Dl. II, pag. 13.]

„Mejufvrouw!” zeide de jongeling, „door het gebed, dat gij in mijne

tegenwoordigheid tot Allah hebt opgezonden, is het mij gebleken, dat

gij den waren God kent. Gij zult van zijne goedheid en almagt een

merkwaardig voorbeeld vernemen. Laat mij u vooraf zeggen dat deze stad

de hoofdplaats is van een magtig koningrijk, waarover mijn vader den

scepter zwaaide. Deze vorst, zijn geheele hof, de inwoners van deze stad

en al zijne onderdanen waren toovenaars, aanbidders van het vuur en van

Nardoun, den ouden koning der reuzen, opstandelingen tegen Allah.

Hoewel uit afgodische ouders geboren, is mij echter het geluk te beurt

gevallen, dat ik in mijne kindschheid werd toevertrouwd aan eene

gouvernante, welke het ware geloof was toegedaan, en den koran uit

het hoofd kon opzeggen en verklaren. „Prins!” zeide zij dikwijls tot

mij, „er is maar één ware God; wacht u dus de afgoden te dienen en te

aanbidden.” Zij leerde mij het Arabisch lezen, en het boek dat zij mij

gaf, om mij in die taal te oefenen, was de koran. Zoodra ik er vatbaar

voor was, beijverde zij zich mij dit voortreffelijk boek uit te leggen,

hetgeen echter buiten weten van mijn' vader of iemand anders plaats had.

Eindelijk werd zij mij door den dood ontrukt, doch ik had reeds zoo

veel nut van haar onderwijs getrokken, dat ik van de waarheid van het

Mahomedaansche geloof ten volle overtuigd was. Na haren dood ben ik

daarbij gebleven, en had een' grooten afkeer van den afgod Nardoun en

van de aanbidding van het vuur.

Na drie jaar en eenig maanden geleden,” vervolgde de jonge prins, „had

er hier eene zeer zonderlinge en opmerkenswaardige gebeurtenis plaats.

Boven in de lucht liet zich eene stem hooren als van eene bazuin, die

door het geheele land vernomen werd en welke sprak: „Inwoners verlaat de

dienst van Nardoun en van het vuur. Aanbidt den eenigen God, die den

hemel en de aarde heeft geschapen en al wat daar in is.”

Drie achtereenvolgende jaren liet zich deze stem hooren, maar niemand

gaf er gehoor aan of bekeerde zich van de dienst der afgoden. Ja,

sommigen dreven er den spot mede, tot dat op den laatsten dag van het

derde jaar, des morgens tusschen drie en vier uren, alle inwoners in

één' oogwenk in steenen werden veranderd, en in de zelfde houding

bleven, waarin zij op dat tijdstip gingen, lagen of stonden. Den

koning mijn' vader trof hetzelfde lot; hij werd in een' zwarten steen

veranderd, zoo als hij nog in een der vertrekken van dit paleis te zien

is. Ook mijne moeder de koningin deelde in het gods-oordeel. Ik ben de

eenigste, die door de barmhartigheid van Allah van deze algemeene en

verschrikkelijke straf gespaard bleef. Van dat oogenblik af heb ik Hem

met verdubbelden ijver gediend, en ik ben overtuigd, mijne schoone dame,

dat Hij het is, die u hier heen heeft gezonden om mij te troosten. Ik

dank Hem daarvoor met geheel mijn hart, want ik wil u wel bekennen, dat

deze eenzaamheid voor mij zeer onaangenaam is.”

Door dit verhaal, en vooral door zijne laatste woorden had de jongeling

mijn hart geheel en al gewonnen. „Prins!”, zeide ik tot hem, „wij

mogen er niet aan twijfelen, of het is de Voorzienigheid welke mij in

deze haven heeft gevoerd, ten einde u in de gelegenheid te stellen dit

rampzalige oord te verlaten. Het schip, waarmede ik mij hier bevind

en dat mijn eigendom is, zal u het bewijs leveren, dat ik in mijne

woonplaats Bagdad in eenig aanzien ben; ook heb ik daar nog vrij

aanzienlijke bezittingen achtergelaten. Ik bied u een' verblijf

ten mijnent aan, tot dat de magtige Beheerscher der geloovigen, de

plaats-bekleeder van den grooten Profeet, in wien ook gij gelooft,

u, naar uwe verdiensten beloond en eene andere plaats aangewezen zal

hebben. Deze beroemde vorst heeft zijn verblijf te Bagdad, en zoodra

uwe aankomst in zijne hoofdstad te zijner kennis zal zijn gekomen, zal

hij er op bedacht zijn u regt te laten wedervaren, en u in zijne gunst

te doen deelen. Het is niet mogelijk, dat gij langer in eene stad

blijft, waar elk voorwerp dat gij aanschouwt voor u ondragelijk moet

zijn. Mijn schip is tot uwe dienst, en gij kunt er over beschikken

naar uw welgevallen.” De prins nam mijn aanbod met vreugde aan, en wij

bragten het overige van den nacht door met alles te bespreken, wat op

onze inscheping betrekking had.

Zoodra het dag werd, verlieten wij het paleis en gingen naar de haven

en naar mijn schip. Ik vond mijne zusters en den kapitein in groote

ongerustheid over mijne voor hen onverklaarbare afwezigheid. Ik stelde

den prins aan mijne zusters voor, en deelde haar mede, wat mij had belet

den vorigen avond weder aan boord te komen.

De matrozen bragten verscheidene dagen door met het ontschepen van

de koopmans-goederen, welke ik aan boord had, en het inladen van het

kostbaarste, wat het paleis aan edelgesteenten, goud en zilver bevatte.

De meubelen en vele andere dingen van groote waarde moesten wij, bij

gebrek aan scheepsruimte, achterlaten. Om al de kostbaarheden, die wij

zagen, naar Bagdad over te brengen, ware wel eene geheele vloot noodig

geweest. Nadat wij het schip bevracht hadden met eene lading, zoo rijk

als wij slechts konden wenschen, werden de watervaten gevuld, en namen

wij vele van de beste levensmiddelen mede, zonder daaraan juist behoefte

te hebben, want de voorraad waarvan ik mij te Balsora had voorzien, was

meer dan voldoende voor onze terugreis. Toen alles gereed was gaf ik den

kapitein last het anker te doen opwinden, en daar de wind gunstig was

gingen wij nog dien zelfden dag onder zeil.

Gedurende de eerste dagen van onze terugreis leefden wij, de prins,

mijne zusters en ik, in de beste eendragt, en wij bragten den tijd zeer

genoegelijk door. Maar, helaas, dit duurde niet lang. Mijne zusters

konden de verstandhouding, die tusschen mij en den jongen prins bestond,

niet zonder jaloerschheid aanzien. Zij vraagden mij op een' hatelijken

toon, wat wij bij onze aankomst te Bagdad met dien prins uit de

versteende stad zouden aanvangen. Ik bemerkte zeer wel, dat zij met deze

vraag geen ander doel hadden, dan om mijne gevoelens uit te vorschen.

Daarom nam ik den schijn aan de zaak als scherts te willen behandelen,

en gaf haar ten antwoord, dat ik hem tot mijnen man zoude nemen. Mij

daarop tot den prins wendende, zeide ik: „Prins! ik bid u daarin toe te

stemmen. Mijn plan is, zoodra wij te Bagdad zullen zijn, u mijne persoon

aan te bieden, ten einde uwe zeer nederige slavin te zijn, bereid om u

te dienen, en u te erkennen als Heer en meester van mijn' wil en mijne

wenschen.”

„Mejufvrouw!” antwoordde de prins, „ik weet niet of dat uwe meening is,

maar wat mij aangaat, ik verklaar u in vollen ernst, hier in bijzijn van

uwe zusters, dat ik uw aanbod met geheel mijn hart aanneem, evenwel wil

ik u niet als slavin beschouwen, maar wel als gebiedster, wier minste

wenschen ik mij steeds zal gelukkig achten te kunnen vervullen.” Bij dit

antwoord van den prins, dat, naar den toon waarop hij sprak, genoegzaam

bleek ernstig gemeend te zijn, verbleekten mijne zusters, en van dat

oogenblik af kon ik aan alles bemerken, dat ik hare genegenheid had

verloren, en zij mij geen goed hart toedroegen. Wij waren reeds in de

golf van Perzië, en bij den gunstigen wind dien wij hadden hoopte ik,

dat wij den volgenden dag de haven van Balsora zouden bereiken. Maar in

dienzelfden nacht, terwijl ik in een gerusten slaap lag, grepen mijne

zusters mij onverhoeds aan, en wierpen mij over boord. Met den prins

handelden zij op dezelfde verraderlijke wijze; hij zonk dadelijk naar de

diepte en verdronk. Ik wist mij eenigen tijd boven water te houden, en

bij geluk of liever als door een wonder voelde ik eensklaps grond onder

mijne voeten. Ik liep op goed geluk voort; het water, dat mij eerst

tot aan den hals stond, nam langzamerhand in diepte af, en reikte mij

weldra nog slechts tot aan de knieën. Spoedig bevond ik mij nu op het

drooge, en toen de dag aanbrak en ik de voorwerpen kon onderscheiden,

bemerkte ik, dat ik op een klein onbewoond eiland was. Nadat ik mijne

kleederen in de zon gedroogd had, wandelde ik dieper landwaarts in. Al

voortgaande, vond ik verscheidene soorten van vruchten en eindelijk ook

eene bron van zoet water, hetgeen mij hoop gaf, mijn leven zoo lang te

zullen kunnen rekken, totdat ik door den een' of anderen visscher, die

dit eiland aandeed, om zich van versch water of van vruchten te

voorzien, uit mijne ballingschap verlost werd.

Vermoeid van het omdolen, zette ik mij in de nabijheid van de bron onder

het lommer van een' boom neder. Eensklaps zag ik nu eene gevleugelde

slang van verbazende dikte en lengte op mij afkomen. De slang scheen

echter geen kwaad tegen mij in den zin te hebben, maar wrong en

kronkelde zich in allerlei bogten, hetgeen mij deed denken, dat zij

door het een of ander ongemak gekweld werd. Ik rigtte mij op, en nu

bespeurde ik, dat deze slang bij den staart werd vastgehouden door

eene andere, nog veel grooter, die haar trachtte te verslinden. Dit

maakte mijn mededoogen gaande, en in plaats van te vlugten, had ik de

tegenwoordigheid van geest en den moed, een' grooten steen, dien ik in

mijne nabijheid zag, op te rapen en met alle kracht naar de grootste

slang te werpen. Ik trof haar juist aan den kop, die geheel verpletterd

werd. Toen de andere slang bespeurde, dat zij van hare vijandin bevrijd

was, spreidde zij dadelijk de vleugels uit en vloog weg. Ik zag haar

eenigen tijd in de lucht na, als een voor mij vreemd verschijnsel, doch

toen ik haar uit het gezigt had verloren, zette ik mij weder in de

schaduw van den boom neder, en de vermoeijenis deed mij weldra

inslapen.

Bij mijn ontwaken zag ik tot mijne groote verwondering eene zwarte

vrouw voor mij, welke twee zwarte honden bij zich had, die even als

brakken met een' ketting aan elkander waren gebonden. De vrouw had

niets afschrikwekkends in haar wezen, maar hare oogen, die zij op

mij gevestigd hield, flonkerden als sterren bij helder weder. Ik

ging overeind zitten, en vraagde haar wie zij was en wat zij van mij

verlangde? „Ik ben,” antwoordde zij, „de slang, welke gij niet lang

geleden van hare wreedste vijandin hebt verlost. Ik meende de dienst,

welke gij mij hebt bewezen, niet beter te kunnen erkennen, dan op de

wijze, zoo als ik dit gedaan heb. Het trouweloos verraad van uwe zusters

was mij bekend, en ik besloot u deswege wraak te verschaffen. Zoodra

ik mij door uwe hulp in vrijheid bevond, nam ik eene menigte mijner

gezellinnen mede, die even als ik toovergodinnen zijn. Gezamentlijk

hebben wij de lading van uw schip naar Bagdad in uwe magazijnen

overgebragt, zonder dat er iets aan ontbreekt, en daarna deden wij het

schip vergaan. Deze twee zwarte honden zijn uwe zusters, aan welke ik

die gedaante heb gegeven. De straf is echter niet voldoende, en het is

mijne begeerte, dat gij er mede zult handelen, zoo als ik u zeggen zal.”

Bij deze laatste woorden, sloeg de toovergodin den regter arm om mijne

middel, en de beide honden onder den linker nemende, verhief zij zich in

de lucht, en bragt ons in een oogwenk naar Bagdad in mijne woning over.

En werkelijk vond ik in mijne magazijnen al de kostbaarheden terug,

waarmede mijn schip bevracht was geweest. Vóór dat zij van mij scheidde,

gaf de toovergodin de twee honden aan mij over, met de woorden: „Ik wil

en ik beveel u, in naam van hem, die de zee beroert en bruischen doet

als een' borrelenden tooverpot, dat gij iederen nacht aan elke van uwe

zusters honderd zweepslagen zult geven, om haar te straffen voor de

misdaad, welke zij aan u en aan den jongen prins hebben begaan, die

dit met den dood heeft moeten bekoopen. Schiet gij hierin te kort,”

vervolgde de toovergodin op dreigenden toon, „scheldt gij haar slechts

een' enkelen slag kwijt, zoo zult gij even als zij in eenen hond worden

veranderd, en ik zelve zou u aan die straf niet kunnen onttrekken, want

hij, die het mij bevolen heeft, is magtiger dan ik.”

Er bleef mij alzoo niets anders over dan haar bevel te volgen, want al

had ik mij ook voor mijne zusters willen opofferen, zij zouden daarbij

geene baat gevonden hebben. Doch gij zijt getuige geweest, Sire! van die

strafoefening, en ook hoe ik met mijne zusters geweend heb, omdat ik

gedwongen ben, haar dus te mishandelen, niettegenstaande mijn hart er

onder bloedt, en ik haar reeds lang heb vergeven. Uwe majesteit kan dus

zelve oordeelen, of ik niet meer te beklagen ben dan te verachten. Is er

echter nog iets, dat mij betreft, Sire! en dat gij moogt wenschen te

weten, mijne zuster Amine zal er u in het verhaal van hare lotgevallen

de opheldering van geven.”

* * * * *

Toen de kalif Zobeïde met bewondering had aangehoord, liet hij de

bevallige Amine door zijn' groot-vizier verzoeken, hem nu op hare beurt

bekend te maken met de oorzaak van die vele en diepe likteekenen, welke

hij bij haar, tot zijne groote verbazing, had opgemerkt.

Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Tweede deel · 第 5 / 22 题