijk was, dat ik met geen' man, behalve met
mijn' echtgenoot, zou spreken, en dat ik mij daaraan ook getrouw wilde
houden.
De koopman liet mij verscheidene stukken zijde zien, en toen mijne keus
bepaald was, liet ik hem naar den prijs vragen. Hij gaf aan de oude
vrouw ten antwoord: „Uwe meesteres heeft een' goeden smaak; dit is de
schoonste en kostbaarste stof, die ik in mijn magazijn heb; ik wil ze
haar noch voor zilver, noch voor goud verkoopen; maar ik zal haar het
stuk ten geschenke geven, indien zij mij wil toestaan haar een' kus op
de wang te geven.” Ik beval aan de oude vrouw hem te zeggen, dat hij wel
vermetel was, om mij zulk een voorstel te doen. In plaats echter van te
gehoorzamen, hield zij mij voor oogen, dat, hetgeen de koopman vraagde
juist geene zaak van aanbelang was; dat niet van mij werd gevorderd om
tot hem te spreken, maar dat ik niets te doen had dan hem mijne wang
aan te bieden, en dat een zoen spoedig gegeven, en even spoedig weder
vergeten is. Mijne begeerte om de stof, die ik voor geen geld kon
bekomen, in mijn bezit te hebben, was zoo sterk, dat ik onnoozel
genoeg was mij te laten overhalen. De oude dame en de beide slavinnen
plaatsten zich voor mij, opdat geen nieuwsgierig oog mij van de straat
zou kunnen bespieden. Ik schoof mijnen sluijer op zijde, doch in plaats
van mij te kussen, beet de koopman mij in de wang, dat zij bloedde.
De smart en nog meer de schrik deden mij in zwijm vallen. Men droeg mij
naar buiten, en de koopman, van de verwarring gebruik makende, sloot
zijn' winkel en ontvlugtte. Toen ik weder tot bewustzijn kwam, voelde
ik dat mijne wang geheel bebloed was. De oude dame en mijne slavinnen
hadden inmiddels zorg gedragen, om mijn gelaat met mijn' sluijer te
bedekken, opdat de menschen, die ons omringden, in den waan zouden
blijven, dat ik slechts eene flaauwte had gekregen.
De oude vrouw was geheel ter neêrgeslagen over een voorval, waartoe zij
door haren onvoorzigtigen raad aanleiding had gegeven. Zij trachtte mij
echter, zoo veel in haar vermogen was, gerust te stellen omtrent de
gevolgen van mijne dwaze toegeefelijkheid. „Mijne goede meesteres!”
sprak zij met tranen in de oogen, „ik moet u duizendmalen om vergiffenis
vragen, daar ik oorzaak ben van dit ongeluk. Ik heb u bij dezen koopman
gebragt, omdat het een landgenoot van mij is, en nooit zou ik hem in
staat hebben geacht tot eene zoo boosaardige handelwijze, waarvan ik te
vergeefs de reden tracht te gissen. Maar geef u niet te zeer aan uwe
droefheid over; haasten wij ons om naar huis te gaan, ik ben in het
bezit van een kostbaren balsem, die de kracht heeft uwe wond in drie
dagen tijds zoo volkomen te genezen, dat er niet het minste lidteeken
van zal achterblijven.”
Mijne flaauwte had mij zoo verzwakt, dat ik naauwelijks kon gaan.
Ondersteund door mijne slavinnen, bereikte ik echter mijne woning;
doch naauwelijks bevond ik mij op mijne kamer, toen mij eene nieuwe
bezwijming overviel. De oude dame verzuimde inmiddels niet, eene
pleister met hare wonderzalf op mijne wang te leggen; ik kwam weder tot
mij zelven, en begaf mij terstond te bed. Het was reeds nacht, toen mijn
man bij mij kwam. Zoodra hij bemerkte, dat mijn hoofd met een' doek was
omwonden, vraagde hij met belangstelling wat mij scheelde. Ik gaf voor
hoofdpijn te hebben, en vleide mij dat het daarbij zou blijven. Maar
ik had mij vergist. Mijn echtgenoot nam eene waskaars van eene der
candelabers, en toen hij bijlichtte, bespeurde hij de wonde aan mijne
wang, of liever de daarop liggende pleister. „Van waar deze wonde?”
vraagde hij. Hoewel ik niet zeer schuldig was, kon ik echter niet
besluiten voor de waarheid uit te komen; het gebeurde aan een'
echtgenoot te belijden, dat scheen mij met de welvoegelijkheid te
strijden. Ik vertelde hem, dat ik naar de bazar gaande, waartoe hij mij
verlof had gegeven, op weg een drager had ontmoet, die eene zware vracht
hout op het hoofd droeg, en zoo digt langs mij heen ging, dat een
vooruitstekende tak mij het gelaat had opengekrabt, doch dat het weinig
te beduiden had.
Mijn echtgenoot ontstak daarover in hevigen toorn. „Die daad,” zeide
hij, „zal niet ongestraft blijven. Zoodra de dag zal zijn aangebroken,
zal ik den officier van politie bevel geven, dat hij al die onbeschofte
dragers van de straat doe opvatten en aan de hoogste galg hangen.”
Daar ik vreesde de oorzaak te zullen zijn van den dood van zoo vele
onschuldige menschen, antwoordde ik hem: „Mijn geliefde man, het zou mij
zeer bedroeven, indien gij zulk eene groote onregtvaardigheid begingt,
ik bid u, doe dit niet. Ik zou het mij nimmer kunnen vergeven, indien ik
daartoe aanleiding had gegeven!” „Zeg mij dan in opregtheid,” hernam
hij, „wat ik van uwe wonde moet denken.”
Ik antwoordde hem, dat ik die wond had gekregen door den ezel van een'
bezemverkooper. De man, op zijn' ezel gezeten, was mij, zoo gaf ik voor,
achter op komen rijden, en daar hij het hoofd omgewend had, kon hij mij
niet zien, waardoor hij verzuimde zijn: „Plaats! berg u!” te roepen. De
ezel was mij nu zoo ruw tegen het lijf geloopen, dat ik gevallen was,
en mijne wang aan eene glasscherf, die op de straat lag, gekwetst had.
„Als dat zoo is,” zeide nu mijn man, „dan zal de zon niet aan den hemel
verrijzen of de groot-vizier Giafar zal van deze onbeschoftheid kennis
dragen, en al deze bezemverkoopers doen dooden.” „Bij Allah,” viel ik
hem in de rede, „ik bezweer u, het dezen ongelukkigen niet toe te
rekenen, zij zijn onschuldig.” „Hoe, Mevrouw!” antwoordde hij, „wat zal
ik ten laatste moeten gelooven? Spreek, ik wil volstrekt de waarheid uit
uwen mond hooren.”—„Beste man,” hernam ik, „ik kreeg eene duizeling en
ben gevallen; ziedaar de geheele zaak.”
Dit laatste gezegde deed mijn' echtgenoot het geduld verliezen. „Ha!”
riep hij, „reeds te lang heb ik uwe leugens aangehoord!” Dit zeggende,
klapte hij in de handen en drie zwarte slaven traden binnen. „Neem
deze dame van haar bed,” beval hij, „en leg haar in het midden van dit
vertrek op den grond.” De slaven volvoerden zijn bevel, en terwijl de
een mij bij het hoofd, de andere bij de voeten hield, beval hij aan den
derden slaaf een zwaard te halen. Toen de slaaf daarmede terugkwam,
riep mijn echtgenoot: „Sla toe, scheid haar ligchaam in twee stukken
en werp die in de Tigris tot spijs voor de visschen! Zoo straf ik de
trouweloosheid van haar, aan wien ik mijne liefde heb geschonken.”
Toen mijn man zag, dat de slaaf geen haast maakte, om aan dit wreede
bevel te gehoorzamen, herhaalde hij het, zeggende: „Sla toe dan! wat
weêrhoud u, waarop wacht gij?” „Mevrouw!” zeide toen de slaaf tot mij,
„gij hebt nog slechts een oogenblik te leven; bezin u wel of gij, vóór
dat de dood u treft, ook nog iets hebt te bevelen.”
Ik vraagde verlof om een woord te mogen spreken. Dit werd mij
toegestaan. Daarop mijn hoofd opheffende, en mijn echtgenoot teeder
aanziende, barstte ik in tranen uit en klaagde: „Helaas! tot welk een'
toestand ben ik gebragt! Zal ik dan in de schoonste dagen van mijn nog
jeugdig leven moeten sterven!” Ik wilde voortgaan, maar mijne tranen
en mijne zuchten beletten mij verder het spreken. Niets van dit alles
kon mijn' echtgenoot bewegen. Integendeel, hij deed mij de hevigste
verwijten, die ik niet noodig acht voor uwe majesteit te herhalen. Ik
nam nu mijne toevlugt tot smeekingen en gebeden, maar hij wilde er niet
naar hooren, en beval den slaaf zijn' pligt te doen.
Op dat ogenblik stormde de oude dame de kamer binnen, wierp zich aan
de voeten van mijn' echtgenoot, wiens voedster zij geweest was, en
beproefde zijn' toorn te doen bedaren. „Mijn zoon!” zeide zij, „aan
mijne borsten hebt gij gezogen, met mijne melk heb ik u gevoed, en ik
heb u in uwe jeugd verzorgd als eene teedere moeder; ik vraag daarvoor
van u geen ander loon dan dat gij aan deze ongelukkige vergiffenis
schenkt. Bedenk, dat volgens de wet van onzen grooten Profeet, de
doodslager niet onschuldig geacht zal worden; dat hij, die doodt, zelf
gedood zal worden, en dat gij gevaar loopt uw goeden naam en de achting
van alle weldenkende menschen te verliezen. Wat zal men zeggen van een'
toorn, die zich alleen door bloed laat stillen!” Deze woorden, die zij
door hare tranen deed vergezeld gaan, en haar smeekende op hem gerigte
blik, maakten op mijn' echtgenoot een' diepen indruk. „Welaan,” zeide
hij tot zijne voedster, „om uwentwil schenk ik haar het leven. Maar ik
wil, dat zij haar leven lang teekenen zal dragen, die haar aan haar
misdrijf zullen herinneren.”
Op deze woorden bragt een der slaven mij met eene rotting zoo vele en
zulke harde slagen in mijne zijde en op mijn' boezem toe, dat vel en
vleesch er werden afgescheurd, en ik door pijn en bloedverlies geheel
buiten kennis geraakte. In dien toestand liet hij mij door zijne slaven
opnemen en naar een afgelegen huis vervoeren. De oude dame, welke verlof
had gekregen om mij te verplegen, droeg inmiddels de grootste zorg voor
mij. Vier maanden moest ik het bed houden. Eindelijk herstelde ik, maar
de likteekens, welke uwe majesteit in den vorigen nacht mijns ondanks
gezien heeft, heb ik altijd behouden.
Zoodra ik mij sterk genoeg gevoelde om te kunnen uitgaan, wilde ik naar
het huis, dat ik van mijn' eersten man had, terugkeeren, doch ik vond
slechts de plaats waar het eenmaal gestaan had. Mijn tweede echtgenoot
had, in de hevigheid van zijnen toorn, niet alleen mijne woning, maar
de geheele straat omver laten halen. Deze daad van geweld is voorzeker
ongehoord, en kan door niets verschoond worden; maar tegen wien zou ik
mijne klagt indienen? De bewerker van die willekeurige handelwijze had
zijne maatregelen zoo goed genomen, dat ik hem niet op het spoor kon
komen. De oude dame, van wie ik moest veronderstellen, dat zij beter met
den waren naam en den eigenlijken stand van mijn' wreeden echtgenoot
bekend was dan ik zelve, wilde zich daarover niet uitlaten. Bovendien,
al ware ik er ook in geslaagd, hem te ontdekken, was het mij niet
duidelijk genoeg, dat de behandeling mij aangedaan, het werk was van
eene onbeperkte magt? Zou ik zelfs wel den moed hebben, mij daarover te
beklagen?
Mistroostig en van alles ontbloot, nam ik mijne toevlugt tot mijne
geliefde zuster Zobeïde, en ik verhaalde haar, onder het storten van
een' vloed van tranen, mijne ongelukken in mijn tweede huwelijk. Zij
ontving mij met hare gewone goedheid, en moedigde mij aan om mijn lot
met lijdzaamheid te dragen. „Lieve zuster!” zeide zij, „gij hebt veel
ondervonden en veel geleden, maar zoo is de loop dezer wereld; niets is
hier bestendig; heden zijn wij rijk en gelukkig, en morgen van alles
beroofd. De dood ontneemt ons onze vrienden of een' dierbaar voorwerp,
in wiens liefde wij ons verblijden, en met wien wij ons in de toekomst
een' hemel van zaligheid droomden.” En om mij een bewijs te geven, dat
zij bij ondervinding dus mogt spreken, maakte zij mij bekend met hare
liefde voor den jongen prins, dien zij in de versteende stad had
aangetroffen, en die een zoo treurig einde ten deel was gevallen door de
jaloerschheid onzer zusters. Zij vertelde mij ook hoe deze, tot hare
straf, in honden veranderd waren, en dat zij haar, op bevel van de
toovergodin, elken nacht op het strengste moest kastijden, eene taak,
die haar zeer zwaar viel. Na mij nog vele bewijzen van hare liefde
gegeven te hebben, stelde ik mij ook voor aan hare jongste zuster, welke
sedert den dood van onze moeder bij haar inwoonde.
Wij danken Allah, dat hij ons op eene zoo zonderlinge wijze bij elkander
had gebragt, en wij namen ons voor onze vrijheid te behouden, en niet
weder te scheiden, vóór dat de dood ons daartoe noodzaken zou. Reeds
lang hebben wij te zamen een rustig leven geleid, en daar ik belast ben
met de huishoudelijke uitgaven, heb ik er vermaak in, de levensmiddelen,
die wij noodig hebben, zelve in te koopen. Met dat doel was ik gisteren
uitgegaan, en daar de drager, van wien ik mij bediende om de waren,
welke ik in onderscheidene winkels gekocht had naar huis te brengen,
blijken gaf van een geestig en in den omgang aangenaam mensch te zijn,
hielden wij hem bij ons, om ons met hem te vermaken. De avond was
reeds gevallen, toen deze calenders ons verzochten hen voor dien nacht
huisvesting te geven. Wij namen hen in, echter onder ééne voorwaarde,
die zij aannamen. Nadat wij hen aan tafel gul onthaald hadden,
vergastten zij ons op een concert, toen er andermaal aan de deur werd
geklopt. Ditmaal waren het drie kooplieden van Moussoul. Zij deden ons
een gelijk verzoek als de calenders, en werden onder dezelfde voorwaarde
in ons gezelschap toegelaten, want hun voorkomen was zeer gunstig, en
deed ons de beste gedachten van hen koesteren. Doch deze heeren hielden
hunne belofte evenmin als de anderen. Wij hadden de magt en waren in ons
goed regt hen daarvoor te straffen, maar wij vergenoegden ons, met hen
hunne geschiedenissen te laten vertellen, en wij namen geene andere
wraak, dan hen vervolgens weg te zenden, en hun eene wijkplaats te
ontzeggen, welke zij verbeurd hadden.”
* * * * *
De kalif Haroun-al-Raschid was zeer tevreden, dat aan zijne
nieuwsgierigheid voldaan was, en betuigde openlijk zijne bewondering
over de verhalen van al de vreemde gebeurtenissen, die hij had
aangehoord.
Deze groote monarch liet het echter hierbij niet blijven. Hij besloot
aan de drie calenders, koningszonen, en aan de drie dames een doorslaand
bewijs te geven van zijne grootmoedigheid. Zonder zich ditmaal van de
tusschenkomst van zijnen groot-vizier te bedienen, rigtte hij zelf het
woord tot Zobeïde: „Mejufvrouw,” zeide hij, „heeft de toovergodin,
welke zich eerst aan u in de gedaante van eene slang vertoonde, en
u later zulk een' zwaren taak opdroeg, niet gezegd, waar gij haar des
verlangende kunt vinden; of liever, heeft zij u niet beloofd terug te
komen, om na zeker tijdsverloop aan uwe twee in zwarte honden veranderde
zusters hare natuurlijke gedaante terug te geven?”
„Beheerscher der geloovigen!” antwoordde Zobeïde, „ik heb nog vergeten
aan uwe majesteit te zeggen, dat de toovergodin mij een pakje met
haar heeft ter hand gesteld, met de verzekering, dat, mogt hare
tegenwoordigheid door mij verlangd worden, ik daarvan slechts twee
haartjes behoefde te verbranden, dan zou zij oogenblikkelijk bij mij
zijn, al ware zij op dat tijdstip aan gene zijde van den berg Kaukasus.”
„Mejufvrouw,” hernam de kalif, „waar hebt gij dat pakje met haar?”
Zobeïde antwoordde, dat zij dit van het oogenblik af, dat het haar
door de toovergodin werd gegeven, altoos als een kostbaar voorwerp in
een medaillon om haren hals had gedragen. Dit zeggende, nam zij het
medaillon, dat zij aan een gouden kettingje op haren boezem had hangen,
opende het en toonde het pakje. „Welnu,” sprak de kalif, „doe de
toovergodin hier komen; gij zoudt haar op geen voegzamer tijdstip kunnen
ontbieden, omdat ik het zoo begeer.”
Zobeïde verzocht dat men haar een komfoor met vuur zou brengen. In
plaats van twee haartjes legde zij er het geheele pakje met haar op,
dat terstond ontvlamde. Op het eigen oogenblik schudde het paleis op
zijne grondvesten, en de toovergodin verscheen voor den kalif, onder
de bekoorlijke gedaante van eene schoone en prachtig gekleede dame.
„Beheerscher der geloovigen!” sprak zij, „zie mij gereed uwe bevelen te
ontvangen. De dame, welke mij op uw bevel heeft ontboden, heeft mij
eenmaal eene gewigtige dienst bewezen. Om haar daarvoor mijn' dank te
betoonen, heb ik haar wraak verschaft over het verraad van hare zusters,
door deze in honden te veranderen, doch als uwe majesteit het begeert,
ben ik bereid haar hare vorige gestalte terug te geven.”
„Schoone nimf,” antwoordde de kalif, „gij zoudt mij geen grooter
genoegen kunnen doen; bewijs haar die gunst. Daarna zal ik middelen
bedenken om haar te troosten over de harde straf welke zij ondergaan
hebben. Maar vooraf heb ik u nog een verzoek te doen, ten gunste van
eene dame, hier tegenwoordig, welke door haar' man op eene barbaarsche
wijze werd mishandeld. Daar gij vele zaken weet, die voor ons
stervelingen verborgen zijn, zoo vertrouw ik, dat gij mij ook in deze
zaak kunt helpen; verpligt mij alzoo door mij den naam te zeggen van
den barbaar, die, niet tevreden haar dus mishandeld te hebben, haar nog
beroofd heeft van al wat zij van haar' eersten man bezat. Het verwondert
mij, dat zulk eene onregtvaardige en onmenschelijke daad, waardoor mijn
gezag werd beleedigd, niet te mijner kennis is gekomen.”
[Illustratie: Geschiedenis van Sindbad den Zeeman.