„Mejufvrouw!” zeide de jongeling, „door het gebed, dat gij in mijne
tegenwoordigheid tot Allah hebt opgezonden, is het mij gebleken, dat
gij den waren God kent. Gij zult van zijne goedheid en almagt een
merkwaardig voorbeeld vernemen. Laat mij u vooraf zeggen dat deze stad
de hoofdplaats is van een magtig koningrijk, waarover mijn vader den
scepter zwaaide. Deze vorst, zijn geheele hof, de inwoners van deze stad
en al zijne onderdanen waren toovenaars, aanbidders van het vuur en van
Nardoun, den ouden koning der reuzen, opstandelingen tegen Allah.
Hoewel uit afgodische ouders geboren, is mij echter het geluk te beurt
gevallen, dat ik in mijne kindschheid werd toevertrouwd aan eene
gouvernante, welke het ware geloof was toegedaan, en den koran uit
het hoofd kon opzeggen en verklaren. „Prins!” zeide zij dikwijls tot
mij, „er is maar één ware God; wacht u dus de afgoden te dienen en te
aanbidden.” Zij leerde mij het Arabisch lezen, en het boek dat zij mij
gaf, om mij in die taal te oefenen, was de koran. Zoodra ik er vatbaar
voor was, beijverde zij zich mij dit voortreffelijk boek uit te leggen,
hetgeen echter buiten weten van mijn' vader of iemand anders plaats had.
Eindelijk werd zij mij door den dood ontrukt, doch ik had reeds zoo
veel nut van haar onderwijs getrokken, dat ik van de waarheid van het
Mahomedaansche geloof ten volle overtuigd was. Na haren dood ben ik
daarbij gebleven, en had een' grooten afkeer van den afgod Nardoun en
van de aanbidding van het vuur.
Na drie jaar en eenig maanden geleden,” vervolgde de jonge prins, „had
er hier eene zeer zonderlinge en opmerkenswaardige gebeurtenis plaats.
Boven in de lucht liet zich eene stem hooren als van eene bazuin, die
door het geheele land vernomen werd en welke sprak: „Inwoners verlaat de
dienst van Nardoun en van het vuur. Aanbidt den eenigen God, die den
hemel en de aarde heeft geschapen en al wat daar in is.”
Drie achtereenvolgende jaren liet zich deze stem hooren, maar niemand
gaf er gehoor aan of bekeerde zich van de dienst der afgoden. Ja,
sommigen dreven er den spot mede, tot dat op den laatsten dag van het
derde jaar, des morgens tusschen drie en vier uren, alle inwoners in
één' oogwenk in steenen werden veranderd, en in de zelfde houding
bleven, waarin zij op dat tijdstip gingen, lagen of stonden. Den
koning mijn' vader trof hetzelfde lot; hij werd in een' zwarten steen
veranderd, zoo als hij nog in een der vertrekken van dit paleis te zien
is. Ook mijne moeder de koningin deelde in het gods-oordeel. Ik ben de
eenigste, die door de barmhartigheid van Allah van deze algemeene en
verschrikkelijke straf gespaard bleef. Van dat oogenblik af heb ik Hem
met verdubbelden ijver gediend, en ik ben overtuigd, mijne schoone dame,
dat Hij het is, die u hier heen heeft gezonden om mij te troosten. Ik
dank Hem daarvoor met geheel mijn hart, want ik wil u wel bekennen, dat
deze eenzaamheid voor mij zeer onaangenaam is.”
Door dit verhaal, en vooral door zijne laatste woorden had de jongeling
mijn hart geheel en al gewonnen. „Prins!”, zeide ik tot hem, „wij
mogen er niet aan twijfelen, of het is de Voorzienigheid welke mij in
deze haven heeft gevoerd, ten einde u in de gelegenheid te stellen dit
rampzalige oord te verlaten. Het schip, waarmede ik mij hier bevind
en dat mijn eigendom is, zal u het bewijs leveren, dat ik in mijne
woonplaats Bagdad in eenig aanzien ben; ook heb ik daar nog vrij
aanzienlijke bezittingen achtergelaten. Ik bied u een' verblijf
ten mijnent aan, tot dat de magtige Beheerscher der geloovigen, de
plaats-bekleeder van den grooten Profeet, in wien ook gij gelooft,
u, naar uwe verdiensten beloond en eene andere plaats aangewezen zal
hebben. Deze beroemde vorst heeft zijn verblijf te Bagdad, en zoodra
uwe aankomst in zijne hoofdstad te zijner kennis zal zijn gekomen, zal
hij er op bedacht zijn u regt te laten wedervaren, en u in zijne gunst
te doen deelen. Het is niet mogelijk, dat gij langer in eene stad
blijft, waar elk voorwerp dat gij aanschouwt voor u ondragelijk moet
zijn. Mijn schip is tot uwe dienst, en gij kunt er over beschikken
naar uw welgevallen.” De prins nam mijn aanbod met vreugde aan, en wij
bragten het overige van den nacht door met alles te bespreken, wat op
onze inscheping betrekking had.
Zoodra het dag werd, verlieten wij het paleis en gingen naar de haven
en naar mijn schip. Ik vond mijne zusters en den kapitein in groote
ongerustheid over mijne voor hen onverklaarbare afwezigheid. Ik stelde
den prins aan mijne zusters voor, en deelde haar mede, wat mij had belet
den vorigen avond weder aan boord te komen.
De matrozen bragten verscheidene dagen door met het ontschepen van
de koopmans-goederen, welke ik aan boord had, en het inladen van het
kostbaarste, wat het paleis aan edelgesteenten, goud en zilver bevatte.
De meubelen en vele andere dingen van groote waarde moesten wij, bij
gebrek aan scheepsruimte, achterlaten. Om al de kostbaarheden, die wij
zagen, naar Bagdad over te brengen, ware wel eene geheele vloot noodig
geweest. Nadat wij het schip bevracht hadden met eene lading, zoo rijk
als wij slechts konden wenschen, werden de watervaten gevuld, en namen
wij vele van de beste levensmiddelen mede, zonder daaraan juist behoefte
te hebben, want de voorraad waarvan ik mij te Balsora had voorzien, was
meer dan voldoende voor onze terugreis. Toen alles gereed was gaf ik den
kapitein last het anker te doen opwinden, en daar de wind gunstig was
gingen wij nog dien zelfden dag onder zeil.
Gedurende de eerste dagen van onze terugreis leefden wij, de prins,
mijne zusters en ik, in de beste eendragt, en wij bragten den tijd zeer
genoegelijk door. Maar, helaas, dit duurde niet lang. Mijne zusters
konden de verstandhouding, die tusschen mij en den jongen prins bestond,
niet zonder jaloerschheid aanzien. Zij vraagden mij op een' hatelijken
toon, wat wij bij onze aankomst te Bagdad met dien prins uit de
versteende stad zouden aanvangen. Ik bemerkte zeer wel, dat zij met deze
vraag geen ander doel hadden, dan om mijne gevoelens uit te vorschen.
Daarom nam ik den schijn aan de zaak als scherts te willen behandelen,
en gaf haar ten antwoord, dat ik hem tot mijnen man zoude nemen. Mij
daarop tot den prins wendende, zeide ik: „Prins! ik bid u daarin toe te
stemmen. Mijn plan is, zoodra wij te Bagdad zullen zijn, u mijne persoon
aan te bieden, ten einde uwe zeer nederige slavin te zijn, bereid om u
te dienen, en u te erkennen als Heer en meester van mijn' wil en mijne
wenschen.”
„Mejufvrouw!” antwoordde de prins, „ik weet niet of dat uwe meening is,
maar wat mij aangaat, ik verklaar u in vollen ernst, hier in bijzijn van
uwe zusters, dat ik uw aanbod met geheel mijn hart aanneem, evenwel wil
ik u niet als slavin beschouwen, maar wel als gebiedster, wier minste
wenschen ik mij steeds zal gelukkig achten te kunnen vervullen.” Bij dit
antwoord van den prins, dat, naar den toon waarop hij sprak, genoegzaam
bleek ernstig gemeend te zijn, verbleekten mijne zusters, en van dat
oogenblik af kon ik aan alles bemerken, dat ik hare genegenheid had
verloren, en zij mij geen goed hart toedroegen. Wij waren reeds in de
golf van Perzië, en bij den gunstigen wind dien wij hadden hoopte ik,
dat wij den volgenden dag de haven van Balsora zouden bereiken. Maar in
dienzelfden nacht, terwijl ik in een gerusten slaap lag, grepen mijne
zusters mij onverhoeds aan, en wierpen mij over boord. Met den prins
handelden zij op dezelfde verraderlijke wijze; hij zonk dadelijk naar de
diepte en verdronk. Ik wist mij eenigen tijd boven water te houden, en
bij geluk of liever als door een wonder voelde ik eensklaps grond onder
mijne voeten. Ik liep op goed geluk voort; het water, dat mij eerst
tot aan den hals stond, nam langzamerhand in diepte af, en reikte mij
weldra nog slechts tot aan de knieën. Spoedig bevond ik mij nu op het
drooge, en toen de dag aanbrak en ik de voorwerpen kon onderscheiden,
bemerkte ik, dat ik op een klein onbewoond eiland was. Nadat ik mijne
kleederen in de zon gedroogd had, wandelde ik dieper landwaarts in. Al
voortgaande, vond ik verscheidene soorten van vruchten en eindelijk ook
eene bron van zoet water, hetgeen mij hoop gaf, mijn leven zoo lang te
zullen kunnen rekken, totdat ik door den een' of anderen visscher, die
dit eiland aandeed, om zich van versch water of van vruchten te
voorzien, uit mijne ballingschap verlost werd.
Vermoeid van het omdolen, zette ik mij in de nabijheid van de bron onder
het lommer van een' boom neder. Eensklaps zag ik nu eene gevleugelde
slang van verbazende dikte en lengte op mij afkomen. De slang scheen
echter geen kwaad tegen mij in den zin te hebben, maar wrong en
kronkelde zich in allerlei bogten, hetgeen mij deed denken, dat zij
door het een of ander ongemak gekweld werd. Ik rigtte mij op, en nu
bespeurde ik, dat deze slang bij den staart werd vastgehouden door
eene andere, nog veel grooter, die haar trachtte te verslinden. Dit
maakte mijn mededoogen gaande, en in plaats van te vlugten, had ik de
tegenwoordigheid van geest en den moed, een' grooten steen, dien ik in
mijne nabijheid zag, op te rapen en met alle kracht naar de grootste
slang te werpen. Ik trof haar juist aan den kop, die geheel verpletterd
werd. Toen de andere slang bespeurde, dat zij van hare vijandin bevrijd
was, spreidde zij dadelijk de vleugels uit en vloog weg. Ik zag haar
eenigen tijd in de lucht na, als een voor mij vreemd verschijnsel, doch
toen ik haar uit het gezigt had verloren, zette ik mij weder in de
schaduw van den boom neder, en de vermoeijenis deed mij weldra
inslapen.
Bij mijn ontwaken zag ik tot mijne groote verwondering eene zwarte
vrouw voor mij, welke twee zwarte honden bij zich had, die even als
brakken met een' ketting aan elkander waren gebonden. De vrouw had
niets afschrikwekkends in haar wezen, maar hare oogen, die zij op
mij gevestigd hield, flonkerden als sterren bij helder weder. Ik
ging overeind zitten, en vraagde haar wie zij was en wat zij van mij
verlangde? „Ik ben,” antwoordde zij, „de slang, welke gij niet lang
geleden van hare wreedste vijandin hebt verlost. Ik meende de dienst,
welke gij mij hebt bewezen, niet beter te kunnen erkennen, dan op de
wijze, zoo als ik dit gedaan heb. Het trouweloos verraad van uwe zusters
was mij bekend, en ik besloot u deswege wraak te verschaffen. Zoodra
ik mij door uwe hulp in vrijheid bevond, nam ik eene menigte mijner
gezellinnen mede, die even als ik toovergodinnen zijn. Gezamentlijk
hebben wij de lading van uw schip naar Bagdad in uwe magazijnen
overgebragt, zonder dat er iets aan ontbreekt, en daarna deden wij het
schip vergaan. Deze twee zwarte honden zijn uwe zusters, aan welke ik
die gedaante heb gegeven. De straf is echter niet voldoende, en het is
mijne begeerte, dat gij er mede zult handelen, zoo als ik u zeggen zal.”
Bij deze laatste woorden, sloeg de toovergodin den regter arm om mijne
middel, en de beide honden onder den linker nemende, verhief zij zich in
de lucht, en bragt ons in een oogwenk naar Bagdad in mijne woning over.
En werkelijk vond ik in mijne magazijnen al de kostbaarheden terug,
waarmede mijn schip bevracht was geweest. Vóór dat zij van mij scheidde,
gaf de toovergodin de twee honden aan mij over, met de woorden: „Ik wil
en ik beveel u, in naam van hem, die de zee beroert en bruischen doet
als een' borrelenden tooverpot, dat gij iederen nacht aan elke van uwe
zusters honderd zweepslagen zult geven, om haar te straffen voor de
misdaad, welke zij aan u en aan den jongen prins hebben begaan, die
dit met den dood heeft moeten bekoopen. Schiet gij hierin te kort,”
vervolgde de toovergodin op dreigenden toon, „scheldt gij haar slechts
een' enkelen slag kwijt, zoo zult gij even als zij in eenen hond worden
veranderd, en ik zelve zou u aan die straf niet kunnen onttrekken, want
hij, die het mij bevolen heeft, is magtiger dan ik.”
Er bleef mij alzoo niets anders over dan haar bevel te volgen, want al
had ik mij ook voor mijne zusters willen opofferen, zij zouden daarbij
geene baat gevonden hebben. Doch gij zijt getuige geweest, Sire! van die
strafoefening, en ook hoe ik met mijne zusters geweend heb, omdat ik
gedwongen ben, haar dus te mishandelen, niettegenstaande mijn hart er
onder bloedt, en ik haar reeds lang heb vergeven. Uwe majesteit kan dus
zelve oordeelen, of ik niet meer te beklagen ben dan te verachten. Is er
echter nog iets, dat mij betreft, Sire! en dat gij moogt wenschen te
weten, mijne zuster Amine zal er u in het verhaal van hare lotgevallen
de opheldering van geven.”
* * * * *
Toen de kalif Zobeïde met bewondering had aangehoord, liet hij de
bevallige Amine door zijn' groot-vizier verzoeken, hem nu op hare beurt
bekend te maken met de oorzaak van die vele en diepe likteekenen, welke
hij bij haar, tot zijne groote verbazing, had opgemerkt.